Kind tussen hamer en aambeeld

door lievendebrouwere

Vandaag kreeg ik een mail met het verzoek een petitie te tekenen.
Heb ik onmiddellijk gedaan.
Nochtans teken ik niet gauw een petitie. Zelfs niet als ik er de wereld kan mee redden.
Zo gemakkelijk krijgen ze mijn handtekening niet.
Maar dit keer heb ik geen seconde geaarzeld.
Geen seconde.
Waarover ging het dan wel?
Dat zou ik eerlijk gezegd eens moeten nakijken.
Ik herinner het mij niet precies meer.
Maar het ging om moeders die hun kind van zich afkeren als ze met de buggy gaan wandelen.

Als ik dáár kan tegen protesteren: onmiddellijk!
Ze mogen mij elke dag een petitie sturen. Ik zal ze allemaal ondertekenen.
Want ik begrijp dat niet.
Ik begrijp niet hoe moeders met hun kind kunnen gaan wandelen zonder dat ze dat kind kunnen zien.
Ik begrijp veel. En als ik een glas op heb, begrijp ik bijna alles.
Maar DAT begrijp ik niet.
Dat gaat mijn petje compleet te boven.
Moeders die hun kind uit het raam gooien of verzuipen in de toiletpot: ik kan dat begrijpen.
Ik heb zelf kinderen gehad.
Maar dat je uit vrije wil, zonder enige aanleiding, je kind van je afkeert alsof je het niet meer wil zien? Nee, daar kan ik niet bij.

Daarnet zag ik er weer eentje.
Keurige mevrouwtje. Bon chic bon genre. Kersverse moeder. Want het was geen buggy die ze voortduwde, maar een wiegje, net groot genoeg om een boreling te bevatten.
Heel modern wiegje. Zag eruit als een barbecue-op-wielen, u weet wel, zo’n bol op een stokje.
En aan de kant van de moeder was die bol gesloten.
Aan de andere kant keek het kind de wijde wereld in.
Die prachtige, heerlijke, moderne wereld van ons.
Moest dat kind helemaal alleen verhapstukken.
Moedertjelief?
In geen velden of wegen te bekennen!
Was ze er nog wel?
Hallo, moedertje, waar ben je?

Moedertje antwoordt niet.
Moedertje is bezig modern te wezen.
Moedertje is bezig te doen zoals iedereen.
Moedertje is bezig met duizend en één zaken.
Moedertje heeft even geen tijd voor haar kind.

Ik had zin om naar haar toe te stappen en te vragen:
Mag ik eens naar uw kind kijken? Is het werkelijk zo lelijk?
U weet wel: een gesprek op gang brengen.
Meneer!!! Hoe durft u!
Ik weet niet wat u bedoelt, mevrouw.
Waarom zegt u dat mijn kind lelijk is?
Wel, ik dacht, u wilt het niet zien, wat zou daar de reden kunnen van zijn?
En ik dacht: aan de moeder kan het niet liggen, want een moeder ziet haar kind maar al te graag. Dus moet het aan het kind liggen. En aangezien het kind niet huilde, dacht ik: waarschijnlijk is het mismaakt of zo, u weet wel, met hoorntjes en hoektanden. Een duivelskind, zeg maar.
Wat zou ik anders moeten denken, mevrouw?
U, u, u bent een monster, meneer! U moet helemaal niet denken, u moet mij met rust laten!
Neemt u me niet kwalijk, mevrouw.
Ik zal het nooit meer doen.
Ik zal niet meer denken.
Net als u.

Maar beleefd als ik ben, doe ik dat natuurlijk niet.
Ik zou verdorie nooit meer thuis raken.
Je ziet vandaag geen andere moeders meer.
Soms, heel soms zie ik nog eens een moeder die haar kind naar zich toegekeerd houdt.
Ik heb dan zin om haar te gaan feliciteren.
Maar dat doe ik niet.
Hoe belachelijk is het niet een moeder te feliciteren omdat ze … moedert!
Dat is toch de normaalste zaak van de wereld!
Of dat zou het toch moeten zijn.
Maar dat is het natuurlijk niet.
Niets is nog vanzelfsprekend vandaag.

Ik heb het altijd vanzelfsprekend gevonden dat je geen sex had met kinderen.
Ik vond dat de normaalste zaak van de wereld.
Maar niet iedereen vond dat.
Progressieve intellectuelen bijvoorbeeld, vonden me bekrompen en kleinburgerlijk.
Denk toch eens na, zeiden ze.
Maar ik wilde niet.
Zieke geesten, dacht ik.
En zij vonden van mij precies hetzelfde.

Een aantal Belgische kinderen moest een vreselijk lot ondergaan om het vanzelfsprekende in ere te herstellen.
Ik vraag me af wat kinderen niet nog allemaal moeten ondergaan voordat hun ouders het normale weer vanzelfsprekend zullen gaan vinden.
Heel veel, vrees ik.
Hun lot gaat mij aan het hart.
Telkens ik zo’n kind moederziel alleen in z’n buggy zie zitten, heb ik medelijden.
En hoe kleiner het is, des te groter is m’n medelijden.

Maar helemaal erg wordt het als ik zo’n baby in een draagzakje zie, hulpeloos aan de borst van zijn moeder of vader hangend, de beentjes bungelend in de lucht.
Afschuwelijk, vind ik dat.
En volstrekt ondraaglijk (sic) wordt het als dat kind dan ook nog eens met zijn gezichtje naar buiten gekeerd is.
Dan krijg ik moordneigingen.
Dan zou ik die modernistische ouders een ongeluk willen aandoen.
Maar ik doe het niet.
Want dat kind hangt daar.

Is dát wellicht waarom moderne ouders hun kind van zich afkeren en het voor zich uit duwen of dragen?
Omdat ze bang zijn?
Houden ze hun kind voor zich uit als een schild?
Omdat ze de wereld rechtstreeks niet meer aankunnen?

Het is alvast een beeld om eens over na te denken.

Maar er is nog een ander beeld dat bij me door die draagzakmoeders wordt opgeroepen.
Lang geleden, ik was zelf nog een kind, bracht ik met mijn ouders eens een bezoek aan een of andere Sea World. U weet wel, zo’n verzameling aquariums waarin vissen rondzwemmen. Ik meen dat het in Oostende was, aan ’t Traptje, bij de vissershaven.
Waarschijnlijk was het zo’n zomer als dit jaar.
Ik keek zonder al te veel enthousiasme naar al die vissen.
Ik loop niet echt warm voor vissen. Behalve om ze op te eten.
En zo stond ik een beetje suffig te kijken naar een rog die plat op zijn buik in het zand lag.
Hij was nauwelijks van de bodem te onderscheiden.
Niemand mocht hem zien.
De rog is waarschijnlijk de autist onder de vissen.
Heb ik tegen het venster getikt om hem tot enige activiteit aan te porren?
Ik weet het niet.
Maar opeens schoot hij omhoog en toonde mij even zijn onbeschermde buik.
En toen kreeg ik een van de grote schokken uit mijn leven.
Ik was er compleet door van de kook.
Wat ik toen zag, heeft mij nog jaren achtervolgd.
Ik ben het in ieder geval nooit vergeten.
Onder aan die bleke buik van de rog, zag ik een klein wezentje hangen, met armen en benen.
En het zag eruit als een kind!
Sommige roggen kunnen je naar verluidt een electrische schok bezorgen.
Wel, er zat een dikke laag glas tussen mij en die rog, maar hij bezorgde me niettemin een schok die tot diep in mijn ziel doordrong.
Dat primitieve beest droeg een klein mensje op zijn buik!

Vreselijk vond ik dat: de gedachte dat een mens, een kind, zijn leven moest doorbrengen, geketend aan de buik van een dier, platgedrukt tussen dat dier en de zeebodem.
Geterroriseerd was ik door die gedachte.
En ik raakte ze maar niet kwijt.

Nu begin ik te denken dat ik toen als kind een blik in de toekomst wierp, een toekomst waarin mensen zodanig verdierlijken dat ze hun kinderen op de buik beginnen dragen, met hun gezicht naar de wereld gekeerd, zodat ze (innerlijk) platgedrukt worden tussen die wereld en hun moeder.

Ja, misschien moet ik die twee beelden, van angst en verdierlijking, eens samenvoegen. Misschien vormen ze wel één beeld, een beeld dat nog met andere beelden kan vervolledigd worden, en dat mij misschien kan vertellen wat moderne moeders bezielt als ze hun kind van zich afkeren, of zich afkeren van hun kind.

Maar dat is voor een andere keer.
Want buiten schijnt de zon.
Daar moet ik van profiteren.
Want een vakantie platgedrukt tussen moeder aarde en de grijze wolken, hoe overleef je dat?

De petitie kunt u tekenen op volgend adres: http://www.fuerkinder.org/unterschriften/
Het is een Duitse site. Dat merkt u aan de bevelen: Anklicken! Unterschreiben! Abschicken!!!
So einfach kann ‘Einfluss nehmen’ sein!
Laten we er een Blitzkrieg van maken.

20130629-211005.jpg

Advertenties