Mens en mening

door lievendebrouwere

Ik zit nog wat te denken over de homeopathie-discussie waar ik het gisteren over had. Het gaat in zo’n discussie niet langer om de argumenten, maar om de manier waarop je argumenten gebruikt. In een ‘normale’ dicussie stuur je je argumenten de arena in, zoals hanen bij een hanengevecht. En zij vechten het uit terwijl je zelf toekijkt. In zo’n discussie is er afstand tussen de argumenten en de argumenteerder. Uiteraard kan deze laatste zich hevig staan opwinden, roepen en schreeuwen, maar hij blijft langs de lijn. Hij betreedt de arena niet. Het zijn de argumenten of de hanen die de strijd moeten leveren, niet hun baasjes.

In ‘moderne’ discussies lijkt die scheidslijn nauwelijks nog te bestaan. De argumenteerders stappen samen met hun argumenten de arena in en slaan de tegenstander ermee om de oren. De argumenten hebben – net als de rede die zij vertegenwoordigen – niets meer in de pap te brokken, zij zijn gereduceerd tot stokken waarmee de tegenstander rechtstreeks te lijf wordt gegaan.
In zo’n moderne discussie zijn argumenten dan ook van geen tel: wat maakt het uit met welk soort stok je de ander op zijn gezicht slaat?
Waar het om gaat, is dat je de tegenstander zoveel mogelijk raakt, zoals in het boksen. Onder de gordel slaan, wordt afgeraden (omdat de ander het dan ook begint te doen), maar verboden is het niet.
Wie ertegen protesteert, wordt al vlug afgedaan als een mietje of er zelf van beschuldigd dat hij onder de gordel slaat. ‘Ad hominem’ is daarbij een vaak gehoorde uitdrukking.
Hoed u voor mensen die deze uitdrukking gebruiken, want niet zelden zijn het degenen die hard onder de gordel slaan en tegelijk hard roepen dat de ander … onder de gordel slaat.

Anders gezegd: ze keren de zaken gewoon om.
De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.
De dief roept: houd de dief!

Ziedaar de kern van de moderne discussie.
Het is een ‘omgekeerde’ discussie.
Het zijn niet langer de argumenten die vechten.
Het zijn de argumenteerders die de ring in stappen.
En eerst gebruiken ze hun argumenten nog om de tegenstander om de oren te slaan.
Maar algauw gebruiken ze de blote vuisten en vloeit er bloed.
En de argumenten?
Die stappen uit de ring en kijken verbluft toe hoe hun baasjes elkaar afmaken.

Vanmorgen las ik in de krant dat Marc Van Peel hoopt dat Bart De Wever in 2014 ‘op zijn bek zal gaan’. Dat was de uitdrukking die hij gebruikte.
Voor mijn lezers in het buitenland (voorlopig alleen nog Nederland, Frankrijk en Finland, maar mijn legioenen, pardon vijgen, rukken op):
Marc Van Peel zit samen met Bart De Wever op ’t Schoon Verdiep in Antwerpen, dat wil zeggen, ze zitten samen in de gemeenteraad. De CD&V van Marc heeft een coalitie gevormd met de N-VA van Bart. De CD&V is de vroegere CVP, de grote Vlaamse katholieke partij van weleer. Daar blijft nu niet veel meer van over. Allemaal overgelopen naar de N-VA.
De tsjeven (pilaarbijters) staan vandaag bekend voor hun schijnheiligheid en totale beginselloosheid. Voor de verkiezingen vormden ze een coalitie met de SP (of SP.A of SP.a, het is niet meer te volgen met al die naamsveranderingen), hun aloude vijand. Het was een huwelijk voor het leven: ze hadden elkaar eeuwige trouw gezworen. Tot Bartje De Wever kwam en Marc binnen de kortste keren met hém het politieke bed deelde. O tempora o mores!
De tsjeven (katholieken) en de sossen (socialisten) hebben altijd elkaars bloed kunnen drinken. In figuurlijke zin dan. Want het was eertijds een bekend verschijnsel dat twee tegenstanders elkaar in de politieke arena heftig te lijf gingen, en na afloop samen een pint gingen drinken alsof ze de beste vrienden waren.

Mannen weten waarom.

Het is inderdaad een mannelijk verschijnsel.
Vrouwen kunnen bijvoorbeeld niet begrijpen dat twee boksers eerst elkaars gezicht tot pulp slaan, en vervolgens elkaar in de armen vallen en zeggen: goed gedaan, joh!
Dat vinden ze onbegrijpelijk barbaars.
Maar dat is het nu juist niet, of toch niet helemaal.
Die twee boksers zijn weliswaar brute vechtersbazen die iemand met één klap in een baan om de aarde kunnen sturen, maar dat barbaarse geweld wordt onderworpen aan strikte regels, waar de boksers zich zelfs in het heetst van de strijd aan houden. Er is er wel eens eentje die het oor van de ander afbijt, maar dat gebeurt slechts bij hoge uitzondering.

Wat zo ‘nobel’ is aan the art of boxing is juist dat onderscheid tussen mens en bruut geweld.
Boksen, dat is: twee lichamen die elkaar proberen te slopen, terwijl de ‘baasjes’ van die lichamen, de mensen die dat lichaam bewonen, de beste vriendjes blijven.
Zo was politiek vroeger ook: de politici maakten elkaar af met grove woorden, maar de ‘baasjes’, de mens-in-de-politicus, bleven daarbuiten. Ze wachtten tot het gevecht gedaan was en gingen dan moe maar tevreden op café een pint drinken.
Kijk, dié kwaliteit, die ‘mannelijke’ kwaliteit – het uitvechten van een meningsverschil in de arena (of het nu is met hanen, bokshandschoenen of argumenten) – is nagenoeg verdwenen.
Als mensen vandaag vechten, dan is het geen spel meer.
Ze doen niet meer alsof.
Ze menen het.

Als Marc Van Peel zegt dat hij Bart De Wever op zijn bek wil zien gaan, dan meent hij dat.
En dat is de omgekeerde wereld.
Vroeger zouden die twee elkaar in de politieke arena bevochten hebben als baarlijke duivels. En vervolgens zouden ze in de Boer van Tienen lachend vijf bollekes in hun kraag hebben gegoten.
Vandaag lopen arm in arm rond in de politieke arena, als waren ze de beste vrienden. Maar ze hebben hun eerste pint nog niet op of den tsjeef begint al kwaad te spreken van den (scheldwoord naar keuze).
Het is natuurlijk de vraag of hij dat écht meent, of het niet ook deel uitmaakt van het politieke spel.

Maar de politiek is nauwelijks nog een spel.
Het onderscheid tussen mens en overtuiging wordt slechts node nog gemaakt.
Mens en overtuiging vallen in toenemende mate samen.
Daar weten ze in Nederland alles van.
Andersdenkenden worden daar niet meer aangevallen in de politieke of filosofische arena – bij wijze van spel dus – ze worden gewoon afgeknald of neergeschoten in real life.
Vraag het Pim Fortuyn.
Vraag het Theo Van Gogh.
Vraag het Ayaan Hirsi Ali.
Vraag het Geert Wilders.

Allemaal mensen die hun leven verloren hebben of dreigen te verliezen omdat ze een andere mening zijn toegedaan. En dát in het land dat altijd prat is gegaan op zijn vrijheid van meningsuiting!

Wat op het grote politieke toneel zo pijnlijk tot uiting komt, gebeurt echter ook op het kleine dagelijkse toneel van de discussie tussen twee mensen die het ergens niet over eens zijn: er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen mens en mening.
Wordt de mening aangevallen, dan wordt ook de mens aangevallen.
Men ziet geen verschil meer tussen beide.
Als ik de homeopathie verdedig, dan ben ik geen mens die verschilt van mening, ik ben een mens die verschilt van huid en haar, van hart en ziel. Ik ben een in wezen verschillend mens, ik ben een totaal ander wezen. En aangezien de sceptici zichzelf zien als de incarnatie van redelijkheid en humaniteit, moet ik wel de incarnatie van het kwaad zijn. Een onmens, zeg maar.

Ik vermoed dat ik niet de enige ben die dit al gevoeld heeft in een discussie met andersdenken (zeker als het onderwerp de tegenstelling tussen geest en materie is).
Het wantrouwen dat je dan tegemoet straalt, is een wantrouwen ten aanzien van je mens-zijn. Men twijfelt eraan of je wel een mens bent.
Waarom krijg ik in een discussie over een toch relatief onbenullig en ongevaarlijk onderwerp als homeopathie scheldwoorden naar het hoofd geslingerd als: idioot, crimineel, weerzinwekkend, degoutant, fanatiek? Toch niet omdat ik een andere mening ben toegedaan!
Nee, ik word afgeblaft en uitgescholden omdat men eraan twijfelt of ik wel een mens ben.
Kan die vent eigenlijk wel denken, vraagt men zich af. Heeft hij gevoelens? Weet hij wat goed en kwaad is? Of ligt het gewoon in zijn natuur om zijn medemensen te misleiden, te bedriegen, zwart te maken en kwaad te doen?

Ik word er met andere woorden van verdacht geen mens maar een kwade geest te zijn. Ik word ervan verdacht bezeten te zijn door een of andere demon waarmee niet te spreken valt en waartegen men alleen kan schreeuwen en schelden.
Een beetje antroposoof weet dat dergelijke demonen bestaan en dat mensen er inderdaad door bezeten kunnen worden tot op het punt dat ze hun mens-zijn verliezen. Dat zijn geesteswetenschappelijke feiten. Het wonderlijke is evenwel dat mensen die niks van antroposofie afweten – en er ook niks van willen afweten – precies hetzelfde denken.
Alleen, ze weten het niet.
Ze zijn er zich niet van bewust dat ze diep in hun ziel die demonen waarnemen en ook zien wat ze met mensen (kunnen) doen. En ze zijn er zich ook niet van bewust dat ze die onbewuste waarneming (en de diepe angst die ze veroorzaakt) op anderen projecteren, op mensen die er … een andere mening op nahouden.

Volgens Rudolf Steiner gaat de hele mensheid vandaag ‘over de drempel’, dat wil zeggen: ze komt weer in contact met de geestelijke wereld, ze wordt weer helderziend. Dat is een kosmisch gebeuren dat hij ‘het keerpunt der tijden’ noemt en waar geen kruid tegen gewassen is.
Of de mens het nu wil of niet: het gebeurt.
De geest wordt weer in hem wakker.
De grote vraag is echter: wéét hij dat het gebeurt?
Heeft hij inzicht in datgene wat zich in de diepere lagen van zijn ziel afspeelt?
Of nog: maakt hij onderscheid tussen zijn bewuste zintuiglijke waarnemingen en zijn onbewuste bovenzintuiglijke waarnemingen? Of lopen die twee ongecontroleerd door elkaar?

De vraag stellen, is ze beantwoorden.
De reden waarom je als antroposoof geen redelijk gesprek meer kunt voeren met materialisten is niet omdat deze laatsten niet in geestelijke realiteiten geloven. De reden is dat ze er wél in geloven maar het niet weten. Ze geloven net zo goed in geestelijke realiteiten (zoals demonen die mensen kunnen ontmenselijken) als ik, maar ze vermengen dat geloof met hun rationele kijk op de wereld. En ze zijn zich daar totaal niet van bewust.

Ik heb, als overtuigd antroposoof, geen enkel probleem met materialisten en atheïsten, met échte materialisten en atheïsten dan. Ik kan er zelfs beter mee opschieten dan met veel mede-antroposofen.
Want zij maken onderscheid.
Zij maken onderscheid tussen de mens en zijn overtuiging, of die nu materialistisch is of spiritueel.
Zij zijn zich bewust van hun overtuiging en zij kunnen er tegenover gaan staan en er zelfs om lachen.

Hoed u voor mensen die niet kunnen lachen om hun eigen overtuiging!

Het grote probleem – en ik denk dat álle grote hedendaagse problemen daarop terug te voeren zijn – zijn de mengvormen: materialisten die niet weten dat ze in de geest geloven, spiritualisten die niet weten dat ze materialist zijn.
De waarheid is dat we vandaag allemáál materialist én spiritualist zijn.
Niemand ontsnapt aan het alomtegenwoordige, tot in het merg doordringende materialisme.
Maar niemand ontsnapt ook aan de Grote Drempeloverschrijding, aan het hernieuwde contact met de wereld van de geest.
Allemaal zijn we mensen die met één been in de materiële wereld staan en met het andere in de geestelijke wereld.
En zo hoort het ook.
Wat echter niet hoort, is dat we het niet weten.
Wat beneden onze waardigheid is, is dat we ons niet bewust zijn van die gespletenheid.
Wat beschamend is, is dat we denken mensen uit één stuk te zijn.
Wat ronduit akelig is, is dat we op grond van dat gebrek aan bewustzijn, de wereld beginnen te verdelen in enerzijds mensen uit één stuk (een materieel stuk of een spiritueel stuk, dat doet er niet toe) en anderzijds mensen die zo gespleten zijn dat we de bokkepoten van de duivel menen waar te nemen.

Door dat gebrek aan bewustzijn van onze eigen gespletenheid, onze eigen dubbele aard, zijn we bezig een scheiding der geesten door te voeren, een scheiding in goede mensen (wijzelf uiteraard) en slechte mensen (eenieder die onze mening niet deelt).

Dat is wat ik tijdens die homepathie-discussie gevoeld en beleefd heb, en wie weet was het een min of meer helderziende waarneming. Maar daarna ben ik er beginnen over nadenken, want ik vind het akelig als een gesprek een dovemansgesprek wordt en er een geest binnensluipt die mensen ertoe brengt te gaan twijfelen aan elkaars menszijn.
Daar ben ik altijd niet goed van.
Maar ik ben intussen oud genoeg om niet meer te geloven dat het de ander is die door die kwalijke geest geïnspireerd wordt, en dat ikzelf vrijuit ga. Want dat is nu net wat die geest mij wil doen geloven: dat ik niet ben zoals de anderen, dat ik beter ben, dat ik tot een superieur ras behoor.
En verdorie, als het lot me niet zo diep met mijn gezicht in de modder had geduwd, dan zou ik hem wellicht geloofd hebben. Want de drang om zich af te keren van alles wat laag, immoreel en onmenselijk is, is vandaag ongemeen sterk. Met name de meest begaafden voelen dat ze front moeten vormen tegen de geest-der-laagheid die alles naar beneden wil trekken, in de modder en de stront.
Ze voelen dat ze de wereld moeten redden.
En uitgerekend zij, uitgerekend deze elite van de mensheid, werkt met man en macht aan een rassenscheiding, een wereldwijde apartheid. Niet op fysiek vlak, o nee, dat is slechts een rookgordijn. Het werkelijke racisme heerst op een veel dieper niveau, het is een racisme dat mensen verdeelt in goeden en slechten, in mensen en onmensen. Het is een geestelijk racisme, een racisme dat een scheiding der geesten wil doorvoeren.

Dit racisme verspreidt zich via mensen die geen onderscheid meer maken tussen mens en mening, die denken dat een andere mening ook een andere mens betekent, een mens die zo totaal anders is dat je er niet meer kunt of wilt mee samenleven.
Dit racisme verspreidt zich via discussies zoals ik er net een gevoerd heb, discussies waarbij je zoveel wantrouwen tegenmoet komt dat je bijna niet anders kunt dan op je beurt de ander te gaan wantrouwen.
Wat voor mens is het immers die, louter op grond van een afwijkende mening, mijn menszijn in twijfel trekt?
Wat voor mens is het die zich zo bot en grof tegen me gedraagt dat ik wel een bijzonder weerzinwekkend, degoutant en fanatiek wezen moet zijn?
Is zo’n mens wel een mens?

En zo zijn we vertrokken voor een eindeloze, uitzichtloze discussie waarbij argumenten alleen maar dienen om de ander zoveel mogelijk te kwetsen en naar omlaag te halen, een discussie waarin het wederzijdse wantrouwen zich gaandeweg ontwikkelt tot pure walging en haat.
Zo voeden we een geest die mensen ertoe aanzet om elkaar uit te roeien, in naam van de rede en de menselijkheid.

Het is een geest die overal opduikt waar twee of meer in zijn naam aanwezig zijn.

Hoed u dus voor mensen die in naam van de rede en de mensheid spreken!
Want zij willen u een kopje kleiner maken.
Maar hoed u er nog meer voor om net hetzelfde te willen doen!
Want it takes two to tango.

Als deze geest opduikt, zijn er altijd twee die hem dienen.
En één ervan ben jezelf.

Dat is de harde les die ik moet leren uit die fameuze discussie: ik ben niet beter dan die ander.
Ik houd misschien wat meer mijn manieren, maar dat is slechts de buitenkant.
Van binnen voel ik net dezelfde geest opduiken die ik in de ander zo verafschuw.
Het is tegen die geest dat ik moet vechten, niet tegen de ander.
Want die is net zo goed slachtoffer als ikzelf.
Het enige verschil is dat hij het nog niet weet.

En dat weten, het weten omtrent de gevaarlijkste geest van onze tijd, de geest van blinde haat, van broedertwist en uitroeiing, dát weten moet ieder mens op zichzelf bevechten.
Als de strijd met de ander achter de rug is, begint de strijd met jezelf.
En eigenlijk is er geen verschil tussen beide.

Strijd met anderen is altijd een strijd met jezelf.

En zeggen dat ik alleen iets wilde schrijven over Marc Van Peel die hoopt dat Bart De Wever op zijn bek gaat …

20130629-125321.jpg

Marc den Tsjeef

20130629-125425.jpg

Het Verdriet van België (voor)

20130629-125552.jpg

Het Verdriet van België (tijdens)

20130629-125745.jpg

Het Verdriet van België (na de Kracht van Verandering)

Advertenties