Vive le vélo!

door lievendebrouwere

20130630-082808.jpg

De Tour de France is weer begonnen!
Om u in de stemming te brengen: een kleine introductie van de hand van Koen Meulenaere, ex-sportjournalist.

“Om maar te zeggen dat vandaag de Ronde van Frankrijk begint, het jaarlijkse hoogfeest van leugen en bedrog. Die bloedmachine gezien waarmee de Rabobank-ploeg de dopingcontroles omzeilde? Ongelooflijk. Die moet ineen geknutseld zijn door professor Gobelijn en professor Barabas. Geholpen door professor Vermeersch. Een stalen constructie van twee meter hoog, vol tandwielen en radertjes, transformatoren en dynamo’s, buizen en katrollen, kabels en koorden, vloeistofreservoirs en plastieken darmen, uitmondend in een schrikwekkende injectiespuit. Midden in dat mechanisme hing dan een zak bloed van de broer van Michael Boogerd, en daarmee werd iedereen ingespoten. Fluitend door de controle.
Nu ook Jan Ullrich toegeeft dat hij op epo reed en dat dus ook zijn eindzege van de lijst moet worden geschrapt, en in afwachting dat de dwaze mythe van Team Sky wordt doorgeprikt, deze quizvraag: ‘Wie won de jongste 25 jaar de Tour de France?’ Antwoord: Greg LeMond.
Met dat wielerwereldje is maar één ding te doen: arresteer eenieder die de voorbije twintig jaar als renner, ploegleider, ploegdokter of verzorger aan de start van een koers heeft gestaan, plus Michel Wuyts, en sluit hen op in een herbronningskamp in Noord- Korea. Risico op juridische dwaling: nihil.
Als er onder de kopers van De Tijd nog één naïeve duif zou schuilen die gelooft dat er bij de eerste honderd in de algemene rangschikking ook maar één enkele coureur is die rijdt zonder verboden middelen, dan zeggen wij onmiddellijk diens abonnement op. Ja, het omgekeerde is gebruikelijker, maar wij wensen bij deze krant geen domme lezers. Voor hen is er nu Het Mediahuis.
Maar laat dat u niet afschrikken: veel plezier met de Ronde.
Dat de volst gespotene moge winnen.”

Koen Meulenaere is geen sportjournalist meer en dat betekent dat hij zijn mond niet meer moet houden.

Zijn Nederlandse collega Mark Smeets is wel nog sportjournalist. Hij zegt het volgende:

“Neem van mij aan dat doping onlosmakelijk is verbonden met topsport. Ik had dit aan moeten tonen, vindt men. Zeg mij hoe ik dat had moeten doen. Ik doe aan reflectie. Ik ben tekortgeschoten. Maar met mij iedereen. Alle Belgen, alle Fransen, alle Amerikanen. Geen enkele sportjournalist kreeg iets boven water. Moreel gezien zijn wij ook verliezers.”

Tijdens een televisie-interview over zijn jongste boek ‘Gepakt’ werd hij een beetje in de hoek gedrumd en gaf uiteindelijk toe: ‘natuurlijk is er niks veranderd.’ Hij bedoelde: er wordt nog net zoveel geslikt en gespoten als vroeger. Geen enkele renner is clean. Wat ze ook beweren.

De Tour de France dus.

Ik heb hem ooit één keer met eigen ogen gezien. Hier te lande ergens, want de Tour de France wordt stap voor stap een Tour du Monde.
Vol verwachting sta je langs de weg, ‘midden de mensen’ zou Yves Leterme zeggen.
Het duurt een eeuwigheid, maar dan ontstaat er beroering: ze zijn daar, ze zijn daar!
En ja, daar komt de eerste al aan: een reclamewagen die grote haast heeft.
Daarna volgt er nog een reclamewagen, en nog een, en nog een.
Een uur lang passeert er een défilé van reclamewagens in alle mogelijke kleuren en formaten.
Af en toe regent het vlaggetjes, snoep, ballonnetjes, balpennen en ander promotiemateriaal.
Er komt maar geen eind aan.
En dan, onverwachts, zijn de renners daar.
Zoef, zoef, zoef, zoef.
Je weet niet wat je ziet, je herkent geen mens, en ze zijn voorbij voor je ’t beseft.
Verdwaasd staar je naar de auto’s die de karavaan sluiten.
Een rode vlag. En dat was het dan.
De Tour de France.
Een circus op doortocht.
Aan een razende snelheid.
Zoef, zoef, zoef, zoef.

Ik begreep het niet.
Wat had je daar nu aan?
Maar iedereen stond op straat om te kijken.
Misschien was het dát wel: iedereen kwam op straat.
As in the good old days.
Je weet wel: zonnetje schijnt, stoelen buiten, en kijken naar wie passeert.
Ik heb dat zelf nog gedaan, hier op de Dendermondesteenweg.
Er werd meer naar mij gekeken, dan omgekeerd.
Maar het gaf me wel een kick: buiten zitten in plaats van binnen.
Zou dat ook de kick van het wielrennen zijn: er gebeurt iets op straat, we gaan kijken?

Zowat alle moderne sporten spelen zich af op een afgebakend terrein. Moderne voetbalstadia (AA. Gent!) zien er zelfs uit als gigantische space shuttles. Als je daarin zit, bevind je je niet meer op aarde.
De koers daarentegen, die speelt zich gewoon … op straat af!
Als een overblijfsel uit het stenen tijdperk.
Als een uitgestoken middenvinger naar het moderne tijdperk.
Het heeft dan ook iets heroïsch: met de fiets op straat rijden!
Je trotseert het Moderne Monster, the King of the Street: de Auto!
Vooral hier in Vlaanderen is daar ware doodsverachting voor nodig.
Iedere fietser riskeert hier zijn leven.
Er wordt er dan ook gemiddeld één per week van de weg gemaaid.
Overal waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men kruisjes met bloemen tegen: kleine herdenkingsmonumentjes voor een Gevallen Fietser, gestorven op het veld van oneer.

Ja, er is ongemerkt een enorme strijd aan de gang op onze wegen: de strijd tussen David en Goliath, de strijd tussen fietser en auto, tussen Joris en de draak.
Tot voor kort had die strijd nog iets ludieks.
De auto was de reus, de onbetwiste heerser op de wegen. Maar af en toe organiseerde men een wielerkoers, en voor één dag kreeg de fiets het voor het zeggen. Een beetje zoals op carnaval, of op die oude feesten waar de rollen werden omgedraaid en de meester de knecht moest gehoorzamen.
Ik vraag me trouwens af: wat was er het eerst, de fiets of de auto?
Heeft de auto de fietser verdreven of is men juist wielerwedstrijden beginnen organiseren om de auto, al was het maar voor één dag, te verdrijven?
Daar zou men eens onderzoek moeten naar doen!
Mijn hypothese is alvast dat wielerwedstrijden een uitdrukking zijn van de spanning tussen oud en nieuw, tussen mens en machine, tussen volk en elite.
Want coureurs zijn volks, o ja!
Ik herinner me nog legendarische interviews, vlak na de aankomst van een loodzware koers:

Eddy, wat is er nu eigenlijk gebeurd?
Goh Fred, kweetekekdannie (rochel, rochel), hodverdoemme (snuif, snuif), kaakekkeplattetube!
Wat ging er door uw hoofd Eddy, toen gij de meet zaagt naderen?
Nietn, Fred, geeltegans nietn! Kostekekkollangeniemmeepijzn!

Ja, die interviews met smerige, rochelende, vloekende coureurs, door Fredje de Bruyne, zelf ex-coureur! Dat waren leuke dingen voor de mens!
Men heeft Fredje dan ook ontslagen. Hij deed zijn werk uitstekend, maar hij had geen diploma, hij was een coureur, hij was veel te volks.
Men heeft hem dan vervangen door Michel Wuyts, de meest onuitstaanbare leuteraar in ons melkwegstelsel. Máár: Michel had een diploma, hij had gestudeerd, hij was geen coureur.

Ja, op alle niveaus is er in de wielrennerij een hevige strijd gaande.

20130630-113714.jpg

Tot nog toe speelde die strijd zich hoofdzakelijk achter de schermen af.
Maar sinds de eenentwintigste eeuw is aangebroken, zijn die schermen weggevallen.
De echte strijd is nu zichtbaar geworden.
En die strijd wordt niet tussen de wielrenners onderling gestreden.
Hij wordt gestreden tussen wielrenners en dopingjagers.

20130630-115708.jpg

Het spannende aan de Tour is niet: wie gaat hem winnen?
Het spannende is: wie gaat er gepakt worden?

Wie gepakt wordt, verliest.
Wie niet gepakt wordt, wint.

Iedereen weet het: zonder doping win je geen Tour.
Vraag het Lance Armstrong maar.
Hij was jarenlang een onbeduidende wielrenner. Maar toen won hij opeens, out of the blue, zeven keer na elkaar de Tour de France.
De vraag was niet meer: wie wint de Tour de France?
De vraag was: wie wordt tweede?
Maar dat waren natuurlijk nepvragen, om het publiek bezig te houden.
De echte vraag, dat wist iedereen achter de schermen, was:
Hoelang zal Armstrong het winnen van de dopingjagers?

20130630-120340.jpg

Hij verloor er zelf de tel bij. Winnen was zo gewoon, een fluitje van een cent.
In werkelijkheid was het een spuitje van meer dan één cent.
Armstrong won omdat hij meer geld investeerde in doping.
Hij was geen sportman, hij was een businessman.
Een vrije ondernemer die probeerde de belastinginspecteurs te slim af te zijn.
En hoe meer geld je hebt, des te beter dat werkt.
Armstrong kon niet alleen betere doping kopen, hij kon ook de inspecteurs kopen.
En zo won hij zeven keer op rij de Tour de France.
De Tour de Finance eigenlijk.
Want alles draait om geld.
Een uur lang reclame en dan zoef, zoef, zoef, een paar coureurs.
Dát is de Tour anno 2013.

Waar is de tijd dat je als coureur onderweg nog kon afstappen, een café binnengaan en daar een frisse pint drinken, om vervolgens welgezind weer op de fiets te kruipen?
Het gebeurde wel eens dat de anderen je voor waren geweest en dat al het bier op was. Dan maakte je maar een fles wijn soldaat en ging een uiltje knappen onder een plataan.
Dat is nu allemaal voorbij.
Nu is ’t van zoef, zoef, zoef.
Al die wielrenners staan stijf van de stimulerende middelen. Zelfs als ze zouden willen, kunnen ze niet meer afstappen. Dat zie je aan de eindmeet: wielrenners stappen niet af als ze de aankomst bereikt hebben. Ze rijden gewoon door, recht in de armen van hun verzorger, die hen van de fiets sleurt, een autobus binnen. Daar krijgen ze dan direct een bloedtransfusie, zodat ze weer mens worden.

De moderne coureur is geen sportman meer, hij is een machine vol brandstof.

20130630-122058.jpg

De strijd gaat dan ook niet tussen de wielrenners en de dopingjagers.
De strijd gaat tussen de vrije markt (die steeds betere machines en steeds betere brandstof maakt) en de staat (die alles aan haar regels wil onderwerpen).
Dié strijd is het die in de Tour de France wordt gestreden.
En hij wordt uitgevochten over de hoofden van wielrenners en wielerliefhebbers heen.

Twee gigantische machtsblokken gaan ieder jaar de strijd aan.
En ieder jaar winnen ze die strijd.
De bedrijven maken ieder jaar meer winst, de staat maakt ieder jaar meer regels.
En de grote verliezers zijn: de wielrenners en de supporters.
De wielrenners worden slechter behandeld dan melkkoeien.
Ze kunnen op gelijk welk moment ’s nachts uit hun bed gehaald worden om in hun blootje in een potje te pissen onder het toeziend oog van de dopingjagers.
Als ze het huis verlaten, al was het maar om naar de bakker te gaan, moeten ze de dopingjagers daarvan op de hoogte stellen. Want die moeten hen te allen tijde de broek kunnen afstropen.
Het is ongelooflijk beschamend om vandaag wielrenner te zijn.
Je bent doodgewoon een proefkonijn.
Als je geluk hebt, word je een rijk proefkonijn.
Heb je geen geluk, dan mag je blij zijn dat je ’t overleeft.
(Ik herinner me nog de beelden van Tom Simpson die in prime time dood van zijn fiets viel op de Mont Ventoux)
En de supporters?
Die worden bedrogen dat het niet mooi meer is.
Ook zij zijn proefkonijnen.
Laten we eens kijken hoever we kunnen gaan voor het vee begint te loeien, denken de staatslieden. Want de supporters staan met duizenden langs de weg te kijken als koeien naar een trein. Urenlang staan ze in de zon, ja ze kamperen zelfs ter plekke. Allemaal om dat zoef, zoef, zoef te kunnen meemaken. Het is de natte droom van iedere moderne staatsman.

20130630-124158.jpg

Wat moet een mens nu doen als hij dat allemaal weet?
Hoe kun je nog plezier beleven aan die Tour de Farce?
Wel, dat is heel eenvoudig:
Je schakelt een versnelling hoger.
Je bekijkt het hele circus als een metafoor, als een beeld van wat overal ter wereld gaande is:
The Clash of Civilisations.
De botsing tussen de cultuur van de Vrijheid en de cultuur van de Regels.
En het zijn niet die twee culturen die averij oplopen bij die frontale botsing. Integendeel, ze worden er alleen maar sterker en harder van.
Het grote slachtoffer, dat tussen die twee Reuzen wordt platgedrukt, is de cultuur van het Spel.
De Spieltrieb, zoals Schiller het noemde.
Dat is de ware menselijke cultuur.
Een mens is maar echt mens wanneer hij speelt.

Als we niet helemaal gedeprimeerd willen raken door het schouwspel van de verpletterde mens, dan moeten we de Tour de France weer als een spel leren zien.
Geen op zichzelf staand spel, dat zich afspeelt op een afgebakend terrein.
Maar een spel dat zich ‘op straat’ afspeelt, een spel dat met de hele wereld verbonden is.
Wanneer we naar de Tour de France kijken, dan zien we veel meer dan alleen een paar coureurs die – zoef, zoef, zoef – om ter snelst rijden.
We zien een spiegel waarin de hele wereld weerspiegeld wordt.
We zien een beeld, een metafoor.
We zien een kunstwerk.

Maar dat kunstwerk is niet af. Er ontbreekt iets aan, iets essentieels.
Er ontbreekt een kijker die het als een kunstwerk ziet!
Dat klinkt misschien onnozel, maar wat is een boek als het niet gelezen wordt?
Wat is een schilderij als het enkel gezien wordt als wat verf die op een doek gesmeerd is?
Wat is een fuga van Bach als we er niet naar luisteren?

Een kunstwerk wordt maar kunst als het als zodanig gezien wordt, als de kijker die inspanning opbrengt.
Het kost ons geen moeite om een boek te lezen, of naar een schilderij te kijken, of naar muziek te luisteren. Maar dat is omdat we het (spelenderwijze) geleerd hebben.
We zijn echter in een nieuw tijdperk beland.
De kunst van onze tijd speelt zich niet langer af in musea, bibliotheken en concertzalen.
Ze speelt zich af op straat.
De straten van de Tour de France bijvoorbeeld.
De grens tussen kunst en werkelijkheid is weggevallen.
En om zowel die nieuwe kunst als die nieuwe werkelijkheid – die in feite één zijn – te kunnen waarnemen, moeten we ze als een kunst leren zien.
Om van dat spektakel te kunnen genieten, zoals we dat met kunst doen, moeten we de wereld als een kunstwerk leren zien.

En dat heeft zijn tijd nodig.
Ars longa, vita brevis.
We konden de schilderijen van de impressionisten eerst ook niet smaken.
We vonden het een afschuwelijke Clash of Civilisations. De Nieuwen tegen de Ouden.
Maar zie: vandaag is het impressionisme de populairste schilderkunst ooit.
En ze was ook een Tour de France.

Als we ons dus over de schok kunnen heen zetten, en de huidige Tour de France niet langer alleen zien als een ( zeer bedenkelijke) werkelijkheid, maar ook als een kunst, dan kunnen we er weer enthousiast over worden. Dan kunnen we zien hoe hier een kunstenaar aan het werk is die ons een spiegel toont van de wereld waarin we leven. Een enigszins karikaturale spiegel, maar je kunt er tenminste om lachen.
Als we erin slagen deze Tour de France als een metafoor te zien – en dat zullen we spelenderwijs moeten leren – dan zullen er twee dingen gebeuren:

Eén: we zullen tot onze grote verbazing oog krijgen voor de ‘kunstenaar’ die achter de schermen bezig is, en die het grootste Miskende Genie is van onze tijd. Alleen al het herkennen van zijn hand zal ons moed geven.
Twee: ons enthousiasme zal de Tour zoals hij nu is doen veranderen. Wij zullen geen machteloze toeschouwers meer zijn, maar medescheppers. Het zal steeds meer ook ónze Tour worden, een Tour waar we niet alleen naar kijken, maar die we in zekere zin ook meerijden.

Want stelt u zich eens voor wat er zal gebeuren als we de Tour de France als een metafoor, als een kunstwerk gaan zien!
Ons enthousiasme zal de wielrenners en hun entourage zeker ter ore komen. Spelers luisteren graag naar applaus. Ze zullen blij zijn met zoveel onvervalste geestdrift, zeker na al die cynische en spottende verhalen over billen en spuiten.

20130630-132446.jpg

Maar dan zullen ze de reden van die geestdrift vernemen, namelijk dat we hen zien als metaforen.
Ze zullen vernemen dat we hen zien als proefkonijnen, als vliegen die verpletterd worden tussen de Vrije Markt en de Strenge Staat.
Het zal hen ter ore komen dat we hen eigenlijk zien als toneelspelers die een rol spelen die iemand anders geschreven heeft. Ze zullen doorkrijgen dat we hen niet als mensen zien, maar als personages.
En dat zal niet het ergste zijn, want dat zullen ze allemaal al wel eens gelezen hebben in kritische krantenartikels.
Het ergste zal zijn dat we er allemachtig veel plezier aan beleven, dat we hartelijk lachen om dat hele circus, om die hele schijnvertoning.
En dat lachen zal pijn doen.
Ze zullen er niks kunnen tegen doen, want ze kunnen toch niet ook nog eens oorlog gaan voeren tegen hun eigen supporters!
Ze zullen geen andere keuze hebben dan beginnen nadenken.
Nadenken over hun eigen rol in dat circus.
Nadenken over het feit dat ze gebruikt worden.

Niemand vindt het leuk te beseffen dat hij maar een rol speelt, dat hij niet zelf zijn leven bepaalt, dat hij niet vrij is. En vrijheid is juist de essentie van ieder spel, van iedere sport.
Waarom begint iemand te koersen?
Toch niet omdat het moet!
Hij begint te koersen omdat hij daar vreugde aan beleeft.
En die vreugde, zal hij beseffen, is nu weg.
Ze is vervangen door geld, adrenaline en epo.

Ja, zo zie ik het gebeuren.
Als we erin slagen om de Tour de France als een metafoor te zien en daar vreugde aan te beleven, dan zal onze vreugde de wielrenners herinneren aan de vreugd die ook hen ooit bezielde, de vreugde die ze nu kwijt zijn en die vervangen is door het genot om de sterkste te zijn, een genot dat ze betalen met schaamte.
En ze zullen niet meer op de oude voet verder willen gaan.
Ze zullen ‘anders’ willen koersen.
Ze zullen de Tour van binnenuit willen veranderen.
Ze zullen de handschoen opnemen tegen de reuzen die hen verpletteren.

En zo zal er, na veel strijd en na veel tijd, misschien een nieuwe Tour ontstaan.
Een Eco-Tour!
Biologisch wielrennen!
Zonder cyclociden!
Zonder genetische manipulatie!
Met mensen!

20130630-135359.jpg

De revolutie van de vreugde.
De Kracht van Verandering door Kunst.
Het is de enige revolutie waarin ik geloof, de enige kracht van verandering.
Alle andere zijn lood om oud ijzer.
En die Nieuwe Tour zal merkwaardig genoeg lijken op de Oude Tour,
toen renners niet alleen na afloop, maar ook onderweg feestjes bouwden.
Maar dit keer zullen de Mannen Weten Waarom.
Het zullen BW’s zijn, bewuste wielrenners.
Ze zullen geen doping nemen, niet omdat het niet mag, maar omdat ze weten dat het hen herleidt tot verklede apen in een circus.
Ze zullen weten dat ze met de ernstigste job ter wereld bezig zijn:
Het scheppen van vreugde.
Het spel dat mensen tot mens maakt.

En nu ga ik naar de Tour kijken.
Eens zien of er al wat te lachen valt.

20130630-140708.jpg