Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: juli, 2013

20130726-182422.jpg

Advertenties

Vakantie!

20130726-112139.jpg

De zomer – hoe warmer hoe beter – is een goed moment om iets te doen aan digitale dementie,
om even los te komen van de hersenen,
om weer lichaam te worden.

Dus legt Vijgen na Pasen er even de riem af.
Ik ga met vrouwlief voor een weekje naar zee.
Op het strand wandelen,
op het zand liggen,
helemaal niks doen.
En schilderen.

Dat is het plan.

U hoort nog wel wat ervan gekomen is.

20130726-112810.jpg

Digitale dementie (2)

20130726-110338.jpg

Ladies and gentlemen, fasten your seatbelts!

Bij uitgeverij Atlas Contact verscheen dit jaar het boek ‘Digitale Dementie’ van Manfred Spitzer, een professor doctor die volgens de achterflap een van Duitslands belangrijkste geheugenonderzoekers is. De man studeerde medicijnen, psychologie en filosofie. Hij doceerde aan Harvard University en is momenteel directeur van een psychiatrische universiteitskliniek.

Zijn boek kan als volgt worden samengevat:

‘Wie wil dat zijn kinderen dom, dik, asociaal, afgestompt, gewelddadig, verslaafd, depressief en voortijdig dement worden, moet ze een computer kopen.’

Deze kernachtige boodschap onderbouwt de professor tot vervelens toe met studies, onderzoeken en experimenten. En ze zeggen allemaal hetzelfde: computers (laptops, tablets, smartphones) zijn slecht voor kinderen. En hoe jonger de kinderen, des te slechter. Voordelen zijn er niet. Daar is de wetenschap het al lang roerend over eens.

Maar, zult u vragen, als het wetenschappelijk vaststaat dat computers slecht zijn voor de mentale, gevoels- en wilsmatige ontwikkeling van de mens, hoe komt het dan dat het gebruik van digitale media voor de scholen zo massaal gepromoot wordt?

Manfred Spitzer geeft drie redenen.

De eerste (en belangrijkste) is: geld.
De producenten van digitale media verdienen gigantisch veel geld. Er bestaat geen koopwaar uit die prijsklasse die zo’n kort leven beschoren is (een drietal jaar) en die dus voortdurend moet vervangen worden. Met al dat geld betalen de bedrijven reclamecampagnes en bedrieglijke onderzoeken.

De tweede reden zijn de media.
Zij gaan zichzelf niet in de voet schieten door anti-reclame te maken voor digitale media. En dus wordt er niet of nauwelijks ruchtbaarheid gegeven aan wat de wetenschap zegt over de gevolgen van computergebruik.
Het moet gezegd: ik heb ‘Digitale Dementie’ nergens vermeld zien staan in de kranten. Ik lees ze wel niet systematisch, dus ik kan het gemist hebben, maar het verschijnen van een boek als dit zou groot nieuws moeten zijn. Het zou alle mogelijke aandacht moeten krijgen omdat het hier gaat om een kapitaal probleem van volksgezondheid. De kwalijke gevolgen van vroegtijdig en frequent computergebruik voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de bevolking zijn gewoon niet te becijferen.

De derde reden zijn de politici.
Ze willen de media niet tegen zich in het harnas jagen, en dus zwijgen ze over de kwalijke invloed van de digitale media. Meer zelfs, ze juichen het gebruik ervan toe en verklaren onomwonden dat er geen gevaren zijn, hoewel ze zeer goed weten dat die er wél zijn.
Maar ja, zegt Manfred Spitzer, kinderen gaan niet stemmen en dus trekken de politici zich niks van hen aan. Ze behandelen kinderen als vee, niet als mensen die met respect dienen behandeld te worden.
Zelfs mensvriendelijke ngo’s als Amnesty International en Greenpeace houden hun mond.
Ik zie, zegt Manfred Spitzner, geen enkele maatschappelijk relevante instelling die ons attent maakt op de negatieve gevolgen van digitale media voor onze gezondheid.

De brave man heeft het duidelijk heel moeilijk met deze ‘trahison des clercs’ en hij moet zijn uiterste best doen om niet cynisch te worden:

“Stel je voor: ze lijden allemaal aan digitale dementie en niemand heeft wat door!’ Alleen een cynicus zal denken dat het ook niet anders kán, want het hoort immers bij het beeld van dementie dat je kritiekloos wordt, dat je niet meer goed kunt nadenken en dat je niet goed meer snapt wat er in je omgeving gebeurt. En omdat we allemaal al digitaal dement zijn, merkt niemand wat en wordt er ook niet geprotesteerd.
Maar tegen die cynicus zeg ik: de situatie is weliswaar ernstig, maar als de zaak al hopeloos was, had ik dit boek niet geschreven.”

Manfred Spitzer blijft positief, maar echt overtuigend is zijn goede moed niet.

‘Omdat dit mijn tweede mediakritische boek is, weet ik nu al wat ermee zal gebeuren, we leren immers van onze ervaringen.’
Hij vertelt hoe hij na zijn eerste boek overstelpt werd met leugens, verdachtmakingen en scheldpartijen, die er uiteindelijk toe leidden dat er niks gebeurde.
En na zijn tweede boek zal het niet anders zijn.

Een paar bladzijden later beschrijft hij de kwalijke invloed van de digitale media als volgt:

‘Een vicieuze cirkel van controleverlies, voortschrijdend mentaal en lichamelijk verval, het afzakken op de sociale ladder, vereenzaming, stress en depressie begint, die onze kwaliteit van leven beperkt en zorgt dat we jaren eerder overlijden.’

Ten slotte stelt hij de vraag: wat kunnen we doen?

En hij besluit zijn alarmerende boek met … een lijstje van praktische tips:

Eet gezond!
Beweeg dagelijks een half uur.
Probeer minder te piekeren.
Maak haalbare plannen.
Help anderen.
Geld maakt niet gelukkig.
Luister af en toe eens naar muziek.
Zing!
Glimlach!
Wees actief.
Houd het leven eenvoudig.

En last but not least: mijd digitale media!

Het is allemaal goedbedoeld,
en het is ongetwijfeld waar,
maar … het klinkt zo futiel.

De boodschap die Manfred Spitzer niet wil meegeven,
geeft hij tussen de regels door toch mee.
En die boodschap luidt dat we gevangen zitten in een vicieuze cirkel.

Steeds meer kinderen maken op steeds jongere leeftijd gebruik van digitale media.
Spitzer geeft het voorbeeld van Duitsland, waar om 10 uur ’s avonds nog 800.000 kleuters voor tv zitten. Zelfs om middernacht zijn het er nog altijd 50.000.
In Amerika is het nog erger.
Daar staat de tv altijd aan: 24 uur per dag, van wieg tot graf.
Als die kleuters vervolgens naar school gaan (vaak nadat ze ’s morgens al een portie tv achter de kiezen hebben) wordt hen daar een laptop voor de neus geschoven, niet zelden gratis ter beschikking gesteld door de bedrijven of de overheid. Binnen de kortste keren zijn de kinderen verslaafd aan hun computer, een verslaving waar ze waarschijnlijk hun leven lang niet meer vanaf zullen raken. Tenzij ze terecht kunnen in gespecialiseerde ziekenhuizen voor computerverslaafde kinderen.

De gevolgen van deze verslaving zijn zonder meer desastreus voor de ontwikkeling van de hersenen.
De menselijke hersenen ontwikkelen zich namelijk zeer langzaam, in tegenstelling tot de hersenen van dieren. En de grondslagen voor die – in feite levenslange – ontwikkeling worden in de vroege jeugd gelegd.
Worden die grondslagen aangetast – zoals het geval is met vroegtijdig computergebruik – dan is de mens in feite voor de rest van zijn leven mentaal gehandicapt.

Dat is wat Manfred Spitzer bedoelt met ‘digitale dementie’.
Reeds van in de wieg (sommige baby’s kunnen niet meer slapen zonder hulp van tv of computer) worden de hersenen aangetast. Ze worden onvoldoende gevormd of ze verschrompelen zelfs, waardoor al heel vroeg de basis voor dementie wordt gelegd.
De titel van zijn boek is dus niet figuurlijk bedoeld.
Spitzer bedoelt het letterlijk.
Zowat zijn hele boek gaat over de hersenen, de hersenen die alles aansturen.
En juist die hersenen zijn het grote slachtoffer van de digitale media.
Dat is al honderd keer bewezen.
Iedere wetenschapper weet dat.
Iedere politicus weet dat (of zou het moeten weten).
Maar er gebeurt niets.

Manfred Spitzer schrijft zijn boek en hij weet wat er zal gebeuren: niets.
Hij is met andere woorden machteloos, ondanks zijn autoriteit, ondanks het feit dat hij een wetenschappelijk tv-programma presenteert.
Hoe machteloos moet de gewone man dan wel niet zijn!
En juist die machteloosheid veroorzaakt, meer dan wat ook, stress.
En die stress veroorzaakt op zijn beurt hersenschade.
Stress vernietigt hersencellen.

Spitzer vertelt over een experiment met ratten.
Een rat zit in een kooi en krijgt via de bodem af en toe een electrische schok.
De rat kan die pijnlijke schok vermijden door een knop aan te raken als er een lampje gaat branden. Hij moet dan wel snel reageren, want er zit niet veel tijd tussen het oplichtende lampje en de electrische schok.
Naast de rat, in een aangrenzende kooi, zit er nog een andere rat.
Als de eerste rat een schok krijgt, krijgt de tweede er ook een.
Maar de tweede rat heeft geen lampje en geen knop.
Hij kan niks doen om de schok te vermijden.

De vraag is nu: welke van de twee ratten staat onder stress?
Het antwoord ligt voor de hand: rat nr 1.
Want die moet er voortdurend op bedacht zijn dat het lampje gaat branden en dan moet hij zich reppen naar het knopje.
Hij is dus nooit op zijn gemak.
Rat 2 daarentegen hoeft niks te doen, hij kan toch niks aan de situatie veranderen.
Hij is machteloos en moet er zich wel bij neerleggen.

Kijk, dit is het mooie van de wetenschap: zij vertelt ons dingen die we nog niet wisten.
Het is namelijk niet rat 1 maar rat 2 die onder stress staat!
Na onderzoek bleek rat 2, die alles over zich liet gaan, alle bekende stressverschijnselen te vertonen: hoge bloeddruk, maagzweren, groeistoornissen, impotentie, infectieziekten, kankergezwellen en last but not least afgestorven hersencellen.
Rat 1 daarentegen, die voortdurend alert moest zijn, bleek helemaal géén stress te vertonen!
En de reden was: hij was niet machteloos, hij kon iets veranderen aan zijn situatie!

De vicieuze cirkel waarin we gevangen zitten, ziet er dus als volgt uit:

Onze omgang met digitale media veroorzaakt dementie.
We weten dat.
Iedereen met een beetje gezond verstand weet dat het niet gezond is om zoveel voor de computer te zitten.
Dat is nu ook door de wetenschap aangetoond met harde bewijzen.
We weten dus met zekerheid dat we de omgang – zeker van kinderen – met digitale media drastisch moeten terugschroeven, anders worden we met zijn allen langzaam dement.
En toch kunnen we het niet.
De overmacht van de digitale media is te groot.
We staan machteloos.
En juist die machteloosheid veroorzaakt op zijn beurt dementie.
Ze veroorzaakt de stress die hersencellen doet afsterven.

We worden dus dement door voor de computer te zitten,
en we worden dement door ons daartegen te verzetten.

We zitten met andere woorden als ratten in de val.

Manfred Spitzer vecht moedig tegen de digitale draak.
Maar hij kan zijn machteloosheid niet verbergen.
Hij weet dat het een uitzichtloze strijd is.
Wie zijn boek leest, begrijpt dat hij niet kan zwijgen.
Het is zijn morele plicht, als wetenschapper en ouder, om te waarschuwen voor het gevaar van digitale dementie.
Maar juist door te waarschuwen bevordert hij de dementie, want na de lectuur van zijn boek voelt een mens zich machtelozer dan ooit.
En dus gestresseerder.
Wat hem alweer een paar tienduizenden hersencellen kost.

Ik heb verleden week in een opwelling gezegd: koop dit boek, lees dit boek!
Het is een boek dat iedereen moet lezen.
Dat vind ik nog altijd.
Maar nu ik het helemaal gelezen heb, ondervind ik aan de lijve het vreselijke dilemma van Manfred Spitzer:

Het is immoreel om hierover te zwijgen,
maar door erover te spreken, bevorder je datgene waarvoor je waarschuwt.

Anders gezegd: de lectuur van ‘Digitale Dementie’ veroorzaakt dementie!

Wat nu gedaan?

Dit los je niet op met een lijstje ‘praktische tips’.

Zou dat wellicht de reden zijn waarom niemand iets doet?
Mensen voelen dat Manfred Spitzer hen als ratten in de val lokt en dan zegt:
Het is erg, ik weet het, maar we moeten positief blijven!
En dan komt hij af met zijn praktische tips.
Doekjes voor het bloeden.

De waarheid is dat Spitzer het probleem heel scherp stelt, maar er geen oplossing voor heeft.

Is dit niet hetzelfde dilemma waarvoor je staat als je verneemt dat je man, of je vrouw, of zelfs je kind (dementie begint steeds vroeger) Alzheimer heeft?
Wat moet je dan doen: moet je het hem/haar vertellen of niet?
Wat is het ergste: dement worden en het niet beseffen of dement worden en het wél beseffen?
Dat is een vreselijk dilemma.
Maak je het lijden niet nog (veel) erger door iemand te vertellen dat hij dement wordt?
Is het niet beter om dat te verzwijgen en de zieke langzaam in vergetelheid te laten wegzinken?

In feite is de grote vraag: weet een dementerende wat er met hem aan de hand is of weet hij dat niet?
Kan hij op de een of andere manier tegenover zijn falende hersenen gaan staan of verdwijnt dat vermogen samen met die hersenen?

Dementie confronteert ons met de vraag naar het menselijk bewustzijn:
valt dat bewustzijn samen met onze hersenen of niet?
Is het een louter materieel fenomeen of is het wellicht meer?

En hier bereiken we de kern van de onmacht, de motor van de vicieuze cirkel.
Als we inderdaad ons brein ZIJN, dan is er geen uitweg uit de impasse.
We zullen dan met zijn allen verder dementeren.
En we zullen er niets kunnen aan doen, want we zullen het niet beseffen.
Een boek als dat van Manfred Spitzer is dan als een laatste stuiptrekking van onze hersenen.
Het doet ons beseffen dat we dement worden, maar door de schok raken we zoveel hersencellen kwijt, dat we meteen weer vergeten zijn dat we aan het dementeren zijn.
We wíllen er ons ook niet bewust van worden, want dan wordt alles nog erger.
We wíllen met andere woorden dementeren,
om verlost te worden van dat ondraaglijke lijden,
om niet bewust te moeten aftakelen,
om niet machteloos het einde te zien naderen.

Manfred Spitzer ergert zich blauw wanneer het ministerie van Volksgezondheid hem zegt:
‘Onze wereld is zoals hij is, daar kunnen we niets aan doen.’
Maar in feite trekt het ministerie Spitzers eigen woorden logisch door.

Al in het begin van zijn boek, op pagina 49, schrijft hij:

‘Dankzij uw mentale activiteit verandert uw brein voortdurend. Daarom hébt u niet een brein, zoals u een hart en twee nieren hebt. Nee, u bént uw brein!
Wat u bent, dat is niet het lijfelijk omhulsel dat u in de spiegel ziet, maar uw leven, uw ervaringen. En die zetelen in de hersenen.’

In feite zegt het ministerie wat Spitzer zelf niet durft te zeggen, namelijk:
Als wij onze hersenen ZIJN, wie zou dan iets aan hun dementie kunnen veranderen?
Er IS buiten die dementerende hersenen gewoon niemand!
Er is geen eigenaar.
Dat zegt Manfred Spitzer zelf.
Dat is de – materialistische – grondslag van zijn hele denken.

En daar zit natuurlijk de knoop.
Als wij geen hersenen HEBBEN, maar hersenen ZIJN, dan is de toestand hopeloos.
Dan kunnen we alleen maar verder dementeren.
Tot we nergens meer van weten.

Manfred Spitzer is intelligent genoeg – of moet ik zeggen: nog niet dement genoeg? – om dat te voelen.
Hij is een gekweld man.
Hij voelt dat er iets niet klopt.
Iemand als Dick Swaab voelt dat niet meer.
Aan zijn vergenoegde glimlach kun je aflezen dat hij al ‘over de grens’ is.
Al verging de wereld, hij zou nog blijven glimlachen.
De glimlach van de idiot savant.

Manfred Spitzer is geen idioot. Nog niet.
Hij heeft nog een hart.
Hij lijdt onder de hele situatie.
Maar hij slaagt er niet in om zich te bevrijden van de materialistische waan dat mensen hun hersenen ZIJN.

Op pagina 51 schrijft hij:

‘Het woord dementie is afgeleid van het Latijnse ‘de’ (ont-) en ‘mens’ (geest). Letterlijk vertaald betekent dit dus: ontgeesting.’

Maar geen moment komt het bij hem op dat geest werkelijk geest betekent, dat wil zeggen: iets totaal anders dan die anderhalve kilo dode materie die de hersenen zijn.

Hij is een overtuigd wetenschapper, maar hij staat er geen moment bij stil dat de wetenschap nog nooit – zelfs niet bij benadering – heeft kunnen aantonen of begrijpen hoe uit iets doods (materie) iets levends zou kunnen ontstaan, laat staan iets levends dat ook nog eens begiftigd is met bewustzijn.

Manfred Spitzer denkt precies hetzelfde wat Eben Alexander – die andere hersenspecialist – ook dacht voor zijn bijna-doodervaring.
En daar ligt het verschil tussen beide.
Daar ligt ook (het begin van) de oplossing, het grote keerpunt:
in de dood van de hersenen.
Pas als de hersenen het helemaal laten afweten en blijkt dat er nog leven en bewustzijn is BUITEN de hersenen,
pas dan zullen mensen rechtsomkeer maken,
pas dan zullen ze afstand nemen van die verschrompelende hersenen
en het daarop geënte materialistische denken.

Het is natuurlijk een paardenmiddel: wachten tot iedereen hersendood is en dan kijken wie het overleeft (en een blik heeft geworpen op ‘de andere kant’).
Het is onze eer als mens te na als we het zover laten komen.

Want we kunnen ook ‘sterven’ zonder dood te gaan.
Ik heb daar verslag over gedaan in ‘Home, sweet home’.
Ik ben toen een vrije keuze gemaakt,
en dat was een doodservaring.
Uiteraard niet in fysieke zin, maar wel gevoelsmatig.

Een vrije keuze maken betekent niet: zomaar willekeurig iets kiezen.
Want dan schakel je je bewustzijn uit.
Een vrije keuze maken betekent: bewust weten waarom je iets kiest.
Zonder dat bewustzijn is er geen echte vrijheid.
Maar juist dat bewustzijn van de onmogelijke keuze – in dit geval tussen spreken en zwijgen, tussen bewust dementeren en onbewust dementeren – is een doodservaring.
Je beleeft dan de totale onmacht van het hersendenken.
En als je dan niet wegvlucht in bewusteloosheid,
maar die onmacht bewust doorleeft, met alle zielekwellingen die erbij horen,
dan gaat in die duisternis een lichtje branden.
Dan ontstaat er een bewustzijn dat zich verheft boven dat hersendenken,
een bewustzijn dat in beelden leeft,
een bewustzijn dat rechtsomkeer maakt.

Want we zijn aan een grens gekomen.
Voorbij die grens begint de weg naar de dood,
de langzame dementering, de stelselmatige aftakeling van het menszijn.
En hoe verder we op die weg gaan, des te moeilijker wordt het om nog terug te keren.
Want we zullen steeds minder beseffen dat we bergaf gaan,
integendeel,
we zullen er steeds meer van overtuigd raken dat we op weg zijn naar de top.
Hoe dommer we worden, des te verstandiger zullen we onszelf vinden.
Hoe meer we dementeren, des te meer zullen we de gezonden van geest beschouwen als … dementerenden.
De vicieuze cirkel die Manfred Spitzer schetst, zal almaar groter worden en apocalyptische vormen aannemen.

Daarom is het zaak om nu te beslissen, nu we nog over genoeg hersencellen beschikken.
We moeten kiezen tussen de steile weg omhoog en de brede boulevard omlaag.
Tussen vrijheid en dementie,
Tussen de bewuste doodservaring op de ‘schedelplaats’,
en de onbewuste aftakeling in een instelling voor dementerenden.
en de brede boulevard van de langzame dementering.
En die keuze kunnen we alleen maken wanneer we beide opties duidelijk naast elkaar zien staan.

Wanneer we Manfred Spitzers boek kritisch lezen en doordenken, lijkt het alsof we geen keuze hebben.
Zijn lijstje met ‘praktische tips’ is geen echt alternatief.
Het kan de vicieuze cirkel niet stopzetten, integendeel.
Wat we nodig hebben, is een wetenschap van de geest,
een wetenschap die de mogelijkheid van de vrijheid onderzoekt, even grondig als Spitzer de hersenen onderzoekt.
Pas als die twee wetenschappen – een materialistische wetenschap en een geesteswetenschap – naast elkaar staan, kunnen we een echte keuze maken.

En dan zullen we nooit kiezen voor het onvermijdelijk tot dementie leidende materialisme.
We zullen dan met hart en ziel kiezen voor een levenwekkende geesteswetenschap.
En we zullen dat doen in het volle besef dat het materialisme nodig was,
om vrij te kunnen kiezen,
om bij volle bewustzijn te kunnen kiezen voor de geest.

En dan zullen we Manfred Spitzer niet zien als een tragische figuur die zijn eigen boodschap om zeep helpt, maar als een moedige strijder voor de waarheid, een waarheid die hij net niet kan bereiken omdat hij nog te veel vastzit aan zijn hersenen.

20130726-110534.jpg

Fingerspitzengefühl

20130725-165217.jpg

Tanti en Anna are linked

Oú Dieu vous a semé …

20130725-121753.jpg

… il faut savoir fleurir.

Waar men gaat langs Vlaamse wegen …

20130725-121520.jpg

… komt men Vlaamse wansmaak tegen.

De Blog-o-matic

20130725-120406.jpg

Mensen vragen me soms hoe ik toch zoveel kan bloggen.
Wel, hier is het antwoord:
De Blog-o-matic!
Daarmee maak ik al mijn blogs.
Het ding heeft me een flinke cent gekost,
maar het resultaat is er ook naar.

Demente wetenschap?

Na mijn bezoek aan de Gentse Feesten liep ik nog even de Fnac binnen op zoek naar een boek dat ze niet hadden.
Toen ik de afdeling ‘wetenschappen’ passeerde zag ik daar, zoals gewoonlijk, tientallen boeken liggen over het dier ‘mens’, over hoe de mens zich van aap tot zeg maar hersenen ontwikkeld heeft.
De moderne wetenschap lijkt er maar niet genoeg van te krijgen om ons te wijzen op onze dierlijke aard. Er verschijnt zowat iedere week een nieuw boek over de evolutie.
Hier in Vlaanderen hebben we zelfs een heuse evolutie-missionaris: professor Johan Braeckman, die de parochiezalen afschuimt om de blijde boodschap te verkondigen:
Wij zijn apen en de evolutie verklaart alles.
Waarom blijft de wetenschap die mantra eindeloos herhalen, als een Tibetaanse monnik?
Heeft zij niks anders te doen?
Heeft zij de ultieme waarheid gevonden?
Wil zij de laatste resten van het geloof in de geest uitroeien?
Geniet zij ervan om ons af te schilderen als apen?
Voelt zij de hete adem van de islam in haar nek?
Is zij minder zeker van haar stuk dan ze lijkt te zijn?
Moet ze zichzelf overtuigen?

In ieder geval: ik vind die eindeloze stroom evolutie-boeken verdacht.
Er klopt iets niet mee.

Sinds gisteren heb ik nog een nieuwe verklaring:
de wetenschap is aan het dementeren.
Ze blijft steeds maar dezelfde dingen herhalen,
alsof ze telkens vergeet wat ze gisteren gezegd heeft.

Tja, wat wil je?

Al die wetenschappers die niets anders doen dan cut & paste …

20130725-071220.jpg

Gentse Feesten

Gisteren ben ik naar de Gentse Feesten geweest.
Dat was al járen geleden.
Toen we in 1980 in Melle-bij-Gent kwamen wonen, dacht ik er niet over om naar die wereldberoemde feesten te gaan.
Needankuwel.
Drukte, lawaai, warmte, bier en Gent, nee het was aan mij niet besteed.
Kwam ik niet van Antwerpen, van de beschaafde wereld dus?
En was Gent geen donker krocht waar ze een schabouwelijk dieventaaltje spraken?
Nee, ik moest niks van Gent hebben, en nog minder van de Feesten.

Maar ik raakte mijn werk kwijt en kreeg drie kinderen.
We kwamen niet meer rond en dus ging ik op de Gentse Feesten karikaturen tekenen.
Geen geringe stap voor een autist, dat kan ik u verzekeren.
Ik stierf duizend doden.
Maar ik beet door.
Waar geldgebrek al niet goed voor is!

Negen jaar lang heb ik dat gedaan.
Toen was het sop van de kool.
Na zeven vette jaren, de zeven magere.
En die wilde ik niet meer uitzitten.
Ik wilde wel duizend doden sterven, maar er moest iets tegenover staan.

Zo heb ik dus de Gentse Feesten leren kennen:
door te sterven.
Tien dagen per jaar, bijna tien jaar lang.
Na de eerste keer lag ik plat.
Letterlijk.
Ik stond ’s morgens op, ging op de sofa liggen, en stond pas ’s avonds weer op om te gaan slapen.
Iedere dag, een maand lang.
Ik was volkomen uitgeput.

De drukte was dan ook waanzinnig geweest.
En ik zat er de hele dag middenin.
’s Avonds moest ik dan nog met mijn karretje naar huis.
Ik raakte telkens weer gevangen in een mensenzee waar ik niet meer uitraakte.
Ik kon alleen maar geduldig meebewegen met die zee en hopen dat ze me op een gegeven moment weer uit zou spuwen.
Zo ging dat 10 dagen lang, 10 slopende dagen..

But guess what!
I liked it!

Het was ieder jaar weer een enorme drempeloverschrijding.
Ik zag er ontzettend tegenop.
Ik zei: nee, nee, nee, ik wil niet!
Maar ik deed het toch,
en het was fantastisch,
daar aan de andere kant van de drempel!

Ik werd een heel grote fan van de Gentse Feesten.
Ze waren één grote Dionysische uitbarsting,
vooral ’s avonds.
Door de straten bewoog zich dan, als een lavastroom, een dicht opeengepakte mensenmassa.
Je had geen andere keuze dan erin op te gaan.
Dat was de essentie van de Gentse Feesten:
je gaf jezelf over, je gaf je eigen wil op, je verdween in de massa.

En massaal was het!
Ik had nog nooit zoiets gezien.
In mijn jeugd had ik vaak basketwedstrijden gezien van het destijds grote Racing Mechelen.
Je zat dan opeengepakt in een sporthal met 3000 man die compleet uit de bol gingen.
Ik vond dat fantastisch.
Ik beleefde een catharsis en ging gelouterd naar huis.
Maar tijdens de Gentse Feesten ging het om een hele binnenstad,
het ging om tienduizenden, zelfs honderdduizenden mensen.
Het was hetzelfde, maar dan op veel grotere schaal.
Zowel in tijd als ruimte.

Nee, zoiets bestond waarschijnlijk nergens ter wereld.
Alleen in Gent, de stad van de gouden draak.

Het wonderlijke was dat die gigantische Dionysische uitbarsting
volkomen vreedzaam verliep.
Nochtans was er nauwelijks controle.
Hoe had je die mensenzee ooit kunnen controleren!
Er was geen beginnen aan.
Politie of brandweer konden nergens bij.
Maar …
dat was ook niet nodig.
Deze onafzienbare mensenmenigte controleerde zichzelf.
Ik bleef me daarover verbazen.
Ik, een autist met een afschuw van menigten (meer dan 2 mensen is voor mij al een menigte), voelde mij volkomen veilig en op mijn gemak tussen die duizenden en duizenden dicht op elkaar gepakte mensen.
I absolutely adored it!

Dit was nog eens een echt volksfeest,
van en door het volk.
Om de tien meter stond er een kraampje, een orkestje, een mimespeler, een straatartiest, een clown, noem maar op.
Van over de hele wereld kwamen ze naar Gent om hun kunsten te tonen in ruil voor wat milde giften.
Je zag er de meest fantastische zaken, gewoon op straat.
Gratis en voor niks.
Er werd natuurlijk ook veel lawaai gemaakt.
Maar ik herinner me nog dat ik op een zondagochtend met mijn karretje door de stad liep die zijn roes lag uit te slapen.
Af en toe zag je iemand die van de bakker kwam, maar verder was er geen beweging.
Het was stil, midden in het centrum van Gent was het muisstil.
En in die voorwereldlijke rust, tussen de oude gevels van de Graslei,
Terwijl de zon in al haar glorie boven de daken rees,
stond een jongeman langs het water viool te spelen: Bach.
En hij speelde goed.
Het was een onvergetelijk moment,
een moment zoals je die alleen op de Gentse Feesten kon meemaken,
de feesten die me bleven verrassen.

Natuurlijk gebeurde er binnen ook heel wat,
daar lieten de alomtegenwoordige affiches geen twijfel over bestaan.
Maar dat interesseerde me niet.
De jongleurs met draaiende kettingzagen, de jongens die aan gewichtheffen deden met hun penis, Koen Crucke die optrad met minister Claes, Geert Hoste in het NTG: voor mij waren het randverschijnselen.
De echte Gentse Feesten speelden zich op straat af.
De echte Gentse Feesten waren volksfeesten.
Het volk amuseerde zichzelf.
En het bleek daar buitengewoon creatief in.
Met bijna niks deed het buitengewone dingen.

Zoals ikzelf.
Een blad papier, een potlood en een gom: meer had ik niet nodig
om mezelf en andere mensen te amuseren.
Er was zelfs een Hollands koppel dat ieder jaar terugkeerde en zich ieder jaar door me liet tekenen.
Om te zien of ze veranderd waren.
Het was ook op de Gentse Feesten dat ik karikaturen van kinderen ben beginnen tekenen.
Dat deed ik voordien uit principe niet.
Hoe kun je trouwens een karikatuur van een kind tekenen!
Je vernietigt dan het kind-zijn, je berooft een kind van zijn jeugd, je maakt het vroeg oud.
Want ouderdom maakt mensen tot karikaturen van zichzelf.
En met hoeveel genot ik mensen ook ouder en lelijker maakte,
bij kinderen trok ik een grens: tot hier en niet verder!
Maar het waren de kinderen zelf die me over die grens trokken.
Ze bleven maar zagen om een tekening, en het moest een karikatuur zijn, zo’n grappige portret waar ze konden om lachen.
Tja, waar blijft een mens dan met zijn mooie principes!
Ik gaf me over.
Ik gaf me over aan de wil van de kinderen.
En ik vond het heerlijk,
En zij ook.
Urenlang konden ze wachten om aan de beurt te komen, zonder één teken van ongeduld.
En als ze dan in mijn stoel plaatsnamen, zag ik hun ziel opengaan als een bloem.
Steeds weer opnieuw.
Een kind is al mooi, maar als ook zijn ziel nog eens bloeit…
Wow o wow, zou Steve zeggen.

Of ik die bloeiende ziel ook nog eens op papier kreeg, kan ik niet zeggen.
Wat je al tekenend op dat kindergezicht ziet en wat je op je blad ziet, mengen zich door elkaar.
Als tekenaar kun je die twee niet onderscheiden.
Dat moet de kijker doen.

Om u een idee te geven: dit is Tim.
Ik heb hem wel niet op de Gentse Feesten getekend, maar hij kan model staan voor de honderden kinderen die ik daar getekend heb.

20130724-125308.jpg

Niemand hoeft me te komen vertellen dat de mens slecht is, dat hij een beest is met een laagje vernis.
Ik weet dat het precies omgekeerd is.
Want ik heb het gezien.
Honderden malen.
Honderden keren heb ik menselijke zielen zien ontluiken.
En sindsdien weet ik: de mens is een onwaarschijnlijk mooi wezen.
Dat hou je niet voor mogelijk.
Vooral bij kinderen kun je dat zien, als je ze tenminste kunstzinnig benadert.
Want het luistert heel nauw.
Er is echt heel weinig nodig om zo’n ontluikende kinderziel weer te doen dichtklappen.
In een oogwenk verandert dat engeltje dan weer in een klein duiveltje.
Maar je voelt: dat ‘duivelse’ is een pantser, om die tere ziel te beschermen.
Alleen tegenover de kunstzinnige blik laat het kind dat pantser zakken.
En wat er dan tevoorschijn komt, is onvergetelijk.

Maar die ‘kunstzinnige blik’ vergt wel een intense aandacht en een uiterste inspanning.
Het is iets wat je moet leren.
Het is een ‘oog’ dat je – met veel moeite en eindeloos geduld – moet ontwikkelen.
Alleen als dat oog opengaat, gaat ook de ziel van een kind open.
Beide zijn met elkaar verwant.
Iedere bloem is een oog dat de zon ziet en waarin de zon zichzelf weerspiegeld ziet.
En iedere mensenziel is een bloem,
iedere mensenziel is een oog dat opengaat
als het de wereld als een kunstwerk leert zien.

Kinderen bezitten dat vermogen nog van nature.
zij zijn kleine kunstenaars die overal kunst zien.
Daarom kunnen ze stralen als een zon.

Voor een volwassene is het veel moeilijker.
Om te stralen moet hij weer worden ‘als de kinderkens’.
Hij moet weer dat vermogen verwerven om de wereld als een kunstwerk te zien.
Maar dit keer bewust en uit vrije wil.
Zodat ze het nooit meer van hem kunnen afnemen,
zoals dat wel kan met een kind.

Een kind tekenen is veel moeilijker dan een volwassene tekenen.
Je moet kunnen spelen op papier.
Je moet de kwaliteiten van het kinderlijke spel ontwikkelen,
Maar dan heel bewust.
En dat is ontzettend moeilijk.
Er is niets moeilijkers voor een volwassen mens dan weer te worden als de kinderen.
Dat is een … kunst.

Ik heb duizenden volwassenen getekend in mijn leven.
En dat was vaak een hevige strijd met de weerstanden die ze om zich heen hadden opgebouwd, weerstanden die je met het blote oog niet kan zien, maar die je meteen ondervindt als je begint te tekenen, dat wil zeggen: als je kijkt met je handen en je hart.

Kijk, dát waren voor mij de Gentse Feesten:
een enorm gevecht om mijn eigen weerstanden te overwinnen,
Een gevecht waarbij ik duizend doden stierf.
Maar als ik eenmaal over die ‘drempel’ was:
toen begon mijn ziel te bloeien,
toen zag ik de wonderlijkste, meest onverwachte dingen.
Toen zag ik hoe mooi de mens wel niet is.

Dat zag ik in het klein, op het Groentenmarktje waar ik zat te tekenen,
maar ook in het groot, op alle straten en pleinen van Gent.

Wat hier onder het alziend oog van de Gouden Draak, hoog op het belfort, ieder jaar weer uit de dionysische chaos te voorschijn kwam, was de wondermooie ziel van de mens, de mens die ongestoord kan spelen en feestvieren, de mens die even verlost is van alle banden die hem het hele jaar door gevangen houden.
En die mens is geen gevaar voor andere mensen.
Welintegendeel.
De Gentse Feesten waren een gloeiende baarmoeder waar je als herboren weer uit tevoorschijn kwam.
Waanzinnig, druk, lawaaierig, uitputtend, slopend, dat wel.
Maar ook onvergetelijk.

Ik schrijf echter wel degelijk: de Gentse Feesten wáren.
Want toen kwam Daniël Termont …

20130724-132030.jpg

En waar hij passeerde groeit nu geen gras meer.

Een impressie:

20130724-132224.jpg

Ziet dát er niet feestelijk uit?

20130724-132320.jpg

Het Lam Gods sponsored by Jupiler. Mannen (als Termont) weten waarom.

20130724-132450.jpg

Let op de hartverwarmende symbiose tussen oud en nieuw!

20130724-132650.jpg

Voor elk wat wils: ook aan de liefhebbers van groen is gedacht!

20130724-132818.jpg

En er is zelfs humor!

20130724-132912.jpg

De Graslei ziet er nu zo uit.

20130724-133034.jpg

En natuurlijk is er Polé Polé, voor de gekleurde medemens.

20130724-133143.jpg

Michaël heeft het heel druk tijdens de Gentse Feesten.
Wie goed kijkt, ziet dat er een rood hartje bungelt op de plaats van zijn euh … vijgeblad.

20130724-133333.jpg

Geloof me vrij: Art stinks!

20130724-133453.jpg

Maar wie hebben we daar?
Als dat ons Annaatje niet is!
Ze amuseert zich kostelijk op haar gele steen.

20130724-133704.jpg

En dit is Tanti, ofte tante Marianne.

U ziet, het was niet al kommer en kwel gisteren.
Maar toch wel heel veel.
Er schiet eigenlijk niks meer over van de Gentse Feesten van 20 jaar geleden.
Het is één gore commercie geworden.
Een wanstaltig, allesverpletterend monster.
Je houdt het niet voor mogelijk.
Dat mensen zo diep kunnen zinken.

En het volk?
Dat liep er een beetje verloren bij.
Dit zijn zijn feesten dan ook niet meer.

Ik heb welgeteld één straatartiest gezien, en twee groepjes muzikanten.

Dat is alles wat overblijft van de honderden die destijds de Feesten ‘bevolkten’.
Maar ja, vandaag heerst Termont, de Jupiler onder de goden.
Dit zijn zíjn Feesten, de Termontse Feesten waar hij zolang van gedroomd heeft.
Laten we een luide boer laten op Daniël,
die een strop heeft gelegd rond de Gentse Feesten
en ze vakkundig gewurgd heeft.

Maar zoals dat gaat met wurgingen en terechtstellingen:
er is er altijd wel eentje die blijft ademen.

20130724-140043.jpg

Dit is Bruno, jarenlang mijn collega-buurman op het Groentenmarktje.
Niet kapot te krijgen, die man!

En om in alle rust afscheid te nemen:

20130724-140319.jpg

Dit is de Schouwburgstraat, in het stadscentrum, gisterenmiddag rond 4 uur.
Ze vat de huidige Gentse Feesten bondig samen:
Overal kabaal, maar in het midden: leegte.

De ziel en de duivel

Een moeder (die we nog kennen uit onze steinerschooljaren) vertelt:
Haar zoon volgt filmschool.
Voor zijn eindwerk heeft hij een kortfilm moeten maken.
Die werd echter afgekeurd.
Hij was dus niet geslaagd.
Woedend en gefrustreerd stuurt hij zijn film naar een bekend filmfestival
en … wint een prijs.
Grote ruzie in filmschoolland,
want zowel degenen die de bewuste film afgekeurd hadden als degenen die hem bekroond hadden, geven les aan een filmschool.

Wat is nu de moraal van dit verhaal?

They haven’t got a clue.

Er is in de hedendaagse kunst, en dus ook in het hedendaagse kunstonderwijs, geen gemeenschappelijke norm meer.
Wat de enen kunst noemen (kunst zelfs die een prijs verdient) is voor de anderen helemaal geen kunst.
Er heerst met andere woorden volslagen willekeur.
Wie naar de ene school gaat, zal geslaagd zijn (en wellicht een mooie artistieke carrière uitbouwen), wie naar een andere school gaat, zal niet geslaagd zijn (en misschien ergens in de bouw moeten gaan werken).
En dat met dezelfde film, met dezelfde kunst, met dezelfde talenten.

Is het moderne kunstonderwijs dan een loterij?

Neen, er is wel degelijk a system in that madness.

Er is één gemeenschappelijke norm waaraan het hele kunstonderwijs zich scrupuleus houdt:
wie klassiek werk maakt, komt er niet door.
Alle deuren sluiten zich voor hem.
Hermetisch.
Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet om de klassieke vorm, het gaat om de klassieke geest.

Iemand als Michaël Borremans bijvoorbeeld schildert zeer klassiek.
Maar de geest van waaruit hij schildert is allesbehalve klassiek.
Er is zelfs veel voor te zeggen dat het een anti-klassieke geest is, een geest die de klassieke geest voor zijn kar spant, misbruikt, vernedert, belachelijk maakt.

20130724-095043.jpg

Deze anti-klassieke geest heeft de hele kunstwereld, en dus ook het hele kunstonderwijs, in zijn greep. En hij speelt het spel heel geraffineerd.
Het kunstonderwijs begint nog altijd op min of meer klassieke manier: tekenen, schilderen, beeldhouwen.
Dat kan ook niet anders.
Om een pispot tentoon te stellen (zoals Marcel Duchamp deed) hoef je echt geen kunstonderwijs gevolgd te hebben.
Om hedendaagse kunst te maken, hoef je niks te kunnen.
Hedendaagse kunst maakt kunstonderwijs overbodig.
Daarom ‘integreert’ het hedendaagse kunstonderwijs de klassieke disciplines.
Maar tegelijk geeft het de leerlingen al heel vroeg te verstaan dat ze deze ‘fase’ moeten overstijgen, dat ze het klassieke achter zich moeten laten, dat ze ‘hun eigen persoonlijkheid moeten ontwikkelen’.
Doen ze dat niet, dan worden ze gaandeweg uitgerangeerd.
Men laat ze links liggen, men lacht ze uit, men vernedert ze.
Tot ze breken.
Dat wil zeggen: tot ze het opgeven of een ‘eigen persoonlijkheid’ ontwikkelen.
En een eigen persoonlijkheid ontwikkelen, betekent: je ziel verkopen, je persoonlijkheid inruilen voor een groepspersoonlijkheid, je onderwerpen aan de geest van de hedendaagse kunst.
Op deze persoonswissel is het hele kunstonderwijs gericht.

Zoals bekend is het Vlaamse onderwijs van hoog niveau.
Het Vlaamse kunstonderwijs maakt daar geen uitzondering op.
Nergens worden leerlingen zo efficiënt van hun persoonlijkheid ontdaan als in Vlaanderen.
Nergens zijn gediplomeerden zo totaal onderworpen aan de hedendaagse geest.
Tal van Vlaamse hedendaagse kunstenaars zijn dan ook wereldberoemd: Delvoye, Tuymans, Borremans, Fabre, Panamarenko, noem maar op, de lijst is lang.
En Jan Hoet is wellicht de beroemdste kunstpaus van het moment.
Vlaanderen staat artistiek aan de top.
Zoals weleer.
Het enige verschil is dat Vlaanderen toen inderdaad een eigen persoonlijkheid had, terwijl het nu uitmunt in wat het eeuwenlang heeft geoefend: het onderdrukken van die persoonlijkheid, het zich onderwerpen aan de vijand, het verkopen van de eigen ziel.

Wat betekent het nu dat een leerling aan een filmschool geflest wordt voor zijn eindwerk en met datzelfde eindwerk elders een prijs wint?
Het betekent dat de hedendaagse geest verschillende normen hanteert.
Het betekent dat hij willekeurig tewerk gaat.
Want willekeur is het meest efficiënte middel om macht uit te oefenen en mensen te onderwerpen.
Als er geen ‘system in the madness’ te ontdekken valt, kun je je niet verweren tegen die madness.
Je staat machteloos.

Wat moet die jongeman, met zijn prijs en zonder diploma, nu doen?
Hij heeft helemaal geen controle over de gang van zaken.
Misschien wordt hij een beroemd regisseur, misschien moet hij de straten gaan vegen.
Hij heeft het niet in de hand.
Alleen de hedendaagse geest heeft het in de hand.
En dus staat de jongeman voor de keuze:
Ofwel geeft hij zich over aan die geest,
Ofwel behoudt hij zijn persoonlijkheid, zijn ziel.

En dat is een verdomd moeilijke keuze.

20130724-104319.jpg