Una giornata particolare

door lievendebrouwere

Mensen vinden vaak dat ik een saai leven heb.
Get a life! roepen ze me toe.

Als altijd ben ik meteen bereid te doen wat ze van me verwachten.
Maar eerlijk gezegd, ik zou niet weten waar ik dat leven moet gaan halen.
Ik heb nochtans al gezocht.
Waar ik allemaal niet gezocht heb!
Maar niks gevonden.
Ik heb dus geen idee waar al die mensen ‘a life’ halen.
En soms kan me dat niet schelen ook.
Zoals vandaag.

Ik moest namelijk naar de tandarts.

Dat is real life, geen twijfel mogelijk.
Niemand blijft er onberoerd onder.
En dus verging ik al uren op voorhand van de stress en de buikkrampen.
Geen greintje tandpijn evenwel. Als bij wonder verdwenen!
Maar ik had nu eenmaal een afspraak, en afspraken kom ik na.
Tandpijn of niet.
Eerst nog een beetje geblogd.
Dat hielp.
Maar de klok tikte ongenadig.
En om één uur kroop ik op de fiets.
Al een geluk dat het niet regende.
Of sneeuwde.
Je weet tegenwoordig maar nooit.

Alhoewel, de cijferaars toeteren vandaag in de krant:

Maand juni was perfect normaal!

Tiens.
Ik heb dit jaar midzomer bij de kachel gevierd.
Perfect normaal, noemen de cijferboys dat.
Zou ik dat ook mogen zeggen? Bijvoorbeeld van Global Warming?
Perfect normaal, jongens! Geen vuiltje aan de lucht!
Nee, natuurlijk niet.
Want ik kan niet goochelen met cijfers.
Ik ben zo’n oude Menapiër die nog naar de lucht kijkt en met zijn tenen voelt.
Ik heb dus niks te zeggen.
Ik moet luisteren naar de cijferjongens.
Als zij zeggen dat het normaal is dat je in de zomer de kachel moet aansteken,
DAN IS DAT NORMAAL!
En ben ík waarschijnlijk abnormaal.

Maar zoals gezegd was er geen regen, sneeuw of hagel op deze eerste vakantiedag.
All normal on the Western front.

Ik was nog geen kwartier onderweg en reed op mijn gemak langs de Schelde, toen ik opeens een onheilspellend gerammel achter me hoorde. Nog voor ik me kon afvragen: wat is dát? schoot er een reusachtig zwart insect langs me heen met een snelheid van ik schat ergens tussen de 40 en 50 kilometer per uur.
Ik schrok me een ongeluk.
Wat was dat?
Het duurde even voor mijn harde schijf weer op gang kwam en ik begreep dat het een fietsmobiel was: een als onderzeëer vermomde ligfiets, een sigaar op drie wielen.
Gotverdegotverdegotver! vloekte ik.
Ik ben tégen de War on Drugs en tégen de War on Alcohol, maar de War on Wielerterrorism zou ik toch wel eens willen verklaren.

Waar moet een mens tegenwoordig kruipen om nog eens op zijn gemak te zijn!

Stel, je woont in Destelbergen en je wilt op zondag eens gaan wandelen met je kleinkind.
Dan is er eigenlijk maar één plek waar je terecht kunt, en dat is de Schelde.
Al de rest staat propvol villawijken, en een wandelpad is geen velden (velden?) te bespeuren.
Vlaamse urbanisatie: het is een allesverpletterend monster.
Alleen door de Schelde wordt het tot staan gebracht.
Op het pad langs de trotse rivier kun je, begeleid door ruisend riet en fluitende vogeltjes, helemaal van Gent naar Antwerpen wandelen. Meer moet dat voor een door autostrades en steenwegen geteisterde Vlaming niet zijn.

Maar.

Dat Pad der Zaligheden wordt geterroriseerd door pseudo-coureurs, door wielertoeristen.
Met honderden, op zondag zelfs met duizenden, vliegen ze in een duizelingwekkende vaart over een pad van hooguit drie meter breed.
Ben je daar net aan het wandelen met je kleinkind, en rent het even weg op zijn korte beentjes, dan heb je pech.

Kindje plat.

Overreden door een cohorte onstuitbare wielergladiatoren.
Remmen doen ze niet. Bellen evenmin.
Ze scheren langs je heen zonder verwittiging.
Een lopende dreumes maakt geen enkele kans.
Plat als een vijg.
Tja meneer, u had maar moeten uitkijken!

Het is weer als in de begintijd van de automobiel: wie niet weg is, is gezien.
Jammer van uw dochterje mevrouw, maar de vooruitgang hou je niet tegen!

En dan valt het hier in Destelbergen nog mee.
Ooit al eens op zondag gaan wandelen tussen Wetteren en Schellebelle?
Daar treft u langs de Schelde aan, op een pad van nauwelijks drie meter breed: wandelende kleuters, fietsende meisjes, skateboardende jongens, moeders met kinderwagens, wandelende gepensioneerden, fietsende gepensioneerden, wielertoeristen, ligfietsen, brommers, motors en – als kers op de taart – auto’s.
Allemaal op één enkel pad.
Allemaal mensen die zich komen ontspannen omdat er elders niks is qua ruisend riet en fluitende vogeltjes.

Vlaanderen vakantieland.

Enfin, u begrijpt dat mijn stress er niet op minderde.
Maar ’t was toch al geen tandartsenstress meer.
En afwisseling van stress doet leven!

Tien minuten later voel ik mijn smartfoon trillen.
Zal mijn vrouw zijn die me een berichtje stuurt om me moed in te spreken.
Maar het ding blijft trillen
Verdorie, iemand belt me op!
Dat ben ik nog altijd niet gewoon.
Ik schrik me nog altijd rot als ik gebeld wordt op mijn smartfoon.
Daarom heb ik trouwens het geluid afgezet.
Maar het ding trilt nog altijd.
Ik ben dus van slag.
Kunnen ze me verdorie niet met rust laten als ik hier tussen de bloemetjes, de vogeltjes en – helaas ook – de wielerterroristen rijd?
Ik stuur een berichtje naar mijn vrouw: waarom heb je gebeld?
Was ik niet, antwoordt ze, was waarschijnlijk Tina.
Maar die heeft toch m’n nummer nog niet, stuur ik terug.
Nu wel, sms’t An.
Ik bel haar straks wel, tik ik op m’n mini-klavier, als ik dan tenminste nog kan spreken.
Oef, weg met dat ding!

Als ik mijn Samsung weer wegsteek, passeert er een boot op de Schelde.
Ik kijk naar de naam.
Tina, lees ik.

Even later stap ik binnen bij tandarts Denys.
Zijn wachtkamer is al even groot als hijzelf: er staan drie stoelen.
De muren hangen vol met affiches, krantenberichten en andere tand-informatie.
Ik lees:

Poets regelmatig uw tandarts!

Aha, originele reclame!
Maar wat zouden ze ermee bedoelen?
Ik kijk wat aandachtiger:

Poets regelmatig uw tanden! lees ik nu.
Oh.
Daaronder staat er iets over de tandarts.
Ik heb gewoon twee woorden van plaats verwisseld!
Kan gebeuren.

Ik ben ruim op tijd en ik haal een boekje uit mijn jas:
de fameuze Bologna-voordracht van Rudolf Steiner.
Die wil blijkbaar door mij gelezen worden, want verleden week heb ik al een boekje van Prokofiev over die voordracht gelezen. Kwam ook helemaal toevallig op m’n weg.

Ik begin achteraan en lees:

‘De samenhang tussen de mens en zijn ziel is niet van dien aard dat je kunt zeggen: daar is het lichaam en in dat lichaam woont de onsterfelijke ziel, een beetje zoals iemand in een huis woont en door de ramen naar buiten kijkt. Zo is het niet. De samenhang tussen ziel en lichaam moet geheel anders worden voorgesteld.’
Het komt erop neer, stel ik vast wanneer ik verder lees, dat de ziel zich niet in het lichaam bevindt, maar dat het lichaam zich in de ziel bevindt. Onze ziel bevindt zich dus buiten ons en we nemen haar waar door de zintuigen van ons lichaam.

Nou moe!

Daar moet ik toch even bij gaan zitten.
Dat wil zeggen: mijn lichaam zit al, maar nu moet ook mijn ziel erbij komen zitten.
Ik ben er even duizelig van.
Steiner keert de zaken hier zomaar eventjes helemaal om.
Mijn ziel zit dus niet in mij, ze bevindt zich buiten mij, in de wereld rondom mij.
Maar wat zit er dan in mij?
Ja, mijn ingewanden natuurlijk. En mijn hersenen.
Ik moet toegeven: die zien er niet al te zielkundig uit.
Maar wat dan met mijn gedachten?
Die zitten toch in m’n hoofd!
En ze zijn bij momenten heel spiritueel!
Maar ik weet dat Steiner niet hoog oploopt met de gedachten in iemands hoofd.
Die gedachten zijn schijn, zegt hij.
De echte gedachten leven in de geestelijke wereld.
En het zijn geen abstracties, maar levende wezens, zéér levende wezens zelfs.
Wat ik in mijn hoofd denk, zijn slechts (bleke) spiegelbeelden van the real thing.

Zo. Ik heb nog maar een halve bladzijde gelezen, en ik heb al het gevoel dat ik een half leven nodig zal hebben om dat te verwerken.

Maar daar is Dirk de tandarts!
Kom binnen, kom binnen, zegt hij, ga zitten, ga zitten.
En wat doet een mens als alles hem twee keer gezegd wordt?
Ik ga dus in de tandartsstoel zitten, een zeer moderne chaise longue.
Als ik mijn hoofd neerleg, zie ik boven mij een vreemd insect-achtig ding.
Hé, zeg ik, je hebt een nieuwe lamp!
O, antwoordt hij, maar die heb ik toch al een tijdje.
En hij draait ze om, met het licht naar mij.
O, zeg ik nu op mijn beurt, ze stond omgekeerd!
Ik had ze niet herkend.

Ik dacht terug aan wat ik net gelezen heb, over het feit dat we de dingen vaak omgekeerd zien.
Wat gek, denk ik, dat wat ik net gelezen heb, nu geïllustreerd wordt door zo’n onnozel voorval!
Ik denk ook aan dat zwarte insect van daarnet, dat ik eerst niet herkend had als een fiets en dat me de stuipen op het lijf joeg.
Ik dacht ook aan Tina, die niet in mijn smartfoon zat, maar als boot op de Schelde passeerde.
Wat is er vandaag aan de hand, vroeg ik me af.
Is mijn ziel met mijn voeten aan het spelen?
Maar als dat mijn ziel is, wie ben ik dan met mijn smartfoon en mijn slechte tanden?

Nou, ik had véél te denken.
En intussen was Dirk ijverig in mijn mond bezig.
Ik ga proberen om een versterking aan te brengen in die tand van je, zei hij.
Oei, schrok ik, dat klinkt alsof je er een betonijzer gaat in boren!
Daar moest hij om lachen.
Goed van me, dacht ik, een ontspannen tandarts is er twee waard!
Niet dat het echt nodig was. Ik heb vertrouwen in Dirk.
Daarom rijd ik altijd een uur ver met de fiets naar Melle.
Want de tandartsen hier in Destelbergen …
Toen we hier 18 jaar geleden kwamen wonen, namen we – uiteraard – een nieuwe tandarts.
Een vrouw.
Niks aan de hand. Tot ze ging scheiden van haar man.
Toen liep het mis.
Laat ik het zo zeggen: er komt nooit meer een vrouw aan mijn tanden!
Vrouwen en tanden, dat betekent voor mij: ellende.
Sinds ik twee vrouwen in mijn mond heb laten huishouden, lijd ik aan chronische tandpijn.
Heb ik met mannen nooit gehad.
Let wel, ik heb niks tegen vrouwen.
Ze mogen overal aan mijn lijf komen.
Maar mijn tanden, dat is voortaan: men only.

En Dirk is een man.
Hij is weliswaar maar anderhalve meter groot, maar iedereen weet:
size doesn’t matter bij mannen.
Als ze maar doen wat ze moeten doen, en dat is: boren en gaatjes dichten.
Dat is mannenwerk.
Proefondervindelijk ondervonden aan mijn eigen gebeente.
Been is voor mannen, vlees voor vrouwen.
Alhoewel.
We hadden hier op de steenweg Nathalie, een vrouwelijke beenhouwer.
Deed prima haar job, maar is wel failliet gegaan.
Misschien zijn ’t de beenderen in het vlees die ’t haar gelapt hebben …

Intussen was Dirk vrolijk aan het boren, cementeren en polijsten in mijn mond.
Hoe die tandartsen dat volhouden, ik begrijp het niet.
De hele dag in iemands mond zitten met allerlei insectachtige (daar heb je ze weer!) instrumenten, nee, het zou niks voor mij zijn.
Boren en gaatjes vullen, ik doe dat liever in den vleze.
En zonder terugbetaling van de ziekenkas.

Toen ik een uur later weer buiten stond, voelde ik me een beetje verdwaasd.
Het is nu eenmaal niet niks als iemand tot in het merg van je gebeente doordringt.
Ik was blij toen ik de Schelde weer zag.
Veel bruine bomen overal. Kwam door al die zon waarschijnlijk.
Maar ik hoefde me geen zorgen te maken. Hadden de cijferjongens niet gezegd dat juni – hoe zeiden ze het ook weer? – ‘perfect normaal’ was geweest?
Welaan dan.

Ik zag hoe een reiger een visje verschalkte.
Een wielertoerist raakte van de weg en kwam in het gras terecht.
Hij vloekte, ik lachte.
Wat later ontmoette ik bij de vijver Tina, alias K. van Het Vijgeblad.
We lachten allebei, want vloeken doen we nooit.
Daarna ging ik naar huis.
Maar voor ik goed en wel begonnen was aan het verslag van mijn avonturen, vielen binnen: An, Anna, Helena en Marianne, ofte mijn vrouw, mijn kleindochter, en mijn twee dochters.
Vier vrouwen op mijn dak!
Ach, als ze maar van mijn tanden bleven!
Daarna aten we pizza met aardbeien.
En tot slot van de dag keken we naar een aflevering van Without a Trace, over een bloedmooie hoer die uit het vak wilde stappen om haar dochtertje terug te krijgen, maar daarvoor over 5000 dollar diende te beschikken en dus met zoveel mogelijk mannen in bed dook. U raadt al hoe het afliep: niet echt goed.

Buiten ging de zon stralend onder. Een beetje vijgen na pasen, maar kom, een mens moet tevreden zijn met het beetje zon dat hij krijgt.
Misschien was die zon wel mijn ziel, want mijn ogen begonnen dicht te vallen.
Maar daar mocht ik niet aan toegeven.
Er moest eerst nog wat geblogd worden.

En dan zijn er mensen die vinden dat ik een saai leven heb…

Get a soul!

20130702-001102.jpg