Paard en ruiter

door lievendebrouwere

Als een mens ’s morgens opstaat en aan tafel gaat zitten, kan hij kiezen tussen kaas en konfituur.
Er zijn veel soorten kaas.
Er zijn winkels die alleen maar kaas verkopen.
Er zijn ook veel soorten konfituur.
Niet zoveel als kaas misschien, maar er is ook nog:
choco, speculaaspasta, tahin (voor de macrobioten), muisjes (voor de Hollanders), enzovoort.
Er is natuurlijk ook charcuterie. Waarom niet?
Niemand zegt dat je ’s morgens geen vlees mag eten.
Ik heb ooit nog spagetthi als ontbijt gegeten en dat smaakte best.
En voor wie zijn broeders en zusters niet wil opeten, zijn er allerlei soorten vegetarisch broodbeleg.
Keuze genoeg.

Keuze genoeg?
Keuze te veel, bedoelt u.

Voor vrouwen is het nog erger.
Die moeten ’s morgens ook nog eens kiezen wat ze zullen aantrekken.
Ze kunnen bijvoorbeeld hun groene jurk aantrekken.
Maar past die wel bij het groen van de bladeren?
Even door het raam kijken.
Nee, toch maar niet.
Enfin, u kent het wel.
Vrouwen moeten bij wijze van spreken twee keer ontbijten.
Of drie keer, of vier.
Want ze moeten ook nog kiezen voor de kinderen, die luidkeels hun wensen te kennen geven.

Een mens is blij als hij ’s morgens in zijn auto kan stappen en naar zijn werk rijden.
Soms kan hij kiezen tussen de auto of de trein, of tussen de auto en de fiets.
Maar hij kan niet kiezen welk werk hij vandaag zal doen.
Hij kan zelfs niet kiezen hoé hij zijn werk wil doen.
Het ligt allemaal vast.
Iedere dag hetzelfde.

De zee van mogelijkheden die hij bij het ontbijt nog had, is ineengestort tot de onontkoombare realiteit van de dag.
Gelukkig maar.
Anders zou een mens tegen de middag al knettergek zijn.

Kunnen kiezen tussen 1001 mogelijkheden is fantastisch.
Maar het is ook een kwelling.

Het is de grootste kwelling van onze tijd.

Ieder jaar op 11 november verschijnen er overal grote affiches in de straten die ons in niet mis te verstane beelden en woorden duidelijk maken dat we het véél beter hebben dan de arme mensen aan de andere kant van de wereld. De jongste jaren laten die affiches er ook geen twijfel over bestaan dat het allemaal ónze schuld is en dat we die schuld kunnen afkopen door geld te geven aan een organisatie die aan mondiale schuldvereffening doet.
Het merkwaardige met die affiches is nu dat je daar inderdaad mensen op afgebeeld ziet die in erbarmelijke omstandigheden leven. Maar die mensen zien er niet ongelukkiger uit dan wij. Integendeel zelfs, ze lijken een innerlijke rust en gelatenheid te hebben die wij al lang niet meer kennen.
Het is alsof ze zeggen: inch’ allah, het is de wil van God.
En daar hebben ze vrede mee.

Als er één iets is dat wij nooit meer zeggen, dat we zelfs niet meer over onze lippen krijgen, dan is het wel: het is de wil van God.
Het is een keuze die we nooit meer maken: die tussen de wil van God en onze eigen wil.
God heeft niets meer te protocollen in ons leven.
Zelfs niet wanneer we ‘gelovig’ zijn.
We gaan dan misschien wel naar de mis, en we bidden iedere dag, en we branden kaarsen,
maar verder doen we gewoon onze zin.
God mag kijken, maar hij doet niet meer mee.

Bij de mensen op de affiches doet hij duidelijk wél nog mee.
Hoe zouden ze anders al die ellende en ontbering overleven?
Wij zouden het geen drie dagen uithouden om onze kinderen op stinkende vuilnishopen te zien rondscharrelen naar een beetje voedsel of iets dat verkocht kan worden.
We zouden er knettergek van worden.
Want we zouden er ons schuldig aan voelen.
We geloven immers niet meer dat het de wil van God zou zijn.
We zijn ervan overtuigd dat het onze eigen wil is en onze eigen wil alleen.
Die vuilnishopen, weten we, die hebben wij daar opgestapeld.
En die kinderen die daar de hele dag rondscharrelen, die hebben wij op de wereld gezet, en niemand anders.

Ziedaar de kwelling van de moderne mens.
Hij voelt zich schuldig aan alles wat verkeerd gaat in de wereld.
Hij voelt zich schuldig omdat hij de wereld in een vuilnishoop heeft veranderd en zijn kinderen verplicht daarop rond te scharrelen.
Qui tollis peccata mundi: de moderne mens gaat gebukt onder alle zonden van de wereld.
Want die wereld is zíjn wil, en van niemand anders.
Hij heeft die gemaakt, in alle vrijheid.
De moderne mens lijdt aan de wereld omdat hij lijdt aan de vrijheid.

De arme vuilnishoopmensen aan de andere kant van de wereld lijden, dat is duidelijk.
Maar zij lijden niet meer dan de moderne Westerse mens.
Integendeel zou ik zelfs zeggen, want zij kennen de kwellingen van de vrijheid (nog) niet.
En dat zie je aan hun gezicht.

Ik heb dat ook altijd gezien aan de gezichten van de immigranten die hier in toenemende mate opduiken.
Er was in die gezichten iets wat ik niet begreep.
Die mensen hadden hun vaderland verlaten, ze hadden alles achter zich gelaten wat hen vertrouwd was, en ze leefden nu in een wereld die hen vreemd was. En toch zag ik op hun gezichten niet de angst, de vertwijfeling en de verlorenheid die ík in zo’n geval zou voelen. Nee, ik zag op die gezichten een innerlijke rust en een zelfvertrouwen die mij onbekend waren.
Want die mensen voelden zich nergens schuldig aan.
Het was niet hún wil dat ze hier waren, het was de wil van God.

Het is intussen wel duidelijk geworden welke enorme kracht er schuilt in die ‘wil van God’.
Het zootje ongeregeld dat hier binnenstroomt, simpele, primitieve mensen vaak, die recht uit de middeleeuwen komen, zijn langzaam maar zeker bezig onze hele moderne maatschappij te hervormen. Zij zien hier de gevolgen van de vrijheid en zij zeggen, bewust of onbewust: nee, dat willen wij niet! En tegenover die vrije samenleving plaatsen zij een godgewilde samenleving.
Dat is de ‘clash of civilisations’ die we nu meemaken.

We zullen die clash verliezen als we geen brug vinden tussen Gods wil en onze eigen wil.
Want onze eigen wil is niet opgewassen tegen ‘de wil van God’.
Stap voor stap wijken we terug voor die goddelijke wil waarin met name de moslims zo sterk geloven. Stap voor stap geven we onze vrijheden op die we bevochten hebben op (het geloof in) de wil van God.

De zee van mogelijkheden die we hebben wanneer we aan het ontbijt zitten, of wanneer we voor onze kleerkast staan, of wanneer we een gsm gaan kopen of een koffiezetmachine, of wanneer we met vakantie gaan, of wanneer we een boek willen lezen of naar muziek luisteren: het is allemaal bevochten op Gods wil.

Alles wat wij moderne mensen vandaag zijn, hebben we bij wijze van spreken veroverd op God.
En we denken er niet over om het weer terug te geven.
Geen haar op ons hoofd dat eraan denkt om die vrijheid weer af te staan.
Probeer kinderen er maar eens van te overtuigen dat ze geen gsm nodig hebben!
Probeer ze er maar eens van te overtuigen dat ze er niet ieder jaar een nieuwe nodig hebben!
Probeer ze maar eens een computer te onthouden!
Kinderen ruiken van bij hun geboorte al de zilte geur van de zee van mogelijkheden, en ze willen die zee zien, ze willen erin onderduiken, ze kunnen er nooit genoeg van krijgen.
Daarvoor zijn ze op aarde gekomen: om de vrijheid te smaken.
En probeer ze maar eens tegen te houden!

We realiseren ons nauwelijks hoe sterk de roep van de vrijheid is.
Waarom komen al die migranten hier naartoe gestroomd?
Omdat ze de roep van de vrijheid vernomen hebben.
Omdat ze na hun lange tocht door de woestijn eindelijk de zee ruiken.
Thalassa, Thalassa! riepen de Grieken destijds.
Vandaag klinkt die roep over de hele wereld.
De vrijheid, de vrijheid!

We hebben er veel voor over om naar zee te gaan.
Uren in de file zitten, parkeerplaats zoeken, plaatsje op het strand zoeken, de hele dag in de drukte zitten, elkaar verdringen op de dijk, tegen die afschuwelijke appartementsblokken aankijken, en tot slot weer uren in de file zitten.
We beschouwen al die kust-ellende als iets wat we erbij moeten nemen, als iets waar we niks kunnen aan doen, als … de wil van God zeg maar.

Wat we echter niet beseffen, is dat we al die dingen ook zelf wíllen.

We beseffen niet meer hoe overweldigend de zee is en hoe we ons daar instinctief tegen wapenen, door schouder aan schouder in het zand te gaan liggen, door met zijn allen te gaan zwemmen in afgebakende zones met bemoeizieke ‘redders’, door te wandelen op de dijk waar kinderen in vierwielers het op onze schenen gemunt hebben. Ja, zelfs die afzichtelijke appartementen zijn een onbewuste mentale buffer tegen het geweld van de zee.
Waarom zien de traditionele kustwoningen eruit als poppenhuizen, met kleine venstertjes en allerlei fantasietjes? Waarom zijn ze steevast zo volgestouwd met ‘postuurkes en bibelootjes’ dat er nauwelijks nog plaats is voor de bewoners?
Omdat kustbewoners de zee kennen. Omdat ze zich wapenen tegen haar sirenengezang. Omdat ze er zich hermetisch voor afsluiten.
Net als kusttoeristen.

De aantrekkingskracht van de zee is zo groot dat we er ons moeten tegen wapenen, anders verandert ons genot in een kwelling.
Met de vrijheid is het niet anders.
Zij is nog veel aantrekkelijker en overweldigender dan de zee.
En daarom verzetten we er ons uit alle macht tegen.

Maar we beseffen het niet.

We spreken er schande van dat de moslims niet willen integreren, dat ze onze vrije samenleving niet willen aanvaarden.
En we hebben gelijk. Het is een schande dat ze zich vol afkeer afwenden van onze samenleving, maar er tegelijk volop van profiteren.
Daar zijn we terecht verontwaardigd over.
Maar die verontwaardiging mist alle kracht omdat wij … precies hetzelfde doen.

Wij verzetten ons uit alle macht tegen de vrijheid.

Wanneer we ’s morgens opstaan en aan tafel gaan zitten, genieten we volop van de zee van mogelijkheden die onze vrije samenleving biedt: honderd soorten kaas, tientallen soorten konfituur, choco, cornflakes, appelsiensap, croissants, noem maar op. Er komt geen eind aan.
En als we geluk hebben, kunnen we in alle rust eten terwijl de zon binnen schijnt en we uitkijken op een groene tuin. En op de achtergrond klinkt Haydn of Handel.
Ja, het leven kan mooi zijn.
Een paradijs op aarde.

Maar dan slaat het noodlot toe: we worden uit het paradijs verdreven, we moeten gaan werken.
Vlug, vlug, vrouw waar is m’n laptop?
Kinderen, vooruit, zijn die boterhammen nu nog niet op!
Het is al bijna acht uur! Jullie komen te laat!
God nog aan toe, de telefoon gaat!
Jan, neem eens op!
Ik kan niet, ik moet weg!

En dan volgt de ochtendspits: file, getoeter, ergernis, haast.
Het paradijs verandert in een hel.

Als we geluk hebben, wordt het daarna beter.
De ‘job van je leven’ weet u wel.
Maar van de ochtendlijke zee van mogelijkheden blijft nauwelijks nog iets over.
De golffunctie is ineen gestort.
Als we ’s avonds afgepeigerd thuiskomen, wordt het weer beter.
We kunnen dan kiezen tussen 100 televisiezenders.
Maar het is niet meer hetzelfde.

Wat een leven, wat een leven! zuchten we.
En we beseffen niet dat we dit zelf willen.
We ervaren het misschien wel als de wil van God (of de Duivel), als iets waar we niks kunnen aan doen, maar het komt geen moment in ons op dat we dit zelf willen.
Want we verzetten ons uit alle macht tegen de vrijheid die zich ’s morgens voor ons opent.
We kunnen ze niet aan.
We wapenen er ons tegen.
We trekken iedere dag ten strijde tegen de vrijheid.

En hier ligt het verschil tussen de zee en de vrijheid.
De zee is ons gegeven.
De vrijheid niet.
Als we na een dagje kust weer naar huis gaan, blijft de zee gewoon liggen.
Ze zingt verder, ook als we niet luisteren.
De vrijheid doet dat niet.
Als we ze niet onze aandacht geven, verdwijnt ze.
Ze is immers onze creatie, en ze is geen ding.
Ze is een je ne sais pas quoi dat zonder ons niet bestaat.
Ja, eigenlijk maakt de vrijheid deel uit van onszelf.
Eigenlijk zíjn wij de vrijheid.
Wij mensen zijn in wezen vrije scheppende geesten.
In wezen.
Maar dat wezen moeten we realiseren.
Het leeft slechts als mogelijkheid in ons.
Net als de vrijheid.

Het is dus niet zo dat we ’s morgens aan de ontbijttafel onze vrijheid krijgen, als was het Gods wil.
En dat ze ons vervolgens weer wordt afgenomen, ook omdat het Gods wil is.
Nee, wij scheppen zelf onze vrijheid.
En we vernietigen ze ook weer.
We bestrijden ze even hartstochtelijk als we haar nastreven.

Dat gehaast, die files, die vreselijke baas op het werk, die pesterige collega’s, die oervervelende lessen op school, kortom dat hele krankzinnige moderne leven: we zouden het voor geen geld ter wereld willen missen, we willen het onder geen beding afgeven.

Pardon?

Verlangen we niet allemaal naar een betere wereld, een rustiger wereld, een menselijker wereld?
Zijn we niet allemaal verontwaardigd als er weer een paar terroristen, gangsters, racisten, Bart De Wevers of ayatollahs roet in het eten komen gooien?
Zeker wel.
Maar wat verandert al dat verlangen en al die verontwaardiging?
Juist: niemendal.
En de reden daarvoor is dat we ons niet bewust zijn van onze dubbele houding, van onze gespletenheid.
Er is niets wat we meer willen dan onze vrijheid.
En er is niets wat ons zo de stuipen op het lijf jaagt als juist die vrijheid.

We zijn als een paard dat in volle galop op een hindernis afstormt en dan vlak ervoor blijft staan.
Ruitertje in een grote boog door de lucht.
Ruitertje bijt in het zand.
Ruitertje klimt weer op z’n paard.
En hop, hetzelfde spelletje herhaalt zich.
Keer op keer. Telkens weer opnieuw.
Ziedaar het menselijk bedrijf.

Dat ruitertje en dat paard, dat zijn wijzelf.
We stormen op de vrijheid af als iemand die drie uur in de file heeft gezeten.
Maar we zien de hindernis niet.
We beseffen niet dat ons paard – onze onbewuste wil – telkens weigert en dat het ruitertje – ons heldere bewustzijn – telkens in het zand bijt.
We beseffen niet dat de confrontatie met de vrijheid ons als het ware in twee scheurt.

We kunnen niet zeggen: goed, beste paard, blijf jij maar staan, dan ga ik te voet verder.
Want paard en ruiter zijn één.
Hoe verder ze zich van elkaar verwijderen, hoe groter de (innerlijke) spanning.
En als die spanning te groot wordt, vliegt het ruitertje weer in een grote boog door de lucht, maar dan in omgekeerde zin, weer op zijn paard.
Want het paard – de onbewuste wil – is veel sterker dan het ruitertje.
Hoever dat ruitertje ook doordringt in de vrijheid, vroeg of laat moet het naar zijn paard terug.
En als dat paard intussen op eigen houtje zijn stal is gaan zoeken (‘in Gods wil’), kan dat héél ver terug zijn, naar een plek waar in de verste verte geen vrijheid meer te bespeuren valt.

Dat ruitertje, dat zijn wij met al onze wensen en verlangens naar een vrije wereld.
De hele mensheid is vandaag ruitertje geworden.
Als een magneet wordt ze aangetrokken door de plekken waar de grootste vrijheid heerst.
Geen enkele file kan ze daarvan weerhouden.
Maar wij zijn ook paard.
En allemaal blijven we stokstijf staan voor de hindernis die ons van de vrijheid scheidt.
Allemaal werpen we onze ruiter af, of we nu moderne Westerlingen zijn of primitieve immigranten.
Allemaal bijten we in het zand.

En we beseffen het niet.

Want we slagen er niet in om ons een beeld te vormen van de situatie.
We benaderen ze instinctief, vanuit onze buik (zoals bijvoorbeeld de migranten) of we benaderen ze abstract, vanuit ons hoofd (zoals bijvoorbeeld de politiek-correcte intellectuelen).
We zouden ook kunnen zeggen: we benaderen ze religieus of wetenschappelijk.
Maar we benaderen ze niet kunstzinnig, we benaderen ze niet vanuit ons hart.
Die mogelijkheid komt niet eens in ons op.

En toch.

Het is de enige manier om greep te krijgen op de situatie waarin we ons bevinden.
Alleen de kunst is in staat om de uitersten met elkaar te verzoenen.
Alleen de kunst is in staat om paard én ruiter over die hindernis te krijgen.
In een sierlijke boog.

Wat ik hier schrijf, is niet zomaar wat Spielerei-met-beelden.
Het is een poging om zicht te krijgen op een zeer concrete situatie waarin ik me momenteel bevind.
Want ik moet kiezen.
Ik moet een verschrikkelijk moeilijke, verscheurende keuze maken.
Het zou me te ver voeren om daar nu op in te gaan.
Maar het komt erop neer dat ik moet kiezen tussen twee mogelijkheden: ja of nee.
En van dat ja of nee hangt de rest van mijn leven af.
Zo is het hoogstwaarschijnlijk niet, maar zo voelt het wel aan.
En ik kan niet kiezen.
De voor en tegens zijn precies even groot.
Alle argumenten die ik aanvoer, alle voorstellingen die ik me maak, brengen me geen stap verder.
Het blijft onverminderd fifty-fifty.
Alsof de duivel ermee gemoeid is.
Alsof iemand een kwaadaardig spelletje met me speelt.
Alsof iemand me alleen maar wil kwellen.

Dankzij Steiners Bologna-voordracht weet ik natuurlijk dat ikzelf die kweller ben.
Maar waarom in godsnaam kwel ik mezelf zo?
Waarom breng ik mezelf in deze situatie?

Ik kan daar voorlopig maar één antwoord op vinden: om me te dwingen een beeld te vormen van mezelf, om me te dwingen in de spiegel te kijken.
En God, er is niets vreselijkers voor een mens dan in de spiegel te moeten kijken.
Het is de confrontatie met de dubbelganger die de wacht houdt aan de drempel van de vrijheid.
Spannend om over te lezen, een verschrikking om mee te maken.

Daarom is er de kunst.
Om de waarheid te overleven, de waarheid over onszelf, de waarheid die onze dubbelganger ons zo ongenadig voorhoudt.

Ik kan er momenteel nog niet om lachen, maar ik begin te bespeuren dat ik mezelf op een kunstzinnige (maar allesbehalve sentimentele) manier in een situatie heb gebracht die me dwingt om in de spiegel te kijken. En die spiegel moet ik zelf maken, aan de hand van het materiaal dat de werkelijkheid mij ter beschikking stelt.
Ik ben daar niet toe verplicht.
Ik ben zelfs niet verplicht om te kiezen.
Ik kan gewoon mijn ogen sluiten, het allemaal over me heen laten komen en doen waar ik, als oude ziel, zo goed in ben: aan de klaagmuur gaan staan.
Ik zou het ook als een jonge ziel kunnen aanpakken, de knoop doorhakken en er het beste van maken. Dat zou al een stuk verstandiger zijn.
Maar niet alleen durf ik dat niet, ik zou er ook een kans door verkijken: de kans om in de spiegel te kijken en daar een beeld te zien (lees: te vormen) van wie ik werkelijk ben: een paard en een ruiter die op een hindernis afstormen, weigeren, in het zand bijten en van voren af aan weer beginnen.
Het is een uiterst persoonlijk beeld, maar het is tegelijk het beeld van de moderne mens.

We staan allemaal voor de drempel van de vrijheid.
We stormen er als kusttoeristen op af.
En we vliegen in een grote boog door de lucht.
Dat vliegen op zich is best aangenaam: we zweven, we voelen ons vrij, we gaan uit de bol.
Maar dan komt de landing, en die is onzacht.
Het houdt ons echter niet tegen om opnieuw te beginnen. Telkens weer.
We stormen, we vliegen door de lucht en we bijten in het zand.
Het beeld van onze tijd.

Maar we moeten dat beeld ook in de tijd plaatsen.
Na twintig keer in het zand te hebben gebeten, stormen we niet langer zo enthousiast op de vrijheid af. Niet alleen doen onze knoken behoorlijk pijn, maar we worden er ook moedeloos van. We gaan twijfelen aan ons vermogen om over die hindernis te raken.
En langzaam groeit in ons de overtuiging: inch’ allah, het is Gods wil.
We doen geen moeite meer om over de hindernis te raken.
We rijden ernaartoe, stappen af en drinken een kopje muntthee.
Zo slijten we ons leven.

Zoals de man in de parabel van Kafka’s Proces.

Voor de wet staat een wachter. Bij deze wachter komt een man van buiten en vraagt om toegelaten te worden tot de wet. Maar de wachter zegt dat hij hem nu niet kan toelaten. De man denkt na en vraagt dan of hij later zal mogen binnengaan. Het is mogelijk, zegt de wachter, maar nu niet.
De man gaat erbij zitten en wacht.
Hij doet vele pogingen om toegelaten te worden en vermoeit de wachter met zijn gesmeek.
Maar deze kan hem niet toelaten.
De man wordt oud. Hij voelt zijn krachten afnemen en spant zich nog een laatste keer in.
Hoe komt het, vraagt hij aan de wachter, dat er al die tijd niemand behalve ik toegang heeft gevraagd? Iedereen streeft er toch naar om de wet te bereiken?
De wachter antwoordt: hier kon niemand anders toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu heen en sluit de poort.

Kafka was een kunstenaar. Hij voelde 100 jaar geleden al aan in welke situatie de moderne mens terecht zou komen en hij goot het in een prachtig beeld, het beeld van de mens aan de drempel, het beeld van de mens die zijn dubbelganger ontmoet.
En hij raakt er niet voorbij.
Hij gaat erbij zitten.

De wereld die dan ontstaat heeft Kafka in Het Proces (maar niet alleen daar) beschreven.
Het is een Kafkaiaanse wereld.
Het is een wereld waarin mensen beschuldigd worden en niet weten door wie of waarom.
Het is een wereld waarin ze zonder proces terechtgesteld worden.
Het is onze wereld.

Het is een wereld van mensen die niet over de drempel raken,
die de confrontatie met hun dubbelganger niet aangaan,
Een wereld van mensen die beschuldigen en beschuldigd worden,
en die niet weten waarom.
Want ze zien niet dat de wereld waarin ze leven een spiegel is.
Ze hebben Steiner niet gelezen die zegt dat het Ik van de mens niet ín hem leeft, maar buiten hem, in de wereld die hem omgeeft.
Of ze hebben Steiner wel gelezen, maar zijn niet voorbij de woorden geraakt.
Ze zijn er niet in geslaagd zich een beeld te vormen.
En dus blijven ze voor de drempel in cirkels draaien,
tot ze uiteindelijk afstappen en bij de pakken gaan zitten.
Ze wachten tot de hindernis verdwijnt, tot de wachter verdwijnt,
tot het leven verdwijnt.

In die wereld leef ook ikzelf.
En nu ik stilaan ouder word en het leven uit me voel verdwijnen,
raap ik nog één keer al mijn krachten en al mijn valpartijen samen,
en stel ik de vraag:

Waarom mag ik niet naar binnen?
Waarom draai ik al m’n hele leven in cirkels rond?
Waarom komen altijd weer dezelfde situaties terug?
Waarom raak ik maar niet over die drempel?

Gewoonlijk stel ik die vragen aan God.
Maar de man zwijgt als vermoord.
Tja, je kunt het hem niet kwalijk nemen.
Nu begin ik echter te begrijpen dat ik die vraag aan mezelf moet stellen.
Ik moet ze aan mijn eigen Ik stellen dat daar ergens in outer space rondzweeft.
Ik moet ze stellen aan mijn dubbelganger.
Want hij staat tussen mij en mezelf.
Hij is degene die mij in twee splijt.
Hij is degene die de hele wereld in twee splijt.
En dubbelgangers weten waarom.

Maar dubbelgangers zijn afschrikwekkend.
En dat is nodig, want als we zomaar, onvoorbereid, zonder sterk genoeg bevonden te zijn door de Wachter, over de drempel stapten, zouden we verblind worden door ons eigen Ik.
En we zouden dan helemaal niks meer zien.

Steiner zegt in zijn Filosofie der Vrijheid: wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt erdoor geknecht.
Steiner bedoelt hier natuurlijk de levende idee, niet de dode, abstracte idee, want daar kunnen wij moderne mensen zonder probleem tegenover gaan staan.
In abstracto kunnen we tegenwoordig overal tegenover gaan staan: zowel tegenover de ideeën van het materialisme, als tegenover de ideeën van de antroposofie.
Dat is al heel wat.
Maar het is niet genoeg.
We moeten nu ook tegenover de levende ideeën gaan staan.
We moeten over de drempel tussen de dode en de levende wereld.
Dat is ook de drempel naar de vrijheid, want wat we ons met zoveel moeite veroverd hebben en wat ons ’s morgens begroet op onze ontbijttafel, is de dode vrijheid, de vrijheid als vorm.
Nu is het tijd om ook de levende inhoud van die vrijheid te leren kennen.
Maar die inhoud bevindt zich aan gene zijde van de drempel.
En voor de drempel staat de Wachter, onze dubbelganger.
Hij belet ons om in de levende vrijheid te duiken en erin te verzuipen.
Hij vrijwaart er ons van om geknecht te worden door de vrijheid.

Geknecht door de vrijheid?
Wat mag dát wel betekenen?
Simpel: we zien het elke dag als we het huis verlaten.
Die hele krankzinnige wereld van het ochtendspitsuur: ziedaar de mensheid die verslaafd is aan de vrijheid.
Dat is heus geen mensheid die in een sierlijke boog over de hindernis springt.
Het zijn louter ruitertjes die door de lucht vliegen, denken dat ze vrij zijn en dan tegen de grond smakken.
Wij moderne mensen zijn vrijheid-junkies.
We gaan kapot aan onze vrijheid.
Omdat we alleen de lege vorm in handen houden en smartelijk verlangen naar de inhoud.
Maar die bereiken we nooit als onze dubbelganger ons niet doorlaat.
En daarvoor moeten we hem in de ogen durven kijken.
We moeten in de spiegel de vrijheidsjunkie leren zien die we geworden zijn.

‘Ik doe toch wat ik wil, zeker!’, zegt zo’n junkie.
En intussen doet hij precies wat anderen hem voorschrijven.

Maar we zijn niet alleen verslaafd aan de vrijheid.
We worden niet alleen geknecht door de vrijheidsidee.
Ook onze dubbelganger is een idee, een levende idee.
We hebben hem zelf geschapen!
En we worden door hem geknecht.

We doen voortdurend dingen die we niet willen.
We doen dingen die we bij anderen verafschuwen.
En we weten het niet.
De wereld is vandaag vergeven van mensen die ervan overtuigd zijn het goede na te streven en die non-stop hun medemensen ervan beschuldigen slecht te zijn.
Ze projecteren met andere woorden hun dubbelganger op anderen.
Dat is wat gebeurt als je niet tegenover je dubbelganger kunt gaan staan.
Je valt er dan mee samen.
Hij werkt dan door je heen.
En omdat hij sterk is als een paard heb je er geen verhaal tegen.
Je kunt hem alleen, in een machteloos gebaar, op anderen projecteren.

Maar dat is beter dan niets.
Want dit projecteren is deel van de beeldvorming.
Het is onze onzichtbare kunstenaar die aan het werk is.
Maar we beseffen het niet.
We doen het instinctief.

Eigenlijk zouden we aan onze vijanden moeten vragen: waarom sta je me in de weg?
Want zij zijn het scherm waarop we onze eigen dubbelganger projecteren.
Hij is het die ons – via alles wat wat we heftig verafschuwen – belet om over de drempel te gaan.
Maar we moeten oppassen van die dubbelganger.
Een opgewonden, briesend paard moet je niet benaderen als je niet weet hoe.
Veels te gevaarlijk!
En onze dubbelgangers zíjn opgewonden.
Ze zijn in alle staten, want – zoals Steiner al zei – de hele mensheid staat te dringen voor de drempel. Iedereen wil van de vrijheid proeven. Haar lokroep is onweerstaanbaar.
En de dubbelgangers moeten al dat volk tegenhouden, want er zijn er heel weinig die in staat zijn de levende vrijheid te ontmoeten zonder eraan ten gronde te gaan.
Dus gaan de dubbelgangers steeds heviger tekeer.
Ze sturen zelfs het weer in de war.

Maar dat betekent dat we steeds meer beelden van onszelf op de wereld projecteren.
Ja, heel de wereld wordt steeds meer tot een spiegel van de mens.
En dat geldt niet alleen voor de grote gezamenlijke wereld.
Het geldt ook voor onze hoogst persoonlijke eigen wereld.
Voortdurend houdt die ons beelden voor in de hoop dat we ze zullen herkennen, dat we we zullen zeggen:

Verdorie, dat ben ikzelf, hoe is het mogelijk!

Ik heb al vaak ondervonden dat er in de wereld, ondanks alle ellende en harde confrontaties, toch ook humor zit.
Wat van dichtbij een tragedie lijkt, wordt vanop afstand een komedie.
En op die afstand komt het aan.
Het is echter niet de afstand van het hoofd, met zijn abstracte ideeën.
Het is de afstand van het hart, met zijn beelden.
Want alleen met ons hart kunnen we afstand nemen van onze dubbelganger.
Alleen met ons hart kunnen we de beelden herkennen die we van hem op onze omgeving projecteren.
En laten we ons niet vergissen:
Het zijn hartverscheurende beelden.
En het zijn ook geen kunstwerken waar we in de comfortabele omgeving van een museum of een tentoonstellingszaal kunnen naar kijken.
Het zijn levende kunstwerken waar we zelf deel van uitmaken en die ons dwingen tot een keuze.

Voor zo’n keuze sta ik momenteel zelf.
Ik zou waarschijnlijk heel andere dingen moeten doen dan hier te zitten bloggen.
Maar ik zie geen andere manier om mijn tegenwoordigheid van geest te bewaren.
Ik moet kiezen en ik kan het niet.
Ik weet niet wat ik moet doen.

Ik ondervind nu aan den lijve hoe ontzettend belangrijk het is dat een mens over de drempel raakt, dat hij contact kan maken met zijn Ik, dat ‘aan de andere kant’ leeft en dat wél weet welke keuze er moet gemaakt worden.
Als ‘ruiter’ heb ik geen idee.
Ik zie twee mogelijkheden die allebei even aantrekkelijk en even onaantrekkelijk zijn.
Het is een perfect evenwicht.
Mijn hoofd komt er niet uit.
En mijn hart?
Dat fladdert wild rond in zijn kooi.
Het is in alle staten.
En toch weet ik dat er een juiste beslissing bestaat.
Ik ken ze, maar ik raak er niet bij.
Ik raak niet over die drempel die me van mezelf scheidt.

Zucht.

Misschien probeer ik het morgen nog een keer.

20130710-164909.jpg