Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: augustus, 2013

Ondankbaar Brugge

20130830-194622.jpg

Ik lees in de krant dat de Brugse restaurants zeer slecht scoren bij de toeristen.

‘Dat becijferde de website ­stedentripper.com, die recensies van restaurants uit 160 Europese steden onderzocht. Brugge is zelfs de onbetwiste koning van de slechte smaak, want met tien procent ‘vreselijke restaurants’ laat het Venetië (6,4) en Marseille (4,7) ver achter zich.’

Ik kan dat alleen maar beamen.
An en ik zijn ooit twee keer gaan eten in Brugge, om iets te vieren.
Wel, in beide gevallen voelden we ons zwaar bekocht.
Hoe durfden ze een mens zoiets voorschotelen!
Hadden ze me een blinddoek voorgebonden, ik zou niet geweten hebben wat ik at.
Het smaakte nergens naar.
Zonder veel zout, mayonaise en wijn (wijn?) had ik het niet eens door m’n keel gekregen.
Maar het uitzicht was mooi. Dat wel.

Dergelijke zaken moeten een goudmijn zijn.
Ze zitten elke dag vol, week in week uit, het hele jaar door.
Er komt gewoon geen eind aan die toeristenstroom.
En aan de geldstroom.
Maar zijn de Bruggelingen daar dankbaar voor?
Het valt me vaak op hoe brutaal en geërgerd fietsende Bruggelingen zich gedragen.
Ik kan dat ergens wel begrijpen.
Ze kunnen nergens op hun gemak fietsen.
Hun stad is niet van hen.
Ze is van de toeristen.
Brugge is in zekere zin een bezette stad.
Maar Brugge is ook een zeldzaam mooie stad.
En zonder de toeristen zou ze nooit zo mooi zijn.
Die toeristen brengen geld in het laatje waarmee Brugge gerestaureerd kan worden.
Dat restaureren trekt dan weer rijke mensen aan die in Brugge willen wonen en van hun huis een pronkstuk maken.
En zo wordt Brugge alsmaar mooier.

Ik heb ooit foto’s gezien van Brugge vóór de toeristeninvasie.
Het was niét mooi om zien.
Goed voor de sloop.
Zo kun je ’t samenvatten.
Ik zeg niet dat de toeristen Brugge gered hebben.
Maar zonder hen zou Brugge er niet uitzien zoals nu.
Het zou er wellicht uitzien als Brussel.
Dat wil zeggen: vreselijk verminkt.
Dáár mogen de Bruggelingen wel eens aan denken als ze zich weer eens ergeren aan de toeristen.
Ze hebben geen idee wat een voorrecht het is om in Brugge te wonen.
De toeristen zijn de prijs die ze daarvoor moeten betalen.

Ik ken mensen die leven van de toeristen, goed leven.
En toch spreken ze er vol minachting en afkeer over.
Het is diezelfde minachting en afkeer die spreekt uit het schandalig slechte voedsel dat ze die toeristen voorschotelen.
Nota bene in een land dat bekend staat om z’n goeie eten!
Ik denk dat de Bruggelingen de toeristen haten.
En dat getuigt mijns inziens van een verregaand gebrek aan cultuur.
Wie houdt van kunst en cultuur is zielsgelukkig dat een stad als Brugge bestaat.
Dat al die schoonheid gered is van de sloop.
Hij ziet in de toeristen zijn bondgenoten.
Maar niet zo de Bruggeling.

Brugge heeft niet de inwoners die het verdient.

Advertenties

Domme blondjes (2)

Een dom blondje in een sportwagen wordt aangehouden door een politieagente, eveneens blond en dom.
Uw identiteitskaart alstublieft!
Het blondje in de sportwagen kijkt verward.
Identiteitskaart?Hoe ziet dat eruit?
De politieagente antwoordt:
Het ziet eruit als een bankkaart, maar je foto staat erop.
Het andere blondje zoekt in haar handtas en haalt ten slotte een zakspiegeltje tevoorschijn.
Ze kijkt erin, zegt ‘aha’ en geeft het aan de agente.
Deze kijkt in het spiegeltje en zegt verwonderd:
Ik wist niet dat je ook bij de politie was!

Domme blondjes (1)

Een blinde man stapt een vrouwenclub binnen, gaat aan de toog zitten en bestelt iets te drinken.
Ken je die mop van dat domme blondje, vraagt hij.
De vrouw naast hem antwoordt: ik ben blond en ik weeg 100 kilo.
Aan je andere kant zit eveneens een blondje en ze heeft een zwarte gordel karate.
Achter je zit ook een blondje, en ze is bij de para’s.
Zo gaat ze het hele café af, waar vijf blondjes blijken te zitten, allemaal met haar op hun tanden.
Weet je zeker dat je je mop nog wilt vertellen, vraagt ze aan de blinde man.
Hij denkt even na.
En zegt dan: nee, ik heb geen zin om hem vijf keer uit te leggen…

Zwarte maandag

20130830-093759.jpg

Eén september nadert en dat is altijd een droeve dag.
Alle kindertjes moeten dan weer naar de gevangenis, pardon naar school.
Daar zitten ze dan de hele dag op een stoel en pompen hun arme hoofd vol leerstof, met de klemtoon op stof.
Een mens zou van minder somber worden.
Maar geen nood, er is altijd wel iemand die het allemaal nog wat erger maakt.
Zoals professor Marc Hooghe, een van de intellectuele boegbeelden van politiek correct Vlaanderen.
Woensdag deed hij het weer.
In de krant.
Precies 50 jaar na Maarten Luther King had hij (ook) een droom.
Hij droomde van een aula vol nieuwe Belgen.
Hooghe is namelijk hoogleraar politieke wetenschappen aan de KUL.
Hij betreurt het dat er zo weinig allochtone studenten in zijn lessen zitten.
Hij zou zo graag meer exotische namen op zijn puntenlijsten zien prijken.
Het idee dat het ook wel eens aan hem zou kunnen liggen, komt natuurlijk niet in hem op.
Je bent wetenschapper of je bent het niet.

Nee, die vraag aan wie het ligt, interesseert hem helemaal niet.
Hij schrijft: ‘Voor de politici is het allicht een aangenaam spelletje na te gaan wie verantwoordelijk is voor die ongelijkheid. (…) Maar voor onze samenleving doet het er niet toe wie de schuld treft. Het belangrijkste is dat we een oplossing vinden.’

Waarom is het zo belangrijk dat we een oplossing vinden?

Omdat die blanke, kleurloze auditoria volgens Hooghe de voorbode zijn van een ‘gesegregeerde’ samenleving, een samenleving met een bovenlaag en een onderlaag, een samenleving zoals de Amerikaanse.
Daar zijn de leerkrachten al blij als de leerlingen op weg naar school niet doodgeschoten worden en levend de klas bereiken.
Dát is de realiteit waar we volgens Hooghe op afstevenen als de auditoria zo blank blijven.
Hij is bang dat hij over afzienbare tijd voor lege banken zal staan omdat de blanke studenten neergeschoten zijn door de allochtonen die op die banken hadden moeten zitten.

Hooghe zegt het natuurlijk niet zo bot.
Je bent wetenschapper of je bent het niet.
Maar je kunt toch weinig anders achter zijn woorden lezen.
Het gaat de verkeerde kant op, dat is zijn boodschap.
En wat kunnen we daaraan doen?
Ja, dat is zijn zaak niet.
Dat is een ‘aangenaam spelletje’ voor politici.
Hooghe signaleert alleen maar.
Voor de rest wast hij zijn handen in onschuld.
Als wetenschapper geef je een objectief beeld van de werkelijkheid, and that’s it.
Het is aan de anderen om er iets mee te doen.
Of niet.

Onzin natuurlijk.

Sinds de atoombom kunnen wetenschappers hun handen niet meer in onschuld wassen.
Ze weten dat de wetenschap mee de wereld bepaalt en dat ze dus medeverantwoordelijk zijn.
Dat betekent dat ze verder moeten denken dan alleen maar hoe-de-zaken-ervoor-staan.
Ze moeten hun autistische ik-heb-er-niks-mee-te-maken-standpunt verlaten.
Ze moeten weer gaan deelnemen aan de werkelijkheid.
Of beter: ze moeten leren inzien dat ze dat reeds doen.

Marc Hooghe is een schoolvoorbeeld (sic) van een wetenschapper die aan politiek doet en het niet weet.
Of het niet wil weten.
Ik geef niemand de schuld, zegt hij.
Ik zeg alleen hoe de zaken ervoor staan.
Ik ben geen ideoloog, ik ben een wetenschapper.

Ja, m’n oor.

Helemaal aan het eind van zijn artikel zegt hij: ‘Wat we ons onvoldoende realiseren is dat, als we ons onderwijs blijven gebruiken om ongelijkheid te versterken, we tegelijk ook voor zo’n ongelijke samenleving kiezen.’
Let op dat ene zinnetje:
‘Als we ons onderwijs blijven gebruiken om ongelijkheid te versterken.’
Zegt de man die, aan het begin van zijn artikel, niemand de schuld wilde gegeven.
Die daar zelfs smalend over deed en het een amusant ‘spelletje voor politici’ noemde.
En nu zegt hij onverbloemd: we gebruiken het onderwijs om ongelijkheid te versterken.
Anders gezegd: we spannen het onderwijs voor onze racistische kar.

We.

Dat wil zeggen: ze.
Want het spreekt vanzelf dat Marc Hooghe daar niet aan meedoet.
Heeft hij niet gezegd het te betreuren dat er zo weinig allochtonen in zijn les zitten?
Heeft hij niet duidelijk gemaakt dat hij niets liever zou willen dan lesgeven aan gesluierde moslima’s?
Heeft hij niet geschreven dat hij snakt naar exotische namen?
Nee, Marc Hooghe is geen racist.
Daar valt niet aan te twijfelen.
De racisten, dat zijn de anderen.
De leerkrachten van het middelbaar onderwijs.
Zij beletten de allochtonen door te stromen naar het hoger onderwijs.

Misschien kunnen ze de zwarte piet doorspelen naar hun collega’s van het lager onderwijs, want die beletten de allochtonen door te stromen naar het middelbaar.
En misschien kunnen die collega’s op hun beurt met een beschuldigende vinger wijzen naar de kleuterjuffen, want die discrimineren de allochtone kleutertjes ongetwijfeld ook.
Maar met zulke ‘spelletjes’ houdt de professor zich niet bezig.
Nee, hij speelt een ander spel.

Hij gebruikt het onderwijs niet om de ongelijkheid tussen de leerlingen te versterken.
Hij gebruikt het onderwijs om de ongelijkheid tussen de … leerkrachten te versterken.
Want die bestaan volgens hem uit twee groepen: we en ze.
We, dat zijn de professoren van het hoger onderwijs: de goeien.
Ze, dat zijn de leerkrachten uit het lager onderwijs: de slechten, de racisten.

Maar hij wil niemand de schuld geven, o nee!
Hij stelt alleen maar vast.
Hij is een wetenschapper, geen ideoloog.

Hooghe doet dus precies hetzelfde als de racisten uit het middelbaar en lager onderwijs: hij gebruikt het onderwijs om de ongelijkheid te versterken.
Maar omdat hij tot de ‘goeien’ behoort, is het wetenschap.
En omdat de anderen tot de ‘slechten’ behoren, is het racisme.

Als het waar is wat de professor zegt – en wie zou durven twijfelen aan de wetenschap! – dan is de situatie in het Vlaamse onderwijs ronduit dramatisch.
Want hoewel de Vlaamse scholen door wetenschappers en deskundigen telkens weer worden aangewezen als broedplaatsen van racisme, blijven de Vlaamse leerkrachten volharden in het kwaad.
Ondanks de jaarlijks herhaalde waarschuwingen van mensen zoals Marc Hooghe blijven ze de allochtone leerlingen zodanig discrimineren dat ze geen kans maken op een hoger diploma.

Hoe graag de professoren uit het hoger onderwijs het allochtone potentieel ook zouden willen ontwikkelen, het gras wordt hen voor de voeten weggemaaid door hun collega’s uit de lagere regionen.
En hoe ‘laag’ die collega’s wel zijn, kan men afleiden uit de woorden van Marc Hooghe.
Want als deze professor een voorbeeld is van een ‘goede’ leerkracht, hoe sluw en doortrapt moeten de ‘slechte’ leerkrachten dan niet zijn!

En aan deze perfide figuren vertrouwen wij op één september onze kinderen toe????

Simon & Garfunkel

Toen we dinsdag van Mechelen terugkeerden en van op de autostrade de zon in roze en rood zagen ondergaan, klonk in de auto de muziek van Simon & Garfunkel.
Geen idee waarom ik precies die cd had meegenomen (ik luister nooit naar de radio) maar de muziek paste perfect bij die betoverende zomeravond.
Daarom heb ik gisteren nog eens gekeken naar de dvd van hun optreden in Central Park in 1981.

20130829-120946.jpg

Opnieuw trof het me dat deze onsterfelijke muziek zo goed past bij deze tijd van het jaar.
Het legendarische concert in Central Park – meer dan 500.000 mensen woonden het bij – vond trouwens plaats op 19 september.
Het baadde helemaal in de Maagd-sfeer.

Om te beginnen de plaats.
Central Park is een immens park in het hartje van Manhattan.
Een oase van groen te midden van een stenen woestijn.
Een stuk ‘maagdelijke’ natuur op wat zowat de dichtst bebouwde plek ter wereld moet zijn.
Het park is nochtans aangelegd.
Het is mensenwerk.
Het is dus geenszins woeste natuur.
Wel integendeel.

Central Park is een zinnebeeld van wat de natuur vandaag geworden is:
een plek die zorgvuldig behoed moet worden tegen het geweld van de overal oprukkende ‘cultuur’.
Want Central Park mag er tegenwoordig dan wel keurig en veilig bijliggen, het was ooit anders.

20130829-123228.jpg

Ik kan me levendig voorstellen hoe belangrijk dit park moet zijn voor de New Yorkers, die opgesloten zitten tussen beton en staal en eindeloze drukte.
Central Park moet voor hen als een baarmoeder zijn waar ze nieuwe levenskarachten kunnen opdoen, waar ze zich kunnen onttrekken aan het geweld van de wereld waarin ze leven.
En er ís veel geweld in Amerika.

Toen ik gisteren zat te kijken naar dat hartverwarmende concert – een half miljoen jonge mensen die in een park, op een stille septemberavond, luisteren naar twee andere jonge mensen die samen zingen – moest ik onwillekeurig denken aan die andere zo jong en onschuldig uitziende Amerikaan, president Obama, houder van de Nobelprijs voor de Vrede, die op het punt staat zich in een zoveelste uitzichtloze oorlog te storten.

De twee gezichten van Amerika: scheppend en vernietigend.
De twee gezichten van de moderne wereld.

Het concert in Central Park staat bekend als een van de grootste uit de muziekgeschiedenis.
Dat wil wat zeggen, in een tijd die aan de lopende band muziekfestivals organiseert.
En niet alleen worden die festivals steeds massaler, ze worden ook steeds luider.
Jonge mensen moeten oordopjes meenemen om niet doof terug naar huis te keren.
Op de een of andere manier gaat er een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit van al dat auditieve geweld.
Ik heb sowieso een ontzettende hekel aan electronisch lawaai, maar als ik soms een glimp opvang van de ‘muziek’ die op de hedendaagse festivals gespeeld wordt, kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het in de eerste plaats gaat om: zoveel mogelijk lawaai maken.
Alsof de moderne mens zijn meest barbaarse instincten wil ontketenen.
Alsof hij alleen op die manier nog iets kan beleven.

Wat een enorm verschil met twee ‘maagdelijk’ uitziende schooljongens (in werkelijkheid waren ze 40 jaar oud) die samen tere, poëtisch liedjes zingen!
En daarmee 500.000 jonge mensen op de been krijgen!
Dat kan ik me vandaag niet meer voorstellen.

Als ik luister naar de muziek waarmee ik ben opgegroeid, de muziek uit de jaren ’60, dan hoor ik daarin een naïeviteit en een ‘maagdelijkheid’ die vandaag verdwenen is.
Het was de tijd van de flower power, van love & peace, van de hippies, van de lange haren.

20130829-130139.jpg

Ik heb daar zelf nooit echt aan meegedaan – afgezien van het lange haar natuurlijk – maar ik denk er toch met vertedering aan terug: hoe onschuldig was het allemaal niet!
Het had iets van een nieuw begin, een nieuw leven.
Bloemen in plaats van stenen en beton.
Make Love not War.
Het was een tijd van verliefdheid op een ideaal, op een onzichtbare nieuwe mens die geboren zou worden.
Van dat verliefde idealisme blijft vandaag niets meer over.
De realiteit heeft de dromen ingehaald.
Jonge mensen spreken vandaag niet meer over liefde en vrede en be sure to wear some flowers in your hair.
Ze spreken over winners en losers.
Ze spreken over de keiharde struggle for life.
En ze kijken meewarig, om niet te zeggen vol afkeer, naar hun ouders, naar de generatie van mei ’68 die toen zo kinderachtig deed en vandaag zo cynisch is geworden.

Ik kan ze geen ongelijk geven.
Het maagdelijke idealisme van toen en het cynische geweld van nu zijn twee kanten van dezelfde medaille.
En die twee kanten bestonden toen al.
De studenten van mei ’68 riepen: de verbeelding aan de macht!
Maar tezelfdertijd klommen ze op de barricaden en voerden oorlog in de straten.
Die kern van geweld heeft zich ontwikkeld en haar love & peace uiterlijk afgeworpen.
Alhoewel.
Is Barack Obama geen Nobelprijswinnaar?
Ziet hij er niet jongensachtig onschuldig uit?
En roept ook de jongensachtige, en ooit zo idealistische, Guy Verhofstadt vandaag niet op tot oorlog?

Waar komt al die bloeddorstigheid toch vandaan?
Waarom hebben die geweldenaars vaak zo’n onschuldig, jongensachtig gezicht?

20130829-132531.jpg

Ik denk dat al die vernietigingskrachten niets anders zijn dan gefnuikte scheppingskrachten.
De mens is een scheppende geest, en dat is hij vandaag meer dan ooit.
Maar die geest is ingesloten door een muur van harde materie waar hij niks kan mee aanvangen.
En dus moet hij die muur eerst afbreken.
Hij moet de materie eerst kneedbaar maken, zoals een beeldhouwer die wil boetseren.
Hij moet eerst chaos creëren, wil hij een nieuwe orde kunnen scheppen.

Dat is ook wat gebeurt als een maagd bevrucht wordt.
In haar bevruchte eicel ontstaat een totale chaos die nergens anders in de natuur voorkomt.
En die chaos kan een menselijke geest aangrijpen om zichzelf een lichaam maken waarmee hij scheppend kan optreden in de wereld van de materie.
Maar die chaos wordt gecreëerd in de veilig afgeschermde omgeving van de baarmoeder.
En pas als ze overwonnen is en tot een nieuwe orde – het kind – is gemaakt, wordt de grens overschreden.

Ik maak me sterk dat het geweld dat de wereld vandaag overspoelt, niets anders is dan een buitenbaarmoederlijke zwangerschap, een scheppingsproces dat buiten de baarmoeder plaatsvindt.

Onze wereld heeft nood aan ‘baarmoeders’, aan Maagdelijke krachten die veilige plekken creëren waar in alle rust en afzondering chaos kan gecreëerd worden en waar het nieuwe de kans krijgt om zich ongestoord te ontwikkelen.
Het resultaat van dergelijke ‘maagdelijke krachten’ zag ik tijdens dat concert in Central Park.
Ik zag twee ‘maagdelijke’ jongens die in een idyllische omgeving tere liedjes zongen en die geen geweld nodig hadden om een mensenzee geestdriftig te maken.
Hoe etherisch klonken hun liedjes bij momenten niet!
Met hoe weinig wisten ze dat enorme publiek in de ban te houden!
Het had bij momenten iets onwaarschijnlijks.
En dat was het in wezen ook.

Simon en Garfunkel zijn hun carrière in 1965 begonnen.
In 1970 gingen ze uit elkaar.
In die vijf jaar zijn al hun onsterfelijke liedjes ontstaan.
Daarna was het afgelopen.
Ze hebben elk hun carrière afzonderlijk voortgezet, maar ‘het’ was er niet meer.
Alleen toen ze nog bij elkaar waren, stroomde de inspiratie.
Paul Simon was het scheppende genie van de twee.
Art Garfunkel was vooral een stem.
En toch kon Simon zonder Garfunkel niet meer scheppen, niet op dat zeldzaam hoge niveau.
Die vijf jaren waren een periode geweest van intense bevruchting en zwangerschap, een onwaarschijnlijke uitbarsting van scheppingskracht.

Tijdens dat legendarische concert was er een klein maar veelzeggend voorval.
Het concert vond plaats in 1981, elf jaar dus na de split.
Op een gegeven moment zingt Paul Simon solo een liedje dat hij pas geschreven heeft en voor de eerste keer laat horen.
Het lijkt nergens op.
Het is een pijnlijke bevestiging van het feit dat de inspiratie verdwenen is.
Het zegt ook iets over de spanningen tussen de twee, want ik kan me niet goed voorstellen dat Garfunkel gelukkig was met deze ‘valse noot’ tijdens een overigens fantastisch concert.
Maar uitgerekend tijdens dit vervelende en misplaatste nummer springt er een man op het podium die met geweld moet verwijderd worden.
Je ziet Simon verschrikt achteruit deinzen.
Maar hij is een professional en blijft gewoon voortzingen.
In zijn ogen is echter een blik verschenen die iets verraadt van de leegte die hij in zichzelf voelt.
Want hij is een lege baarmoeder geworden die niet langer bevrucht wordt, niet met het zaad dat zoveel onsterfelijke muziek heeft voortgebracht.
Hij is een … oude vrijster geworden.
Dat is het tragische besef dat even zichtbaar wordt in al die harmonie.

Het geeft aan het concert iets aangrijpends, en het vertelt ook wat een uitzonderlijke genade het was dat deze twee joodse jongens elkaar gevonden hebben, ook al duurde hun artistieke huwelijk slechts vijf jaar.

Het is alsof Art Garfunkel dat tot uitdrukking brengt in het liedje dat hij, alleen begeleid door de gitaar van Simon, zingt:

April come she will
When streams are ripe and swelled with rain;
May, she will stay,
Resting in my arms again

June, she´ll change her tune,
In restless walks she´ll prowl the night;
July, she will fly
And give no warning to her flight.

August, die she must,
The autumn winds blow chilly and cold;
September I´ll remember.
A love once new has now grown old.

Met die laatste regel wordt het hele concert samengevat.
En hij drukt ook iets uit van het maagdelijke karakter van september.
In April is de liefde nog nieuw en vurig.
In Augustus sterft ze.
En in september is er alleen nog de herinnering,
zacht en teer.

Het is ontroerend om met dat beeld in gedachten te kijken naar de blikken die Simon en Garfunkel uitwisselen. Het zijn liefdevolle blikken, maar ze zijn gevuld met het besef dat ‘het’ voorbij is, dat de baarmoeder leeg is, dat het lange wachten begonnen is.

20130829-141129.jpg

Visionaire Willy

20130828-181656.jpg

Toen ik dit vanmiddag zag, moest ik ineens terugdenken aan heel lang geleden.
En wel aan ‘De Windmakers’ een stripalbum van Suske en Wiske, dat in 1960 verscheen.
Lambik, Sidonie en Jerom worden erin geplaagd door … slakken.
Maar het zijn geen gewone slakken, het zijn reuzenslakken.
Zelfs Jerommeke kan ze nauwelijks de baas.
En dat wil wat zeggen!

20130828-182420.jpg

Als kind was ik zeer onder de indruk van die manshoge slakken.
Je zal het verdorie maar meemaken!
Gewone slakken zijn al erg genoeg, maar reuzenslakken …?
Een mens vraagt zich af waar Willy Vandersteen het allemaal bleef halen.
Het antwoord is nu duidelijk.
Willy was een visionair!
Hij kon niet alleen ver in het verleden kijken (De Mottenvanger), hij kon ook in de toekomst kijken.

Ik moet mijn Suskes en Wiskes dringend eens opnieuw gaan lezen.

20130828-183122.jpg

Streng maar rechtvaardig

Kaaiman, alias Koen Meulenaere, de gevreesde columnist van De Tijd, is terug van vakantie en hij heeft er duidelijk zin in. Niet dat het hem daaraan ooit ontbroken heeft.
Maar vroeger sloeg hij slechts één keer per week toe.
Nu doet hij dat elke dag.
Een krokodil met grote honger dus.
Maar hij bijt steeds met de glimlach.

Een voorbeeld:

‘In de jaren 90 zat uw Kaaiman in het panel van ‘De rechtvaardige rechters’, toen dat gelukkig nog tot de radio beperkt bleef en Bruno Wyndaele het presenteerde. In die dagen had een min of meer bekende mediafiguur zich van man tot vrouw laten omkitten of omkatten, om andere klinkers buiten beschouwing te laten. Uw Kaaiman moest daar een sketch over maken. Wij hadden vooraf gebeld naar collega-panellid David Davidse met de vraag of hij die transseksueel wilde spelen. ‘Geere schat, geere.’ Enige schaamte overvalt ons nu nog, maar we zouden aan David vragen: ‘Dat wat u had hangen, en wat u nu niet meer hebt hangen, waar is dat gebleven?’ En David zou dan antwoorden: ‘Ik heb dat tussen mijn bokes gelegd. Lekker. Ge moet er wel pikante saus op doen, maar dat moest ge vroeger ook al.’

Een dergelijke vulgariteit zou natuurlijk nooit worden afgedrukt in een krant als De Tijd, maar op de VRT kon het. Helaas. Toen we in de opnamestudio aankwamen, bleek David ziek en hadden ze Marc Reynebeau als vervanger opgetrommeld. Zelden een sketch zo de mist in weten gaan. Bij sommigen helpt zelfs de pikantste saus niet meer.’

20130828-143226.jpg

Een avondwandeling

Gisteren mijn ouders gaan bezoeken in Mechelen-waar-is-de-tijd.
Het ouderlijk huis in de Voetbalstraat (waar lang geleden de terreinen van de Malinwa lagen) is verkocht en nu wonen ze in een assistentiewoning of een serviceflat of een rusthuis of een home of hoe die dingen ook genoemd worden.
De gezamenlijke leeftijd van bewoners is in ieder geval aan de duizelingwekkende kant.
Oud, ouder, oudst.
Mijn vader is net 87 geworden.
Mijn moeder is een jong ding van 81.

Na een paar uur geluisterd te hebben naar verhalen over het-leven-zoals-het-is ging ik een luchtje scheppen.
Het was zes uur en de zon neigde reeds ter kimme zoals ze dat in de oude tijd deed.
Alles was rustig, afgezien van de kreten van de dementen.
Ik ontdekte vlakbij een wandelpad dat er zeer uitnodigend uitzag.
Ik kwam meteen in een andere wereld terecht.
Het eerste wat ik zag, was dit:

20130828-101446.jpg

Het waren wel geen Douglassparren, maar ze maakten toch een verdomd Ardeense indruk.
Die had ik echt niet zien komen.
Mechelen mag dan wel dichter bij de Ardennen liggen dan Destelbergen, ik bleef het een merkwaardig zicht vinden.
Toeval, ja dat zal het wel geweest zijn!

Ik wandelde verder, tussen sparren en tuinen.
Groententuinen, siertuinen, speeltuinen, gazontuinen, verwilderde tuinen.
Het leek wel een beeld van mijn leven, met aan de ene kant dat intense verlangen naar een plek op aarde, een huis-met-een-tuin, en aan de andere kant dat hemelbestormende streven van de spar.
Ik wandelde in een werkelijkheid die tegelijk een beeld was.
Maar dat realiseerde ik me op dat moment (nog) niet.
Doen we dat niet allemaal?
Wandelen we niet allemaal in beelden zonder dat we het ons realiseren?

We leven temidden van mysteries, schreef Goethe.
En we verslapen ze grotendeels.
Ook ik.
Maar soms ontwaken we even, zoals wanneer we ’s nachts wakker worden en denken: hé, ik was aan het dromen! Waarna we weer in slaap vallen en verder dromen.
Ook overdag slapen we. Maar op de omgekeerde manier.
We noemen het ‘wakker zijn’, maar in feite verslapen we een hele wereld.
Als we ons van die wereld bewust worden, noemen we dat ‘dromen’.

Ik bevond me tijdens die wandeling inderdaad in een dromerige toestand.
Het was dan ook een betoverende avond.
Overal hing een nauwelijks te definiëren rust.
Een man was in zijn tuin aan het harken, een uitermate keurige en verzorgde tuin.
In een andere tuin waren twee jonge honden aan het dollen, terwijl een klein meisje stond te kijken.
Nog wat verder klonk bestek: een gezin zat onder een boom te eten.
Vredig was het allemaal.
Het eenvoudige leven, ver weg van alle drukte.
Een droom. Maar tegelijk heel concreet en nuchter.
Want al die stille tuinen, met hun zonoverschenen gazons en lommerrijke bomen, getuigden van zorgzaamheid en vlijt.
Hier woonden nijvere mensen, die een droom gerealiseerd hadden: een huisje met een tuintje.
En ik benijdde hen.
Wat kan een mens zich nog meer wensen?
Een plek om te wonen, te werken, te spelen.

Ik dacht aan de krankzinnige autostrade waar we net vandaan kwamen.
Twee baanvakken vol vrachtwagens.
De hele dag door, zonder onderbreking.
Is dat allemaal echt nodig?
Kan het echt niet met wat minder?
Een stukje groen om in te wonen, een stukje groen om in te werken, een stukje groen om op te eten, een stukje groen om naar te kijken, een stukje groen om in te wandelen, een stukje groen om te schilderen.
Wat wil een mens nog meer?

Goethe antwoordde op die vraag: iets anders.
De mens wil iets anders.
Dat is la condition humaine, het menselijk gebrek.
We willen allemaal iets anders.
We willen allemaal een andere wereld.

Het tragische is dat die ‘andere wereld’ reeds bestaat.
We zien hem alleen niet.
Want we slapen, en noemen dat ‘wakker zijn’.
En wanneer we even ontwaken, noemen we dat ‘dromen’.
En dromen zijn bedrog.

Maar de droom die ik gisteren beleefde was heel concreet.
En ik was heel wakker.
Ik beeldde me die sparren niet in.
En die huizen-met-tuin staan er ook vandaag nog.
Maar er was ook iets wat er niét iedere dag is.
En dat was die onbeschrijflijk tere zomeravond.
Felix Timmermans zou gezegd hebben: er dreef wierook door de lucht …

Ik realiseerde me opeens dat de zon inmiddels in Maagd was gekomen.
En ja, die bijna heilige rust, het stille bezig zijn in huis en tuin, het vlijtige zorgen voor het leven, het realiseren van kleine dromen: het was allemaal typisch Maagd.
En Mechelen is een typische Maagd-stad.
Vroeger stond in het centrum van de stad, pal in het midden van de Grote Markt, het standbeeld van Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes van de Nederlanden (jaja, Mechelen was ooit de hoofdstad van Vlaanderen én Nederland), die het grootste deel van haar leven ‘als maagd’ heeft doorgebracht.
In de voortuin van de Koninklijke Academie stond vroeger ook het beeld ‘Huiselijke Zorgen’ van Rik Wouters. Eveneens een typisch Maagd-beeld.
Het is inmiddels ook verdwenen.
Maagden zijn immers niet cool.
Maagdelijkheid is niet modern.
Mechelen wil natuurlijk wél modern zijn en schaamt zich voor haar Maagdelijkheid.
Daarom moeten die typische Maagd-beelden uit het zicht verdwijnen.

Er is echter één beeld dat ze niet van zijn plaats krijgen: de Sint-Romboutstoren.

20130828-114024.jpg

Deze imposante toren moest de grootste ter wereld worden: 167 meter.
Men is blijven steken op 97 meter.
Want het geld was op.
Sindsdien (1520) staat de stompe toren daar, van heinde en verre zichtbaar, als een symbool van het geknakte Douglassparstreven van de oude hoofdstad der Nederlanden.
Mechelen was ooit een stad die naar het hoogste streefde.
Maar ze heeft haar al te grote droom niet kunnen waar maken.
Ze is halverwege blijven steken.
Zoals Margaretha van Oostenrijk met haar doodgeboren kind.
Mechelen is als één grote pièta.
Een stad vol kerktorens.
Een stad vol scholen.
Een stad met meer historische gebouwen dan Brugge.
Een stad die ooit weergaloos mooi moet zijn geweest, met al haar inmiddels dichtgegooide reien.
Maar die een oude vrijster is geworden omdat haar kind, haar grote droom, gestorven is.

De Sint- Romboutstoren-zonder-spits is een versteende vrouw-zonder-kind.
Nee, er is geen twijfel mogelijk: Mechelen is een Maagd-stad.
Toen ik er opgroeide, was het een slapende, vergeten stad.
Een stad vol stille dromen.
Toen Baudelaire – die een hekel had aan België – het Mechelse begijnhof bezocht, zei hij (of zou hij gezegd hebben): hier wil ik komen sterven!
Ja, Mechelen was toen één grote ‘assistentiewoning’.
Maar nu is Mechelen ontwaakt.
Het heeft de stap naar het moderne leven gezet.
Het droomt nu niet meer.
Het denkt dat het wakker is.

Maar soms, op zomeravonden als gisteren, kun je die betoverende Maagdelijke sfeer van het oude Mechelen nog waarnemen.
Ik voelde ze al toen ik over de brug van Temse reed, waar de Schelde zo majesteitelijk breed is.
Van dan af wordt alles stelselmatig kleiner, althans in uiterlijke zin.
Maar innerlijk voel je als het ware het naderen van ‘het kind’.
En dat wekt een stille ontroering.

Die stille ontroering voelde ik ook toen ik op dat smalle wandelpad liep.
Er was eigenlijk niks bijzonders te zien, het was allemaal heel gewoon en heel burgerlijk.
En toch droeg een belofte van hemelse dingen in zich.

Ja, zo stel ik mij de hemel voor, althans in het begin.
Als een groene wereld waar een diepe rust heerst, waar de zon zijn zachte gouden stralen over uitgiet en waar iedereen met heel gewone dingen bezig is, vol verwachting van de Grote Droom die langzaam nader komt en die in feite de Grote Werkelijkheid is, de werkelijkheid die we hier slechts in beelden waarnemen.
Als we tenminste wakker worden uit de droom dat we wakker zijn …

20130828-121959.jpg

Ik had de sparren inmiddels achter me gelaten en drong steeds dieper door in een steeds groenere wereld.
In de verte hoorde ik een koe loeien, ook weer een typisch Ardeens geluid.
Het leek wel of België werkelijk één werd.
Maar ik vond dat die Vlaamse koe toch wel behoorlijk luid loeide.
Het machtige geluid spande een onzichtbaar gewelf over de hele streek.
Toen realiseerde ik me dat het geen koe was die ik hoorde.
Het was een … leeuw!

Ik naderde namelijk de Leuvense vaart en aan de overkant van die vaart ligt Planckendael, de dierentuin.
En vandaar klonk dat indrukwekkende gebrul.
Het was alweer een beeld: de Vlaamse leeuw die af en toe wel eens brult, maar niemand nog schrik aanjaagt omdat hij opgesloten zit in een kooi ter vermaak van de toeristen.

Maar het was welletjes geweest met al die beelden.
Van te veel beelden wordt een mens dronken, en ik moest nog rijden.
Ik ging even op een bank aan het water zitten, het spiegelgladde water van de loodrechte Leuvense vaart.
Naast me zat iemand te vissen vanuit zijn auto.
Achter mijn rug reden de wielertoeristen in trosjes voorbij.
Hijgende joggers passeerden.
In de tuin van een riante villa zag ik midden op het gazon een enorme rode plastic hond staan.
Hedendaagse Kunst!
Tijd om terug te keren.
Ik wandelde het pad weer af.
De zon was achter de bomen verdwenen.
De betovering was verbroken.
Was dit dezelfde wereld waar ik nog maar net doorgewandeld was?
Mijn verstand zei ja.
Maar mijn hart herkende niets meer.

Afscheid genomen, handen gezwaaid en de autostrade weer op.

Maar hé, wat was dat daar?
Tussen de struiken op de middenberm door ving ik glimpen op van een zon die sprookjesachtig onderging tussen allemaal roze wolkjes, als een moeder te midden van haar kinderen, gloeiend van trots.
Maar nee, het was geen trots.
Dit was niet meer de blakende augustus-zon.
Dit was een veel mildere zon, een Maagd-zon.
Ze straalde. Letterlijk.
Je kon haar stralen zien.

Het was gelukkig niet zo druk meer op de autostrade.
Maar toch nog niet zo rustig dat ik had kunnen uitstappen om een foto te nemen.
Dat kon vroeger nog wel, toen de wereld nog niet zo diep in slaap lag en droomde dat hij wakker was.
Ik herinner me nog dat we 40 jaar geleden met vijf vrienden in een kleine Mazda over de autostrade reden. Richard zat aan het stuur.
Hij had niet alleen een leeuwenhart, hij was ook een onverbeterlijke speelvogel.
We keken naar buiten. Het was een grijze dag.
Iemand zei: regent dat nu of niet?
Onmiddellijk ging Richard op de rem staan, stapte uit en hield zijn handpalmen omhoog.
Nee, schudde hij het hoofd, ik voel niks.
Waarna hij weer instapte en verder reed.
Ja, dat kon toen nog.

Nu kon ik alleen maar vanuit de auto naar de zon kijken.
En luisteren naar Simon & Garfunkel.

Hello darkness, my old friend;
I’ve come to talk with you again.
Because a vision softly creeping
Left its seeds while I was sleeping,
And the vision that was planted in my brain
Still remains within the sound of silence.

Videobeelden en verontwaardiging

20130827-114109.jpg

De zeer betrouwbaar uitziende figuur hierboven is John Kerry, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, die zichzelf min of meer beschouwt als ‘het geweten van de wereld’.
Dat geweten is geschokt, want het heeft videobeelden gezien van een gifaanval in Syrië.
En dat volstaat om ten oorlog te trekken.

Alweer een pijnlijk geval van digitale dementie.

Blijkbaar is het geweten van de wereld bijzonder kort van geheugen.
De Amerikanen zijn nog maar net weg uit Irak, waar ze, op grond van enkele vage beelden en niet minder vage geruchten over massavernietigingswapens, een enorme chaos hebben aangericht, of ze maken zich opnieuw klaar om een land binnen te vallen waar – u raadt het nooit – verschrikkelijke wapens zijn gebruikt.
Hoe weten ze dat?
Ze hebben video-beelden gezien.
En ze hebben ‘onbetwistbaar bewijsmateriaal’.
We weten sinds Saddam Hoessein wat dat betekent.
Ze hebben eigenlijk niks.

Ze hebben naar hun computerschermen zitten kijken – waarmee ze de hele wereld in het oog houden – en daar hebben ze dingen gezien die hun ‘hevige verontwaardiging’ hebben gewekt.
De grens tussen verontwaardiging en oorlogszucht is niet al te duidelijk in Amerika, en dus zijn een paar videobeelden en geruchten genoeg om dat hele gigantische leger in staat van paraatheid te brengen.

Het wordt zo stilaan de vraag van de kip en het ei.
Wat was er het eerst: de verontwaardiging of de oorlogszucht?
Sommigen durven die vraag zelfs anders stellen.
Wat was er het eerst: de gifaanval of het besluit om weer oorlog te voeren?

Die gifaanval lijkt in ieder geval sterk op Pearl Harbour of 9/11: een voorwendsel om uit te rukken en de wereld te laten zien wie de sterkste is.
Was 9/11 trouwens ook niet in de eerste plaats een … videobeeld?
Had Amerika ooit het fiat van de ‘internationale gemeenschap’ gekregen als die videobeelden niet eerst honderd keer de wereld waren rondgegaan tot zelfs de laatste Eskimo ze gezien had?
Zonder videobeelden was 9/11 niet meer dan een fantastisch gerucht geweest: ze zeggen dat er in New York twee vliegtuigen tegen twee wolkenkrabbers zijn gevlogen en dat ze ingestort zijn…
Wie zou dat om te beginnen geloofd hebben?
En wie zou er zich druk om gemaakt hebben?
De oorlog in Syrië is al meer dan een jaar aan de gang.
Maken we ons daar druk over?
Maken we ons druk over de oorlogen die elders woeden, in verre landen?
Niet echt.
Maar als er opeens vreselijke videobeelden verschijnen, ja dán zijn we verontwaardigd!
En die verontwaardiging verspreidt zich als een lopend vuurtje omdat de digitale media overal ter wereld er olie op gieten tot het een vuurzee wordt.
En dán kunnen we weer oorlog gaan voeren.
Dan heeft ons geweten een reden om ‘in te grijpen’.

Bewijzen?
Ach, we sturen een paar VN-waarnemers.
Zoals destijds in Irak.
Een ritueel.
Een paar videobeelden.
Dat moet volstaan.

De mogelijkheid dat die videobeelden getrukeerd zijn of bewerkt komt blijkbaar bij niemand op.
Ik herinner me nog altijd de kranten waarin grote tekeningen stonden van Saddam Hoesseins geheime raketinstallaties. Ja, dat was nog eens een gevaar voor de wereldvrede!
Hier moest tegen opgetreden worden voor het te laat was!
Bleek dat die installaties gewoon niet bestonden.
Er waren helemaal geen massavernietigingswapens.
Het was allemaal verzonnen.

Beweer ik nu dat er nooit een gifaanval geweest is in Syrië?
Nee, ik beweer alleen dat je met videobeelden véél kunt doen.

Dat lijkt nog niet doorgedrongen te zijn tot ‘het geweten van de wereld’.
Of juist wel?
Een mens mag er niet aan denken …

God schuilt in de details

20130826-154311.jpg

Het is bijna ontroerend met hoeveel zorg de Walen (sommige Walen?) hun wegen repareren.
Ik zie dat in Vlaanderen niet zo gauw gebeuren.
Hier niet ver vandaan ligt al sinds járen een straat die verdacht veel op een maanlandschap lijkt. Zelfs met een 4×4 is het een avontuur om daar te rijden.
Maar er gebeurt niks.
Een steenweg daarentegen die in uitstekende staat verkeert, wordt helemaal opnieuw gelegd, met alle omleidingen en ergernissen tot gevolg.

De Walen doen het duidelijk anders.
Mij vertelt dit aandoenlijke hoopje vers asfalt dat zij zich meer verbonden voelen met hun streek, met hun land, met de aarde.

Vlamingen vallen astrologisch nochtans onder de Stier, het teken dat meer dan alle andere verbonden is met de levende natuur!
Het zegt iets over de Vlaamse tragiek …