Angst voor mazelen

door lievendebrouwere

Voor de geïnteresseerden neem ik hieronder een artikel over dat de Nederlandse antroposofische arts Arie Bos 25 jaar geleden schreef.
Hij staat nog altijd achter zijn tekst, maar zegt er wel bij dat de situatie veranderd is omdat ouders hun kinderen geen antistoffen meer meegeven. Wat hij daar precies mee bedoelt, weet ik niet. Het komt er waarschijnlijk op neer dat kinderen vandaag heel wat minder bestand zijn tegen ziekten, en dus ook tegen kinderziekten. Bos kan daarom meer begrip opbrengen voor vaccineren en raadt het zeker niet af.

ANGST VOOR MAZELEN

In de zomer van 1956 waarschuwde de akela van ons groepje welpen dat we niet te wild mochten spelen. We moesten vooral niet bezweet raken, meende ze, want voor je het wist kon de kinderverlamming toeslaan. In mijn herinnering was het een prachtige zomer, zoals alle zomers in de jeugd, die in een onkinderlijke rust moest worden doorgebracht. Zwemmen was er zeker niet bij: het water borg het grootste gevaar in zich. Er werden dat jaar meer dan tweeduizend kinderen ziek. In het jaar daarop gingen we op een dag met de hele klas naar het gebouwtje van de GGD waar we in een onafzienbare rij klaar stonden om in de arm te worden geprikt. Er was niemand op deze gereformeerde school die zich niet liet vaccineren. Nooit eerder was er een polio-epidemie (kinderverlamming) van een dergelijke omvang geweest. Een aantal kinderen had blijvende verlammingen overgehouden. We weten nu dat het poliovirus de paradoxale neiging heeft pas ziekte en verlammingen te veroorzaken wanneer de hygiëne in een land groter wordt. In landen waar een minder hoge hygiënische standaard is, vormt verontreinigd water een alom tegenwoordig reservoir van poliovirussen. Ieder kind wordt al vroeg in zijn leven besmet, in een tijd dat het nog door van de moeder afkomstige afweerstoffen wordt beschermd. De antistoffen die het daardoor ontwikkelt, beschermen het weer tegen een eventuele latere besmetting die dan in een milde vorm of volstrekt ongemerkt voorbij gaat. Epidemieën krijgen zo geen kans om te ontstaan omdat iedereen over afweerstoffen beschikt.

Een heel andere situatie ontstaat wanneer door een grotere hygiëne het virus niet meer circuleert. Oudere kinderen die vrijwel geen afweerstoffen meer van hun moeder over hebben, zijn dan onbeschermd en kunnen erg ziek worden wanneer incidenteel de ziekte in de vorm van een epidemie toeslaat. Deze situatie bestond in onze streken voor het jaar 1957, toen een systematische inenting tegen polio myelitis op gang kwam. Al vrij snel was een percentage van 98 procent gevaccineerden bereikt, wat tot de dag van vandaag nog steeds het geval is. De hoop bestond dat de hoge vaccinatiegraad van de bevolking de verspreiding van het virus effectief zou voorkomen zodat ook de niet gevaccineerden onder de “vaccinatieparaplu” van de anderen zouden kunnen meeschuilen. Dat bleek niet het geval te zijn. In 1971 en in 1978 ontstond er in enkele streng gereformeerde gemeenschappen, waar om principiële reden niet wordt ingeënt, een polio-epidemie die relatief veel verlammingsslachtoffers eiste. Het lijkt er aldus op dat naarmate een bevolking door vaccinatie beter is beschermd tegen een ziekte, de ongevaccineerden door het ontbreken van antistoffen een groter risico lopen om de ziekte op volle sterkte te moeten doormaken.

Zes sterfgevallen

Het is indertijd een geniale gedachte geweest van Edward Jenner, de dokter uit Berkely in Engeland die omstreeks 1798 de vaccinatie uitvond, en een goed voorbeeld van een vruchtbare samenwerking die het waarnemen met het denken kan aangaan, wanneer niet uitsluitend bij een esthetische ontroering wordt stilgestaan. Jenner vroeg zich namelijk af waarom hij boerenmeisjes aantrekkelijker vond dan burger- of adellijke meisjes. Dat kwam omdat de eersten in tegenstelling tot de laatsten meestal over gave gezichtjes beschikten. De pokken, destijds een algemene (kinder)ziekte, hadden bij de anderen dikwijls een extra reliëf in het gezicht achtergelaten. Een boerin wees Jenner er op dat de boerenmeisjes wel pokkenlittekens op hun handen hadden die ze hadden overgenomen van de uiers van de door hen gemolken koeien. Dat waren de zogenaamde koepokken. Jenner begreep dat de relatief onschuldige koepokken (vaccinia, van vacca is koe) beschermden tegen kinderpokken. Daarmee is de term vaccinatie ontstaan. Het kwam echter voor dat na inenting iemand toch over het gehele lijf koepokken kreeg. Al waren het dan in dit geval koepokken, de gevolgen waren niet minder ernstig. Een vergelijkbaar probleem kan zich nog steeds voordoen wanneer met een levend maar verzwakt virus wordt gevaccineerd, zoals bijvoorbeeld via het “suikerklontje” tegen polio. Zo’n verzwakt virus kan zich toch, weliswaar langzaam, vermenigvuldigen, weer uitgescheiden worden en sterker besmettelijk zijn dan in zijn oorspronkelijke, afgezwakte vorm. In Nederland gebruikt men daarom tegen polio liever het met formaline gedode virus.

Ook nu nog leveren sommige inentingen problemen op, zoals de DKTP-prik, vooral door de kinkhoesttoxinen, en de mazelenprik met het afgezwakt maar levend virus (DKTP is: difterie, kinkhoest, tetanus en polio). In 1986 werden zes sterfgevallen van kinderen na vaccinatie gemeld aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM). Vijf gevallen betroffen van tevoren niet-zieke kinderen, van wie vier na een DKTP-enting overleden en het vijfde na een mazelenvaccinatie. Het zesde kind leed aan een ernstig hartgebrek. Een verband tussen vaccinatie en overlijden kon niet worden bewezen omdat geen sectie werd verricht; zij werden als “wiegedood” geduid. In hetzelfde jaar werd twee maal een hersenvliesontsteking gemeld – één maal na een mazelenprik en één maal na een DKTP-inenting – en verder nog tweeënveertig andere ernstige bijwerkingen van een van beide vaccinaties. De melding is vrijwillig, zodat volgens het RIVM moet worden aangenomen dat lang niet alle gevallen bekend worden. Dat dit soort bijwerkingen voorkomen, is algemeen bekend in de medische wereld en heeft, hoezeer het ook ernstig moet worden genomen, nooit geleid tot een door kranten en televisie aangewakkerde angstgolf. Wat kan er dan de reden van zijn dat bij de laatste mazelenepidemie breeduit de publiciteit is gezocht? De aanleiding werd gevormd door het overlijden van een zesjarig jongetje en een week later een vijfjarig meisje aan, zo werd bericht, een complicatie van mazelen. Het is opmerkelijk dat nooit is bekend gemaakt aan welke complicaties de kinderen zijn overleden en of er nog andere omstandigheden hierbij een rol hebben gespeeld. Het is namelijk al jaren bekend dat bij de zeldzame gevallen van overlijden na mazelen vrijwel altijd sprake is van een voorafgaand lijden, zoals bijvoorbeeld een hartgebrek of mongolisme. De longontsteking als complicatie is in het algemeen goed te behandelen.

Indringer

Nederland beroemt zich er op met 95 procent tot de landen met het hoogste percentage ingeënten te behoren. De volkswoede naar aanleiding van de sterfgevallen richtte zich dan ook gemakkelijk op de overblijvende vijf procent. Opvallend is dat deze volkswoede werd aangewakkerd en verwoord door enkele hoogleraren. De hoogleraar gezondheidsrecht Roscam Abbing uit Maastricht meent dat ouders die hun kinderen niet tegen mazelen laten inenten uit de ouderlijke macht moeten worden ontzet. Professor Dupuis, hoogleraar ethiek te Leiden, die vaker blijk geeft van een zekere hang naar dwangmaatregelen, vindt dat inenten verplicht moet worden. En Professor Huisman, sociaal geneeskundige te Rotterdam, beweert zelfs dat een derde van de kinderen die de mazelen hebben gehad daar psychische schade van overhoudt of spasticiteit! Het lijkt een duidelijke zaak: de twee sterfgevallen die het gevolg zouden zijn van een tot voor kort onschuldige kinderziekte, zijn de schuld van de ouders die hun kind geen mazelenvaccinatie hebben gegund. De zaken liggen echter iets genuanceerder. Vroeger kwamen complicaties bij mazelen in de westerse wereld maar zelden voor. De enige ernstige complicatie die moet worden gevreesd, is de encefalitis, immers de longontsteking is goed te behandelen. In het begin van de jaren zestig gold bijvoorbeeld in Duitsland een getal van 1:14.500 gevallen van mazelen waarbij encefalitis als complicatie van mazelen optrad. Er wordt aangenomen dat vijftien procent van de kinderen met encefalitis overlijdt. Inmiddels, sinds de vaccinaties, geldt een getal van 1:1000 à 1:2000. Het is overigens de vraag of dit ernstiger verloop alleen te wijten is aan het gebrek aan antistoffen bij de niet gevaccineerden, of dat ook de behandeling van de ziekte er een rol in speelt.

Een onderzoek van de Haarlemse arts B. Witsenburg in Afrika, waar mazelen een ernstiger verloop heeft dan in Europa, liet zien dat overlijden aan complicaties bij mazelen statistisch beduidend vaker voorkomt bij kinderen die koortswerende middelen krijgen. Dat is ook te verwachten, want koorts is een van de manieren waarop het lichaam zich tegen een dergelijke indringer verweert.

Mazelen vormde eigenlijk nooit een probleem. Het was een ziekte die je gehad moest hebben en die ook vrijwel iedereen van boven de vijftien jaar heeft doorgemaakt. Het betekende een paar dagen ziek thuis blijven met koorts, hoesten en rode vlekken op gezicht en lijf, vertroeteld worden door je moeder en weer beter worden. En beter worden kon je heel letterlijk nemen. Je moeder vond dat je veranderd was en dat vond je zelf ook. Je armen staken verder uit je mouwen en broekspijpen, je keek anders uit je ogen, je was minder kind en meer mens geworden. Hoge koorts betekent een inspanning voor het lichaam; er moet tenslotte een ziekte worden overwonnen. Iedereen weet dat je door inspanning sterker wordt. Dat geldt ook voor het afweersysteem. Nu de kinderziekten al bijna volledig zijn uitgeroeid, overspoelt een grote golf van verkouden, hoestende en benauwde kindertjes het spreekuur van de huisarts. Vooral huid- en luchtwegproblemen – de gebieden waar de klassieke kinderziekten de strijd laten afspelen – nemen bij kleine kinderen enorm toe. Een “kinkhoest” die vaak serologisch (wat betreft antistoffen) niet tot de echte kinkhoest is te herleiden en ook “vlekjesziekten”, die lijken op de klassieke kinderziekten maar het niet zijn, vormen een vrijwel dagelijks beeld. Het lijkt wel of een kind niet zonder kinderziekten kan.
Het belang van het doormaken van kinderziekten wordt vanuit de antroposofische geneeskunde als volgt verduidelijkt. In het kort gezegd komt het er op neer dat een mens als geestelijk wezen zijn ouders heeft uitgezocht om een lichaam voor hem te vormen. Dat geboren lichaam heeft echter aanvankelijk meer de kwaliteiten en eigenschappen van de ouders dan van het kind dat er in woont. Het lichaam moet worden omgebouwd om eigen te kunnen worden. Daarvoor moet grote kracht worden gemobiliseerd. Koorts bijvoorbeeld. Alle kinderziekten hebben een eigen terrein waar ze “verbouwingswerkzaamheden” mogelijk maken: de huid, de luchtwegen, de slijmvliezen en het zenuwweefsel. Na roodvonk, dat met langdurige hoge koorts gepaard gaat, vervelt een kind zelfs en komt als nieuw weer tevoorschijn.

In het medisch tijdschrift The Lancet van 5 januari 1985 is een artikel verschenen waarin de resultaten van een veertig jaar durend onderzoek naar de gevolgen van mazelen werden gepubliceerd. Er bleek een statistisch significant verband te bestaan tussen het niet doorgemaakt hebben van mazelen en het op latere leeftijd ontstaan van immuniteitsziekten, bot- en kraakbeenziekten en tumoren. Het RIVM heeft het op zich genomen om behalve de ernstige ziekten difterie, tetanus en polio en de niet zo ernstige kinkhoest, ook de voor kinderen onschuldige bof, rode hond en mazelen weg te vaccineren. Dit is voor veel, vooral antroposofische ouders, die om nog weer andere overwegingen dan streng gereformeerde ouders kinderziekten positief waarderen, geen reden om zich te laten wijsmaken dat deze ziekten uiterst gevaarlijk zijn. Ze zijn hoogstens erg lastig. Wanneer door het hoge vaccinatiepercentage en de daardoor ontstane afwezigheid van afweerstoffen, mazelen in de toekomst een gevaarlijke ziekte zou worden, zal dat voor veel antroposofische ouders een nieuw element betekenen in de overweging wel of niet te vaccineren. Ze zijn dan wel gedwongen tegelijkertijd tegen de bof en de rode hond te laten enten. Of deze “vooruitgang” ook een verbetering van de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking zal betekenen, is echter de vraag.

Het lijkt meer zo te zijn dat de vaccinatieparaplu waaronder ook de niet gevaccineerden kunnen schuilen, het karakter van een steriele broeikas gaat aannemen waarin kwetsbare plantjes opgroeien. Zo schept de technologische gezondheidszorg zijn eigen problemen.

Arie Bos

(Jonas 13, 19 februari 1988)

20130813-211048.jpg