Geboren worden gaat van auw!

door lievendebrouwere

Gisteren weer een dagje Brugge.
Het weerbericht voorspelde niet veel goeds, maar we hebben al genoeg ervaring als deeltijds marktkramer om ons daar niks van aan te trekken.
En dus had ik mijn schildergerief meegenomen.
Gelukkig maar.

Voor een autistisch mens als ik is het geen vanzelfsprekenheid om in Brugge te gaan schilderen.
Het voelt vaak als een … geboorte.
Je verlaat de veilige baarmoeder van het anonieme bestaan, en je wordt zichtbaar.
Je wordt zelfs een bezienswaardigheid.
Want de tijd dat je in Brugge struikelde over de schilders is voorbij.
Slechts heel af en toe zie je er nog eentje, meestal een buitenlander.
Wij Vlamingen hebben het immers te druk met progressief en hedendaags wezen.
En dus sta je als schilder, als levend relict uit het verleden, behoorlijk te kijk in ‘die Scone’.

Het enige wat me over die drempel kan trekken, is de kunst: het verlangen om al die schoonheid te beantwoorden met schoonheid, hoe onbeholpen ook.
De wereld willen schilderen is in wezen een kinderlijk verlangen.
Het is een antwoord op een onuitgesproken vraag.
Heel Brugge roept, als uit talloze monden: schilder mij!
En miljoenen mensen horen die vraag ook.
Daarom komen ze van over de hele wereld naar Brugge.
Maar ze raken niet over de drempel.
Ze blijven steken in het passieve kijken.
Ze komen niet tot actief, scheppend kijken.
En dus wordt hun onbewuste verlangen niet bevredigd.
Het creëert een leegte die gevuld wordt met woorden, met informatie, met wetenswaardigheden.
En met chocolade natuurlijk.
Daar is niks op tegen,
Het is een begin, maar ook niet meer dan dat.

Het hele wereldtoerisme is mijn inziens een instinctieve reactie op de roep van de schoonheid, een roep die steeds luider klinkt naarmate de wereld lelijker wordt.
Deze ‘roep’ – die minder denkbeeldig is dan je zou denken – appelleert aan het kunstzinnige vermogen van de mens, aan het kind-in-hem.
De schoonheid – van het kunstwerk dat de wereld is – roept dat kind tevoorschijn, ze wil dat kind zien en door dat kind gezien worden.
Ze wil niet door toeristen bekeken worden, gewapend met camera’s als kanonnen.
Ze wil door kunstenaars bekeken worden, gewapend met potloden en penselen.
En ook al kunnen die kunstenaars slechts kinderlijk brabbelen, ‘it means the world’ voor de roepende schoonheid.
Zoals iedere moeder wil ze zichzelf gespiegeld zien in de ogen van haar kind.
Ze wil herkend worden.
Want dat wat buiten de mens is, is ook ín de mens.
Maar het slaapt.

De drommen toeristen die dagelijks door Brugge voortsjokken, zijn als slaapwandelaars.
Ze hebben iets of iemand horen roepen, en ze zijn opgestaan.
Maar ze zijn (nog) niet wakker geworden.
Ze denken dat ze Brugge zien, maar ze zien nauwelijks iets.
Ze kijken zichzelf in slaap.
Geen mens kan zoveel schoonheid in één keer verhapstukken.
Dat leidt alleen maar tot een zware maag en … slaperigheid.

20130909-143830.jpg

Wie echt wil wakker worden, moet zich ergens neerzetten en één klein stukje van Brugge tekenen of schilderen.
Het hoeft geen grote kunst te zijn.
Het gaat om de inspanning, om het actief worden van de blik.
Alles wat men anders onbewust ziet – iedere muur, ieder dak, ieder venster – moet als het ware wakker gemaakt worden.
Dat is een lang en moeizaam werk, dat meestal niks oplevert dat de moeite van het bekijken waard is.
Maar wat mij altijd weer treft als ik een paar uur heb zitten tekenen of schilderen, is hoe anders de wereld er dan uitziet: hoeveel mooier, hoeveel frisser, hoeveel levendiger.
Ik kan m’n ogen vaak nauwelijks geloven.
Is dit werkelijk dezelfde wereld als toen ik begon?
Natuurlijk is het dezelfde wereld, maar mijn blik is ontwaakt.
Hij heeft een heel klein beetje van zijn slaap overwonnen.
En hij ‘hoort’ nu ook veel duidelijker de roep van de wereld om gezien te worden.
Dát is waarom een kunstenaar telkens weer opnieuw wil ‘scheppen’.
Door te tekenen of te schilderen ontvouwt zich voor zijn ogen een wereld die hij helemáál wil zien.
Je zou het een soort strip-tease kunnen noemen.

Voor de toeristen met hun camera’s sluit de wereld zich af.
Maar aan de kunstenaar – ook de meest onbeholpene – toont zij zich.
Stap voor stap laat zij haar sluiers vallen.
En wat tevoorschijn komt, wordt steeds adembenemender.
Het vergt van de kunstenaar een niet geringe beheersing om te blijven kijken.
Een beheersing van zichzelf, van zijn materiaal, van zijn blik.
Want alleen aan de kinderlijke blik toont de schoonheid zich.

Het is niet niks om weer kind te worden.
Het is het allermoeilijkste wat bestaat.
Zeker voor de volwassen, autistische mens.
En daar bedoel ik niet alleen mezelf mee.
Iedere moderne mens is vandaag autistisch.
Alleen de mate waarin verschilt.
We zitten allemaal in meer of mindere mate opgesloten in ons hoofd.
We identificeren ons zelfs in toenemende mate met de inhoud van dat hoofd: de hersenen.
En vanuit die grijze hersenen zien we een grijze wereld.
Daarom hebben we de mond vol over een ‘kleurrijke’ samenleving.
We verlangen immers intens naar een levende, betekenisvolle, mooie wereld.
Maar we zitten gevangen in onze schedel.
Hij is de baarmoeder waaruit we geboren moeten worden.
En dat kan maar op één manier: de kunstzinnige manier.
We moeten onze slapende blik – die steeds meer een dode blik wordt – weer wakker maken.
En dat is een werk van lange adem.
Een adembenemend werk.

Dat is wat ik vaak voel als ik in Brugge wil gaan schilderen.
Die massa toeristen snijdt me de adem af.
De drukte is als een muur waar ik tegenaan bots.
Ik kan me dan levendig voorstellen hoe een kind zich moet voelen als het geboren wil worden.
Hoe moet het in godsnaam door die smalle opening geraken!
Het ziét zelfs helemaal geen opening!
Zijn eigen hoofd sluit ze af.
En toch moet dat hoofd er eerst door.
Het is een oerbeeld: eerst het hoofd, daarna de rest.
Het hoofd is de grote obstructie, het sluit de toegang tot de wereld af.
En dus moeten de wilskrachten worden ingeschakeld.
De gebundelde wilskrachten van moeder en kind.

Bij een geboorte is alles ‘van moeten’.
Als het moment daar is, moet het gebeuren.
Daar helpt geen lievemoederen aan.
Maar dat is de fysieke geboorte.
Bij de geestelijke of mentale geboorte – de mens die zich bevrijdt uit de baarmoeder van zijn hoofd – is het moeten afhankelijk van de vrije wil.
Ik heb meer dan eens klaargestaan met mijn schilderskarretje om op het laatste moment te zeggen: nee, ik zie het niet zitten!
En toch weet ik: als ik doorbijt en ergens ga zitten, dan duurt het niet lang of de angst, de beklemming, de bevangenheid verdwijnt.
Algauw ga ik dan de wereld anders zien.
De slaap verdwijnt uit mijn ogen.
Maar hoe moeilijk kan ontwaken niet zijn!
Hoe vaak moet een mens zich niet losrukken uit de slaap en zichzelf verplichten om de dag te beginnen!
En hoe vaak zou hem dat lukken als aan de slaapkamerdeur niet al die dagelijkse verplichtingen stonden te roepen?

De roep van de schoonheid is geen verplichting.
Zij laat de mens vrij.
Maar die vrijheid is niet minder een gevecht dan de verplichting.
Vooral in Brugge ondervind ik dat.
De roep van de schoonheid klinkt daar heel duidelijk.
De hele stad lijkt alleen maar te bestaan om bewonderd en geschilderd te worden.
Maar de toeristendrukte is als een ondoordringbare muur.
Het slapende, passieve kijken hangt als een dichte sluier om de stad.
Het onafgebroken geklik van de camera’s overstemt haar roep.

Maar juist die tegenstelling maakt een vrije keuze mogelijk.
Ik beslis als enkeling waar ik voorrang aan geef.
Ik beslis of ik geboren word of niet.

De beslissing was gisteren niet zo moeilijk als anders.
Ik had de hele week al geschilderd en was ‘in the mood’.
Daartegenover stond dat het maar niet wilde lukken met aquarelleren.
Ik had nagenoeg al mijn aquarellen ‘doodgeschilderd’.
Het waren evenzovele doodgeboren kinderen: een beeld van mijn overmogen om aan mijn hoofd te ontsnappen.
Zoiets vreet aan een mens.
Ik zag er dan ook vreselijk tegenop om mij in de drukte te wagen.
Dus zocht ik een rustige plek op: Godshuis St.Jozef, ook wel Meulenaere geheten, aan de oude Gentweg.
Het ligt in hartje Brugge, ongeveer halverwege tussen de Rozenhoedkaai en het begijnhof, de twee grote toeristische succesnummers.
Het is er heel rustig: een tuin omsloten met kleine witte huisjes waarin kleine, oude vrouwtjes wonen.
Af en toe stappen er toeristen binnen, maar ze voelen zich al snel teveel.
En daar ging ik op een bankje zitten.
In de zon en in de stilte.
Met recht voor mij een kapelletje.

20130909-144108.jpg

Oef, wat een verademing!
Een oase in de toeristenwoestijn.
Met schuifelende pasjes naderde een stokoud vrouwtje.
Dag meneer, zei ze.
Ik knikte goeiedag.
Vijf minuten later was ze daar weer.
Dag meneer, zei ze.
Ik knikte opnieuw.
De tijd stond hier stil en draaide rondjes.

Ik haalde mijn verfdoos tevoorschijn, mijn papier, mijn penselen, mijn potlood, mijn water.
En ik begon te werken.
Of te spelen.
’t Is maar hoe je ’t bekijkt.

Het is altijd weer wonderlijk om ergens te gaan zitten tekenen of schilderen.
Eerst is er een moment waarop de omgeving de adem inhoudt.
Wie is dat?
Wat komt hij doen?
Je wordt met argwaan bekeken, want je bent geen passant.
Maar dan zien ze het: een artiest!
En het leven herneemt gerustgesteld zijn gewone gang.

Je ziet mensen hun huis verlaten, en een uur later zie je ze weer thuiskomen.
De postbode verschijnt en doet zijn ronde.
Een vrachtwagen stopt en lost zijn vracht.
Twee mensen ontmoeten elkaar en beginnen een levendig gesprek.
En al die tijd zit je daar en sla je het gade.
Want hoewel je zeer geconcentreerd bezig bent, neem je alles waar wat er in je omgeving gebeurt.
Door je bewustzijn op één punt te richten, verruimt het zich tegelijk en wordt veel groter.
Het menselijk bewustzijn kán dat namelijk: punt en cirkel tegelijk worden.
Vreemd genoeg is dat zeer rustgevend.

Terwijl ik al mijn aandacht richtte op specifiek technische problemen – en die zijn er bij aquarel in overvloed – hoorde ik telkens weer psssssst, pssssst, pssssst.
Ik kon het geluid niet thuisbrengen.
Tot ik tussen het groen een (andere) oude vrouw ontwaarde die met een spuitbus de ronde deed.
Ze keek aandachtig naar de bloemen en planten, en dan: pssssst.
Ze bespoot de hele tuin met wat een bus haarlak leek te zijn.
Waarschijnlijk was het insecticide waarmee ze ‘de beestjes’ te lijf ging.
Maar zeker was ik niet.
Op die leeftijd kun je van alles verwachten.

Er kwam een ander oud vrouwtje de tuin binnen.
Ze morrelde aan een deur en ging toen binnen.
Even later kwam ze weer buiten.
Het bleek een Aziatische te zijn, en ik hoorde dat ze een gesprek begon met een andere bewoonster, misschien wel de vrouw-met-de-spuitbus.
Het ging over een andere bewoonster die net gestorven was.
En over het feit dat ze een evangelische en geen katholieke eredienst had gewild.
Iets wat niet in goede aarde viel bij haar familie.
Ik vond het behoorlijk ‘multicultureel’ klinken: een bejaarde Japanse of Chinese die in een Brugs Godshuis woonde en – in het Nederlands! – een levendig gesprek voerde over katholicisme en protestantisme.

Zulke gesprekken hoor je niet wanneer je als luidruchtige toerist met je camera zo’n Godshuis binnendringt.
Waarschijnlijk vinden ze dan ook niet plaats.
Het leven houdt zijn adem in tot de binnendringer weer verdwenen is.
Die binnendringer is trouwens zo vol van zichzelf dat er geen ruimte meer is voor het plaatselijke leven.
Nochtans denkt hij vol te zijn van Brugge.
Dat is de paradox.
De blik waarmee de modale toerist Brugge bekijkt, is vol van zichzelf, van alles wat hij in zich opneemt.
Het is in wezen een naar binnen gerichte blik.
Maar omdat het ook een slapende blik is, ziet hij nauwelijks iets.
Hij kijkt in het donker.
Hij zit in zijn hoofd als in een bioscoop en denkt dat hij naar Brugge kijkt.

De blik waarmee een kunstenaar Brugge bekijkt, is daarentegen helemaal naar buiten gericht.
Het is de onzelfzuchtige blik van iemand die alleen maar oog heeft voor Brugge.
Maar omdat het een wakkere – of beter: ontwakende – blik is, kijkt hij tevens naar binnen.
En wat hij daar ‘ziet’ is louter duisternis, onvermogen, hulpeloosheid.
Godfried Bomans zei ooit: wie iets gemaakt heeft, is deemoedig geweest.
Een kunstenaar is nooit vol van zichzelf wanneer hij aan het werk is.
Hij ondervindt juist hoe ‘leeg’ hij is, hoe weinig hij kan doen om de roep van de schoonheid die hem omringt te beantwoorden.
Tekenen en schilderen – of iedere poging tot kunst – is een nietsontziende confrontatie met jezelf.
En je zou die confrontatie niet overleven als er in al die persoonlijke duisternis geen lichtje begon te branden: je vermogen om iets te scheppen, hoe klein en onaanzienlijk ook.

20130909-144807.jpg

Het is een voortdurend gevecht om dat vlammetje brandend te houden.
Maar wat een vreugde als het even opflakkert en je eraan herinnert: plus est en vous!
Dat was trouwens het devies van de heren van Gruuthuse, wier stulpje aan de Dijver (ik zat er misschien honderd meter vandaan) zowat het tegenovergestelde is van de Brugse godshuizen.
Gruuthuse betekent tussen haakjes niet ‘groot huis’.
Het betekent: huis van het gruut, en gruut was een grondstof voor – u raadt het nooit – het brouwen van bier.
Door dat bier zijn de heren van Gruuthuse steenrijk geworden en – aan hun paleiselijke woning te zien – ook dronken van zichzelf.
Dat is ook het gevaar dat een mens bedreigt wanneer hij het vlammetje in zichzelf – zijn vrije scheppende geest – ontdekt: dat hij dronken wordt van vreugde.
In verband met kunst wordt er vaak gesproken over de ‘scheppingsroes’.
Het is een even extatisch als bedrieglijk gevoel.
Zéér verraderlijk.
Het treedt op wanneer de ontwakende blik weer in slaap valt en begint te dromen over zijn eigen grootheid en voortreffelijkheid.
Het is bekend dat kunstenaars daar nogal eens last van hebben.
Vooral moderne Vlaamse kunstenaars, als je ’t mij vraagt.
Vlaanderen is na een eeuwenlange diepe slaap immers weer ontwaakt.
En het grote gevaar dat Vlaanderen vandaag bedreigt, is dat het opnieuw in slaap valt, dat het er niet in slaagt helemaal wakker te worden.
Iedereen die ’s ochtends wel eens opnieuw in slaap is gevallen, weet dat de ‘tweede slaap’ van een heel andere aard is dan de eerste.
Hoe moeilijk het ontwaken uit de eerste ook is, als je opstaat, verdwijnen de nevels in je hoofd.
Uit de tweede slaap raak je van de hele dag niet meer echt wakker.
Je loopt constant achter de feiten aan in een toestand van verdoving, als een slaapwandelaar.

Dat is ook het gevaar dat de kunstenaar bedreigt: dat hij weer in slaap valt, dat hij begint te dromen over hoe geweldig hij wel is.
Daar helpt maar één ding tegen: werken, opnieuw proberen.
Want dan word je ook weer deemoedig, dan word je weer geconfronteerd met je onvermogen, dan word je weer … kind.
Het is een eeuwigdurend gevecht: tegen de eerste én tegen de tweede slaap.
In het eerste geval doe je niks, blijf je in de schijn-veilige beschutting van je hoofd zitten, en verlies je het vermogen om nog vrij en scheppend te worden.
In het tweede geval steek je je hoofd even buiten, raakt in een roes en blijft steken.
Angst en scheppingsroes: de twee grote vijanden van de kunstenaar.
De twee grote vijanden van de ontwakende mens.

De grootste, de angst voor de buitenwereld, heb ik gisteren (eventjes) overwonnen.
Van de tweede, de roes van het zelf, heb ik voorlopig niet veel last, want er zijn – alweer – geen meesterwerken ontstaan.
Tja, geboren word je niet na één keer persen.
Bevallen kan lang duren.
U weet wel, ars longa …

20130909-145459.jpg