De jongen in het klooster

door lievendebrouwere

20130916-115058.jpg

In De Standaard schrijft moraalfilosoof Patrick Loobuyck dat de overheid zich niet te moeien heeft met de keuze van de 15-jarige Giel om te gaan leven in een boeddhistisch klooster in de Himalaya.
Iedereen heeft volgens hem het recht om te leven volgens de levensbeschouwing van zijn keuze en zijn kinderen in die zin op te voeden.
Maar, voegt hij eraan toe, de overheid moet er wel op toezien dat mensen in staat zijn om die keuze te maken.
Dat gebeurt enerzijds door het recht op godsdienstvrijheid te garanderen.
En anderzijds door onderwijs te verstrekken dat kinderen opvoedt tot vrije, mondige burgers.

De moeder van Giel heeft haar zoon thuisonderwijs gegeven en daarbij de klemtoon gelegd op het boeddhisme.
Dat is haar goed recht, schrijft Loobuyck, maar de controle op dat thuisonderwijs is ondermaats en laks, met als gevolg ‘de slechte en zeer gesloten vorming van duizenden jongeren’.
En daarom heeft de overheid het recht om in te grijpen.

Ik vind dat een vreemde redenering, en wel om twee redenen.

Het is algemeen bekend dat in het schoolonderwijs alles draait om de punten.
Wie voldoende punten haalt, krijgt een diploma en dat diploma opent deuren op de arbeidsmarkt.
Daar gaat het om, en iedereen weet dat, kinderen net zo goed als ouders.
Waarom is ‘looser’ hét scheldwoord van moderne jongeren?
Omdat ze van jongsaf in die win- of verliessfeer worden opgevoed.
Het is op school net als in het voetbal: er moet gescoord worden.
Al de rest zijn praatjes voor de vaak.

Het scorebord bijhouden gebeurt op school door middel van examens.
Daar worden de punten uitgedeeld, daar moet het gebeuren.
De school bereidt kinderen voor op examens.
Welnu, het thuisonderwijs doet dat ook.
Kinderen die thuis onderwezen worden, moeten examens afleggen voor de centrale examencommissie.
Dezelfde examens als op school.
Ik zie dus niet in waarom Loobuyck schrijft dat thuisonderwijs slecht gecontroleerd wordt en zo leidt tot duizenden slecht opgevoede jongeren.
Ze moeten allemaal deelnemen aan dezelfde examens, en ik heb nog nooit vernomen dat de examens voor thuisonderwijs gemakkelijker zouden zijn dan de examens op school. Anders zouden er heus wel meer mensen kiezen voor thuisonderwijs.
Maar dat is bij mijn weten niet het geval.

Weet Loobuyck meer dan ik?
Dat is mogelijk.
Maar het is ook mogelijk dat hij iets anders op het oog heeft.
En daarmee kom ik bij de tweede reden waarom ik zijn redenering vreemd vind.

De overheid moet er volgens hem voor zorgen dat kinderen opgroeien tot vrije, mondige burgers die zelf hun keuzes kunnen maken in het leven.
Sta me toe daar even om te lachen.
Een overheid die haar onderdanen wil opvoeden tot vrijheid en zelfstandigheid?
Is dat dezelfde overheid die ons overspoelt met een stortvloed van regelementen en verboden?
Is dat de overheid die referenda organiseert en vervolgens haar eigen zin doet?
De overheid die een circus maakt van de verkiezingen?
Die de winnaar van die verkiezingen gewoon aan de kant schuift?
Die de vrije ondernemingszin van haar burgers systematisch de kop indrukt?
Die haar burgers verbiedt om zichzelf te verdedigen tegen het alsmaar toenemende geweld.
Die de islam een hand boven het hoofd houdt, niet bepaald een godsdienst die de vrijheid en mondigheid bevordert?
Die haar burgers voorschrijft wat de waarheid is, en die hen het leven zuur maakt als ze aan de officiële waarheid durven te twijfelen?
Die journalisten bedreigt als ze het in hun hoofd zouden halen te schrijven wat ze denken?

Dié overheid?
Laat me niet lachen.

De overheid zoals wij die vandaag kennen, is totaal niet geïnteresseerd in de vrijheid, zelfstandigheid en mondigheid van haar burgers.
Wel integendeel.
Dat zou een professor als Patrick Loobuyck moeten weten.
Maar blijkbaar weet hij het niet.
Of wil hij het niet weten.
Want tot nader order geloof ik niet dat universiteitsprofessoren zó dom zijn.
Het moet dus iets anders zijn.

De gedachte die nu in me opkomt, is: jaloezie.
Het algemeen-menselijke: indien ik niet, dan ook jij niet!
Patrick Loobuyck schrijft regelmatig opinieartikels in de krant, en daarin laat hij zich kennen als een getrouwe adept van de politieke correctheid.
Hij schrijft braaf wat de overheid van hem verwacht.
En in ruil daarvoor wordt hij beloond met een plaats in de krant, een plaats aan de universiteit, een plaats in weldenkend Vlaanderen.
Zo gaat dat nu eenmaal.
Maar diep van binnen moet zo’n man zich toch schamen.
Ergens moet hij toch beseffen dat hij zijn intellectuele vrijheid verkocht heeft voor ‘brood’.
En dus wordt hij pijnlijk getroffen door mensen die dat niet doen.
Mensen die bijvoorbeeld hun kinderen zelf onderwijzen.
Dan denkt zo’n man: ik mag niet meer denken wat ik wil, dus jullie ook niet!

Zo stel ik mij dat voor.
Ik zie echt geen andere verklaring voor het feit dat een professor filosofie pleit voor nog meer staatscontrole in een land dat reeds zucht en kreunt onder een verstikkende staatscontrole.
En dat allemaal om te beletten dat een 15-jarige jongen boeddhist wil worden.
Alsof er elke dag jongeren vertrekken naar de Himalaya.

Nee, ik denk dat hij gewoon jaloers is op iemand die zich onttrekt aan de overheidscontrole, de overheidscontrole waar hij zelf helemaal in verstrikt zit.
Zo denk ik trouwens ook dat politieke correctheid werkt.
Mensen worden opgevoed door een overheid die het begrip ‘vrijheid’ stiekem verbindt met ‘staatscontrole’, en tegen dat ze zich daarvan bewust worden, zitten ze zodanig verstrikt in het systeem dat ze er niet meer uit raken.
Want hoe gaat dat?
Je studeert, je wordt verliefd, er komt een kind van, je trouwt, je vindt een job aan de universiteit, je koopt een huis, je schrijft al eens een artikel in de krant, het leven is mooi.
En dan begint het besef te dagen dat je in de val bent gelopen.
Je beseft dat je dat mooie leven te danken hebt aan het feit dat je precies dacht wat er (volgens de overheid) gedacht moet worden.
En als je dat mooie leven wilt behouden, dan moet je zo blíjven denken.

Uit die bewustwording wordt dan de kunst van de politieke correctheid geboren:
de kunst om jezelf (en anderen) wijs te maken dat je vrij bent.
De kunst om te doen alsof je zelf denkt, terwijl je toch denkt-zoals-het-hoort.
De kunst van het pseudo-denken, de kunst van de pseudo-vrijheid.
In die nieuwe ‘kunst’ schept de moderne intellectueel zijn bevrediging.
Want een andere bevrediging heeft hij niet.
Hij schept er genot in om zich op een kreatieve manier te onderwerpen.

Geen wonder dat deze pseudo-intellectuelen in de bres springen voor gehoofddoekte moslima’s.
Want die moslima’s doen net als zij: ze scheppen er genot in om ‘uit vrije wil’ te doen wat hen verplicht te doen.
Ze maken zichzelf wijs dat ze vrijer worden naarmate ze zich onderwerpen.
In die nieuwe ‘kunst’ vinden ze hun nieuwe identiteit.
Maar die identiteit is natuurlijk een pervertering van wie ze werkelijk zijn.
Wanneer moslima’s en politiek correcte intellectuelen geconfronteerd worden met iets of iemand die echt vrij is of probeert te zijn, ontstaat er in hen een strijd tussen hun echte identiteit – de mens als een vrije, scheppende geest – en hun valse, geperverteerde identiteit – de mens als een vrije slaaf.
De tragiek is dat die strijd zelden gewonnen wordt door de vrije geest, maar in de regel leidt tot een nog intensiever werken aan de valse identiteit.

Zo zie ik dat opinie-artikel van Patrick Loobuyck.
In de 15-jarige Giel heeft hij zichzelf herkend zoals hij had willen zijn: een jonge, idealistische kerel die vrij wilde zijn, die zich wilde losmaken uit die verstikkende, door de overheid (en de economie) gecontroleerde samenleving.
Maar hij is daar niet in geslaagd.
Hij dacht wellicht: ik hoef daarvoor niet naar de Himalaya, ik kan dat ook hiér wel.
Maar hij heeft zijn krachten overschat en is verstrikt geraakt in het oerwoud van regels en verboden dat de ‘vrije’ samenleving geworden is.
Diep van binnen leeft de idealistische jongen van weleer echter nog, en hij wordt wakker wanneer hij in de krant leest over Giel, een jongen die zich heeft kunnen onttrekken aan het staatsonderwijs en die zich nu ook wil onttrekken aan de hele verstikkende Westerse samenleving.
Maar wat kan die Loobuyck-jongen doen, gevangen als hij zit in een volwassen filosoof met vrouw en kinderen, met een eigen huis, met een mooie job aan de universiteit, met zelfs enige naambekendheid?
Uit die gevangenis kan hij niet losbreken.
En dus bekwaamt hij zich daar in de ‘nieuwe kunst’: het cultiveren en uitdragen van de ‘vrije onderworpenheid’, van de ‘verplichte vrijheid’.
Daar schept hij zijn trieste genoegen in.
Die beklagenswaardige jongen in zijn klooster.

20130916-114931.jpg

Advertenties