Tears in heaven

door lievendebrouwere

20130925-122806.jpg

De allereerste CD die ik kocht, was ‘Unplugged’ van Eric Clapton.
Ik kocht hem eigenlijk voor één enkel nummer: Tears in Heaven.
Clapton schreef dit liedje voor zijn zoontje van vier dat stierf na een val uit het venster van de 53ste verdieping.

De beginregels gaan als volgt:

‘Would you know my name
If I saw you in heaven?’

Vrij vertaald: Zou je weten wie ik ben als ik je zou tegenkomen in de hemel?

Ik denk dat iedereen die gelooft in een hiernamaals zich die vraag wel eens gesteld heeft.
Hoe herken je oude bekenden als je ze na de dood weer ontmoet?
En hoe herkennen ze jou?
Want als je sterft, verlaat je je lichaam en word je geest.
Waaraan herkennen geesten elkaar?
Eigenlijk is dát de vraag die Eric Clapton stelt.

Hier op aarde stelt het probleem zich natuurlijk niet.
De menselijke ‘geesten’ waar we mee omgaan hebben allemaal een lichaam, en aan dat lichaam herkennen we ze, met name aan één onderdeel ervan: het gezicht.
Het belangrijkste herkenningspunt in dat gezicht zijn niet de ogen, zoals men misschien zou denken.
Het is de neus.
Verander je neus, en niemand herkent je nog.

Toen ik nog in Brussel werkte, kwam er op een dag een vreemde man mijn bureau binnen.
Hij begon tegen mij te praten alsof hij me kende.
Ik was danig in de war, want ik had die mens nooit gezien.
Toen deed hij zijn (zeer gesofisticeerde) valse neus af, en ik zag dat het Jean was, een collega waar ik dagelijks mee sprak.
Hij vond het een geweldige grap, maar ik kon er niet om lachen.
Ik was van mijn melk.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat ik hem niet herkend had!
Twee dagen later was ik er nog altijd niet goed van.
Op de een of andere manier is het herkennen van mensen iets heel fundamenteels.
De grond verdwijnt onder je voeten als het niet meer werkt.
En een valse neus volstaat ‘to do the trick’.
Daarom zetten clowns een rood bolletje op hun neus: méér is er niet nodig om iemand anders te worden.

20130925-124151.jpg

Maar als zo’n kleine verandering aan het gezicht je al belet om iemand te herkennen, hoe herken je dan iemand zónder gezicht?
Iemand vroeg dat eens aan Rudolf Steiner.
Hoe herken je geesten?

Hij antwoordde: aan hun bewegingen.

Ik ben niet helderziend, zelfs geen klein beetje.
Ik kan geen geesten waarnemen.
Ik heb dus geen flauw idee hoe bewegende geesten eruitzien.
Maar de mensen die we hier op aarde tegenkomen zijn natuurlijk ook geesten, geïncarneerde geesten, geesten-met-een-lichaam.
De mens is een geest die zich een lichaam schept als hij op aarde komt.
Hij begint zijn aardse bestaan dus met een ongelooflijke artistieke prestatie: hij bouwt een lichaam.
De bouwstoffen worden hem gegeven, evenals het atelier waar hij rustig kan werken: de baarmoeder.
Maar hij is wel zelf de kunstenaar, de scheppende geest.
En net als iedere kunstenaar drukt hij zichzelf uit in zijn materiaal.

Hoe doet hij dat?
Eén ding is zeker: hij doet het niet bewust.
De aandacht van een kunstenaar is geheel en al gericht op zijn model.
Tijdens het scheppen vergeet hij zichzelf, hij gaat helemaal op in zijn onderwerp.
Maar juist daardoor kan hij zichzelf zijn en zich uitdrukken zoals hij werkelijk is.
De mens die zich bewust is van zichzelf, is immers nooit helemaal zichzelf.
Hij is altijd ook iemand anders.
Hij is iemand die kijkt en hij is tegelijk iemand die bekeken wordt.
En die tweedeling verandert hem.
Want wie bekeken wordt, gedraagt zich anders.
En wie kijkt, wordt beïnvloed door wat hij ziet.
Zelfbewustzijn vervormt de mens.
De zelfbewuste mens is dus zichzelf niet.
Behalve wanneer wanneer hij kunstenaar wordt,
en tijdens het scheppen zichzelf vergeet.

In zijn kunst toont de mens zich zoals hij werkelijk is.
Willen we de echte mens leren kennen, dan moeten we naar zijn kunst kijken, niet naar zijn woorden of daden, want die worden vervormd door zelfbewustzijn.
Wanneer het scheppingsproces echter geïnfecteerd wordt met zelfbewustzijn, wanneer de kunstenaar er niet in slaagt helemaal op te gaan in zijn onderwerp en zichzelf te vergeten,
dan ontstaan de vreselijkste misvormingen.
Dat kunnen we vandaag waarnemen in de hedendaagse kunst.
Zij is het resultaat van zelfbewustzijn dat reeds tijdens het scheppingsproces ontstaat, en niet erna, wanneer het kunstwerk af is.
We kunnen deze ‘kunst’ vergelijken met de (lichamelijk) misvormde mens, bij wie er iets is misgegaan tijdens het scheppen van zijn lichaam.
Beide zijn vreselijk om te zien.
Beide vertellen over de ‘verkrachting’ van de scheppingskrachten door het zelfbewustzijn.
Beide zijn karikaturen van de menselijke geest.

20130925-125351.jpg

Hoe minder bewust de menselijke geest is, des te genialer is hij.
In de moederschoot schept hij het grootste kunstwerk dat bestaat: het menselijk lichaam.
En ook wanneer hij al geboren is, levert hij nog geniale prestaties.
Maar naarmate zijn zelfbewustzijn toeneemt, neemt zijn kunstzinnige vermogen af.
De zelfbewuste moderne mens is dan ook bijzonder onkunstzinnige mens.
Maar helemaal erg wordt het pas wanneer deze onkunstzinnige mens (deze intellectuele denker, deze wetenschapper, deze kritische kijker) begint te scheppen.
Dan ontstaan de vreselijkste gedrochten.
Dan worden er monsters geboren.

Maar laten we terugkeren naar het nog niet misvormde scheppingsproces,
naar de scheppende geest die zich nog niet bewust is geworden van zichzelf,
en die zichzelf een lichaam of een ander kunstwerk schept.
Hoe doet hij dat?
Hoe drukt een geest zich af (of uit) in de materie?

Het antwoord luidt: door te bewegen.

Ieder kunstwerk is het resultaat van de bewegingen van zijn maker.
Ieder schilderij is de som van ontelbare bewegingen van de schilderende hand.
Iedere noot muziek die weerklinkt, ontstaat door bewegende handen (en soms voeten).
Ieder woord dat geschreven of gesproken wordt: idem.
Alles ontstaat door middel van lichaamsbewegingen.

En al die bewegingen zijn onbewust, volslagen onbewust.
Niemand zou een schilderij kunnen maken, piano spelen of een tekst schrijven, als hij zich bewust was van zijn bewegingen.
Zelfs een zo simpele en onkunstzinnige handeling als autorijden, lukt ons niet als we ons bewust blijven van onze bewegingen.
Dat ondervinden we maar al te goed wanneer we leren autorijden.
We kunnen pas autorijden wanneer we ‘vergeten’ wat we geleerd hebben, wanneer we niet langer met ons bewustzijn bij onze schakelende handen en ontkoppelende voeten zijn.
Eigenlijk kan een mens nauwelijks bewegen zolang hij zich bewust blijft van zichzelf.
Zelfbewustzijn is verlammend.
We hoeven maar naar de snelle bewegingen van schilderende, muziekspelende of schrijvende mensen te kijken, om te beseffen dat ze niet bewust worden uitgevoerd.
Ze werden alleen bewust aangeleerd.
En dat gebeurde door de beweging te vertragen, door ze op te splitsen in enkelvoudige bewegingen die de mens kan nabootsen.
Want het menselijke zelfbewustzijn zoals we het vandaag kennen, is ongelooflijk log en zwaar.
Vergeleken bij het kunstzinnige bewustzijn is het als een … bulldozer.
Het kan alleen zeer elementaire, mechanische bewegingen maken,
bewegingen die geen enkele schoonheid in zich dragen.
Daartegenover staat echter dat deze bewuste bewegingen een enorme kracht in zich dragen, een kracht die, wanneer ze niet uiterst zorgvuldig beheerst wordt, dood en vernieling zaait.
Want dat is wat bulldozers gewoonlijk doen: ze breken dingen af.
Dat is ook wat het menselijke bewustzijn doet: het breekt alles af tot elementaire deeltjes.
Het analyseert, ontleedt en vertraagt.
Het vertraagt, verkilt en doodt het leven.
Het herleidt de kunstzinnige, scheppende bewegingen van de geest tot starre, mechanische bewegingen die zichzelf eeuwig herhalen.

20130925-125741.jpg

Maar nu hebben we het over de geboren mens, de bewuste mens, of hij nu wetenschapper is of kunstenaar, of hij nu bulldozers bestuurt of piano speelt.
We hebben het over een lichaam dat beweegt.
Niet over een (lichaamsloze) geest.
Hoe moeten we ons nu voorstellen dat een geest een lichaam schept?
Hoe kan die geest de materie aangrijpen als hij geen handen heeft?

Ik kan me daar maar één ding bij voorstellen,
en dat is dat de menselijke geest bij zijn incarnatie zo diep in de materie onderduikt dat hij het niveau bereikt dat wetenschappers momenteel onderzoeken: het niveau waar de materie eigenlijk ophoudt materie te zijn, het niveau waar ze ontstaat en waar bijvoorbeeld de quantumfysica in zulke mysterieuze bewoordingen over spreekt.
Daar waar de materie grenst aan de geest treedt de mens de aarde binnen en begint hij zijn scheppende werk: met materie die nog half en half geest is.
En dat scheppen is een bewegen, een bewegen IN de materie,
een materie die nog zo ongevormd is dat ze mee kan bewegen met de geest.
Zo stel ik mij ook voor dat God de wereld schept, iedere dag weer opnieuw: door op het allerdiepste niveau van de materie te ‘bewegen’.

Zo’n voorstelling is natuurlijk in hoge mate speculatief en abstract, zoals zowat alles wat we over de wereld van de geest (proberen te) zeggen.
De kunst bestaat erin om deze ‘bulldozervoorstellingen’ te verfijnen, om ze concreter te maken, om ze tot leven te wekken zodat ze enigszins beginnen te lijken op de levende vormen van de wereld waarin we leven.
Anders lopen we het gevaar dat we met deze dode, abstracte voorstellingen gaan ingrijpen in het (voortgaande) scheppingsproces van de aarde en dat we daar tekeer gaan als een bulldozer.
De heerlijke, nieuwe wereld die we dan scheppen ziet eruit als één groot Museum voor Hedendaagse Kunst.
Als we dat willen vermijden dan moeten we onze voorstellingen over de ‘baarmoederlijke’ wereld waar voortdurend geschapen wordt (of het nu de wereld is, ons lichaam of de kunst) tot leven wekken.
We moeten die voorstellingen een levend lichaam geven.

En daarbij is het van cruciaal belang dat we het niét bewust doen.
Rudolf Steiner hamert erop: kunst is NIET een idee in een zintuiglijke vorm.
Het is niet een voorstelling die we ons ergens van maken en die we vervolgens in beeld of klank gieten.
Dat is een bijzonder diep gewortelde misvatting.
Het is de misvatting die ons telkens weer doet vragen naar de bedoelingen van de kunstenaar.
Maar dat is nu juist wat de kunstenaar ons NIET kan vertellen.
Hij weet niet wat zijn bedoeling is en hij mág het ook niet weten.
Hij is kunstenaar omdát en in de máte waarin hij het niet weet.
Hedendaagse kunstenaars daarentegen weten heel goed wat ze bedoelen met hun werk, en ze vertellen dat ook, vaak in zeer bevlogen spirituele woorden.
Maar juist die bewuste bedoelingen, die vaak zeer geestrijke voorstellingen, leiden noodzakelijkerwijs tot de vreselijkste karikaturen van de menselijke geest.

Daarom ga ik zelf nooit uit van ideeën, ook niet van antroposofische, wanneer ik de wereld om me heen beschrijf (of het nu is met een potlood, een penseel of met woorden).
Ik ken nochtans heel wat ideeën, maar wanneer ik naar de werkelijkheid kijk, dan ‘vergeet’ ik ze, dan concentreer ik me helemaal op wat ik zie.
Ik probeer dan onder te duiken in de zintuiglijke wereld tot op het niveau waar ze ontstaat, het niveau waar ze grenst aan de geestelijke wereld.
En die geestelijke wereld is geen wereld van ideeën en voorstellingen.
Het is een wereld van geestelijke wezens.
En die levende geesten bewegen zo snel dat we ze niet kunnen zien.
Ze zijn als wielen die zo snel draaien dat ze lijken stil te staan.
En die schijnbare bewegingsloosheid is een gevolg van ons trage en logge bulldozerbewustzijn dat die bewegingen eenvoudig niet kan volgen.
Dat is ook de reden waarom we het zo ontzettend moeilijk hebben om in contact te komen met de wereld van de geest: het gaat daar allemaal zo vlug dat ons bewustzijn ofwel verlamd raakt ofwel dronken wordt als het mee wil bewegen.
Het resultaat is in beide gevallen hetzelfde: we raken buiten westen.

Het probleem is dus niet dat we geen contact kunnen maken met de geestelijke wereld.
Dat contact IS er, en zelfs in toenemende mate.
Het probleem is dat we niet in contact kunnen komen met de geest zonder verlamd of dronken te raken.
Het probleem is niet dat we niet ‘over de drempel’ raken,
het probleem is dat we er niet over raken zonder ons hoofd te verliezen.

20130925-130507.jpg

Dat is ook het probleem waarmee ik zelf op deze blog voortdurend geconfronteerd word.
Als je de wereld als een kunstwerk probeert te zien, dring je onwillekeurig binnen in de geestelijke dimensie van de werkelijkheid.
Dat is in eerste instantie de etherische dimensie, die nog ver verwijderd is van de zuivere geest.
Maar reeds op dit ‘laagste’ geestelijke niveau gaat alles zo snel en is alles zo complex dat je er algauw de trappers bij verliest en in de war raakt.
De kunst bestaat er dan in om de wijs-begeerte, het verlangen naar de geest, te bedwingen en je weer terug te trekken vóór je het bewustzijn verliest.
En met bewustzijn bedoel ik hier het bulldozerbewustzijn.
Want wie in de geestelijke wereld doordringt, verliest zomaar niet het bewustzijn.
Hij verwisselt van bewustzijn.
In plaats van het aardse, egoïstische, bulldozerbewustzijn krijgt hij een hoger, spiritueler en onzelfzuchtiger bewustzijn.
Dat klinkt misschien heel mooi en aantrekkelijk, maar juist dáárin schuilt het grote gevaar.
Want wie zijn hoofd verliest tijdens het overschrijden van de grens met de geestelijke wereld – en dat doet vandaag iederéén in meer of mindere mate – merkt die bewustzijnsverwisseling niet op.
Hij maakt geen onderscheid tussen beide bewustzijnsvormen, het lage ego-bewustzijn en het bewustzijn van het hogere zelf.
En in zijn ‘nieuwe’ bewustzijn vermengen die twee zich zonder dat hij het weet.
Het resultaat kunnen we vandaag overal waarnemen, en het meest krasse en actuele is wellicht een Nobelprijswinnaar voor de Vrede die de wereld oproept om oorlog te voeren.
Wat we hier zien is een nieuw mensentype: een mens die bezield wordt door de geestelijke wereld (in de vorm van de grootste mensheidsidealen) en die tekeer gaat als een op hol geslagen bulldozer.
De onbewuste vermenging van beide bewustzijnsvormen – de aardse en de hemels – leidt tot een wanstaltige karikatuur van de menselijke geest, een karikatuur die Ahriman en Lucifer in zich verenigt tot een ‘nieuw Ik’ dat tegelijk monsterlijk egoïstisch en totaal onzelfzuchtig is, vernietigend en scheppend, buitengewoon kwaadaardig en kinderlijk onschuldig.
En we herkennen dit onmenselijke Ik niet omdat we er niet in slagen om in deze etherische dimensie te kijken zonder ons hoofd te verliezen, het hoofd dat onderscheid maakt.
We kijken naar dit nieuwe ‘gemengde’ bewustzijn met een ‘gemengd’ bewustzijn en daardoor zien we het niet, integendeel we versmelten ermee.

Wie onbewust ‘over de grens’ gaat, ruilt zijn (logge en trage) zelfbewustzijn voor een ‘hoger’ bewustzijn en merkt het niet.
Hij weet niet beter of zijn oude, egoïstische, begerige zelf is getransformeerd tot een hoger, spiritueel zelf en hij waant zich een beter mens dan al die lamme materialisten.
Maar in werkelijkheid is hij minder mens geworden, want hij ligt – bij wijze van spreken – dronken in de goot.
En als het maar bij liggen blijft, is het allemaal nog zo erg niet.
Dan kun je je ‘spirituele’ dronkemansroes uitslapen en weer nuchter worden.
Veel erger is het als die dronkelappen niét in slaap vallen, maar hyperactief worden en hun door de geest in een roes gebrachte bulldozerbewustzijn een heerlijke, nieuwe wereld wil bouwen.
De gevolgen daarvan zien we nu al 100 jaar.

Nog eens, het probleem is niet dat we niet in contact kunnen komen met de geestelijke wereld.
De hele mensheid gaat vandaag ‘over de drempel’, aldus Rudolf Steiner.
Het probleem is dat we ons hoofd verliezen bij het overschrijden van die drempel.
We zijn onszelf niet meer.
We vallen innerlijk uit elkaar.
Ons hoofd weet niet meer wat ons lichaam doet,
en ons lichaam gaat als een ongeleid projectiel zijn gang.

Daarom trek ik me nu even terug uit deze beschouwing.
De vraag hoe je mensen herkent als ze geen lichaam meer hebben, heeft me dieper in de ‘geestelijke dimensie’ gebracht dan ik verwacht had, en ik voel dat ik de greep begin te verliezen.
Ik kan de zaken niet meer goed samen houden en ongemerkt word ik een beetje dronken.
Tijd dus om rechtsomkeer te maken, weer over de grens te stappen en wat frisse materialistische lucht te scheppen.
Want hoe dodelijk saai en nuchter dat materialisme ook is, het is nog altijd beter dan die vernietigende scheppingsroes van de zelfbewuste mens die onbewust over de drempel gaat.
Ik verafschuw het heksenbrouwsel dat de troebele vermenging van zelfbewustzijn en scheppingskracht is, maar ik moet ervoor opletten niet in dezelfde, o zo verraderlijke val te trappen.

Dus maak ik er bij deze wat abrupt een eind aan, en ga de volgende keer verder, als ik weer een (fris) hoofd heb.

20130925-130758.jpg

Would you know my name
If I saw you in heaven
Will it be the same
If I saw you in heaven
I must be strong, and carry on
Cause I know I don’t belong
Here in heaven

Would you hold my hand
If I saw you in heaven
Would you help me stand
If I saw you in heaven
I’ll find my way, through night and day
Cause I know I just can’t stay
Here in heaven

Time can bring you down
Time can bend your knee
Time can break your heart
Have you begging please
Begging please

Beyond the door
There’s peace I’m sure.
And I know there’ll be no more…
Tears in heaven

Would you know my name
If I saw you in heaven
Will it be the same
If I saw you in heaven
I must be strong, and carry on
Cause I know I don’t belong
Here in heaven

Cause I know I don’t belong
Here in heaven

Advertenties