De twee gezichten van oktober

door lievendebrouwere

Wat een weer!
Regen en wind, rondvliegende bladeren, grijze wolken.
Dit is oktober niet, dit is november!
Allerheiligenweer.
Verleden zondag zat ik nog in Brugge te schilderen, in hemdsmouwen en op blote voeten, onder een boom, want in de volle zon was het net iets te warm.
Het grasveld voor mij lag bezaaid met zonnekloppers.
Het was een gouden dag.
De zomer leek niet te willen eindigen.

20131013-133058.jpg

Vandaag, precies één week later, staat opeens de winter voor de deur.
Geen weer om een hond door te jagen.
Geen kat te zien op straat.
Iedereen zit bij de kachel (letterlijk of figuurlijk),
en overal zijn de lichten aangestoken.
In één week tijd van warm naar koud, van droog naar nat, van buiten naar binnen: het is kort, heel kort.
Ik maakte me op om nog een paar weken buiten te gaan schilderen.
Een portret maken van de herfst: die kans krijg je niet ieder jaar.
Maar die kleurige, schilderachtige herfst is opeens verdwenen.
Ze heeft plaats gemaakt voor louter grauw en grijs.
Allemaal in het bestek van één week.

Het is alsof oktober zich opeens heeft omgekeerd, en in plaats van een glimlachend gouden gelaat nu een duister kijkende grauwe tronie toont.
Is dit dezelfde maand?
Het is nauwelijks te geloven.

Komt allemaal door Global Warming, jagen de geleerden ons schrik aan.
Wij koken van woede, roepen de geldinzamelaars.
Ja, de schalen van de Weegschaal slaan ver door.
Angst en woede, kille berekeningen en verhitte emoties, schuld en boete.
Het is alsof we gewoon meebewegen met het weer.
De ene week kijken we vrolijk en zeggen: het leven is mooi!
De volgende week staat ons gezicht op onweer en vervloeken we de mens.
Maar juist omdat we meebewegen, kunnen we geen afstand nemen en de zaak rustig en objectief bekijken.

Dat geldt uiteraard niet alleen voor oktober.
Af en toe, wanneer ik door de natuur en door het jaar wandel, dringt de gedachte zich aan me op:
niet alleen de natuur verandert, ook mijn manier van kijken verandert!
Ik kijk bijvoorbeeld naar oktober als een schommelende weegschaal: Himmelhoch jauchzend (als de zon schijnt), zum Tode betrübt (als ze verdwijnt).
Of ik kijk naar november met een sombere blik, alsof er iemand gestorven is en ik opeens aan dingen denk waaraan een mens anders nooit denkt.
In april bijvoorbeeld, denk ik nooit aan de dood of andere sombere dingen.
Nee, ik ben vol levenslust en maak plannen voor de zomer.
Ik kijk naar april zoals april zelf is.
Ik spiegel haar gewoon, zoals ik de hele kringloop van het jaar spiegel.
En toch noemt de dichter april ‘the cruellest month’.
Toch wordt uitgerekend in deze maand-van-het-leven het kruis van de dood opgericht.

Zouden alle maanden zo’n dubbel gezicht hebben?

Op november volgt december, de donkerste maand van het jaar.
Nog veel somberder dan de dodenmaand.
Maar uitgerekend in deze maand wordt de geboorte van het kind gevierd!
December is met voorsprong de gezelligste maand van het jaar, met overal lichtjes en muziek, met feesten en geschenken.
‘It’s the most beautiful time of the year’, zingt Bing Crosby.
Januari is totaal anders.
Het is misschien wel de meest troosteloze maand van het jaar.
De feesten zijn voorbij en iedereen zit met een kater.
Er moet weer gewerkt worden en de lente is nog ver.
Maar juist in deze maand komt het licht terug, sterker en zuiverder dan ooit.
Dat komt tot uitdrukking in onverwacht zachte dagen, alsof de lente er reeds is, maar nog moet wachten om op het toneel te verschijnen.

En zo kunnen we het hele jaar doorlopen.
Iedere maand heeft twee gezichten, twee tegengestelde kanten.
Maar daar letten we gewoonlijk niet op omdat we, zonder het te weten, meebewegen met de natuur.
Als het goed weer is, zijn we goedgezind en vol goede moed.
Is het slecht weer, zijn we slechtgezind en depressief.
En zo kijken we ook naar de natuur.
Als een spiegel.

Het was verleden zondag niet moeilijk om vol bewondering naar de natuur te kijken.
Maar vandaag is het dat wel.
Het is niet alleen moeilijk om door het raam te kijken en te denken: wat is oktober toch prachtig!
Het is moeilijk om door het raam te kijken tout court, want het is nat en aangedampt.
Om goed te kunnen kijken, zou je buiten moeten gaan.
Maar daar is het al even moeilijk om rustig waar te nemen.
Want je bril wordt nat, je moet je paraplu in bedwang houden, je moet opletten dat je niet in een plas trapt, en onwillekeurig zet je er de pas in om warm te krijgen.
Kortom, je beweegt, je wordt actief, en dat is niet de beste manier om helder waar te nemen.
Wel integendeel.
Volgens Steiner is beweging en activiteit een vorm van slapen.
In ons wilsleven slapen we.
In ons gevoel dromen we.
Pas in ons onbeweeglijke hoofd zijn we echt wakker.

Daarom wordt een mens zich pas echt bewust van de verandering der seizoenen als hij ouder wordt en strammer, en dus niet meer zo gemakkelijk kan meebewegen met de seizoenen.
Althans, zo ervaar ik het.
Ieder jaar kijk ik met meer bewondering en fascinatie naar dat bewegende kunstwerk dat het jaarverloop is, deze dans der maanden.
Rudolf Steiner noemt de dierenriem ‘de dans der cherubijnen’.
De cherubijnen zijn de op één na hoogste hiërarchie van het engelenrijk.
Boven hen staan alleen nog de serafijnen, de engelen der liefde.
De cherubijnse dans der maanden is dus een kunstwerk dat moeilijk te overtreffen is.
Het is dan ook niet eenvoudig om ernaar te kijken en het te begrijpen.
Eigenlijk moet je daar oud voor worden.
Oud en onbeweeglijk.

20131013-153433.jpg

Oktober is de beste maand om de dans der cherubijnen waar te nemen.
We bevinden ons op de grens tussen leven en dood.
Halverwege tussen midzomer en midwinter.
Dat is ook het geval als de lente begint,
maar dan sterft de natuur niet, dan wordt ze geboren.
Dan kunnen we het kunstwerk van het jaarverloop niet waarnemen,
en als we het toch doen, is het veel te pijnlijk.
Sterven kunnen we bewust doen, want het is een langzaam uitdoven.
Maar een geboorte is zo heftig dat ze ons bewustzijn uitschakelt.
Beide processen spiegelen elkaar, want het gaat in beide gevallen om een overgang tussen materie en geest.
Maar de stap van geest naar materie (de geboorte) ervaren we als korte maar ondraaglijke pijn,
terwijl de omgekeerde stap van materie naar geest (het sterven) veel langgerekter is, en daarom draaglijker.

Dat is het verschil tussen de herfst en de lente.
De lente dwingt ons als het ware om (met haar mee) te bewegen, en op die manier maakt ze het ons bijna onmogelijk om het bewustzijn te bewaren en haar helder waar te nemen.
De herfst daarentegen dwingt ons om tot stilstand te komen en naar binnen te keren, en op die manier nodigt ze ons uit om afstand te nemen, om te kijken en na te denken.
De herfst nodigt uit, maar ze dwingt niet.
We kunnen kijken, maar we kunnen net zo goed niet kijken.
We kunnen beide kanten uit.
Weegschaal, weet u wel.

Dat is wat ik momenteel ervaar in deze merkwaardige oktobermaand.
Ik ben twee weken lang bijna dagelijks buiten gaan schilderen, en schilderen is kijken in het kwadraat.
Ik zat dus helemaal in de kijk-modus.
En opeens was het gedaan.
Opeens moest ik de kachel aansteken en me afsluiten van de natuur.
Maar omdat ik niet meer de flexibiliteit heb om soepel met deze omslag mee te bewegen (voor zover ik die ooit gehad heb) bleef ik in de kijk-modus zitten.
En juist door die verstarring zag ik opeens heel duidelijk de twee gezichten van oktober: het gouden engelengezicht en het grauwe drakengezicht.
Dat dubbele gelaat richtte mijn aandacht vervolgens op de andere maanden, en ik begreep dat ze allemaal twee tegengestelde kanten hadden.
Vooral de tegenoverliggende maand april, de eerste lentemaand, heeft twee extreem tegengestelde kanten: de lieflijke lente en de gruwelijke kruisdood.
Alleen de kunstenaar kan deze twee zover uiteenliggende liggende aspecten waarnemen.
Alleen een dichter kan april de wreedste maand noemen.
Want hij voelt de barensweeën van de natuur.
Overal barsten de knoppen open als evenzovele baarmoeders.
Aan de meest dorre takken verschijnen nu jonge twijgen, de dodelijke verstarring van de winter doorbrekend.
De wereld is nu één grote verloskamer waar intens geleden wordt, waar gewelddadige krachten aan het werk zijn..

In de herfst gaat het er allemaal veel zachter, veel evenwichtiger aan toe.
En juist daarom kunnen we de tegenstellingen veel beter waarnemen.
Als we dat willen natuurlijk.
Want niemand dwingt ons.
Integendeel bijna.
Ik voel momenteel hoe de draak onder mijn huid kruipt en me ziek dreigt te maken, zodat mijn aandacht vanzelf van buiten naar binnen wordt gekeerd.
Maar hij is nog niet zo sterk als in november waar hij zijn sluipende, onderhuidse krachten pas echt ontplooit en we ons werkelijk schrap moeten zetten om niet te bezwijken onder al die grijsheid, somberheid en nattigheid.
Rustig kijken naar wat zich in de natuur afspeelt, is dan veel moeilijker.
De doodskrachten zijn veel te sterk geworden.
Ze dwingen ons naar binnen.
Het is gedaan met kijken.

Maar in oktober, nu de levens- en doodskrachten elkaar nog in evenwicht houden, hebben we de keuze.
We kunnen geheel uit vrije wil de beslissing nemen om stil te staan en niet mee te bewegen met de twee schalen van Weegschaal.
We kunnen daar een stokje voor steken en de weegschaal tot stilstand brengen.
En dán begint de natuur ons haar geheimen te tonen.
Dan begint ze zich als het ware voor ons uit te kleden.
En geen enkele kijker blijft onbewogen voor deze ‘strip-tease’.
Nu komt het er echter op aan om afstand te houden en te blijven kijken.
Want als we meebewegen (en onszelf ook beginnen uit te kleden) gebeurt het onvermijdelijke:
we werpen ons in de armen van de natuur, we verkrachten haar en maken onszelf blind voor wat ze ons nog meer wilde tonen.
We gedragen ons dan als de herfststormen van november die de bladeren van de bomen rukken tot ze er helemaal naakt bij staan.
En dan is er niks meer te zien.
Dan is het voorbij.
Dan heeft de draak gewonnen.

Alleen in oktober, als de natuur zich begint uit te kleden, krijgen we de mogelijkheid om door haar uiterlijk heen te kijken en door te dringen tot haar wezen.
We kunnen dan een glimp opvangen van de ‘dans der cherubijnen’.
Maar in november, als de draak toeslaat, is het afgelopen.
Dan gaat de deur weer dicht.

Oktober is de maand van de Weegschaal, de maand van Venus, de godin van de liefde en de schoonheid.
Dat is haar uiterlijke, natuurlijke kant.
Maar ze heeft ook nog innerlijke, menselijke kant, en dat is de strijd met de draak.
Oktober is de maand van Michaël omdat juist nu de draak te bevechten valt.
In september toont hij zich nog niet.
In november is hij al te sterk en sleurt ons mee.
Maar in oktober krijgen we de mogelijkheid, de vrije keuze.
We kunnen gewoon meebewegen met de natuur, en naar binnen keren.
Van scherpe waarnemers (Maagd) worden we dan dromerige denkers (Weegschaal).
Dat dromerige denken wordt vervolgens wakker (Schorpioen), maar het ontwaakt in de materiële wereld.
Dit natuurlijke ontwaken is een geestelijk inslapen.

Alleen wanneer we het besluit nemen om stil te blijven staan en niét mee te bewegen met de schommelende Weegschaal, ontwaken we in de geestelijke dimensie van de werkelijkheid.
In november zien we dan de Adelaar, het hogere oktaaf van de Schorpioen.
En als we wakker blijven, kunnen we in december de geboorte van het kind waarnemen.
Als die wakkerheid ook nog eens de lange winter overleeft, kunnen we in april het sterven en opnieuw verrijzen van dat kind waarnemen, en dat is het hoogste waar we als mens getuige van kunnen zijn.

Er is echter maar één manier om die wakkerheid te behouden en dat is door de draak te bevechten.
Wat we in ‘oktober’ uit vrije wil beginnen, moeten we volhouden tot in ‘april’.
Pas dan ontwikkelen we het vermogen om tegenover het grootste aller wezens te blijven staan, de schepper van de dans der cherubijnen: Christus.
Dat is onze michaëlische opgave: voor het aangezicht van Christus gaan staan, van mens tot God.
En die – lange – weg is een kunstzinnige weg, want het vermogen om stil te staan en niet mee te bewegen met de natuur, is een kunstzinnig vermogen.
Kunstenaar is hij die in liefde ontvlamt voor de natuur en zich toch niet in haar armen werpt.
Kunstenaar word je door de draak te bevechten, en dat is een nooit eindigende strijd.
Het is een strijd die begint in oktober, de schilderachtigste maand van het jaar.
En hij duurt tot het Einde der Tijden, tot de laatste lente.

Momenteel bevinden we ons op het Keerpunt der Tijden, het midden van de mensheidsontwikkeling, de oktobermaand van het grote jaar der schepping.
We beleven de Michaëlstijd bij uitstek.
En het komt er nu op aan om met inzet van al onze krachten stil te blijven staan, en NIET mee te bewegen met de kosmische natuur.
We moeten ons uit alle macht verzetten tegen de draak die ons mee wil sleuren in de machtige omgekeerde beweging die nu is ingezet.
Want sinds het einde van het Kali Yuga beweegt de natuur zich niet meer van geest naar materie, maar omgekeerd: van materie naar geest.
De natuur is aan het ‘vergeestelijken’.
Dat is de ware oorzaak van Global Warming: het vuur van de geest slaat in de natuur.
En daar moeten we ons – inderdaad – met vereende krachten tegen verzetten, want dat vuur werkt vernietigend.

We zullen dit geestelijke vuur heus niet blussen door minder CO2 te produceren.
We kunnen het alleen de baas blijven door de draak te bevechten, en aan die strijd de verkoelende, bedarende bewustzijnskrachten te ontwikkelen die ons pal doen staan in een wereld die steeds woeliger zal worden.
Als we die strijd nu niet beginnen, zal het na dit Michaëlstijdperk bijna onmogelijk worden om niet meegesleurd te worden door de draak.

En waarom zouden we dat vandaag niet doen?
Het is er het weer voor.
Laten we eens goed kijken naar de twee gezichten van oktober: haar maagdelijke engelengezicht en haar vurige drakengezicht.
Want daarmee begint de strijd tegen de draak: met het onderscheiden van twee gezichten.
Michaël houdt de blik op het aangezicht van Christus gericht,
maar met zijn zwaard (de ratio van ons hoofd) en zijn weegschaal (het voelen van ons hart) onderscheidt hij de draak.
Christus zien en de draak bevechten zijn voor Michaël één en dezelfde zaak.
En voor die zaak is hij een rots in de branding.

20131013-175345.jpg

Advertenties