De engel van het heden

door lievendebrouwere

Toen ik vier maanden geleden begon te bloggen, stond ik ervan te kijken hoe vlot dat ging.
Ik begon ’s morgens vroeg aan een bericht, en tegen de middag was ik klaar.
Mooi afgerond, eindigend waar het begonnen was.
Zoals het hoort voor een levende tekst.
Het kostte me nauwelijks moeite.
Het ging bijna vanzelf.

Dat was vroeger wel even anders.
Toen ik 21 jaar geleden begon te schrijven, moest ik het nog leren.
Buiten een occasionele brief had ik nooit iets geschreven.
Ik had er niet de minste ambitie voor.
Ik was een tekenaar, geen schrijver.
Ik dacht wel veel na, maar dat denken had geen enkele vorm.
Het was meer dromen dan denken.
Ik kon geen uitdrukking geven aan de ideeën die in mijn hoofd gonsden als een zwerm bijen.

Ik wilde dat ook niet.

Wanneer ik tekende, wilde ik helemaal niet denken, althans niet bewust.
Want tekenen is in feite een soort toegepaste meetkunde.
Je leert het door alles te herleiden tot abstracte vormen.
En daarmee bouw je de wereld dan weer op.
Analyseren en synthetiseren, daar komt het op neer.
Tekenen is dus wel degelijk een vorm van denken.
Maar om levende tekeningen te kunnen maken, moet het (abstracte, wiskundige) denken er helemaal in onderduiken.
Het moet weer uit het bewustzijn verdwijnen.

20131018-161916.jpg

Ik herinner me nog dat ik eens op bezoek was bij René Smits, de beeldhouwer.
Hij toonde mij een tekening en vertelde me dat hij de mouw van het model niet goed kreeg.
Hoe zou jij dat oplossen?, vroeg hij me.
Ik keek hem enigszins verbijsterd aan en zei: René, ik heb geen flauw idee.
Ik besefte toen voor het eerst dat ik nooit bewust nadenk als ik teken.
Ik laat geen enkele gedachte toe.
Ik handel louter instinctief.

Dat doe ik trouwens ook als ik naar kunst kijk.
Ik laat geen enkele bewuste gedachte toe.
Behalve één: het is goed of slecht.
Dat wil niet zeggen dat ik niet nadenk als ik kijk.
Ik denk zelfs heel intens na.
Maar het is geen bewust denken.
Het is een halfbewust, dromerig denkproces dat pas aan het eind tot bewustzijn komt in de vorm van een oordeel.

Toen ik begon te schrijven, keerde alles om.
Ik begon nu bewust na te denken.
Want dat is wat schrijven voor mij is: bewust nadenken.
Als ik niet schrijf, kan ik niet bewust nadenken.
Het blijft dan bij verward dromen.
Mijn hoofd is dan als een boom vol kwetterende vogels die van de ene tak op de andere springen. Of als een speelplaats vol kinderen die uitgelaten roepend door elkaar lopen.
Uiterst levendig, maar uiterst verward.
Bewust, schrijvend denken is voor mij als luiden met de schoolbel en roepen: allemaal mooi op een rij komen staan, klas per klas!
Aangezien het mij aan alle gezag ontbreekt, heb ik de grootste moeite om orde te scheppen in mijn gedachten.
Het zijn er teveel en ze spelen te wild.
Ik krijg ze niet getemd, ik krijg ze niet op een rijtje.
Althans niet voor lang.
Altijd is er weer eentje dat de rangen verbreekt en de rest met zich meesleurt.
En mijn teksten eindigen altijd zoals ze begonnen: als een speelplaats vol wild rennende kinderen.

Mijn probleem met schrijven is niet de inhoud.
Ik heb ideeën genoeg.
Een hele speelplaats vol, en er komen er alsmaar bij.
Nee, het probleem is de vorm.
Ik kan geen orde scheppen.
Een tijdje gaat het goed en kan ik een heldere redenering ontvouwen.
Maar dan loopt het weer mis en verlies ik me in een oerwoud van gedachten die zich als apen van de ene boom naar de andere slingeren.

20131018-162718.jpg

Dat is het patroon dat zich steeds weer herhaalt.

In het begin was ik me van dat patroon niet bewust.
Althans niet helder.
Het kwam wel tot uitdrukking in het feit dat ik mijn teksten niet durfde te herlezen.
Ik las ze wel nadat ze gepubliceerd waren in de schoolkrant, in Het Vijgeblad of een ander tijdschrift, maar de band die ik er als schrijver mee had, was dan nog veel te sterk.
Ik kon ze niet objectief lezen.
Na verloop van enige tijd (maanden, jaren) kon ik dat wel, en de enkele keren dat ik dat, per ongeluk, deed, schaamde ik me dood.
Wat een verwarde troep!
Het leken wel de woorden van iemand die niet goed bij zijn zinnen was.

Met die schaamte in mijn achterhoofd begon ik mijn teksten steeds meer te herlezen terwijl ik ze nog aan het schrijven was.
En al vlug bereikte ik dan het punt waar ik de controle verloor en het spoor bijster raakte.
Vanaf dat punt begon ik dan opnieuw.
Waarna ik opnieuw verloren liep.
Zo kon ik weken en zelfs maanden aan een tekst werken zonder dat ik hem rond kreeg, zonder dat ik mijn ideeën op een rijtje kreeg.
Het was als een processie van Echternach: twee stappen vooruit, een achteruit.
Alleen waren het tien stappen vooruit en negen achteruit.
Dat schoot zo traag op en het kostte zoveel energie dat ik het ten slotte opgaf.
En dat kostte dan nog meer energie, want zaken die je begint maar niet af maakt, blijf je met je meeslepen.

Dat overkomt me trouwens ook in het echt, als ik bijvoorbeeld ga wandelen.
Van zodra ik ergens een zijpaadje zie, sla ik dat in en verlaat de hoofdweg.
Ik vind het spannend om ergens te komen waar bijna niemand komt, waar ik helemaal alleen ben met de natuur.
De natuur heeft op die plekken een ander karakter.
Zo ging ik vroeger wel eens wandelen in de Rupelstreek.
Vrienden hadden daar een huisje aan de rand van een domein waar vroeger klei gewonnen werd, maar dat al tientallen jaren aan de elementen was prijsgegeven.
Het was een wonderlijke ervaring om te wandelen tussen de diepe putten die vol water water waren gelopen en de berken die daar vanzelf waren gegroeid.
Je voelde dat deze natuur (nog) niet door mensenhanden of zelfs mensenaanwezigheid was aangeraakt.
De natuurwezens speelden er bij wijze van spreken nog onbekommerd in het zand en de lucht was vol van hun geroep en gelach.
Het had iets betoverends, iets paradijselijks wat je nooit voelt langs de gebaande wegen.

Vandaag bestaan dergelijke gebieden niet meer.
Ze worden beschermd, gecultiveerd en gereglementeerd, en daarbij wordt uiteraard geen rekening gehouden met het onzichtbare natuurvolkje, dat dan maar diep in zijn holen kruipt.
Ook die kronkelende paadjes die je naar vergeten, mysterieuze plekken leiden, bestaan niet meer.
De overblijvers zijn ondergebracht in een benummerd en bewegwijzerd wandelpadenparcours waar het ’s zondags soms even druk is als op de autoweg.

20131018-163352.jpg

Zoals de natuur er vandaag uitziet, zo ziet het er ook in ons hoofd uit.
Alles is in kaart gebracht, gecatalogiseerd, gesystematiseerd, gefatsoeneerd.
Er zijn alleen nog gebaande wegen, geen onbewandelde paadjes.
Dat heeft zo zijn voordelen.
Je weet altijd waar je bent en hoe je weer terug kunt keren.
Je bent op bekend terrein, je bent in feite thuis.
Dat is niet het geval als je onbekende zijpaadjes inslaat.
Het is me meer dan eens overkomen dat ik verloren liep en slechts met de grootste moeite, uitgeput, weer thuis raakte.

Dat overkomt me ook als ik denk, als ik schrijf.
Want mijn hart – dat in feite het orgaan is waarmee ik denk – voelt zich opgesloten in mijn hoofd met al zijn in kaart gebrachte, genummerde en geasfalteerde wegen.
Het wil vrij zijn, onbekende paadjes inslaan, nieuwe gebieden verkennen.
Na een tijdje in de rij te hebben gestaan, wil het weer vrij rondlopen op de speelplaats.
En dus verlaat het het heldere hoofd en … wordt weer chaotisch.

Zolang je in je eentje droomt, is dat geen probleem.
Maar als je jezelf uit wilt drukken omdat je contact wilt maken met andere mensen, dan is het wél een probleem.
Ik ondervind dat zelf wanneer ik teksten lees.
Als alles klopt, als alles gestroomlijnd is, dan glijd ik als vanzelf in een tekst, dan beweeg ik mee, dan word ik er één mee.
Dat is wat iedere schrijver wil: dat de lezer met hem meedenkt, met hem meevoelt, ja hem eenvoudig wórdt.
Maar als de tekst hapert, als hij niet meer vloeit, als er gaten in de redenering vallen, als er stappen worden overgeslagen, als hij kortom chaotisch wordt, dan trek je je als lezer terug uit die tekst. Je doet niet meer mee.
Misschien lees je dan nog wel verder, maar je moet je inspannen, je moet de gaten vullen die de schrijver gelaten heeft, en de betovering van de ‘eenwording’ verdwijnt.
Lezen wordt dan werken, en uiteindelijk geef je het op.
Want je beleeft er geen plezier meer aan.
En waarom zou je dan nog lezen?

Ik lees nooit teksten waar ik geen plezier aan beleef.
Soms gooi ik een boek al na drie bladzijden weg.
Soms klap ik het al dicht na het lezen van de eerste zin.
Soms doe ik het niet eens open.
Ik weiger het werk van de schrijver te doen.
Als hij mij geen plezier bezorgt, lees ik hem niet.

Maar mis ik dan niet veel?
Er zijn toch boeken waar je niet zo makkelijk ‘in’ komt en die je meer dan één keer moet lezen om ze te kunnen smaken. Soms zijn dat zelfs de beste boeken.
Dat is zo.

Maar ik ben een geoefend lezer.
Ik heb vroeger heel veel gelezen.
Mijn leeshonger was heel groot, en dan kauw je op elk leesvoedsel dat je kunt krijgen.
Maar die honger is inmiddels gestild.
Ik kan ook niet meer zoveel leesvoer verteren.
Alles wat ik lees en waar ik geen plezier aan beleef, wordt ballast die ik moet meesleuren.

Ik heb door al dat lezen ook mijn smaak ontwikkeld.
Ik herken een goed boek heus wel.
Ik laat me niet meer verleiden door de lengte of de breedte, door mooie woorden, door haantjesgedrag.
Ik heb grote bewondering voor iemand die in één zin kan zeggen waar een ander drie bladzijden, of zelfs een heel boek voor nodig heeft.
Die dikke turven die jonge schrijvers vandaag op de markt brengen, zijn in werkelijkheid vaak heel magere beestjes.
Net als goedkope verf bestaan ze grotendeels uit vulstoffen.
Daar geef ik mijn geld en mijn tijd niet meer aan.
Ik ben kieskeurig geworden.
Ik kan niet meer woekeren met mijn ‘leeskrachten’.

20131018-164859.jpg

Maar die veeleisendheid heeft tot gevolg dat ik ook een strenge lezer ben van mijn eigen werk.
Zo streng dat ik vaak blijf schrijven en herschrijven aan een tekst tot ik het moe word en het opgeef.
En dat is pijnlijk.

Met dat vormprobleem worstel ik nu al 21 jaar.
Af en toe viel er wel eens een eetbare appel van de boom, die een idee gaf van wat het zou kunnen worden.
Het deed mensen dan zeggen: je moet voor een krant schrijven, of voor een tijdschrift, of je moet een boek schrijven!
Maar ik wist dat ik het niet kon.
Nog niet.
Nog lang niet.
Want ik had het heus wel geprobeerd: een boek schrijven.
De inhoud was er (ideeën genoeg).
De vorm was er (ik kon schrijven).
Maar ik kreeg ze niet samen.
Eenentwintig jaar lang heb ik geprobeerd om inhoud en vorm samen te krijgen, maar het lukte niet.
En uiteindelijk gaf ik het op.
Ik gaf mijn hele (nog steeds beginnende) schrijverscarrière eraan en ging weer schilderen.
Eenentwintig jaar in het water gegooid.
Een groot stuk van mijn leven verspild.
Zo voelde het aan.
Een mislukking van formaat.

Ik meende het toen ik het schrijven eraan gaf.
Ik zou de rest van mijn leven schilderen.
Ik keerde terug naar mijn eerste liefde.
Mijn denken dook weer onder in de dromerige wereld van de beeldende kunst.
Het zou zich weer in vormen en kleuren uitdrukken, niet meer in bewuste begrippen en woorden.
Eigenlijk stortte ik me in het schilderen om de pijn van mijn mislukking te vergeten of tenminste draaglijk te maken.
Die pijn had ik ook gevoeld toen ik begon te schrijven.
Want dat schrijven betekende het einde van mijn tekencarrière.
Die twee lieten zich niet combineren: de dromerige wereld van de (beeldende) kunst en de wakkere wereld van het bewuste, schrijvende denken.
Het was met bloedend hart dat ik afscheid nam van mijn eerste liefde.
Het deed zo’n pijn dat ik geen tentoonstellingen of musea meer wilde bezoeken en in een grote boog om winkels met teken- en schildermateriaal liep.
Ik bande de beeldende kunst uit mijn leven.

20131018-165800.jpg

Die pijn hielp me om diep in de (zo andere) wereld van de gedachten te duiken.
Schrijven was een soort ontwaken uit een droom.
Ik besefte dat ik tot dusver nooit bewust had nagedacht.
Mijn hele schoolcarrière, tot en met de universiteit, heb ik dromend afgelegd, zonder echt na te denken.
Daar kwam een grote portie list en bedrog bij kijken, en vooral aan de universiteit ontwikkelde ik een grote sluwheid in het om de tuin leiden van professoren en examinatoren.
Ik heb toen zelfs een handleiding geschreven: hoe behaal je een diploma zonder na te denken?
Alvast één medestudente is dankzij mijn ‘slechte’ raad door de examens geraakt.
Zelf zou ik nooit een diploma hebben gehaald als ik had moeten nadenken, als ik die hele, afschuwelijke, dorre, intellectuele wereld bewust had moeten betreden.
Dat zou voor mij volstrekt ondraaglijk zijn geweest.

Nee, het was zeker niet de (moderne) wetenschap die me aan het denken zette en wakker maakte.
Het enige wat die wetenschappelijke wereld deed, was mijn dromerige, vrouwelijke denken transformeren in sluwheid, misleiding en bedrog.
Ja, in het onderwijs heb ik geleerd hoe je zeer geleerde, zeer mannelijk denkende mensen om de tuin leidt, hoe je met andere woorden slang wordt.
Mijn vrouw, die ik toen leerde kennen, keek met ontzetting toe hoe ik te werk ging.
Ik ben niet trots op de kunst-van-de-leugen die ik toen ontwikkeld heb.
Maar ik schaam me er evenmin voor.
Het moderne onderwijs is een geestelijke gevangenis, en in een gevangenis moet je overleven.
Ik heb de schoolgevangenis overleefd door instinctief en halsstarrig te weigeren wakker te worden.

Wakker ben ik pas geworden door de kunst.
En meer bepaald door één enkel kunstwerk.
Dit kunstwerk – een zeer modern en eigentijds kunstwerk – heeft me over de drempel geholpen.
Het heeft me doen ontwaken.
Het heeft me doen denken.
Het heeft me doen schrijven.

Voor het eerst in mijn leven.

Het was als een nieuwe geboorte.
Ik betrad een wereld die ik voordien nooit betreden had.
Althans niet bewust.
Ik betrad de wereld van de kunst, de wereld van de droom.
Ik ontwaakte IN de droom.
Met het denken van mijn hoofd werd ik wakker in mijn hart.
En dat was de meest overweldigende ervaring in mijn leven.

Ik herinner me nog heel duidelijk het moment dat ik, omstreeks mijn 14de, wakker werd UIT de droom.
Dat gebeurde in de kerk, tijdens een misviering.
Op een gegeven moment hief ik het hoofd op, keek rond, en dacht: wat doe ik hier?
Ik had had helemaal niks tegen de kerk.
Ik was tenslotte een kunstzinnige ziel, en in de kerk waren er beelden, schilderijen, glasramen, muziek, wierook, literatuur en toneel.
Het was een ‘Gesamtkunstwerk’ waarin ik graag wegdroomde.
Weg van de dagelijkse wereld, weg van de grijze school, weg van alles.
Maar die keer besefte ik opeens dat ik er niet meer thuishoorde.
Mijn liefde ging uit naar een andere, niet-kerkelijke kunst.
Een veel zinnelijker, aardser kunst.
Een kunst ook waarin ik niet enkel toeschouwer maar ook ‘priester’ was, iemand die zelf het mysterie voltrok.

20131018-171203.jpg

Ik verloor, zoals dat heet, mijn geloof.
In werkelijkheid was het veeleer de vaststelling dat ik al lang niet meer geloofde.
Mijn echte geloof was van kindsbeen af de kunst geweest.
Daar voelde ik mij thuis, veel meer dan in die grauwe, onkunstzinnige moderne wereld.
Ik tekende en ik las.
En ik speelde buiten in de zon.
Ik leefde al dromend en uit die kinderlijke droom ontwaakte ik toen ik 14 was.

Mentaal kostte het me geen greintje pijn om de kerk te verlaten.
Ik had me alleen met haar kunstzinnige vorm verbonden.
Er was nooit een bewuste verbinding geweest.
Maar onbewust kwam de scheiding zeer hard aan.
Ze kwam tot uitdrukking in een ongeval op school, een ongeval dat me bijna invalide maakte.
In de turnles kwam ik terecht op een bal en er knapte van alles in mijn linkerknie.
Als beeld kan het tellen: ik kwam met beide voeten op aarde terecht.
Ik werd weer opgelapt door een oude chirurg die de veelzeggende naam ‘Toen’ droeg.
Volgens zijn assistenten was het niet minder dan een wonder dat ik nadien weer kon lopen.

Mijn lichaam besefte het eerder dan ikzelf: dit met beide voeten op de aarde komen viel me ontzettend zwaar.
Zonder een mirakel had het me kreupel gemaakt voor de rest van mijn leven.
Soms moeten engelen ingrijpen.
Mijn engel heette ‘Toen’ en was blijkbaar de Engel van het Verleden.
Hij hielp me heelhuids over de drempel van het heden, een heden dat ik zonder de technieken van de kunst – de heelkunst zowel als de beeldende kunst – niet had overleefd.

Eenentwintig jaar later greep er opnieuw een engel in.
Het was de Engel van het Heden en hij hielp me over de drempel naar de toekomst.
Opnieuw gebeurde dat door de modernste technieken van de kunst, door een waar mirakel van menselijk kunnen.
Opnieuw kwam ik met een schok op aarde terecht.
Maar dit keer werd ik niet kreupel geslagen.
Ik kreeg vleugels.
Mijn ogen gingen open voor de onvermoede schoonheid van het aardse leven.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik mij thuis op aarde.
Ik herinner mij het gevoel en het besef nog heel goed.
Want het was een wakker gevoel, ik was me heel erg bewust van wat ik voelde.
Ik was IN dat voelen, in dat dromerige (be)leven wakker geworden.
Nooit was ik zo ‘aanwezig’ geweest.
Mijn vrouw wist niet wat haar overkwam.

Net als toen ik wakker werd UIT de droom, werd ik wakker IN de droom in en door een ‘Gesamtkunstwerk’.
Anders dan het oude totaalkunstwerk van de kerkviering, stamde het nieuwe, eigentijdse kunstwerk uit de toekomst.
Het wortelde helemaal in het heden, maar het toonde de weg naar een nog verre toekomst.
En het toonde die weg in beelden die zo krachtig waren dat ze een hele ommekeer in me teweegbrachten: ik begon te schrijven, ik begon te denken.
Wat ik vroeger dromend had gedaan, deed ik nu wakker.
Maar het was niet de wakkerheid van het moderne, intellectuele verstand, want dat had ik leren kennen als een andere vorm van dromen.
Met dat verstand word je wakker in de ene wereld (de materiële) maar je slaapt in in de andere (de geestelijke).
Ik werd wakker in beide werelden tegelijk: zowel in mijn hoofd als mijn hart.

20131018-171727.jpg

Ik begon voor het eerst echt bewust te denken.
Ik kreeg voor het eerst ook echt interesse voor de concrete wereld waarin ik leefde.
Tot dan las ik geen kranten, luisterde ik niet naar de radio, keek ik niet naar tv.
Dat begon ik nu, aarzelend, wel te doen.
Ik kwam op aarde.
Maar tegelijk werd die aarde, langzaam, transparant voor de wereld van de geest.
Ik moest me daar ontzettend voor inspannen – dromen is een stuk gemakkelijker dan wakker zijn – maar ik werd gedreven door mijn liefde voor het kunstwerk dat de ommekeer bewerkstelligd had.
Nog nooit had ik zoiets gezien.
Ik had me niet eens kunnen voorstellen dat zoiets bestond of zelfs maar mogelijk was.
Het was een wonder, een godsgeschenk.

Zonder dit kunstwerk zou ik de ommekeer naar de toekomst nooit hebben kunnen maken.
Zonder dit kunstwerk zou ik nooit zijn beginnen schrijven.
Zonder dit kunstwerk zou ik het nooit 21 jaar hebben volgehouden.

Het was dan ook een zeer pijnlijk moment om afscheid te nemen van dat schrijven.
Het was het afscheid van de geest van dit kunstwerk, want ofschoon ik de eerste jaren alleen maar over dit ene concrete kunstwerk schreef en nadacht, verruimde dat schrijven en nadenken zich geleidelijk tot andere gelijkaardige kunstwerken en ten slotte tot de hele wereld.
Zoals ik de geest van de oude kunst herkend had in dit nieuwe kunstwerk, zo begon ik diezelfde geest te herkennen in de hele hedendaagse werkelijkheid.
Stap voor stap begon ik de wereld als een kunstwerk te zien.
Het was alsof de geest van de oude kunst zijn lichaam had verlaten, een nieuwe, moderne gedaante had aangenomen en zich vervolgens uitbreidde over de hele wereld.
En ik spande mij tot het uiterste in om hem niet uit het oog te verliezen.

Deze geest is mij sindsdien heiliger dan wat ook.
Dat is de reden waarom ik (voorlopig) zwijg over de kunstzinnige gedaante waarin ik hem 21 jaar geleden heb gezien en herkend.
Er is namelijk geen enkel begrip voor.
Integendeel, die gedaante wekt de grootste weerstanden, vooral dan van ‘spirituele’ mensen.
Ze ontsteken in woede en verontwaardiging als ik hen probeer te vertellen over de geest van dit kunstwerk.
Ze willen niet eens luisteren.
Ze beschouwen me als een handlanger van de draak.

Zelf staan ze in bewondering voor pispotten en kakmachines, dat wil zeggen voor de officiële kunst van onze tijd.
Daar denken ze over na, tenminste dat denken ze.
Daar voelen ze liefde voor, tenminste dat denken ze.
Die kunst nemen ze tot voorbeeld.
En dat laatste is, vrees ik, geen gedachte maar realiteit.

De geest van het kunstwerk waarover ik spreek – en zwijg – inspireert me dus tot een radicale oppositie, niet alleen met de officiële kunst (en kunstwetenschap) van mijn tijd, maar ook met de officiële geesteswetenschap of antroposofie, en eigenlijk met de gehele spirituele wereld van mijn tijd.

Dat is de reden waarom ik zeer terughoudend ben geworden.
Ik bevind me in een situatie van één tegen allen.
Als ik mijn mond opendoe over het kunstwerk dat ik boven alle andere bewonder en liefheb, dan breekt de hel los.
Althans voor mij.
Want meer nog dan de kritiek, de afkeer en de verontwaardiging, ervaar ik de onverschilligheid, desinteresse en minachting voor dit kunstwerk als uiterst pijnlijk.
Ik kan het nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon mooi, wijs en zelfs heilig vind, zo met de voeten getreden wordt.
Andersom kan ik ook nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon afstotend, misleidend en ontheiligend vind als de hedendaagse kunst, zo verheven wordt.
Ik vind deze perversie, deze omwisseling van goed en kwaad verschrikkelijk.
En dus heb ik geen andere keuze dan ertegen te vechten.

De strijd met de draak moet gestreden worden.

20131018-172355.jpg

En aan welke kant ik ook sta – die van de draak of die van Michaël – doet er niet zoveel toe. Het is namelijk een bewustzijnsstrijd en die levert altijd méér bewustzijn op.
Er moet echter wel een zeker evenwicht zijn, anders is er geen echte strijd.
Dat vind ik dan ook het meest verontrustende: in de wereld van de kunst is er geen strijd meer.
Niemand verzet zich nog tegen de almacht van de hedendaagse kunst.
Niemand durft daar zijn stem tegen te verheffen.
Het is dan ook een bijzonder ongelijke strijd.
Ik mag dan wel zeker van mijn zaak zijn, de anderen zijn dat ook, en ze zijn met veel meer.

Daarom wil ik de strijd niet onvoorbereid aangaan.
Alles wat ik op deze blog doe, is louter voorbereiding.
Alles wat ik dat afgelopen 21 jaar gedacht en geschreven heb, was louter voorbereiding.
Ik verzamel mijn wapens.
De draak bevecht je namelijk niet met de blote hand.
Dat is een naïeve onderschatting van de vijand.

Ik oefen mij op deze blog dus met zwaard en weegschaal.
De weegschaal is de kunst, de gulden middenweg.
Zij is de inhoud van mijn denken.
Het zwaard is de wetenschap, de rede.
Zij is de vorm van mijn denken.
Die twee probeer ik tot een eenheid te smeden, tot één enkel wapen.
En dat wapen is een wakker, scherp onderscheidend hart.
Daarmee wil ik de draak te lijf gaan.

Maar ik wil niet zelf het initiatief nemen.
Men moet de draak niet uitdagen.
Ik wacht dus af, en verzorg mijn wapenuitrusting.
Zo doen soldaten dat in afwachting van de aanval: ze halen hun geweer uit elkaar, maken het schoon, oliën het, en zetten het dan weer in elkaar.
Met mijn verstand dring ik steeds weer binnen in mijn hart, ik haal het uit elkaar, maak het schoon, spuit er wat olie in en zet het dan weer in elkaar.
Tot voor kort kon ik het nog wel uit elkaar halen.
Maar ik kreeg het niet weer in elkaar.
En met een geweer in stukken ben je nog minder dan met een verroest geweer.

Sinds ik blog, lijkt het beter te lukken.
Toch merk ik dat de zaken weer beginnen te blokkeren in deze tweede helft van oktober.
Het evenwicht tussen hoofd en hart, tussen vorm en inhoud raakt weer zoek en ik moet me hevig inspannen om het weer te vinden.
Is dat de draak van november die nadert?
Ik weet het niet.
Ik probeer zoveel mogelijk ‘to go with the flow’, maar voor een mannelijk verstand is dat niet eenvoudig. Hoe dieper het doordringt in het vrouwelijke hart, des te meer begint dat te bewegen, des te ‘vloeiender’ wordt het.
Dan is het zaak om tijdig terug te trekken en jezelf niet in chaos te verliezen.
Niet gemakkelijk!

Maar met de hulp van Michaël and a little help from my friends moet het lukken.
Het moét lukken, zo simpel is dat.

En voor degenen die het arrogant van me vinden dat ik me in het kamp van Michaël situeer: hoe waarschijnlijk is het dat de draak het moet stellen met eenzame amateurs zoals ik, die van de ene mislukking in de andere tuimelen, terwijl Michaël wereldwijd triomfeert, met in zijn gevolg alle rijken, machtigen en verstandigen der aarde?
Want dát is momenteel de situatie in de wereld van de kunst.

En zoals iedereen weet, is de kunst een spiegel van de werkelijkheid.

Advertenties