Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: oktober, 2013

Eén dracht maakt macht

20131020-112116.jpg

Gisteren werd Wilfried Martens begraven, een groot staatsman die aan het hoofd stond van de regering Martens I, de regering Martens II, de regering Martens III, de regering Martens IV, de regering Martens V, en zo helemaal tot aan de regering Martens VIII.
Als ik me tenminste goed herinner, want met Martens raakte je de tel kwijt.
Zijn regeringsperiode bracht aan het licht wat regeringen in België zijn: meer van hetzelfde.

Op zijn 75ste trad Wilfried nog in het huwelijk en in het bed met Miet Smet, die de dochter van zijn eigen dochter had kunnen zijn.
Deze echtverbintenis bracht aan het licht wat politiek in België is: een incestueus kluwen.
Of Wilfrieds kleine staatsman nog aan acht regeringen raakte, blijft voorlopig staatsgeheim.
In ieder geval, hij rust nu in vrede.
En dat men de grote diep genoeg moge steken.

Ik laat politiek commentator Kaaiman de grafrede uitspreken:

‘Niet te tellen, de zelfingenomenen die meenden de wereld kond te moeten doen van het belangrijke feit dat zij vonden dat een groot staatsman ons had verlaten.
Zelfs Hot Marijke.
Godzijdank trad ze niet verder in detail.
Een groot staatsman. Zo een die ze nu niet meer maken.
Gelukkig niet, nee.
Met staatsmannen in België moet je uitkijken, die kosten de burger altijd veel geld.
Schijnen vooral geregeerd te hebben in de jaren tachtig en negentig.
Uit die periode onthouden we een indexsprong of drie, een paar herstelplannen bekostigd door onze portemonnee, een devaluatie van nominaal 8,5 en in werkelijkheid 12 procent, een staatsschuld van ver boven 100 procent en begrotingstekorten van boven 10 procent die ons nog vijftig jaar parten zullen spelen, plus een gigantische werkloosheid.
Om dat een beetje te fatsoeneren hebben we in de jaren negentig belastingverhoging na belastingverhoging moeten doorvoeren, zodat we nu de hoogste fiscale druk ter wereld hebben, om uiteindelijk toch nog in de verste verte niet te beantwoorden aan de criteria van Maastricht. Was het niet dat Fons Verplaetse een en ander wist over de toplui van de Bundesbank, we waren nooit tot de euro toegelaten.

Verder danken we aan die generatie staatsmannen dat een oorspronkelijk zuivere grondwet, een voorbeeld voor Europa, keer na keer werd uitgehold tot een onbruikbaar gewrocht dat al van bij artikel één vloekt met werkelijkheid en wenselijkheid, en dat de staatsstructuren zozeer heeft doen vastlopen dat het land bij de vorige formatie vijfhonderd dagen stuurloos was en bij de volgende vijfduizend.
Door wafelijzers en andere politieke methodes, en door zwart op wit bewezen corruptie, zijn tientallen, nee honderden miljarden euro’s verspild.’

Dus stak het gisteren niet op een paar 10.000 euro meer of minder.
Gent was bezet gebied.
De politie en de veiligheidsdiensten hadden alles afgezet, vernam ik.
Er was geen doorkomen aan.
Behalve dan voor de grote staatsmannen die uit alle hoeken van Europa gekomen waren om hun ilustere collega, maar vooral zichzelf, te eren.
Het was weer eens een gelegenheid om te laten zien hoe belangrijk en onontbeerlijk ze waren.
Een aanslag zou een echte wereldramp zijn geweest.
Wij hier in België weten maar al te goed wat er gebeurt als het land zonder regering zit.
Het gaat meteen een stuk beter.
En dat moet ten alle prijze vermeden worden.
Het volk mag zich vooral niet in het hoofd halen dat het ook maar één dag zonder zijn staatsmannen en -vrouwen kan.
Het mag in geen geval ondervinden dat het net zo goed kan regeren als die beroepsregeerders en zelfs beter.
Want wat moeten die beroepslui dan?
Gaan stempelen?

Het Belgisch koningshuis worstelt met hetzelfde probleem.
Het is compleet overbodig geworden, een dood gewicht dat we moeten meesleuren.
En dus is het maar met één ding bezig: hoe houd ik mezelf in stand?
Alle middelen zijn goed.
Zelfs de nationale voetbalploeg wordt ingeschakeld.
De Rode Duivels.
Om duidelijk te maken dat het hof links draagt.
En dat het niks te maken wil hebben met Zwart-Gele Leeuwen.
Net als alle grote staatsmannen in dit land.
Want eendracht maakt macht.
Koningen en staatsmannen: één front.

Tiens, in welke taal zouden ze die staatsbegrafenisdienst gehouden hebben?

20131020-112148.jpg

Advertenties

De drempel

20131019-144848.jpg

Dit is een herfstfoto van het Damvalleimeer.
Artistiek-fotografisch gezien niet veel zaaks, maar mijns inziens wel een beeld van ‘de drempel’, de drempel van de geestelijke wereld that is.

Al die donkere vormen op de voorgrond zijn een beeld van de draak.
Het is de ‘doornhaag’ uit het sprookje van de Schone Slaapster.
De door de zon beschenen bomen aan de overkant, met al hun gouden kleuren (die op de foto slecht tot hun recht komen) zijn de Schone Slaapster zelf, de geestelijke wereld.
En daartussen ligt de drempel zelf, de etherische wereld, het water-dat-zo-diep-is.

Toen ik de foto nam, stond vlak naast de linkerboom op de voorgrond één van die moderne vissers, helemaal in het donkergroen uitgedost, met naast hem een donkergroene tent en daarin een donkergroen ligbed, en voor hem drie vishengels met een electronisch systeem dat hem verwittigt wanneer hij beet heeft, hoeveel de vis weegt en of het de moeite is om van zijn bed op te staan.

Een hedendaagse visserkoning quoi.

Toen hij mij de foto zag nemen, riep hij enthousiast:
Ongelooflijk die bomen!
En dat licht verandert met de minuut!
Niet normaal is dat!

Ik wilde antwoorden: dat is wél normaal, het gebeurt ieder jaar!
Maar toen bedacht ik: die man heeft gelijk.
Hij bespeurt op zijn manier het wonder dat nu plaatsgrijpt, het wonder van al die veelzeggende beelden die zo rechtstreeks tot ons hart spreken.

En dat is niet ‘normaal’.

Waarschijnlijk was dat de (onbewuste) reden waarom hij daar zat te vissen.
Hij wilde deelhebben aan dat wonder.
Hij nam het wonder van oktober ‘slapend’ waar, door te vissen.
Ik nam het ‘dromend’ waar, door er beelden van te maken.
En de bedoeling is uiteindelijk dat je het ‘wakker’ waarneemt, dat je de drempel bewust overschrijdt.

Want de drempel overschrijden, betekent natuurlijk: de drempel zien.
Het is een bewustwordingsproces.
Je overschrijdt met je bewustzijn de grens tussen de materiële wereld (de vaste grond) en de etherische wereld (het water), je zwemt naar de overkant, en je overschrijdt de grens tussen de etherische wereld en de eigenlijke geestelijke wereld.
Het is een stapsgewijs wakker worden in de geest.

Daarna zijn er waarschijnlijk nóg grenzen te overschrijden,
maar de eerste grensoverschrijding is de moeilijkste.

Want daar houdt de draak de wacht.

Het spel van de twee koppen

20131019-130031.jpg

Bent Van Looy is de frontman van Das Pop, een Vlaamse band die bestaat uit gewezen leerlingen van de Gentse steinerschool.
Hij staat vandaag in de krant omdat hij 70 euro boete heeft moeten betalen wegens … het drinken van koffie op de tram.
In een reactie daarop twitterde hij: Antwerpen, you’re losing it!
(Bent woont namelijk in Parijs, vandaar het Engels)

Iedereen weet natuurlijk wat hij daarmee bedoelt.
Of beter, wie.
Bart De Wever is de schuldige.
Het is zijn schuld dat het bergaf gaat met Antwerpen.
Het is zijn schuld dat je daar nu beboet wordt als je koffie drinkt in het openbaar.
Het is zijn schuld dat het zo slecht gaat met de economie.
Kortom, Bart De Wever is de schuld van ALLES.
Dat weet iedere weldenkende, progressieve, intelligente, vrijheidslievende, kortom ‘betere’ Vlaming.

Bij nader inzien, bleek BDW niks te maken te hebben met die boete.
Het was geen GAS-boete maar een LIJN-boete.

Natuurlijk kaderen beide soorten boetes in dezelfde zero-tolerancementaliteit die momenteel in Antwerpen, Mechelen en andere Vlaamse steden geldt.
En natuurlijk is het belachelijk om iemand een boete te geven omdat hij koffie drinkt op de tram.
En natuurlijk wordt daar terecht tegen geprotesteerd.

Maar dat neemt allemaal niet weg dat die protesten schijnheilig zijn.

Want wat ligt er aan de basis van die repressieve mentaliteit?
Dat weet iedereen: het zijn de ‘jongeren’.
En iedereen weet ook wie met die schijnheilige term bedoeld wordt: de allochtone jongeren.
En iedereen weet ook om welke allochtone jongeren het gaat: de Marokkaanse.
Dat weet men niet alleen in Vlaanderen, dat weet men ook in Nederland, dat weet men in heel Europa.
Het zijn altijd weer dezelfden die last verkopen.
Al van in de tijd van de bordjes ‘interdit aux Nord-Africains’.
Wat de Vikingen vroeger waren, zijn de Marokkanen vandaag: een gesel Gods, of beter een gesel Allahs.
Tientallen jaren al verzuren zij het leven van talloze mensen met hun kleine en grote pesterijen.
Als ze geen vrouwen lastigvallen, dan slaan ze buschauffeurs of trambegeleiders in elkaar, steken auto’s in brand, voeren oorlog met de politie, en vermoorden af en toe iemand.

Dat, en niets anders, is de oorzaak van de invoering van die GAS-boetes.
Het was gewoon te ver gekomen.
En wiens schuld was het dat het zover was gekomen?
Niet die van Bart De Wever.
Maar wel die van de progressieve, ‘betere’ Vlamingen.
Zij zijn het die, door hun verregaande permissiviteit, door hun pseudo-verdraagzaamheid, door de égards waarmee ze de moslims behandelen, door hun geschreeuw tegen racisten en andere Untermenschen, de ruimte geschapen hebben waarin de Marokkaanse jongeren hun gang konden gaan.
Zij vormden de baarmoeder voor deze draak.

En wie maakt nu groot misbaar over de noodmaatregelen die tegen dit monster worden getroffen?
Juist.
Degenen die aan de basis liggen van de hele wantoestand.
Degenen die ervoor gezorgd hebben dat die maatregelen noodzakelijk werden.
Dezelfden die het monster de kans hebben gegeven om ongestoord te groeien en het beschermd hebben tegen de kritiek van degenen die er het slachtoffer van werden.

Het is hetzelfde patroon dat je ook terugvindt in de War on Terror.
Hevig verontwaardigd verklaart Amerika de oorlog aan Saddam Hoessein, een zeer repressieve dictator die ze … zelf in het zadel hebben geholpen, die ze zelf beschermd hebben tegen zijn vijanden zodat hij ongestoord sterk kon worden.
Idem voor Osama bin Laden.
Idem voor president Assad.

Hetzelfde patroon vertoont ook de War on Bart.
Alle ‘betere’ Vlamingen, alle politici, alle journalisten, alle schrijvers, alle kunstenaars verenigen zich in hun afschuw voor Bart de Draak.
Maar wie heeft het optreden van die ‘draak’ noodzakelijk gemaakt?
Wie heeft ervoor gezorgd dat Vlaanderen langzaam door de knieën gaat onder de verpletterende druk van de torenhoge belastingen, de geldtransfers naar Wallonië en Brussel, de onoverzienbare schuldenlast, de ongecontroleerde immigratie, enzovoort?
Precies: degenen die nu moord en brand schreeuwen tegen Bart de Grote Boosdoener.

De overheid begint in ons land streng op te treden tegen ‘overlast’ en ze schrijft te pas en te onpas GAS-boetes uit.
Ze bestrijdt met andere woorden een draak die ze zelf groot heeft gemaakt.
En Bent Van Looy doet … hetzelfde.
Hij steekt de draak (sic) met de overheid die hij – als kunstenaar – zelf mee aan de macht heeft gebracht.
(O, wat zijn ze Belgische-regeringsgetrouw, de Vlaamse kunstenaars!)

Ik moet ervoor opletten dat ik op mijn beurt niet de draak steek met Bent Van Looy.
Want zo werkt de draak.
Hij zet iedereen tegen iedereen op, en blijft zelf buiten schot.
Hij kijkt grinnikend toe hoe we voor hem werken.

Lucifer (de ‘betere’ Vlaming) zorgt ervoor dat Ahriman (het islam-extremisme) stiekem het land kan binnendringen en rustig groot worden. Als Ahriman dan het hoofd opricht en (door de ‘slechtere’ Vlaming) beteugeld moet worden, reageert Lucifer verontwaardigd om zoveel repressiviteit.

Het is een ingenieus spelletje dat de draak speelt met zijn twee handpoppen, Lucifer en Ahriman.
Een spelletje dat de mensheid verdeelt in twee groepen die elkaar als het vleesgeworden kwaad bestrijden.
Beide groepen denken de draak te bevechten, maar in werkelijkheid is het de ene drakenkop die de andere bevecht.

En dit drakengevecht is een schijn-gevecht.

De overheid die nu de islam-overlast hard lijkt aan te pakken, staat in werkelijkheid op heel goede voet met de islam.
Ze speelt ermee onder één hoedje.
Zij viseert niet de Marokkaanse jongeren, die de echte overlast vormen.
Ze heeft daar trouwens geen greep meer op.
Nee, in de grond viseren zowel de overheid als de Marokkaanse pestjongeren de gewone mens, die op de tram rustig een kopje koffie zit te drinken en geen mens kwaad doet.

En die gewone mens heeft dat niet door.
In zijn verontwaardiging kiest hij nu eens partij voor de ene drakenkop en dan weer voor de andere.
Maar hij slaagt er niet in zich los te maken van de draak,
want hij krijgt geen zicht op diens spel-van-de-twee-koppen.

En dat zijn geen koppen koffie …

20131019-143426.jpg

De pedagogische tik

20131019-102340.jpg

Onlangs stond er in de krant een opinieartikel over ‘de pedagogische tik’.
Uit een enquête bleek dat zes op de tien ouders vinden dan zo’n tik moet kunnen.
En dat zijn vooral jonge ouders, kinderen dus van de generatie die experimenteerde met de ‘vrije opvoeding’.
Aangezien die generatie vandaag bepaalt wat er in de krant komt, werd er uiteraard tegengas gegeven en wel door een expert van het Expertisecentrum voor Opvoedingsondersteuning.
Die liet er geen twijfel over bestaan: een tik kan nooit pedagogisch zijn.
Ook van andere straffen was ze geen voorstander.
Een kind bijvoorbeeld een week lang verbieden om de computer te gebruiken, vond ze een ‘immense straf’.
Tja, met dergelijke maatstaven is de pedagogische tik natuurlijk een vorm van terrorisme.
En die moeten we uiteraard de oorlog verklaren.

Het deed me terugdenken aan een pedagogische scène waarvan ik getuige was in Brugge.
Een gezin met kleine kinderen was er aan de wandel.
Toeristen.
Eén van de kinderen verveelde zich en wilde spelen.
Het deed dat nogal baldadig door telkens naar de rand van het water te lopen, waarop de ouders luid begonnen te roepen: doe dat niet, kom hier, blijf daar weg!
Waarschijnlijk was dát het kinderspel: ouders beetje op stang jagen.

Nadat die ouders het ongehoorzame kind – vergeefs – bestookt hadden met een artillerievuur van vermanende woorden, greep de vader in.
Hij nam het kind bij beide armen vast, ging op zijn hurken zitten en keek het doordringend aan.
Waarom doe je dit?
Zie je dan niet dat je ons ongerust maakt?
Waarom doe je je moeder dit aan?
Vooruit, zeg mij: waarom kwel je ons zo?
Ik begrijp het echt niet.
Leg het mij uit.
Waarom. Doe. Je. Dit.
De ogen van de vader boorden zich tot diep in de ziel van het kind.

Ik werd er half misselijk van.
Een man van 35 gebruikte al zijn gezag en autoriteit om het kind de dwingen hem uit te leggen waarom het zich ‘sadistisch’ gedroeg.
Het was de geestelijke versie van fysiek kindermisbruik.
Hij dwong het kind (dat hooguit zeven jaar oud was) met psychologisch geweld tot een bewustzijn waar het totaal niet toe in staat was.
En het kind kon zich niet verweren.
Het zat klem.

Toen kon de moeder het niet meer aanzien.
Ze greep het kind bij een arm, trok het omhoog en koelde haar woede op zijn bips.
Nu kon het kind wél reageren.
Het krijste als een varken dat gekeeld werd.

De omstaanders keken gegeneerd weg.
Het was een staaltje van modern pedagogisch onvermogen.

Wat mij ervan bijbleef, was dat de pedagogische tikken (en het waren méér dan tikken) het mindere kwaad waren.
Wat die vader met zijn kind deed, vond ik veel erger.
Het had iets pervers.
De moeder was in haar woede en onmacht veel menselijker.

Volgens mij kunnen kinderen goed onderscheid maken tussen die twee.
Ze weten best wat woede, onmacht en frustratie zijn, en ze herkennen dat ook bij hun ouders.
Een flinke rammeling verbreekt (als ze terecht is) dan ook de band niet tussen ouder en kind.
Maar behandeld worden als iemand die je niet bent of kunt zijn, dat schept tussen ouder en kind een afstand die het kind (nog) niet aankan.
Dat maakt iets kapot in de kinderziel.

De klassieke draai om de oren of klets op de poep zijn een luciferische reactie op kinderkwaad.
Ouders reageren dan eigenlijk kinderachtig.
Ze doen hetzelfde als het kind, want kinderkwaad is ook luciferisch.
En dat is vergeeflijk kwaad.
Maar dat moderne inpraten op het kind, het aankweken van schuldgevoelens, het behandelen van het kind als was het veel ouder en beschikte het over een volwassen bewustzijn, dat is ahrimanisch.
Daartegen kan het kind zich niet verweren.
Daarin herkent het zichzelf niet.
En dat is volgens mij onvergeeflijk.

Al die ophef die gemaakt wordt over de pedagogische tik is in mijn ogen van hetzelfde gehalte als de tik zelf: luciferisch, overdreven en een uiting van onmacht.
Want veel erger dan dit kleine fysieke geweld is het grote geestelijke geweld dat vandaag op het kind wordt gepleegd en dat er vooral in bestaat dat het kind geen kind meer mag zijn.
Het mag niet meer … spelen.
Het wordt van jongsaf getraind tot een … expert.
Meestal dan nog één van het intellectuele soort.
De geest van het kind wordt zo vlug mogelijk losgemaakt van zijn lichaam.
Het mag niet spelen met water, aarde, vuur, verf, hout, metaal, enzovoort.
Het mag zijn handen niet meer gebruiken.
Het mag alleen zijn hoofd nog gebruiken.
Het moet stilzitten en luisteren naar dode leerstof.

Is het dan te verwonderen dat het kinderlichaam baldadig wordt, dat het gewelddadig wordt, dat het sluw en achterbaks wordt?
Luciferisch worden is het enige verweer dat het kind heeft tegen al dat ahrimanische geweld.
En dan zie je dat kleuters elkaar slaan en bijten en krabben.
En je ziet dat leerlingen elkaar pesten.
En je ziet dat volwassenen dat gedrag voortzetten en elkaars leven tot een hel maken.

Terwijl de echte schuldige zit te grinniken en buiten schot blijft.

Tegen ahrimanisch geweld kun je niet op.
Maar je kunt wél de luciferische kant sterker maken en hem tegelijk leren beheersen.
En dat houdt in dat je kinderen weer laat spelen.
Dat je hen buiten laat ravotten in het slijk.
Dat je hen in bomen laat klimmen (en eruit vallen).
Dat je heel dat fysieke kindzijn gaat herwaarderen.
En naarmate het kind opgroeit, moet je dat fysieke spelen transformeren tot bewust spelen met de aarde en zijn vier elementen.

Dat heet dan: kunst.

Kunst is het grote wapen tegen Ahriman en de draak.
Geef het kind een kunstzinnige opvoeding en zijn speeldrift zal niet veranderen in vernietigingsdrift.
Als je tegelijk dan ook nog de dode leerstof tot leven kunt wekken door hem transparant te maken voor de geest, zit je helemaal op de goede weg.

Kinderen die zo opgevoed worden, zullen ook goede ouders worden.
Want hun opvoeding zal kunstzinnig zijn.
Hoe kun je een kind anders opvoeden dan door kreatief te zijn?
Je moet voortdurend oplossingen bedenken, want met een kind is het altijd wat.
En als je zelf die kreativiteit niet als kind hebt mogen ontwikkelen, is het heel, heel moeilijk om dat als ouder nog te doen.
Maar zelfs dan helpt het nog, want kinderen zullen het kunstzinnige streven – en dat is altijd een probleemoplossend streven – instinctief herkennen en erop reageren.
Want ieder kind is een kleine kunstenaar.
De pedagogische kunst bestaat erin hem niet te laten sterven.
Want dan wordt het kind een kleine – en later grote – vernietiger.

20131019-102406.jpg

De Modderen Man

20131018-185110.jpg

Zo gaan Vlamingen over de drempel (in ’t Vlaams: den arrivee): beslijkt en onherkenbaar.

Jonge Vlamingen kijken in de spiegel

20131018-184637.jpg

Dat multiculturele exemplaar op de voorgrond is onze kleindochter Anna.

De engel van het heden

Toen ik vier maanden geleden begon te bloggen, stond ik ervan te kijken hoe vlot dat ging.
Ik begon ’s morgens vroeg aan een bericht, en tegen de middag was ik klaar.
Mooi afgerond, eindigend waar het begonnen was.
Zoals het hoort voor een levende tekst.
Het kostte me nauwelijks moeite.
Het ging bijna vanzelf.

Dat was vroeger wel even anders.
Toen ik 21 jaar geleden begon te schrijven, moest ik het nog leren.
Buiten een occasionele brief had ik nooit iets geschreven.
Ik had er niet de minste ambitie voor.
Ik was een tekenaar, geen schrijver.
Ik dacht wel veel na, maar dat denken had geen enkele vorm.
Het was meer dromen dan denken.
Ik kon geen uitdrukking geven aan de ideeën die in mijn hoofd gonsden als een zwerm bijen.

Ik wilde dat ook niet.

Wanneer ik tekende, wilde ik helemaal niet denken, althans niet bewust.
Want tekenen is in feite een soort toegepaste meetkunde.
Je leert het door alles te herleiden tot abstracte vormen.
En daarmee bouw je de wereld dan weer op.
Analyseren en synthetiseren, daar komt het op neer.
Tekenen is dus wel degelijk een vorm van denken.
Maar om levende tekeningen te kunnen maken, moet het (abstracte, wiskundige) denken er helemaal in onderduiken.
Het moet weer uit het bewustzijn verdwijnen.

20131018-161916.jpg

Ik herinner me nog dat ik eens op bezoek was bij René Smits, de beeldhouwer.
Hij toonde mij een tekening en vertelde me dat hij de mouw van het model niet goed kreeg.
Hoe zou jij dat oplossen?, vroeg hij me.
Ik keek hem enigszins verbijsterd aan en zei: René, ik heb geen flauw idee.
Ik besefte toen voor het eerst dat ik nooit bewust nadenk als ik teken.
Ik laat geen enkele gedachte toe.
Ik handel louter instinctief.

Dat doe ik trouwens ook als ik naar kunst kijk.
Ik laat geen enkele bewuste gedachte toe.
Behalve één: het is goed of slecht.
Dat wil niet zeggen dat ik niet nadenk als ik kijk.
Ik denk zelfs heel intens na.
Maar het is geen bewust denken.
Het is een halfbewust, dromerig denkproces dat pas aan het eind tot bewustzijn komt in de vorm van een oordeel.

Toen ik begon te schrijven, keerde alles om.
Ik begon nu bewust na te denken.
Want dat is wat schrijven voor mij is: bewust nadenken.
Als ik niet schrijf, kan ik niet bewust nadenken.
Het blijft dan bij verward dromen.
Mijn hoofd is dan als een boom vol kwetterende vogels die van de ene tak op de andere springen. Of als een speelplaats vol kinderen die uitgelaten roepend door elkaar lopen.
Uiterst levendig, maar uiterst verward.
Bewust, schrijvend denken is voor mij als luiden met de schoolbel en roepen: allemaal mooi op een rij komen staan, klas per klas!
Aangezien het mij aan alle gezag ontbreekt, heb ik de grootste moeite om orde te scheppen in mijn gedachten.
Het zijn er teveel en ze spelen te wild.
Ik krijg ze niet getemd, ik krijg ze niet op een rijtje.
Althans niet voor lang.
Altijd is er weer eentje dat de rangen verbreekt en de rest met zich meesleurt.
En mijn teksten eindigen altijd zoals ze begonnen: als een speelplaats vol wild rennende kinderen.

Mijn probleem met schrijven is niet de inhoud.
Ik heb ideeën genoeg.
Een hele speelplaats vol, en er komen er alsmaar bij.
Nee, het probleem is de vorm.
Ik kan geen orde scheppen.
Een tijdje gaat het goed en kan ik een heldere redenering ontvouwen.
Maar dan loopt het weer mis en verlies ik me in een oerwoud van gedachten die zich als apen van de ene boom naar de andere slingeren.

20131018-162718.jpg

Dat is het patroon dat zich steeds weer herhaalt.

In het begin was ik me van dat patroon niet bewust.
Althans niet helder.
Het kwam wel tot uitdrukking in het feit dat ik mijn teksten niet durfde te herlezen.
Ik las ze wel nadat ze gepubliceerd waren in de schoolkrant, in Het Vijgeblad of een ander tijdschrift, maar de band die ik er als schrijver mee had, was dan nog veel te sterk.
Ik kon ze niet objectief lezen.
Na verloop van enige tijd (maanden, jaren) kon ik dat wel, en de enkele keren dat ik dat, per ongeluk, deed, schaamde ik me dood.
Wat een verwarde troep!
Het leken wel de woorden van iemand die niet goed bij zijn zinnen was.

Met die schaamte in mijn achterhoofd begon ik mijn teksten steeds meer te herlezen terwijl ik ze nog aan het schrijven was.
En al vlug bereikte ik dan het punt waar ik de controle verloor en het spoor bijster raakte.
Vanaf dat punt begon ik dan opnieuw.
Waarna ik opnieuw verloren liep.
Zo kon ik weken en zelfs maanden aan een tekst werken zonder dat ik hem rond kreeg, zonder dat ik mijn ideeën op een rijtje kreeg.
Het was als een processie van Echternach: twee stappen vooruit, een achteruit.
Alleen waren het tien stappen vooruit en negen achteruit.
Dat schoot zo traag op en het kostte zoveel energie dat ik het ten slotte opgaf.
En dat kostte dan nog meer energie, want zaken die je begint maar niet af maakt, blijf je met je meeslepen.

Dat overkomt me trouwens ook in het echt, als ik bijvoorbeeld ga wandelen.
Van zodra ik ergens een zijpaadje zie, sla ik dat in en verlaat de hoofdweg.
Ik vind het spannend om ergens te komen waar bijna niemand komt, waar ik helemaal alleen ben met de natuur.
De natuur heeft op die plekken een ander karakter.
Zo ging ik vroeger wel eens wandelen in de Rupelstreek.
Vrienden hadden daar een huisje aan de rand van een domein waar vroeger klei gewonnen werd, maar dat al tientallen jaren aan de elementen was prijsgegeven.
Het was een wonderlijke ervaring om te wandelen tussen de diepe putten die vol water water waren gelopen en de berken die daar vanzelf waren gegroeid.
Je voelde dat deze natuur (nog) niet door mensenhanden of zelfs mensenaanwezigheid was aangeraakt.
De natuurwezens speelden er bij wijze van spreken nog onbekommerd in het zand en de lucht was vol van hun geroep en gelach.
Het had iets betoverends, iets paradijselijks wat je nooit voelt langs de gebaande wegen.

Vandaag bestaan dergelijke gebieden niet meer.
Ze worden beschermd, gecultiveerd en gereglementeerd, en daarbij wordt uiteraard geen rekening gehouden met het onzichtbare natuurvolkje, dat dan maar diep in zijn holen kruipt.
Ook die kronkelende paadjes die je naar vergeten, mysterieuze plekken leiden, bestaan niet meer.
De overblijvers zijn ondergebracht in een benummerd en bewegwijzerd wandelpadenparcours waar het ’s zondags soms even druk is als op de autoweg.

20131018-163352.jpg

Zoals de natuur er vandaag uitziet, zo ziet het er ook in ons hoofd uit.
Alles is in kaart gebracht, gecatalogiseerd, gesystematiseerd, gefatsoeneerd.
Er zijn alleen nog gebaande wegen, geen onbewandelde paadjes.
Dat heeft zo zijn voordelen.
Je weet altijd waar je bent en hoe je weer terug kunt keren.
Je bent op bekend terrein, je bent in feite thuis.
Dat is niet het geval als je onbekende zijpaadjes inslaat.
Het is me meer dan eens overkomen dat ik verloren liep en slechts met de grootste moeite, uitgeput, weer thuis raakte.

Dat overkomt me ook als ik denk, als ik schrijf.
Want mijn hart – dat in feite het orgaan is waarmee ik denk – voelt zich opgesloten in mijn hoofd met al zijn in kaart gebrachte, genummerde en geasfalteerde wegen.
Het wil vrij zijn, onbekende paadjes inslaan, nieuwe gebieden verkennen.
Na een tijdje in de rij te hebben gestaan, wil het weer vrij rondlopen op de speelplaats.
En dus verlaat het het heldere hoofd en … wordt weer chaotisch.

Zolang je in je eentje droomt, is dat geen probleem.
Maar als je jezelf uit wilt drukken omdat je contact wilt maken met andere mensen, dan is het wél een probleem.
Ik ondervind dat zelf wanneer ik teksten lees.
Als alles klopt, als alles gestroomlijnd is, dan glijd ik als vanzelf in een tekst, dan beweeg ik mee, dan word ik er één mee.
Dat is wat iedere schrijver wil: dat de lezer met hem meedenkt, met hem meevoelt, ja hem eenvoudig wórdt.
Maar als de tekst hapert, als hij niet meer vloeit, als er gaten in de redenering vallen, als er stappen worden overgeslagen, als hij kortom chaotisch wordt, dan trek je je als lezer terug uit die tekst. Je doet niet meer mee.
Misschien lees je dan nog wel verder, maar je moet je inspannen, je moet de gaten vullen die de schrijver gelaten heeft, en de betovering van de ‘eenwording’ verdwijnt.
Lezen wordt dan werken, en uiteindelijk geef je het op.
Want je beleeft er geen plezier meer aan.
En waarom zou je dan nog lezen?

Ik lees nooit teksten waar ik geen plezier aan beleef.
Soms gooi ik een boek al na drie bladzijden weg.
Soms klap ik het al dicht na het lezen van de eerste zin.
Soms doe ik het niet eens open.
Ik weiger het werk van de schrijver te doen.
Als hij mij geen plezier bezorgt, lees ik hem niet.

Maar mis ik dan niet veel?
Er zijn toch boeken waar je niet zo makkelijk ‘in’ komt en die je meer dan één keer moet lezen om ze te kunnen smaken. Soms zijn dat zelfs de beste boeken.
Dat is zo.

Maar ik ben een geoefend lezer.
Ik heb vroeger heel veel gelezen.
Mijn leeshonger was heel groot, en dan kauw je op elk leesvoedsel dat je kunt krijgen.
Maar die honger is inmiddels gestild.
Ik kan ook niet meer zoveel leesvoer verteren.
Alles wat ik lees en waar ik geen plezier aan beleef, wordt ballast die ik moet meesleuren.

Ik heb door al dat lezen ook mijn smaak ontwikkeld.
Ik herken een goed boek heus wel.
Ik laat me niet meer verleiden door de lengte of de breedte, door mooie woorden, door haantjesgedrag.
Ik heb grote bewondering voor iemand die in één zin kan zeggen waar een ander drie bladzijden, of zelfs een heel boek voor nodig heeft.
Die dikke turven die jonge schrijvers vandaag op de markt brengen, zijn in werkelijkheid vaak heel magere beestjes.
Net als goedkope verf bestaan ze grotendeels uit vulstoffen.
Daar geef ik mijn geld en mijn tijd niet meer aan.
Ik ben kieskeurig geworden.
Ik kan niet meer woekeren met mijn ‘leeskrachten’.

20131018-164859.jpg

Maar die veeleisendheid heeft tot gevolg dat ik ook een strenge lezer ben van mijn eigen werk.
Zo streng dat ik vaak blijf schrijven en herschrijven aan een tekst tot ik het moe word en het opgeef.
En dat is pijnlijk.

Met dat vormprobleem worstel ik nu al 21 jaar.
Af en toe viel er wel eens een eetbare appel van de boom, die een idee gaf van wat het zou kunnen worden.
Het deed mensen dan zeggen: je moet voor een krant schrijven, of voor een tijdschrift, of je moet een boek schrijven!
Maar ik wist dat ik het niet kon.
Nog niet.
Nog lang niet.
Want ik had het heus wel geprobeerd: een boek schrijven.
De inhoud was er (ideeën genoeg).
De vorm was er (ik kon schrijven).
Maar ik kreeg ze niet samen.
Eenentwintig jaar lang heb ik geprobeerd om inhoud en vorm samen te krijgen, maar het lukte niet.
En uiteindelijk gaf ik het op.
Ik gaf mijn hele (nog steeds beginnende) schrijverscarrière eraan en ging weer schilderen.
Eenentwintig jaar in het water gegooid.
Een groot stuk van mijn leven verspild.
Zo voelde het aan.
Een mislukking van formaat.

Ik meende het toen ik het schrijven eraan gaf.
Ik zou de rest van mijn leven schilderen.
Ik keerde terug naar mijn eerste liefde.
Mijn denken dook weer onder in de dromerige wereld van de beeldende kunst.
Het zou zich weer in vormen en kleuren uitdrukken, niet meer in bewuste begrippen en woorden.
Eigenlijk stortte ik me in het schilderen om de pijn van mijn mislukking te vergeten of tenminste draaglijk te maken.
Die pijn had ik ook gevoeld toen ik begon te schrijven.
Want dat schrijven betekende het einde van mijn tekencarrière.
Die twee lieten zich niet combineren: de dromerige wereld van de (beeldende) kunst en de wakkere wereld van het bewuste, schrijvende denken.
Het was met bloedend hart dat ik afscheid nam van mijn eerste liefde.
Het deed zo’n pijn dat ik geen tentoonstellingen of musea meer wilde bezoeken en in een grote boog om winkels met teken- en schildermateriaal liep.
Ik bande de beeldende kunst uit mijn leven.

20131018-165800.jpg

Die pijn hielp me om diep in de (zo andere) wereld van de gedachten te duiken.
Schrijven was een soort ontwaken uit een droom.
Ik besefte dat ik tot dusver nooit bewust had nagedacht.
Mijn hele schoolcarrière, tot en met de universiteit, heb ik dromend afgelegd, zonder echt na te denken.
Daar kwam een grote portie list en bedrog bij kijken, en vooral aan de universiteit ontwikkelde ik een grote sluwheid in het om de tuin leiden van professoren en examinatoren.
Ik heb toen zelfs een handleiding geschreven: hoe behaal je een diploma zonder na te denken?
Alvast één medestudente is dankzij mijn ‘slechte’ raad door de examens geraakt.
Zelf zou ik nooit een diploma hebben gehaald als ik had moeten nadenken, als ik die hele, afschuwelijke, dorre, intellectuele wereld bewust had moeten betreden.
Dat zou voor mij volstrekt ondraaglijk zijn geweest.

Nee, het was zeker niet de (moderne) wetenschap die me aan het denken zette en wakker maakte.
Het enige wat die wetenschappelijke wereld deed, was mijn dromerige, vrouwelijke denken transformeren in sluwheid, misleiding en bedrog.
Ja, in het onderwijs heb ik geleerd hoe je zeer geleerde, zeer mannelijk denkende mensen om de tuin leidt, hoe je met andere woorden slang wordt.
Mijn vrouw, die ik toen leerde kennen, keek met ontzetting toe hoe ik te werk ging.
Ik ben niet trots op de kunst-van-de-leugen die ik toen ontwikkeld heb.
Maar ik schaam me er evenmin voor.
Het moderne onderwijs is een geestelijke gevangenis, en in een gevangenis moet je overleven.
Ik heb de schoolgevangenis overleefd door instinctief en halsstarrig te weigeren wakker te worden.

Wakker ben ik pas geworden door de kunst.
En meer bepaald door één enkel kunstwerk.
Dit kunstwerk – een zeer modern en eigentijds kunstwerk – heeft me over de drempel geholpen.
Het heeft me doen ontwaken.
Het heeft me doen denken.
Het heeft me doen schrijven.

Voor het eerst in mijn leven.

Het was als een nieuwe geboorte.
Ik betrad een wereld die ik voordien nooit betreden had.
Althans niet bewust.
Ik betrad de wereld van de kunst, de wereld van de droom.
Ik ontwaakte IN de droom.
Met het denken van mijn hoofd werd ik wakker in mijn hart.
En dat was de meest overweldigende ervaring in mijn leven.

Ik herinner me nog heel duidelijk het moment dat ik, omstreeks mijn 14de, wakker werd UIT de droom.
Dat gebeurde in de kerk, tijdens een misviering.
Op een gegeven moment hief ik het hoofd op, keek rond, en dacht: wat doe ik hier?
Ik had had helemaal niks tegen de kerk.
Ik was tenslotte een kunstzinnige ziel, en in de kerk waren er beelden, schilderijen, glasramen, muziek, wierook, literatuur en toneel.
Het was een ‘Gesamtkunstwerk’ waarin ik graag wegdroomde.
Weg van de dagelijkse wereld, weg van de grijze school, weg van alles.
Maar die keer besefte ik opeens dat ik er niet meer thuishoorde.
Mijn liefde ging uit naar een andere, niet-kerkelijke kunst.
Een veel zinnelijker, aardser kunst.
Een kunst ook waarin ik niet enkel toeschouwer maar ook ‘priester’ was, iemand die zelf het mysterie voltrok.

20131018-171203.jpg

Ik verloor, zoals dat heet, mijn geloof.
In werkelijkheid was het veeleer de vaststelling dat ik al lang niet meer geloofde.
Mijn echte geloof was van kindsbeen af de kunst geweest.
Daar voelde ik mij thuis, veel meer dan in die grauwe, onkunstzinnige moderne wereld.
Ik tekende en ik las.
En ik speelde buiten in de zon.
Ik leefde al dromend en uit die kinderlijke droom ontwaakte ik toen ik 14 was.

Mentaal kostte het me geen greintje pijn om de kerk te verlaten.
Ik had me alleen met haar kunstzinnige vorm verbonden.
Er was nooit een bewuste verbinding geweest.
Maar onbewust kwam de scheiding zeer hard aan.
Ze kwam tot uitdrukking in een ongeval op school, een ongeval dat me bijna invalide maakte.
In de turnles kwam ik terecht op een bal en er knapte van alles in mijn linkerknie.
Als beeld kan het tellen: ik kwam met beide voeten op aarde terecht.
Ik werd weer opgelapt door een oude chirurg die de veelzeggende naam ‘Toen’ droeg.
Volgens zijn assistenten was het niet minder dan een wonder dat ik nadien weer kon lopen.

Mijn lichaam besefte het eerder dan ikzelf: dit met beide voeten op de aarde komen viel me ontzettend zwaar.
Zonder een mirakel had het me kreupel gemaakt voor de rest van mijn leven.
Soms moeten engelen ingrijpen.
Mijn engel heette ‘Toen’ en was blijkbaar de Engel van het Verleden.
Hij hielp me heelhuids over de drempel van het heden, een heden dat ik zonder de technieken van de kunst – de heelkunst zowel als de beeldende kunst – niet had overleefd.

Eenentwintig jaar later greep er opnieuw een engel in.
Het was de Engel van het Heden en hij hielp me over de drempel naar de toekomst.
Opnieuw gebeurde dat door de modernste technieken van de kunst, door een waar mirakel van menselijk kunnen.
Opnieuw kwam ik met een schok op aarde terecht.
Maar dit keer werd ik niet kreupel geslagen.
Ik kreeg vleugels.
Mijn ogen gingen open voor de onvermoede schoonheid van het aardse leven.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik mij thuis op aarde.
Ik herinner mij het gevoel en het besef nog heel goed.
Want het was een wakker gevoel, ik was me heel erg bewust van wat ik voelde.
Ik was IN dat voelen, in dat dromerige (be)leven wakker geworden.
Nooit was ik zo ‘aanwezig’ geweest.
Mijn vrouw wist niet wat haar overkwam.

Net als toen ik wakker werd UIT de droom, werd ik wakker IN de droom in en door een ‘Gesamtkunstwerk’.
Anders dan het oude totaalkunstwerk van de kerkviering, stamde het nieuwe, eigentijdse kunstwerk uit de toekomst.
Het wortelde helemaal in het heden, maar het toonde de weg naar een nog verre toekomst.
En het toonde die weg in beelden die zo krachtig waren dat ze een hele ommekeer in me teweegbrachten: ik begon te schrijven, ik begon te denken.
Wat ik vroeger dromend had gedaan, deed ik nu wakker.
Maar het was niet de wakkerheid van het moderne, intellectuele verstand, want dat had ik leren kennen als een andere vorm van dromen.
Met dat verstand word je wakker in de ene wereld (de materiële) maar je slaapt in in de andere (de geestelijke).
Ik werd wakker in beide werelden tegelijk: zowel in mijn hoofd als mijn hart.

20131018-171727.jpg

Ik begon voor het eerst echt bewust te denken.
Ik kreeg voor het eerst ook echt interesse voor de concrete wereld waarin ik leefde.
Tot dan las ik geen kranten, luisterde ik niet naar de radio, keek ik niet naar tv.
Dat begon ik nu, aarzelend, wel te doen.
Ik kwam op aarde.
Maar tegelijk werd die aarde, langzaam, transparant voor de wereld van de geest.
Ik moest me daar ontzettend voor inspannen – dromen is een stuk gemakkelijker dan wakker zijn – maar ik werd gedreven door mijn liefde voor het kunstwerk dat de ommekeer bewerkstelligd had.
Nog nooit had ik zoiets gezien.
Ik had me niet eens kunnen voorstellen dat zoiets bestond of zelfs maar mogelijk was.
Het was een wonder, een godsgeschenk.

Zonder dit kunstwerk zou ik de ommekeer naar de toekomst nooit hebben kunnen maken.
Zonder dit kunstwerk zou ik nooit zijn beginnen schrijven.
Zonder dit kunstwerk zou ik het nooit 21 jaar hebben volgehouden.

Het was dan ook een zeer pijnlijk moment om afscheid te nemen van dat schrijven.
Het was het afscheid van de geest van dit kunstwerk, want ofschoon ik de eerste jaren alleen maar over dit ene concrete kunstwerk schreef en nadacht, verruimde dat schrijven en nadenken zich geleidelijk tot andere gelijkaardige kunstwerken en ten slotte tot de hele wereld.
Zoals ik de geest van de oude kunst herkend had in dit nieuwe kunstwerk, zo begon ik diezelfde geest te herkennen in de hele hedendaagse werkelijkheid.
Stap voor stap begon ik de wereld als een kunstwerk te zien.
Het was alsof de geest van de oude kunst zijn lichaam had verlaten, een nieuwe, moderne gedaante had aangenomen en zich vervolgens uitbreidde over de hele wereld.
En ik spande mij tot het uiterste in om hem niet uit het oog te verliezen.

Deze geest is mij sindsdien heiliger dan wat ook.
Dat is de reden waarom ik (voorlopig) zwijg over de kunstzinnige gedaante waarin ik hem 21 jaar geleden heb gezien en herkend.
Er is namelijk geen enkel begrip voor.
Integendeel, die gedaante wekt de grootste weerstanden, vooral dan van ‘spirituele’ mensen.
Ze ontsteken in woede en verontwaardiging als ik hen probeer te vertellen over de geest van dit kunstwerk.
Ze willen niet eens luisteren.
Ze beschouwen me als een handlanger van de draak.

Zelf staan ze in bewondering voor pispotten en kakmachines, dat wil zeggen voor de officiële kunst van onze tijd.
Daar denken ze over na, tenminste dat denken ze.
Daar voelen ze liefde voor, tenminste dat denken ze.
Die kunst nemen ze tot voorbeeld.
En dat laatste is, vrees ik, geen gedachte maar realiteit.

De geest van het kunstwerk waarover ik spreek – en zwijg – inspireert me dus tot een radicale oppositie, niet alleen met de officiële kunst (en kunstwetenschap) van mijn tijd, maar ook met de officiële geesteswetenschap of antroposofie, en eigenlijk met de gehele spirituele wereld van mijn tijd.

Dat is de reden waarom ik zeer terughoudend ben geworden.
Ik bevind me in een situatie van één tegen allen.
Als ik mijn mond opendoe over het kunstwerk dat ik boven alle andere bewonder en liefheb, dan breekt de hel los.
Althans voor mij.
Want meer nog dan de kritiek, de afkeer en de verontwaardiging, ervaar ik de onverschilligheid, desinteresse en minachting voor dit kunstwerk als uiterst pijnlijk.
Ik kan het nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon mooi, wijs en zelfs heilig vind, zo met de voeten getreden wordt.
Andersom kan ik ook nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon afstotend, misleidend en ontheiligend vind als de hedendaagse kunst, zo verheven wordt.
Ik vind deze perversie, deze omwisseling van goed en kwaad verschrikkelijk.
En dus heb ik geen andere keuze dan ertegen te vechten.

De strijd met de draak moet gestreden worden.

20131018-172355.jpg

En aan welke kant ik ook sta – die van de draak of die van Michaël – doet er niet zoveel toe. Het is namelijk een bewustzijnsstrijd en die levert altijd méér bewustzijn op.
Er moet echter wel een zeker evenwicht zijn, anders is er geen echte strijd.
Dat vind ik dan ook het meest verontrustende: in de wereld van de kunst is er geen strijd meer.
Niemand verzet zich nog tegen de almacht van de hedendaagse kunst.
Niemand durft daar zijn stem tegen te verheffen.
Het is dan ook een bijzonder ongelijke strijd.
Ik mag dan wel zeker van mijn zaak zijn, de anderen zijn dat ook, en ze zijn met veel meer.

Daarom wil ik de strijd niet onvoorbereid aangaan.
Alles wat ik op deze blog doe, is louter voorbereiding.
Alles wat ik dat afgelopen 21 jaar gedacht en geschreven heb, was louter voorbereiding.
Ik verzamel mijn wapens.
De draak bevecht je namelijk niet met de blote hand.
Dat is een naïeve onderschatting van de vijand.

Ik oefen mij op deze blog dus met zwaard en weegschaal.
De weegschaal is de kunst, de gulden middenweg.
Zij is de inhoud van mijn denken.
Het zwaard is de wetenschap, de rede.
Zij is de vorm van mijn denken.
Die twee probeer ik tot een eenheid te smeden, tot één enkel wapen.
En dat wapen is een wakker, scherp onderscheidend hart.
Daarmee wil ik de draak te lijf gaan.

Maar ik wil niet zelf het initiatief nemen.
Men moet de draak niet uitdagen.
Ik wacht dus af, en verzorg mijn wapenuitrusting.
Zo doen soldaten dat in afwachting van de aanval: ze halen hun geweer uit elkaar, maken het schoon, oliën het, en zetten het dan weer in elkaar.
Met mijn verstand dring ik steeds weer binnen in mijn hart, ik haal het uit elkaar, maak het schoon, spuit er wat olie in en zet het dan weer in elkaar.
Tot voor kort kon ik het nog wel uit elkaar halen.
Maar ik kreeg het niet weer in elkaar.
En met een geweer in stukken ben je nog minder dan met een verroest geweer.

Sinds ik blog, lijkt het beter te lukken.
Toch merk ik dat de zaken weer beginnen te blokkeren in deze tweede helft van oktober.
Het evenwicht tussen hoofd en hart, tussen vorm en inhoud raakt weer zoek en ik moet me hevig inspannen om het weer te vinden.
Is dat de draak van november die nadert?
Ik weet het niet.
Ik probeer zoveel mogelijk ‘to go with the flow’, maar voor een mannelijk verstand is dat niet eenvoudig. Hoe dieper het doordringt in het vrouwelijke hart, des te meer begint dat te bewegen, des te ‘vloeiender’ wordt het.
Dan is het zaak om tijdig terug te trekken en jezelf niet in chaos te verliezen.
Niet gemakkelijk!

Maar met de hulp van Michaël and a little help from my friends moet het lukken.
Het moét lukken, zo simpel is dat.

En voor degenen die het arrogant van me vinden dat ik me in het kamp van Michaël situeer: hoe waarschijnlijk is het dat de draak het moet stellen met eenzame amateurs zoals ik, die van de ene mislukking in de andere tuimelen, terwijl Michaël wereldwijd triomfeert, met in zijn gevolg alle rijken, machtigen en verstandigen der aarde?
Want dát is momenteel de situatie in de wereld van de kunst.

En zoals iedereen weet, is de kunst een spiegel van de werkelijkheid.

The Good Wife

20131017-191042.jpg

De voorbij weken hebben An en ik gekeken naar het 2de seizoen van The Good Wife, een Amerikaanse tv-serie die zich afspeelt tussen politiek, rechtbank en gezin.
Ik kan u al meteen verklappen: het is een voor-tref-fe-lij-ke serie.
Vooral het 2de seizoen staat op een zeldzaam hoog niveau.
Een waar genot om naar te kijken!
Het 3de seizoen is er ook al, maar dat kost 45 euro.
Dat wordt dus nog even wachten tot de prijs (hopelijk) daalt.

Politiek en gezin zijn in deze serie slechts neventhema’s, want The Good Wife is in feite een rechtbankserie met een advocatenkantoor in de hoofdrol.
Beter zou misschien zijn om politiek en gezin te zien als de twee polen waartussen The Good Wife zich afspeelt.
In de politiek wordt het spel echt smerig gespeeld.
In het gezin wordt het spel vol goede wil gespeeld.
En daartussen, in de rechtbank, wordt het spel vooral heel bewust gespeeld.
Het spel tussen goed en kwaad.

The Good Wife is overduidelijk een Weegschaal-serie, met in de hoofdrol advocate Alicia Florrick, die niet alleen het midden tracht te houden tussen goed en kwaad (haar werk), maar ook tussen politiek en gezin, tussen werk en gezin, tussen man en kinderen.
Het is een uiterst gecompliceerde evenwichtsoefening.
Alicia is als het ware de incarnatie van vrouwe Justitia in al haar aspecten.
Ze hanteert de weegschaal op alle gebieden van haar leven.

De kracht van deze serie zit enerzijds in de bijzonder complexe en evenwichtige scenario’s.
Het klopt allemaal als een bus.
Maar anderzijds is deze serie zo goed omdat de personages én de acteurs die ze spelen zo buitengewoon sterk zijn.
En – dat viel me pas op na 2 seizoenen – het zijn allemaal, stuk voor stuk, echte Schorpioenen.
Scherpe neuzen, scherpe blikken, scherp verstand.
Heel beheerst, heel intens.
Passioneel bezig in alles wat ze doen.
En dat brengt hen tot de grens tussen goed en kwaad.
Op die smalle grens speelt de serie zich af, en dat maakt ze zeer dramatisch en spannend, ook al zijn de hoofdrolspelers allemaal ‘men and women in suits’.
Aan de buitenkant heel keurig en afgelikt,
aan de binnenkant tot alles in staat: het beste én het slechtste.

Zo is ook de serie.
Aan de buitenkant apollinisch: gladde, gepolijste Weegschaalvormen.
Aan de binnenkant dionysisch: een laaiend Schorpioenenvuur.
Kortom: een artistieke kachel.
Precies wat we in dit seizoen nodig hebben.

20131017-195152.jpg

Beelden van Michaël

De afgelopen week heb ik de hele tijd binnen gezeten, worstelend met een tekst die maar niet af raakte.
Het was begonnen met een onnozele vraag, maar toen kreeg een of andere geest me te pakken en hielp er geen lievemoederen meer aan: hij moest en hij zou een (woorden)lichaam krijgen.
Inspiratie, heet dat.
Het is een zegen en een vloek.
Zoals het moederschap.

Als mijn (woorden)kind een beetje presentabel is, mag u het zien.
U mag dan ook zeggen hoe mooi het is en hoe verstandig het uit zijn oogjes kijkt,
want iets anders wil ik dan niet horen.
Geen enkele moeder wil dat.

Enfin, dit maar om te zeggen dat ik onlangs, voor het eerst in meer dan een week, weer buiten ben geweest.
Ik herkende de wereld haast niet meer.
Het laatste wat ik mij herinnerde, was een zonovergoten landschap bezaaid met zonnekloppers.
Het was wel geen zomer meer en sommige bomen kregen al een kleurtje, maar het voelde nog lang niet aan als herfst.
Dat is nu helemaal anders geworden.
Van de zomer is geen spoor meer te bekennen en alles ademt herfst.
Ik schrok er bijna van.
Overal ligt het vol met bladeren, bomen worden al helemaal geel, en het groen begint transparant te worden, als de huid van oude mensen.
Het is alsof Maagd en Schorpioen dit jaar om oktober vechten en de maand in twee stukken hebben getrokken: een zomers septemberstuk en een grijs novemberstuk.

Maar pas als iets ‘kapot’ is, besef je goed wat het betekende.
Ik heb nog nooit zo duidelijk het dubbele karakter van oktober gezien als dit jaar.
Dubbel in horizontale zin (het Weegschaal-karakter) en dubbel in verticale zin (het Michaël-karakter).

20131017-160238.jpg

Mensen die in oktober geboren worden of sterk onder invloed van de Weegschaal staan, zijn doorgaans geen drakenvechters zoals Michaël.
Het zijn juist mensen die sterk gesteld zijn op vrede en harmonie.
Ze hebben een hekel aan onenigheid en strijd.
Het zijn Venus-mensen, liefhebbers van kunst en schoonheid.
Ze zijn de godin van de liefde toegedaan, niet de god van de strijd.
Ze houden van ronde, vrouwelijke vormen, niet van het rechte zwaard.
Lelijkheid en disharmonie maakt hen ziek.

Toch werd ik dit keer niet getroffen door de schoonheid van de zich uitkledende natuur.
Die zie je maar als de zon schijnt.
Nee, ik werd getroffen door het tegenovergestelde, door het grijs.
Alle kleuren waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor louter grijzen.
Het typische novemberpalet.
Dit herfstgrijs is niet zomaar de kleur die de dingen nu hebben.
Het is een hele atmosfeer die alles doordringt, zowel de hemel als de aarde.
Het is een grijs dat bijna tastbaar is, als het het lichaam van een geest.

Sinds ik ooit een zonsverduistering zag, weet ik dat grijs vol kleuren zit.
Het is maar als je tijdens zo’n zonsverduistering alle kleur en alle leven ziet wegtrekken dat je beseft dat er een wereld van verschil is tussen levend grijs (zoals in de herfst) en dood grijs (zoals de akelige lijkkleur die verschijnt als de zon verduisterd wordt).
We zien dat dode grijs anders nooit omdat het toegedekt wordt met het zwart van de nacht, maar als je het op klaarlichte dag ziet verschijnen, dan is het alsof de wereld sterft en er alleen maar een naakt lijk overblijft.
Het is een schokkende ervaring.
Dat dode grijs is de kleur, of liever: de kleurloosheid, van de draak.
Hij neemt dan – gelukkig maar even – bezit van de wereld.
Je voélt zijn aanwezigheid trouwens ook: vlak voor de zonsverduistering komt hij in volle vaart aangestormd, als Attila met zijn Hunnen.
Je staat dan als aan de grond genageld.

Het grijs dat ik tijdens mijn wandeling zag, was het tegenovergestelde van het drakengrijs dat ik 14 jaar geleden zag.
Het herfstgrijs is als het lichaam van een totaal andere geest, een zachte, moederlijke geest die je als een kind in een deken wikkelt om je te beschermen tegen de kou.
Dit grijs geeft me een intens gevoel van geborgenheid en veiligheid, alsof het een ‘schild’ is tegen de aanstormende draak van november.
Zou het kunnen dat Michaël in dit grijs leeft?
Het bereikt in ieder geval zijn grootste intensiteit aan het eind van oktober, wanneer de Weegschaal overgaat in de Schorpioen en Michaël de draak ontmoet.
Nooit is de atmosfeer méér vervuld van een mysterieuze, zwijgende aanwezigheid dan juist in die tijd van het jaar.

20131017-161243.jpg

Het zijn de dagen voor en na Allerheiligen, wanneer de doden herdacht worden (en ja, heiligen zijn ook doden).
De mens zoekt dan contact met de zielen die zich ‘aan de andere kant’ bevinden, en deze tijd is daar zeer geschikt voor.
Althans, dat leid ik af uit de beelden die nu zichtbaar worden.
Eén van die beelden is het laag hangende wolkendek.
De wolken hebben nu niet meer de scherpe duidelijke vormen die ze in de zomer hadden.
Het zijn geen indrukwekkende beeldhouwwerken meer die als schepen door de lucht zeilen, maar ze zijn als in die lucht opgelost.
Ze zijn hemel geworden, een hemel die heel dichtbij is gekomen.
Met een beetje fantasie kun je er Michaël in herkennen, die aan het hoofd van zijn heirscharen – die zowel uit engelen als (dode) mensen bestaan – de aarde ter hulp snelt.

En die aarde reageert daarop.
De dingen verliezen hun scherpe contouren (Weegschaal is het teken van de zachte, ronde vormen) en de kleuren maken zich los uit de begrenzing van hun materiële vorm. Ze stijgen ten hemel en vermengen zich met grijs van de wolken.
Op dezelfde manier maken de kleuren van de menselijke ziel zich los van het lichaam en stijgen in de vorm van gebeden omhoog, waar ze opgevangen worden door Michaël en de zijnen.

De hemel die zich verdicht, bijna tastbaar wordt en als een beschermend schild over de wereld hangt, en de aarde die oplost in kleuren die zich vermengen met het grijs van de wolken: het is een beeld van de ontmoeting tussen de levenden en de doden in de etherische wereld van de wolken.

Deze toenadering tussen hemel en aarde wordt nog op een andere manier in beeld gebracht.

Oktober is de meest schilderachtige maand van het jaar,
niet alleen door haar kleuren, maar ook door haar vormen.
Het trof me vanmiddag dat de vormen van de aarde (wier zwaarte en scherpte in de zomer zo’n grote tegenstelling vormen met de ijle luchten) nu zowat op gelijke voet staan met de vormen van de hemel: ze zijn beide bijna even grijs en even ‘substantieel’.
En juist die gelijksoortigheid geeft een typisch ‘schilderachtig’ effect.
Want hemel en aarde zijn nu als twee grijze vlakken die aan elkaar grenzen.
Schilderen verschilt hierin van tekenen dat het niet met lijnen maar met vlakken werkt.
Tekenen is als delen: lijnen verdelen het vlak in stukken.
Schilderen is als optellen: je plaatst het ene vlak (een verfstreek is een vlak, groot of klein) naast het andere.
Op die manier bouw je een schilderij op.
Dat zie je op exemplarisch wijze bij Cézanne.
Zijn schilderijen bestaan bijna louter uit vlakken.
Dat geeft het typisch tweedimensionale effect dat ik ook tijdens mijn wandeling waarnam.
Het maakt evenzeer deel uit van de ‘schilderachtigheid’ van oktober als de herfstkleuren.
Door al dat grijs en door die vervagende contouren leek het alsof de dingen geen (gevulde) vormen meer waren die in een (lege) ruimte stonden, maar dat zowel de vormen als de ruimte uit louter grijze vlakken bestonden.
Je moet misschien een schilder zijn om daardoor getroffen te worden, maar je moet zeker geen schilder zijn om het te zien.
Het is heel duidelijk.
De wereld krijgt in oktober iets tweedimensionaals.
Alsof hemel en aarde in één vlak liggen.

20131017-161436.jpg

Dat doet me dan weer denken aan een typische ‘horizontale’ karaktertrek van Weegschaalmensen.
Libra’s hebben de neiging om alles van twee kanten te bekijken, die kanten naast elkaar (in hetzelfde vlak) te plaatsen en vervolgens niet te (kunnen) kiezen.
Weegschalen zijn eeuwige twijfelaars en ze missen de daadkracht van de tegenoverliggende Ram.
Maar het zijn heel goede advocaten, juist omdat ze overal de twee kanten van zien.
De beslissing laten ze aan de jury over.
Ook daarin herkennen we Michaël, want van de aartsengel is bekend dat hij de draak wel verslaat maar niet veroordeelt.
Dat laat hij aan God over.

En aan de mens laat hij de keuze tussen God en de draak.
Daarom doodt hij de draak ook niet, hij pint hem alleen vast, zodat de mens zich een beeld kan vormen van de draak.
Want door de verwarrende tegenstrijdige bewegingen van zijn twee koppen – de luciferische en de ahrimanische – onttrekt de draak zich aan de menselijke waarneming.
Pas wanneer Michaël hem in bedwang houdt, kan de mens zich een beeld van hem vormen.
Michaël dwingt de draak dus om zichtbaar te worden, zodat de mens hem kan ontmaskeren en een vrije keuze maken tussen Goed en Kwaad.
Want een blinde keuze – zonder waarneming van de draak – kan nooit een vrije keuze zijn.

Om dezelfde reden werpt Michaël de draak niet letterlijk ‘op de aarde’.
Want ook dan zou er geen vrije keuze zijn.
Niemand die de draak echt ziet, zal ooit voor de draak kiezen.
Daarom werpt Michaël de draak slechts in figuurlijke zin op de aarde.
Hij dwingt de draak om zichtbaar te worden in de etherische wereld, de wereld van de levens- en vormkrachten, de wereld van de beelden (of van de wolken, zoals de bijbel het uitdrukt).
Daar dwingt Michaël de draak om vorm aan te nemen.
Geen fysieke vorm, maar een beeldvorm, het soort beeldvormen dat ik hier probeer te beschrijven.
Die ‘etherische’ beelden zijn de helpende hand die Michaël de mens reikt.
En die uitgestoken hand moet de mens grijpen, of beter: kán de mens grijpen, want Michaël laat hem vrij.
Beelden laten de mens vrij.

20131017-161817.jpg

Niemand is verplicht om de beelden die hij tijdens een herfstwandeling ziet, als metaforen te zien, als beelden van een ‘andere wereld’.
Hij kan ze heel gewoon als fenomenen van ‘deze wereld’ zien, fenomenen die hij al zo vaak gezien heeft dat hij er geen aandacht meer aan besteedt.
Toch is het moeilijk om in dit seizoen niet onder de betovering te komen van de mysterieuze schoonheid van de natuur.
Op geen enkel moment van het jaar zijn haar beelden zo sprekend.
Ze zijn indringend maar niet opdringerig, aantrekkelijk maar niet verleidelijk, indrukwekkend maar niet overweldigend.
De beelden van oktober zijn evenwichtig en toch dramatisch, ze zijn rustig en toch levendig, ze zijn kleurrijk maar nooit schreeuwerig.
Ze zijn kortom kunstzinnig.

Natuurlijk heb je ook in de andere seizoenen prachtige natuurbeelden, zonsondergangen bijvoorbeeld.
Ze zijn echter van een schoonheid die zich niet in (cultuur)beelden laat vatten.
Een zonsondergang schilderen is vrijwel onmogelijk.
Het levert meestal pure kitsch op.
Deze zomerse schoonheid laat zich ook niet in mentale beelden vatten.
Ze gaat ons voorstellingsvermogen te boven, en aangezien we voorstellingsbeelden nodig hebben om iets te kunnen begrijpen, gaat ze ook ons begripsvermogen te boven.
De zomer is – letterlijk en figuurlijk – te hoog gegrepen voor ons.
Ook de lente en de winter zijn moeilijk toegankelijk voor ons denken.
Maar ‘gedempte’, zowel hemelse als aardse beelden van de herfst laten zich gemakkelijker begrijpen door de mens.
Ze buigen zich als het ware omlaag naar hem.

Oktober is als een schilderij dat we rustig kunnen bekijken.
Zijn (uiterlijke) herfstbeelden hebben een meditatief, verstild karakter, zodat de stap naar (innerlijke) voorstellingsbeelden niet zo groot is.
Bovendien zijn die stille beelden zo veelzeggend, dat ook de volgende stap – van de voorstelling naar het begrip – minder groot is.

Kortom, oktober is een kunstwerk, een sprekend beeld.
En het is Michaël die dit kunstwerk doet ontstaan door met de draak te vechten.
Hij daalt uit de hemel af en zijn licht ontmoet de duisternis die uit de aarde opstijgt.
Uit de botsing tussen engel en beest slaan gele en rode gensters, en ontstaan al die diepe, met een gouden glans overgoten, oktoberkleuren.

Maar niet alleen oktober is het resultaat van een gevecht met de draak.
Ieder kunstwerk is dat.

20131017-162001.jpg

Dat kunnen we duidelijk aflezen aan de biografieën van kunstenaars, en vooral dan beeldende kunstenaars.
Zij betalen een zware prijs voor hun kunst.
Ze komen nooit zonder kleerscheuren uit hun strijd met de draak.
Die strijd is dan ook een offer, want zij weten nooit of ze zullen ‘terugbetaald’ worden.
De materiële armoede waarin ze zo vaak leven, is slechts een beeld van het geestelijke onbegrip dat ze zo vaak ontmoeten, en dat is op zijn beurt het gevolg van het (moderne) onvermogen om beelden te lezen en te begrijpen.

Maar juist dat onvermogen waarborgt de menselijke vrijheid.
Want Michaëls beelden worden steeds sprekender en indringender.
Dat merken we bijvoorbeeld aan het weer, dat steeds extremer wordt en van het ene uiterste in het andere valt.
Maar juist dat hevige schommelen maakt bijvoorbeeld deze oktobermaand zo expressief, zo veelzeggend, zo transparant voor de geest(en) die er zich in uitdrukken.
Dat merken we ook aan de steeds extremer wordende kunst van onze tijd.
Net als deze oktobermaand is de kunst in twee stukken uiteengevallen en daardoor is ze buitengewoon sprekend, om niet te zeggen luid roepend, geworden.
Maar de moderne mens hoort dit roepen niet.
Hij is niet bij machte zich een (volledig) beeld te maken van de kunst.
Hij slaagt er niet in om haar twee ‘stukken’ naast elkaar te plaatsen en in hun onderlinge relatie te zien.
En daarom hoort hij ook niets van het gesprek dat ze met elkaar voeren.
Hij blijft net zo blind en doof voor de cultuurbeelden als voor de natuurbeelden van onze tijd.

Maar vroeg of laat zal de mens toch moeten kijken en luisteren naar die Michaëlische beelden, want ze tonen ons een wereld die steeds extremer wordt, die steeds meer uit elkaar valt in twee stukken die elkaar steeds heviger bestrijden.
De strijd tussen Michaël en de draak wordt steeds meer een strijd van mens tegen mens. We stevenen af op wat Rudolf Steiner ‘de strijd van allen tegen allen’ noemt.

Dezelfde Steiner vertelt hoe Michaël de draak in de hemel heeft verslagen en hem op de aarde heeft geworpen.
De geweldige – en gewelddadige – tegenstellingen die sinds de aanvang van het Michaëltijdperk in 1879 de aarde blijven teisteren, zijn daar een gevolg van.
De strijd met de draak heeft zich van de hemel naar de aarde verplaatst.
Maar hier op aarde is het de mens die deze strijd moet uitvechten.
Hij moet de taak van Michaël overnemen.
Als hij dat wil tenminste, want Michaël laat de mens vrij.

Michaël is de engel die ‘voor het aangezicht van Christus staat’.
Hij gaat dus niet mee met Christus, hij komt niet op aarde en wordt geen mens.
Hij houdt afstand, hij blijft tegenover de aarde staan.
En als zodanig vertegenwoordigt hij het bewustzijn van wat zich op de aarde afspeelt, het bewustzijn van Christus, van de mens, van de draak.
Hij vertegenwoordigt dan ook het zelfbewustzijn van de mens, diens vermogen om tegenover zichzelf te gaan staan en in zichzelf zowel Christus als de draak waar te nemen.
Michaël vertegenwoordigt het beeld dat de mens van zichzelf heeft.
En dat is in de eerste plaats een dubbel beeld,
het beeld van een wezen dat zowel het goede als het kwade in zich heeft.

20131017-162426.jpg

Michaël is degene die de mens helpt om onderscheid te maken tussen deze twee kanten van zijn wezen.
En van dat onderscheid hangt alles af.

Want als de mens in zichzelf geen onderscheid meer maakt tussen Christus en de draak, als hij zichzelf ziet als een wezen uit één stuk, dan gebeurt wat we vandaag in toenemende mate zien gebeuren: de mens wordt heen en weer geslingerd tussen de twee koppen van de draak, tussen luciferische zelfverheffing en ahrimanische zelfhaat.
En hoe heviger dat slingeren wordt, des te moeilijker wordt het voor de mens om mens te blijven.
De zelfverheffing brengt hem in een roes die hem blind en doof maakt voor de realiteit, en vooral dan voor zijn eigen realiteit.
De zelfhaat botst met deze buitensporige eigenliefde en wordt naar buiten geprojecteerd. Ze verandert in minachting en afkeer voor de mens in het algemeen, en in het zoeken naar een zondebok in het bijzonder.

Het is niet moeilijk om dit nieuwe mensentype te herkennen in onze tijd.
Het is de mens die zich moreel superieur waant aan de anderen, niet omdat hij superieur is maar omdat hij zijn eigen inferioriteit – de draak-in-zichzelf – op anderen projecteert.
Dit nieuwe mensentype, dat we vooral terugvinden bij de intelligentsia (politici, journalisten, schrijvers, enzovoort), zet natuurlijk kwaad bloed bij degenen die als moreel inferieur worden beschouwd en aan de lopende band beschuldigd van onverdraagzaamheid, haatdragendheid, racisme, discriminatie, enzovoort.
Zij reageren met wederbeschuldigingen, zij kaatsen bij wijze van spreken de draak die op hen wordt geprojecteerd terug, maar ontketenen daarbij hun eigen draak.
En zo ontstaat een vicieuze cirkel die de draak steeds sterker maakt tot hij alle menselijkheid uit de strijdende partijen verwijderd heeft en ze elkaar als beesten te lijf gaan.

Zo groeit vandaag onder onze ogen de ‘strijd van allen tegen allen’, en de enige manier om hem te stoppen, is door hem terug te voeren tot zijn oorsprong, en dat is de tegenstelling in onze eigen ziel tussen Christus en de draak.
Maar om die tegenstelling duidelijk waar te kunnen nemen, moeten we tegenover onszelf kunnen gaan staan.
We moeten de kracht ontwikkelen die Michaël vertegenwoordigt, de kracht van het zelfbewustzijn. En dat is niet het luciferische, gevoelsmatige zelfbewustzijn dat ons zo gemakkelijk verleidt tot eigenliefde, egoïsme en zelfverheffing, maar het Michaëlische, scherp onderscheidende, nuchtere en realistische zelfbewustzijn.
De grote vijand van dat zelfbewustzijn is de draak, want hij wil niet gezien worden.
Zijn kracht ligt juist in zijn onzichtbaarheid, een onzichtbaarheid die hij bewerkstelligt door de mens heen en weer te slingeren tussen zijn twee koppen, Lucifer en Ahriman.

De strijd met de draak, die een strijd om zelfbewustzijn is, begint met het onderscheiden van de twee koppen van de draak, vervolgens dringt hij door tot ‘the heart of darkness’ of het wezen van het kwaad, en hij eindigt met het onderscheid tussen Christus en de draak.

Op dat moment valt de keuze.

Niemand zal bij vol bewustzijn voor het kwaad kiezen, dat is onmogelijk.
Wie Christus en de draak duidelijk voor zich ziet, hoeft in feite niet meer te kiezen.
De keuze voltrekt zichzelf.
Maar dat betekent dat de vrijheid van keuze niet in de keuze ligt, maar in de bewustwording ervan.
Wij zijn niet vrij om te kiezen of niet te kiezen.
Ook als we weigeren te kiezen, kiezen we nog.
Kiezen is onze condition humaine.
Er valt niet aan te ontsnappen.
Onze enige vrijheid ligt in de bewustwording van datgene waartussen we kiezen.
En die bewustwording is een zelfbewustwording, want de twee wezens waartussen we (uiteindelijk) moeten kiezen, leven in onszelf.
Om een echt vrije keuze te kunnen maken, moeten we diep in onszelf doordringen tot zich een duidelijk onderscheid aftekent tussen goed en kwaad.

En dat onderscheid is zéér persoonlijk.

Het gaat om de Christus-in-ons en de-draak-in-ons, dat wil zeggen om de volkomen geïndividualiseerde en unieke vorm waarin goed en kwaad in onze ziel leven.
Deze individuele vorm van goed en kwaad noemt de antroposofie het Ik van de mens en zijn dubbelganger.
Ze worden ook de twee Wachters aan de Drempel genoemd, de drempel van de geestelijke wereld.
Aangezien we die drempel vandaag allemaal overschrijden, ontmoeten we ook allemaal deze twee ‘poortwachters’.
En alles hangt ervan af of we hen onderscheiden.
Want ze doen zich niet tegelijk aan ons voor.
Eerst ontmoeten we de ‘kleine wachter’: onze dubbelganger.
Hij verspert ons de weg tot de geestelijke wereld.
Niet omdat we er niet in mogen, maar omdat ons Ik nog niet sterk genoeg is om overeind te blijven in de wereld van de geest.
Het is pas sterk genoeg als we de draak, onze eigen zeer persoonlijke draak, onder ogen kunnen zien. Want dat ‘stalen’ onderscheidingsvermogen hebben we nodig om de geestelijke wereld te betreden zonder dat ons Ik daarin oplost als in een bijtend zuur.

20131017-163306.jpg

Het is dat ‘geharnaste’ onderscheidingsvermogen dat Michaël ons verleent en dat we ontwikkelen in de strijd met de draak.
We vechten met de draak om hem zichtbaar te maken, om ons een duidelijk beeld van hem te vormen.
Dat beeld hebben we nodig om aan de drempel onderscheid te kunnen maken tussen beide poortwachters.
Want achter de draak staat Christus, als de stralende zon van ons eigen (hogere) Ik.
Als we zijn licht waarnemen, kan niets ons nog tegenhouden. We ontbranden dan in liefde en werpen ons in zijn armen.

Dat is het grote gevaar dat we lopen bij het overschrijden van ‘de drempel’.
Als we het licht van Christus waarnemen zonder dat we onze dubbelganger duidelijk waarnemen, dan werpen we ons met een allesoverweldigende liefde in de armen van deze laatste terwijl we ervan overtuigd zijn ons in de armen van de eerste te werpen.
De omstrengeling van mens en draak die dan ontstaat, kan niemand nog losmaken, want ze wordt bezield met de zuivere, onbaatzuchtige en zelfopofferende liefde van ons Ik voor Christus.

Ook Christus kan ons dan niet helpen, want hij laat de mens vrij.
Als die mens zijn liefde wil gebruiken om zich te verenigen met de draak, dan respecteert Christus die keuze.
En de tragiek is dat hij de mens zijn liefde blijft schenken, waardoor de band tussen mens en draak steeds sterker wordt.
De (weder)liefde die de mens voor Christus voelt, brengt hem ertoe om, zoals Paulus, te zeggen: niet ik, maar de Christus in mij!
Diezelfde liefde brengt hem ertoe die woorden ook tegen de draak te zeggen.
Hij offert zijn eigen Ik op aan de draak.
Hij maakt, uit pure liefde, plaats voor de draak.
En de draak neemt de plaats in van zijn Ik waardoor hij de mens helemaal in zijn macht krijgt.
De mens verkóópt zijn ziel niet aan de duivel, hij schénkt hem zijn ziel, onvoorwaardelijk.

Dat is de reden waarom Michaël in onze tijd – de tijd van de drempeloverschrijding – zo’n kapitale rol speelt.
Hij wil de mens beletten om onherroepelijk in handen van de draak te vallen.
Hij wil voorkomen dat de liefde van Christus het voedsel wordt van de draak.
Hij wil vermijden dat deze liefde omgezet wordt in haat.
En dat kan alleen als hij het onderscheidingsvermogen van de mens versterkt.
Want dát bepaalt of de mens voor Christus kiest of voor de draak.
En die keuze moeten we ons voorstellen als een uitbarsting van liefde, als een onweerstaanbare drang tot vereniging.
Als die eenwording eenmaal begint, valt ze niet meer te stoppen.
Het stoppen moet daarvóór gebeuren.
Vóór de mens zich in de armen werpt van zijn geliefde, moet hij het wezen van die geliefde kunnen waarnemen, want als hij zich vergist en ‘voor de verkeerde kiest’, dan zal zijn liefde veranderen in de grootste kwelling.

Michaël wil de mens dus de ogen openen in de liefde.
Hij wil dat de mens bewust liefheeft, en ‘de ware’ herkent voor hij zich in een alles verterende liefdesaffaire stort.
Maar hij kan en wil de mens niet dwingen om deel te nemen aan zijn ‘liefdesschool’.
Hij kan hem niet beletten om met vuur te spelen.
Wat doet hij dan wel?

20131017-163652.jpg

Hij geeft het voorbeeld.

Hij is de grote minnaar van Christus.
Hij volgt Christus overal.
Van de grootste hoogten van de geestelijke wereld is hij Christus gevolgd op diens weg naar de aarde. Zo komt het dat een ‘simpele’ aartsengel de aanvoerder kan zijn van de ‘hemelse heirscharen’. Hij is de plaatsvervanger van Christus, nu deze de geestelijke wereld verlaten heeft om zich te verbinden met de aarde en de mensheid.
Het is zijn grote offer om zijn Geliefde niet te volgen tot in de materie, maar in de geestelijke wereld te blijven.
Maar hij daalt wel af tot in de laagste sferen van die wereld, de sferen die onmiddellijk aan de aarde grenzen.
En daar blijft hij staan.
Hij beheerst zijn brandende liefde, hij belet haar om zich in de daad van de vereniging uit te storten.
Hij staat pal en kijkt zijn Grote Liefde in het gelaat.
Door die bovenmenselijke terughouding vormt zich in hem een beeld van de nieuwe Christus, de verrezen Christus die door de dood in de materie is gegaan.

Michaël volgt Christus niet ‘in den vleze’, maar hij volgt hem wel met hart en ziel.
Hij is getuige van het offer van Christus, hij lijdt met Christus mee, en uit dat medelijden ontstaat het inzicht in dat offer.
Dat inzicht is het – het inzicht in wat Steiner ‘het mysterie van Golgotha’ noemt – dat Michaël op zijn beurt offert aan de mens.
Maar hij doet dat niet in heldere begrippen, want dan zou hij de vrijheid van de mens in het gedrang brengen.
Hij doet het in beelden, in scheppende impulsen.

Vanuit de sfeer van de aartsengelen schept hij in de etherische wereld – de wereld van de levens- en vormkrachten – beelden, beelden van Christus en zijn grote offer, beelden van het wezen van de liefde, beelden die de mens vrij laten.
En Michaël wacht af.
Hij wacht tot de mens die beelden waarneemt, begrijpt en navolgt.
Dat is wat Michaël doet: hij geeft het voorbeeld, letterlijk en figuurlijk.

Michaël is de kunstenaar van de geestelijke wereld.
Hij schept beelden van Christus, iets wat hij nooit zou kunnen als hij zich zou verenigen met Christus, maar evenmin als hij Christus niet zou volgen bij zijn afdaling.

Een kunstenaar moet afstand nemen van zijn model, anders duikt hij ermee in de koffer, zoals een klassiek grapje uit de kunstwereld luidt.
Maar hij moet er ook dicht genoeg bij blijven om alles goed te kunnen zien.
En dat moet zowel in letterlijke (fysieke) zin als in figuurlijke (innerlijke) zin worden begrepen.
Een schilder mag niet toegeven aan de erotische verlangens die een model in hem oproept.
Dat is de Lucifer in zich die hij moet overwinnen.
Maar hij mag evenmin toegeven aan de puriteinse, onpersoonlijke invloed van Ahriman die in dat model louter abstracte vormen ziet.
Hij moet het midden houden tussen die twee.
Net zoals de kijker.
Die mag zich niet in de ‘armen’ van het geschilderde model gooien en zich laten leiden door zijn persoonlijke voorkeur (voor bepaalde modellen, bepaalde kunstenaars, bepaalde stijlen of technieken).
Maar hij mag zich evenmin laten verleiden tot een koel-rationele onpersoonlijke benadering van de kunst.
Hij moet beide verenigen, hij moet een beheerste minnaar zijn.

20131017-164753.jpg

Michaël is degene die zowel de kunstenaar als de kijker inspireert.
Als nooit tevoren roept hij in de kunstenaars van onze tijd het beeld op van de strijd met de draak. Als nooit tevoren appelleert hij ook aan het oordeelsvermogen van de kijker om deze beelden te ‘lezen’ en te begrijpen.
De strijd met de draak is het hoofdthema van de kunst van onze tijd. Alle andere thema’s zijn daaraan ondergeschikt.
Kunstenaars hebben geen andere keuze dan deze strijd gestalte te geven.
Maar zij doen dat niet bewust, anders zouden ze geen kunstzinnige beelden kunnen scheppen, beelden die de vrijheid van de kijker waarborgen.
Daarin bestaat hun offer.
Zoals Michaël afstand doet van zijn inzichten, van zijn ‘kosmische intelligentie’ zoals Steiner het noemt, zo doen ook de kunstenaars afstand van hun oordeelsvermogen.
Ze geven het in handen van de kijker.
In hun liefde voor Christus, in hun Michaëlische streven om beelden van Christus te scheppen, leveren de kunstenaars van onze tijd zich blindelings over aan de strijd met de draak.
Het gevolg is dat zij niet weten of zij zich laten leiden door Michaël of de draak.
Dat onderscheid moet de kijker maken.
In zijn handen ligt het lot van de hedendaagse kunstenaar.
En het is een huiveringwekkend lot, dat kunnen we aflezen aan de hedendaagse kunst.
Als we tenminste de moed hebben om over die kunst te oordelen, om onderscheid te maken tussen goed en kwaad.
En hier ligt het zwaartepunt van de huidige strijd met de draak.
Hier ligt de vrijheid van de mens: niet in zijn doen en handelen (daarin wordt hij, net als de kunstenaar, meegesleurd), maar in zijn oordelen over het resultaat van dat handelen.

Zonder dat we het beseffen, zijn we allemaal kunstenaars geworden.
Ons doen en handelen is ‘scheppender’ dan ooit.
We worden meer dan ooit gedreven door liefde.
Maar die liefde is blind.
En waar het in deze tijd om gaat, is dat onze liefde ‘ziend’ wordt.
Anders wordt ze omgekeerd tot haat, anders worden onze scheppingskrachten veranderd in vernietigingskrachten.
En hoe reëel dat gevaar is, zien we elke dag.
Onze grootste opgave ligt dus in de bewustwording van de liefde, de kunst en de natuur.

Ik vind het een mysterie van de grootste orde dat de hele dramatiek van onze tijd besloten ligt in de herfstbeelden van oktober.
Het is door naar die beelden te kijken en te proberen ze te ‘lezen’ dat ik op al die gedachten over Michaël en de draak ben gekomen.
Niet omgekeerd.
Michaël is voor mij altijd een zeer ongrijpbare figuur geweest.
Wat ik erover las, vergat ik meteen weer.
Het enige boek dat ik over hem had (van Emil Bock) heb ik eens uitgeleend en nooit meer teruggekregen. Ik weet zelfs niet meer aan wie ik het heb uitgeleend.
Ik kreeg geen vat op deze zwijgende, mysterieuze figuur.
Tot dit jaar, tot deze zo contrastrijke maand oktober.
Toen heb ik hem herkend.
In de herfst, in de natuur.

Het zal wel geen toeval zijn dat ik deze maand zowel geschilderd heb (met verf) als beschreven (met woorden).
Ik was er nooit in geslaagd die twee samen te doen.
Tot deze herfst.
Ik denk dan ook dat we deze drie niet kunnen los zien van elkaar: de natuur, de kunst, en de (geestes)wetenschap.
Zij vormen in mijn ogen het Michaëlische driemanschap.
Laat één ervan weg en de andere twee werken niet meer.
Want alle goede dingen bestaan in drie.

20131017-165831.jpg

Een heer in het verkeer

In Nederland is een 77-jarige man aangehouden die met een snelheid (sic) van 40 kilometer per uur op de autostrade reed.
Omdat hij met zijn slakkegangetje het verkeer in gevaar bracht, moest hij zijn rijbewijs inleveren.
Daar ging de krasse ouderling niet mee akkoord en hij ging er vandoor.
Achterwaarts. Op de pechstrook.
Toen heeft men hem maar gearresteerd.

Kijk, dat zou ik nooit gedaan hebben.
Aan 40 per uur, in achteruit, op de pechstrook: dat haal je nooit.
Maar aan 40 per uur, in vooruit, op de autostrade, dat heb ik vaak genoeg gedaan.

Dertig jaar geleden reden we rond in een aftandse Peugeot die plankgas nog net 50 kilometer per uur haalde.
Om de auto een beetje te sparen, beperkte ik mijn maximumsnelheid tot 40 per uur.
Dat was wel zo verstandig, want de remmen werkten ook niet meer.
Vertragen deed ik via de versnellingen: als ik de snelheid op die manier teruggebracht had tot 10 kilometer per uur pakten de remmen nog en kon ik de hele zaak tot stilstand brengen.

Ik diende dus met veel overleg en vooruitziendheid te rijden.
En dat lukte prima.
Ik reed regelmatig tussen Gent en Melle.
Via de autostrade, want dan moest ik veel minder remmen.
Het kwam me wel af en toe op wat geclaxonneer te staan, maar ik had in die dagen wel grotere zorgen aan m’n hoofd.
Zoals: hoelang houdt die roestbak het nog vol?

Maar op een keer liep het mis.
Het was vrijdagavond en spitsuur.
Ik reed zoals gebruikelijk de St.Lievenspoort (what’s in a name) op om af te slaan naar de autostrade.
Maar het licht sprong op rood en ik moest remmen.
Dat lukte nog.
Maar toen het licht weer op groen sprong, raakte ik niet meer vooruit.
Het gaat daar namelijk een beetje omhoog aan de St.Lievenspoort, en dat redde mijn oude motor niet meer: ik kreeg geen beweging in de Peugeot.

Daar stond ik dan: te midden van een zee van auto’s die allemaal vooruit wilden, naar huis, naar hun gezin, naar het weekend.
Was het vandaag gebeurd, dan zou ik het niet meer kunnen navertellen.
Verkeersagressie was toen nog lang niet zo aan de orde van de dag, maar ik maakte er die avond wel kennis mee.

Ik blokkeerde zowat het hele kruispunt en van overal klonk geclaxonneer.
Ik stapte uit en anderen stapten ook uit.
Ik gebaarde: hij doet het niet meer!
De anderen gebaarden: ga opzij verdomme!
Mijn situatie leek niet tot hen door te dringen.
Ze schreeuwden alsof ik het opzettelijk deed.

Ik voel me doorgaans nogal vlug in het nauw gedreven, maar toen stond ik echt wel in nauwe schoentjes.
Ik had geen flauw idee hoe ik eruit moest raken, want ik was aan alle kanten omringd door claxonnerende auto’s en schreeuwende automobilisten.
Weglopen was geen optie, want dan zouden ze me lynchen,
daar was geen twijfelen aan.

Maar toen greep de hemel in.
En hij deed dat in stijl.

Er verscheen iemand in rok.
De man was werkelijk piekfijn uitgedost: grijze streepjesbroek, wit hemd met strik, zwarte jas met panden, blinkende lakschoenen.
Hij was op weg naar een huwelijk.
Te voet.
Maar toen hij zag in wat voor benarde situatie ik mij bevond, schoot hij ter hulp.

Alleen al zijn aanwezigheid gaf me weer moed.
Samen slaagden we erin mijn oude Peugeot aan de kant te duwen.
Dat nam heel wat tijd en overredingskracht in beslag, want die woedende automobilisten wilden niet zomaar plaats maken.
Ze leken nog een veel groter wonder te verwachten dan het loutere verschijnen van die reddende engel.
Ze leken te denken dat hij die auto gewoon kon laten verdwijnen.
Maar dat kon, of wilde, hij niet.
Hij hielp mij gewoon met duwen en manoeuvreren.
Tot de Peugeot uit de weg stond.

Ik kon niks anders doen dan de man bedanken, uit de grond van mijn hart.
Hij had verdorie mijn leven gered!
Maar hij maakte er geen punt van. Hij gaf mij een hand en vervolgde zijn weg.
Naar het huwelijk.
In rok.
Hij zag er nog altijd even keurig uit.
Je hebt zo van die mensen.

Wat er nadien gebeurd is, daar herinner ik mij niks meer van.
Hoe ben ik thuis geraakt?
Wat is er met ie auto gebeurd?
Ik heb geen flauw idee.

Nochtans weet ik zeker dat het gebeurd is.
Ik herinner me nog heel goed het moment dat het licht op groen sprong, ik gas gaf en zowel mijn auto als mijn hart stil bleven staan.
Ik herinner me ook nog heel goed hoe verbaasd ik was toen iemand in rok – misschien was het wel de bruidegom zelf! – zich tussen de stilstaande auto’s een weg naar me toe baande.
Maar wat er gebeurde nadat hij afscheid had genomen …
Dat is een groot zwart gat in mijn herinnering.

Ik begin echt te denken dat die keurige man-in-rok een … engel was.
Want dat lees je tegenwoordig veel: in noodsituaties grijpen engelen soms in.
Ze nemen dan even de gedaante aan van een mens, en dan verdwijnen ze weer.
Of ze daarbij een gat slaan in je herinnering weet ik niet.
Ik zou het eens moeten nakijken.
Maar ik heb al meer dan eens ondervonden – of menen te ondervinden (je moet voorzichtig blijven in deze zaken) – dat ‘de geestelijke wereld’ veel gevoel voor humor heeft.
Stel je voor: iemand heeft panne met een oude, smerige auto en staat geblokkeerd tussen allemaal andere niet al te propere auto’s (auto’s blonken toen nog niet zoals nu) en ze sturen geen vuile garagist, maar precies het tegenovergestelde: iemand in rok, op weg naar een huwelijksfeest!

Ze lachen waarschijnlijk wat af met ons, daar in de hemel!
Ik vraag me af hoelang ze het al zagen aankomen.
Aan 40 per uur over de autostrade rijden in een auto zonder remmen, dat moest vroeg of laat verkeerd aflopen.

Ja, het waren andere tijden.
Als ik denk aan de dichte rijen vrachtwagens die tegenwoordig de autostrades bezetten en ik zie mezelf daartussen aan 40 kilometer per uur … nee, dat zou niet meer lukken.
Maar 30 jaar geleden wel.
Wat er toen nog allemaal lukte!
Zoals die keer toen ik met ons R4-tje …
Maar nee, dat gelooft toch niemand.

Wie gelooft er nu in engelen!

20131013-213343.jpg