Herfstmijmeringen

door lievendebrouwere

Het meest opvallende aan het Schorpioenweer van de afgelopen weken is toch wel de nattigheid.
En het is niet zomaar de nattigheid van regen die uit de hemel komt vallen.
Nee, het is een nattigheid die uit de grond lijkt te komen, een allesdoordringende, onontkoombare, kille, zompige, drassige nattigheid.

20131117-184507.jpg

Daartegen helpt maar één ding: een huis met een kachel.
De natuur is nu geen place to be meer voor de mens.

Al dat water herinnert me eraan dat Schorpioenen gevoelsmensen zijn.
Daar merk je namelijk niet veel van.
Scorpio’s zijn cool.
Uiterlijk onbewogen.
Maar dat komt natuurlijk doordat ze binnen leven.
Ze schuilen voor hun eigen allesdoordringende emotionaliteit en kruipen dicht bij hun innerlijke kachel.
Scorpio’s zijn geen vurige mensen, het zijn ‘gloeiende’ mensen.
Hun warmte heeft niets extraverts.
Ze blijft binnen.
Het is de warmte van een kolenkachel: zorgvuldig verborgen achter gietijzeren wanden.
Je merkt ze soms pas op als je ertegenaan loopt en je verbrandt.
Het is dan ook verbrandingswarmte, stofwisselingswarmte, ‘donkere’ warmte.
In november is er eenvoudig niet genoeg ‘lichte’ warmte, dat wil zeggen zonlicht dat wordt omgezet in warmte.
Er is dus een andere warmtebron nodig.
We moeten in onszelf een zon maken.
Voor de Schorpioen is dat de sexualiteit.
Wat kolen zijn ten aanzien van de zon, dat is de sexualiteit ten aanzien van de liefde.
Zoals kolen in een kachel liggen te gloeien als een oranje zon die zich heeft laten opsluiten in de materie, zo is ook de sexualiteit als een ‘gevallen’ zon die ligt te gloeien in de ‘onderwereld’ van het lichaam.

20131117-184619.jpg

Maar ook wanneer het buiten droog is en de zon schijnt, kun je hetzelfde op een andere manier waarnemen.
De novemberzon staat laag aan de hemel.
Ze is als het ware afgedaald en de aarde dicht genaderd.
Haar stralen priemen nu niet van op grote hoogte.
Ze strelen de aarde, die ervan gaat gloeien, in al haar gele en rode bladeren.
En die bladeren vallen op de grond waar ze liggen na te gloeien.
Als je in het bos wandelt, over een tapijt van gele bladeren, is het alsof het licht nu van onderen komt.
De zon is als in duizend scherven op de aarde gevallen.
Zij is niet langer de glorieuze, extraverte zomerzon, die hoog aan de hemel straalt.
Zij is een stervende, ingetogen herfstzon.
Een zacht gloeiende zon die in haar graf van aarde gaat liggen.

In december zal de zon helemaal ‘begraven’ zijn.
Bovengronds zal er dan niks meer te beleven vallen.
Het gloeien van de aarde is uitgedoofd.
Er blijven alleen nog assen over: donkere aarde, zwarte bomen.
Maar als we geluk hebben, wordt het een witte kerst.
De aarde zal dan opnieuw licht lijken te geven.
Maar het zal niet meer het gele licht van de in duizenden bladeren stervende herfstzon zijn.
Het zal het zuivere, witte licht zijn van een nieuw geboren zon, een ‘aardezon’.

Zover zijn we echter nog niet.
Momenteel krijgen we alweer een heel andere Schorpioen te zien.
De wereld is al een paar dagen in diepe mist gehuld.
Op bepaalde momenten zie je geen hand meer voor je ogen.
Opnieuw geen weer om buiten te komen.
Maar dit keer op een heel andere manier.
Na de zon is het nu de hemel die naar beneden lijkt te komen.
Alsof ze de zon, die in haar graf ligt, wil bedekken.
En die witte lijkwade doet een diepe rust en geborgenheid over de wereld neerdalen.
Ze brengt een mens tot zichzelf.
Ze belet hem zichzelf nog langer te verliezen in de wereld.
Ze omhult hem als een kind dat gebakerd wordt.

20131117-184726.jpg

De bewegingsvrijheid van de mens wordt door de mist danig ingeperkt.
Maar dat brengt hem juist tot rust.
Hij moet zich nu wel overgeven aan het onvermijdelijke.
Hij heeft geen keuze meer.
Aan 120 per uur over de autostrade razen met al je zintuigen op scherp, of stapvoets in de dichte mist rijden met de rode achterlichten van je voorganger als enig oriëntatiepunt: het is een heel verschil.
Het verschil tussen leven en dood.
Het heeft geen zin meer om je druk te maken over een gemiste afspraak, want het alternatief is een perte total en een afspraak met de dood.
En dan kom je opnieuw in de mist terecht.
Want als verstokte materialisten komen veel moderne mensen na hun dood in de mist terecht.
Ze zien geen hand voor de ogen.
En toch bevinden ze zich in een wereld vol mysteries, zoals ook hier op aarde wanneer er een dichte mist hangt.
De wereld is nooit mysterieuzer dan in de mist.

Deze novembermist bezegelt het sterven van de zon.
Het zonnehoofdstuk wordt afgesloten.
Maar tegelijk begint een ander hoofdstuk.
Ieder sterven in de ene wereld is een geboren worden in een andere wereld.
Ieder kind dat geboren wordt, is net gestorven.
Is de nieuwe wereld waar het terechtkomt niet gehuld in mist?
Is zijn moeder niet het enige oriëntatiepunt dat het heeft, zijn rode achterlicht op een autostrade waar alles zo slaapverwekkend traag opschiet?
Maar langzaam begint de mist op te trekken.
Het kind ontdekt stap voor stap zijn nieuwe wereld.
Zijn ogen gaan open.

Zou het ‘aan de andere kant’ niet ook zo gaan?
Leert de mens die andere wereld niet net zo kennen als hij zijn huidige wereld als kind heeft leren kennen?
Als in een mist die langzaam optrekt.
En leert de mens in november niet ook een andere wereld kennen?
Geen natuurlijke buitenwereld verlicht door de zon, maar een binnenwereld met kachels en kaarslichtjes.
Een wereld van gedachten, mijmeringen en beloften.
Een wereld waarin de geboorte van een kind wordt verwacht.
Geen natuurlijk kind, maar een ‘binnenkind’.
Een innerlijk zonnetje, een zonnetje in huis.
Ons eigen huis, ons zelf.

20131117-185324.jpg