Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

De herdenkers

Op 4 november stond in ‘De Nieuwe Antwerpenaar’ het bericht ‘Steinerschool De Es maakt documentaire over oorlog en vrede’.

Merel zit in het zesde middelbaar en werkte mee aan het project:

‘Wij hebben een vrouw geïnterviewd die vijf jaar oud was tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Ze had niet veel concrete herinneringen, maar wel erg veel beelden die nog bij haar opkwamen. Het overheersende beeld was dat van – wonder boven wonder – een vriendelijk Duits leger.
Zo beschrijft ze een herinnering van een Duitse soldaat die haar een appel geeft.
Ze herinnerde zich ook nog het gevoel toen ze veilig tussen haar ouders in bed lag tijdens een bombardement.
Ze heeft zich later nooit meer zo veilig gevoeld als toen.
Ik vond het erg intens en mooi dat deze vrouw zo positief was.
Andere klasgenoten hebben bijvoorbeeld een getraumatiseerde voormalige kindsoldaat geïnterviewd, dat was wel erg confronterend.’

‘Het project heeft mijn belangstelling voor oorlog niet aangewakkerd, die was er al, maar mijn kijk op oudere mensen is wel veranderd.
Vroeger vond ik dat die nogal konden zagen over kleine dingen.
Deze vrouw was zo positief en had zo veel levenservaring.
Ikzelf heb mijn grootouders nooit gekend.
Dit project deed me beseffen dat ik dat eigenlijk wel mis.’

Kijk, dit vind ik leuk.

Geen enkele leerling zal er volgend jaar aan ontsnappen: De Groote Oorlog.
Voordrachten, spreekbeurten, boeken lezen, musea bezoeken, films kijken, mensen interviewen …
Want: we moeten onze kinderen goed inpeperen DAT DIT NOOIT MEER MAG GEBEUREN!
Alsof het kinderen en gewone mensen zijn die oorlog voeren.
Maar ze kunnen die kinderen en gewone mensen natuurlijk wel schrik aanjagen met die (herdenking van de) oorlog en hen bepaalde ideeën aanpraten.
Dat zulks niet altijd lukt, bewijst het verslag van Merel.
Wat heeft ze namelijk geleerd van het oorlogsproject?
1. Dat de Duitse soldaten heel vriendelijk waren.
2. Dat oude mensen heel interessant kunnen zijn.

Ik heb zo’n vermoeden dat dát niet de bedoeling was.
Ja, ze zullen nog werk hebben, de herdenkers!

20131126-222225.jpg

Een wraakroepende plek

20131126-195756.jpg

Met deze foto is een droevig verhaal verbonden.

Links ziet u het jaagpad langs de Schelde.
Aan de overkant ligt Melle.
U kunt nog net een stukje zien van de nieuwe brug.
De oude is op een dag ingestort.
Melle in het nieuws!
Wat echter nooit in het nieuws is gekomen, is het volgende.
U ziet rechts een straat die uitkomt, of liever uitkwam op het jaagpad.
Om de een of andere reden vond men dat niet kunnen, en dus hebben ze die rechte hoek ‘afgesneden’ zodat die arme wielertoeristen nu niet meer zo hard hoeven te remmen als ze hier willen afslaan.
Pech natuurlijk voor de twee oude mensen die al hun hele leven woonden in het huis op de hoek.
Dat huis stond op de plek stond waar u nu de auto en de caravan ziet staan.
Ze hebben die twee mensen simpelweg uit hun huis gezet en het afgebroken.

Ik hoop van harte dat degenen die daar verantwoordelijk voor waren in de hel zullen branden.
En als er geen hel is (wat ik zeer betwijfel) dan moeten ze maar een hoek van de hemel afsnijden en er een hel van máken.
Ze kunnen die klus laten uitvoeren door de onverlaten in kwestie.
Die weten toch al hoe ze een hoek moeten afsnijden en iemands leven tot een hel maken.
Dit keer zal het hun eigen leven zijn.
’t Is eens iets anders.

Ik heb die twee mensen nog gekend.
Brave, vriendelijke mensen.
Ik zat er ooit langs de Schelde te schilderen toen de man naar buiten kwam en een praatje sloeg.
Hij nodigde me naar binnen, waar zijn vrouw mij een kopje koffie aanbood.
Aan de muur hing een schilderij dat de vroegere schoolmeester van Melle nog gemaakt had: een zicht op de brug over de Schelde.
Het was een verrassend goed schilderij, niet het werk van een amateur.
De man vertelde me dat ze op hun oude dag nog uit hun huis zouden gezet worden, het huis waar ze bijna een halve eeuw gewoond hadden.
Hij kon het niet geloven.
Ik ook niet.
Toen ik later zag waarvóór hun huis had moeten plaatsmaken, heb ik de bureaucraten vervloekt die dit op hun geweten hadden.
Misschien woont het oude koppel nu aan de overkant, in de schreeuwlelijke serviceflats die ze daar neergepoot hebben.
Kunnen ze iedere dag naar de overkant kijken, waar hun oude huis stond.
Maar waarschijnlijk leven ze niet meer.
U weet wel: oude bomen die verplant worden …

De ene voorgevel is de andere niet

20131126-181226.jpg

Dit is duidelijk een autovriendelijke woning.

Blauw is altijd schoon

20131126-164559.jpg

Ik wil wedden dat de Etrusken zoiets niet konden!

Bij de tandarts

20131126-163648.jpg

Mocht u het niet kunnen lezen: de Etrusken hadden 3000 jaar geleden tandartsen wier technische kwaliteiten pas in de jaren ’70 van de vorige eeuw werden geëvenaard en voorbijgestreefd.
En nu de rest nog …

Lohrangrin

Zondag naar Wilrijk geweest.
Kerstbazaar in steinerschool Lohrangrin.
Ik wilde zaterdag al eens een kijkje nemen in Gent, maar ik voelde m’n keel dik worden en ben dus maar de hele dag naast de kachel blijven zitten.
Op de Kasteellaan zit de klad er trouwens in: slechts één dag meer, in plaats van de gebruikelijke drie.
Jammer.
Vroeger – ik spreek nu over de tijd van de Menapiërs en de Merovingers – was de kerstbazaar het absolute hoogtepunt van het jaar.
De school werd dan herschapen in een soort sprookjespaleis waar je eindeloos kon in ronddwalen.
Alle klassen waren veranderd in gezellige, met kleurige lichtjes versierde cocons vol heerlijke dingen die je nergens anders vond en die je deden vergeten hoe grijs en grauw en kil het buiten was.
Groot nadeel was dat deze kerstbazaars zowat overal in hetzelfde weekend werden gehouden (het weekend voor Sinterklaas).
Maar we waren jong en we hadden een auto en we reden van de ene kerstbazaar naar de andere.
Naar Wilrijk ben ik zelfs nog eens in m’n eentje gereden.
De nieuwbouw stond er nog niet, er was alleen een oud huis in een donker bos.
Alle vensters van dat grote poppenhuis waren verlicht en tussen de bomen hingen lange slingers van gekleurde lichtjes.

20131126-000539.jpg

Van dat sprookjesachtige blijft nu niet veel meer over – scholen worden groot – maar er is nog altijd één ding dat me naar kerstbazaars drijft en dat zijn de viltpopjes.
U kunt het geloven of niet, maar ik ben daar een groot liefhebber van.
Als ik niet zo opzag tegen die autostrades (en als ik wat meer geld had) zou ik ieder jaar de kerstbazaars afdweilen op zoek naar viltpopjes.
Ik erken natuurlijk dat de stapels vilt van Joseph Beuys veel grotere kunst zijn (wat had u gedacht?), maar ik prefereer de kleine viltkunst van steinerschoolmama’s.
Ik heb een zwak voor het materiaal, de kleuren, de kinderlijke expressiviteit en soms de mama’s ook natuurlijk.

In Wilrijk is dat Ann Galand.
Ze heeft ‘het’.
En wat mag dat ‘het’ dan wel zijn, hoor ik u vragen?
Wel, Ann lijkt op haar popjes en figuurtjes: ze voelt aan als vilt.
Dat laatste moet u natuurlijk niet letterlijk nemen.
Ik heb deze mama met geen vinger aangeraakt.
Zelf legt ze de nadruk op verbinden (Kunst Zinnig Verbinden is haar motto).
Maar gelukkig verbindt kunst niet alleen, kunst scheidt ook.
Ze staat namelijk tussen kunstenaar en kijker.
En daarom kan er tussen Ann, als viltpopjesmaakster, en mezelf, als viltpopjesliefhebber, iets moois ontstaan zonder dat haar man of mijn vrouw zich zorgen hoeven te maken.
De viltpopjes staan tussen ons in.
Onze liefde gaat via hen.
Ann stopt haar liefde in haar popjes, ik herken en beantwoord die liefde door die popjes te bewonderen en er af en toe eentje te kopen.
Onze relatie blijft geheel en al in de artistieke sfeer.
’t Is maar dat u ’t weet.

20131126-000721.jpg

Ik ken Ann trouwens niet persoonlijk.
Alhoewel.
Wat heet persoonlijk?
Ken je de kunst, dan ken je ook de kunstenaar.
Je kent hem (of haar) zelfs op een heel intieme en toch afstandelijke manier.
Daarom kan ik zeggen dat Ann aanvoelt als vilt.
En dat haar vilten popjes aanvoelen als Ann.

Diezelfde middag heb ik ook met Jos Verhulst zitten praten.
Jos is net als Ann van Antwerpen, en we hadden het over een andere Antwerpenaar: Rubens.
Die voelt helemáál niet viltig aan.
Hij voelt eerder aan als … vlees.
Geen biefstukvlees natuurlijk, hoewel dat er zeker in zit – Rubens doet me altijd wat aan bloed denken – maar mensenvlees, vlees dat doordrongen is van geest en zin.
Daarmee bedoel ik niet zijn blote mevrouwen en meneren, hoewel die er zeker bij horen. Nee, ik bedoel die hele, zo buitengewoon zinnelijke wereld van Rubens, waarin alles – mensen zowel als kleren en bomen en voorwerpen – opgenomen is in één grote ‘etherische vleselijkheid’.
Jos Verhulst heeft een paar jaar geleden de zin in al die zinnelijkheid ontdekt, het woord in al dat vlees zeg maar.
Uit zijn ‘Rubenscode’ (waar ik bij gelegenheid nog dieper op in ga) kun je opmaken dat bij Rubens het woord vlees wordt, met de klemtoon op ‘wordt’.
Want het is nog niet helemaal vlees.
Alles is in wording bij Rubens, alles is in beweging, de hele werkelijkheid wordt ‘vloeibaar’. Het is een beetje alsof er belangrijk bezoek komt en het hele huis in rep en roer is, want alles moet klaar zijn om de hoge gast te ontvangen.
Zo voel ik Rubens aan, met in mijn achterhoofd de ‘Rubenscode’: het Woord is er nog niet, maar het wordt iedere minuut verwacht.

In feite heeft Rubens’ kunst het huidige seizoen als grondtoon: het kind nadert de aarde en alles wordt in gereedheid gebracht.
Bij Rubens zie je bij wijze van spreken hoe een kind het lichaam van zijn moeder doet opzwellen.
Rubens’ vormen zijn duidelijk ‘opgezwollen’, de spieren van de mannen zowel als de billen van de vrouwen.
Alles is bij Rubens buiten proporties (tot zelfs de afmetingen van zijn doeken) omdat een machtige geest bezig is zich toegang te verschaffen tot de aardse, fysieke wereld.

20131126-001106.jpg

Als ik aan Rubens denk, dan denk ik altijd aan zijn adembenemende titanenkracht, die als een stormwind over de doeken wervelt.
Het zijn pure etherische levens- en vormkrachten die je hier aan het werk ziet.
De sfeer van de moeders, zoals Goethe het noemde.
Maar die zo beweeglijke en bewogen sfeer is onafscheidelijk van die heel andere sfeer: de stille, dromerige sfeer van het kind, dat nog omgeven is door de hemel.
Niemand heeft ooit kinderen geschilderd als Rubens.
Ook dát hoort bij de Boogschutter.
Beide uitersten leven hier naast elkaar: de titanenkracht die als een machtige storm door de wereld gaat en alles in beweging brengt, en stille sfeer van het kind dat droomt van kabouters en elfjes.

Zo kom ik terug bij Ann Galand die, zo lees ik op haar website, een … Boogschutter is.
Kijk eens aan!
Waarlijk, er is geen grotere tegenstelling denkbaar dan tussen deze twee Antwerpenaren: de titaan Rubens, met zijn grote scheppingsgeweld, en steinerschoolmama Ann, met haar vilten kaboutertjes en engeltjes.
En toch maken ze allebei deel uit van de Boogschuttersfeer.
Zou Lohrangrin, de zwanenridder, dat trouwens ook niet doen?
Zwanen hebben iets donzigs, iets zuivers en ingetogens.
Alsof er een kind tussen hun vleugels slaapt.
Maar het zijn strijdbare beesten.
Als ze met hun bek of hun vleugels uithalen, kun je je maar beter uit de voeten maken.
En als ze opstijgen, zijn het net Concordes.

20131126-002838.jpg

Het titanengeweld van de centaur en de warme geborgenheid van sprookjeswereld, ze zijn allebei des Boogschutters.
Iemand die deze twee zo verschillende kwaliteiten in zich verenigde, was Rilke.
Hij was zacht als vilt en toch sprak hij over het Verschrikkelijke waarvan het Schone het begin is.
Het verschrikkelijke, dat is het titanengeweld van de scheppingskrachten.
En het schone, dat is het kind dat daardoor op aarde komt.
Bij Rubens liggen die twee nog uit elkaar.
Bij Rilke ontmoeten ze elkaar.
Bij Rubens zie je het titanengeweld van een oude ziel die zich toegang verschaft tot de aarde en haar bijna wanstaltig doet opzwellen.
Bij Rilke voel je al veel meer de betoverende sfeer van het kind.
Alles is er veel kalmer en rustiger.
Het Boogschuttergeweld is er tot bedaren gekomen omdat het kind geboren is.
Je zou kunnen zeggen dat Rubens hoort bij het begin van de Boogschutter en Rilke bij het einde. Maar geweldig of ingetogen, groot of klein, de Boogschutterkrachten zijn altijd gericht op het kind, en ze bereiken hun hoogtepunt in de overgave aan het kind.
Dat is ook bij Rubens het geval.
Zijn zo grootse kunst culmineert in het kleine, het intieme, het gewone: zijn olieverfschetsen, zijn kinderportretten, de portretten van zijn twee vrouwen.
Daar is al dat scheppingsgeweld tot pure menselijke liefde geworden.

Ik heb een grenzeloze bewondering voor de grote Rubens, want niemand is groter dan hij.
Maar echt houden doe ik van de ‘kleine’ Rubens, die zichzelf vergeet (maar niet verliest) in zijn liefde voor het kind, en wiens bovenmenselijke grootheid en wijsheid een veel menselijker vorm aannemen.

20131126-001933.jpg

In het Boogschuttergeweld herken ik het geweld dat een oude ziel moet gebruiken om zich toegang te verschaffen tot de aardse wereld.
Want anders lukt het niet.
En de enige reden waarom hij het überhaupt doet, is ‘het kind’ dat hij op aarde zal ontmoeten, het kind dat ligt te dromen van kabouters en elfjes en engeltjes.
Daarom ga ik als oude ziel zo graag kijken naar de vilten popjes op kerstbazaars.
Het is een kinderlijke wereld, of beter: het is een volwassen wereld, maar hij is helemaal op het kind gericht.
Er wordt enorm veel werk verzet op zo’n bazaar.
Het is in zekere zin een titanenwerk om alles in goede banen te leiden.
Daar zijn Jupiter-kwaliteiten voor nodig.
Ook de wijsheid waar steinerscholen van doordrongen zijn (of zouden moeten zijn) is typisch voor Jupiter, de heerser van Boogschutter.
Maar al die Boogschutterkwaliteiten – die oude-zielenkwaliteiten zijn – worden ten dienste gesteld van het kind.
Dat is ten minste de bedoeling.
Nergens slagen steinerscholen daar zo goed in als ‘in het klein’.
Ze zijn op hun best in de kleuterklassen, met hun wollen engeltjes en vilten kabouters.
Daarna wordt het stelselmatig minder.
Want naarmate kinderen opgroeien, gaan Boogschutter en kind – of oude ziel en jonge ziel – weer uit elkaar.
Even was het vrede tussen die twee: in de kersttijd.
Maar daarna begint het geweld weer.
Dan worden kinderen weer kleine Boogschuttertjes, die zo snel mogelijk groot willen worden en in hun haast overal overheen lopen.

Maar zover zijn we nog niet.
Het kind moet eerst nog geboren worden, en het is niet eens december.
Tja, de Boogschutter is nauwelijks in te tomen.
Hij schiet zijn pijlen zo ver mogelijk de toekomst in en vergeet maar al te gemakkelijk wat er vlak voor zijn voeten ligt.
Ja, in zijn tomeloze verlangen naar het kind loopt hij dat kind wel eens voorbij.
Of hij vertrappelt hij het zelfs.
Maar zoals ik al zei: zover zijn we nog niet.
Het is nu de tijd van de lampionnetjes en de vilten popjes en de kunst.

Hoe zouden we anders dit sombere, duistere seizoen moeten doorkomen!

20131126-002107.jpg