Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: november, 2013

Sport en vagina’s

20131127-200852.jpg

Het Al Wakrah-stadion, het voetbalstadion dat een van de uithangborden van het WK voetbal 2022 in Qatar moet worden, lijkt volgens enkelen wel heel sterk op het vrouwelijk geslachtsdeel. Het ontwerp van de Britse toparchitecte met Iraakse roots Zaha Hadid zorgt dan ook wereldwijd voor heel wat commotie.

Soms is nieuws gewoon geestig.
De moslims van Qatar willen het WK voetbal organiseren en ze halen overal het wereldnieuws met een stadion dat eruitziet als een enorme … vagina.
Hahahahahahaha!
Een grotere peer kun je die zandmoslims moeilijk stoven.
Ik zou zeggen: Za Haha Did it !

Persoonlijk heb ik nog nooit zo’n vagina gezien.
Maar ik ben dan ook nog nooit in het Midden-Oosten geweest.
Ik vind dat het stadion – dat overigens stukken mooier is dan het Gentse Ghelamcostadion – eerder op een walvis lijkt, zo’n blauwe vinvis zoals er veel rondzwemmen in de zee van Qatar.
Of op de fietshelm van Tom Boonen.
Maar een vagina?
Volgens mij is de ‘wereldwijde commotie’ waarover de kranten spreken niks anders dan leedvermaak.
Iedereen lacht die steenrijke oliemoslims van Qatar gewoon vierkant uit.
Racisme dus.

Maar ook sexisme.
Toparchitecte Zaha voelt zich beledigd.
Ze is ervan overtuigd dat een mannelijke architect nooit zulke reacties zou krijgen.
Nee, met een penis-stadion zou niemand durven lachen, dat spreekt.

Gelukkig krijgt Zaha ook positieve respons.
Holly Baxter, redactrice van de Britse krant The Guardian, kan het ontwerp van Hadid wel appreciëren: ‘Ik kan dit alleen maar toejuichen. In een wereld waar sport en vagina’s zelden samenkomen moet dit gewoon iets positiefs zijn.’

Een wereld waar sport en vagina’s zelden samenkomen?

In welke wereld leeft Holly?
Aan welke baxter ligt zij?
Heeft deze Britse ooit wel eens gehoord van … voetbal?
Het is een primitief spel waarbij 20 mannelijke spermatozoïden over een harig veld kronkelen in een poging om een bal in een geabstraheerde vagina te schieten.
Als dat lukt krijgen ze een collectief orgasme en slaken luide kreten.
Basket is een stuk beschaafder, want daar is de vagina rond en er hangt een condoom aan.
Maar de mannelijke spelers doen evengoed niets anders dan in de lucht springen en met een bal naar die vagina schieten.

Sport en vagina’s komen zelden samen?
Het gáát in de sport om weinig anders dan vagina’s, in alle vormen en betekenissen.
Dat heeft die Zaha heel goed gezien.

Advertenties

De blijde boodschap

DE BLIJDE BOODSCHAP

Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht: ‘Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?’
En ja hoor, nauwelijks was hij begonnen, of ik hoorde al:
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et com spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwige leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:
‘Waar hebben wij het aan verdiend?’

(Gerard Reve)

20131127-162052.jpg

Met de trein was u er al geweest

20131127-160737.jpg

Eerlijk is eerlijk: sinds Jo Cornu (sp.a) de toorts heeft overgenomen van Marc Descheemaecker zijn de spoorzaken snel ten goede gekeerd.
De trein van Mechelen naar Leuven zal er volgend jaar dubbel zo lang over doen als veertig jaar geleden, en tussen Mechelen en Antwerpen rijdt hij trager dan toen vader en zoon Stephenson nog zelf de kolen in de stoomketel schepten.
Ondertussen ontspoorde een locomotief in Wilsele, twee dagen geen treinen tussen Leuven en Mechelen.
Er was een staking van een handvol machinisten, één dag geen treinen tussen wat voor steden ook.
2.000 tot 4.000 jobs worden geschrapt.
De tarieven op de Beneluxtrein worden verhoogd.
Vanaf februari komen er duurdere tickets op álle verbindingen.
De stiptheid blijkt 10 procent slechter dan in de laatste maand onder Descheemaecker.
En de file voor de spoorwegovergang in Haacht reikte begin deze week tot in Charleroi.

(Koen Meulenaere)

Antiracisme

Racisme!
Er bestaat geen betere stok voor wie vandaag een hond wil slaan.
Vanzelfsprekend krijgen Rudolf Steiner en zijn antroposofie er regelmatig van langs.
Vroeger ging ik met die stokslagers wel eens in de clinch.
Nu niet meer.
Ik weet nu dat het hen niet om racisme te doen is.
Het is hen om iets anders te doen.

Wat verstaan antiracisten onder racisme?
Is dat het daadwerkelijk discrimineren op basis van ras?
Als dat zo was dan zouden ze hun stokslagen niet op hun blanke rasgenoten richten.
Want de grote racisten zijn vandaag elders te zoeken.
Onder de moslims bijvoorbeeld, die de joden overal het leven zuur maken.
Of onder de Arabieren die hun Aziatische werknemers als slaven behandelen.
Krijgen deze racisten er ongenadig met de stok van langs?
Wel neen, men houdt hen juist de hand boven het hoofd.

Antiracisten verstaan onder racisme iets heel anders.
Bijvoorbeeld wat de Nederlandse antroposoof Christoph Wiechert enkele jaren geleden deed.
Tijdens een interview op de radio verklaarde hij dat zwarte voetballers duidelijk een ‘overschot aan levenskrachten’ hadden.
Meteen viel heel antiracistisch Nederland over hem heen en de arme man moest ijlings asiel zoeken in Dornach.
De Nederlandse Antroposofische Vereniging kwam in het oog van een (media)storm te staan en probeerde de gemoederen te bedaren door zich openlijk te distantiëren van de ‘racistische’ uitspraken van Rudolf Steiner.

20131127-132110.jpg

Onlangs werd er in de krant alarm geslagen over het groeiende antisemitisme in Europa.
Er werd gealludeerd op de jaren ’30 van de vorige eeuw, en dramatischer kun je het tegenwoordig moeilijk maken.
Maar ondanks de ernst van de situatie werd er met geen woord gerept over de racisten die verantwoordelijk zijn voor de verontrustende heropleving van het antisemitisme.
Integendeel, alleen al het vernoemen van die racisten wordt als … racisme beschouwd.

Tegelijk zitten er mensen in de gevangenis omdat ze zaken gezegd hebben die gevoelig liggen voor joden.
Zoals bijvoorbeeld dat er in de concentratiekampen niet zoveel joden werden vermoord als beweerd.
Dat hebben deze mensen niet gezegd om de joden te kwetsen, maar omdat ze ervan overtuigd zijn dat het waar is.
Ze hebben dus geen joden uitgescholden, of gepest, of aangevallen, of gemarteld, of vermoord (zoals moslims dat nogal eens doen), nee, ze hebben alleen dingen gezegd en geschreven, dingen die soms gewoon waar zijn.
Toch werden ze als criminelen veroordeeld.

We hebben hier dus – alweer – te maken met een omkering.
Antiracisten leggen racisten geen duimbreed in de weg, maar sturen wel onschuldigen naar de gevangenis omdat ze … de waarheid spreken (of tenminste wat ze als waarheid beschouwen).

Wat Christoph Wiechert op de radio zei, was niet kwetsend of denigrerend, het was gewoon waar.
Iedereen kan bijvoorbeeld zien dat de finale van de 100 meter op de Olympische Spelen ieder jaar weer een zwart onderonsje is.
Slechts bij hoge uitzondering doet er eens een blanke mee, maar die maakt geen schijn van kans.
Zwarten kunnen nu eenmaal sneller lopen dan blanken.
Dat weet iedereen, en niemand struikelt erover, maar het mag niet uitgesproken worden.
Of de antiracisten zijn daar met hun stokken.

20131127-132318.jpg

Iets vergelijkbaars zien we bij het toekennen van de Nobelprijzen voor wetenschap.
Die gaan bijna altijd naar blanken, vaak joodse blanken.
Zwarten zijn hier al even afwezig als blanken op de finale van de 100 meter.
Niemand ziet daar graten in, want het is algemeen bekend: zwarten lopen sneller en blanken denken sneller.
Maar opnieuw: het mag niet luidop gezegd worden.

Antiracisten maken dus scherp onderscheid tussen woorden en daden.
Racistische daden vormen voor hen geen probleem (tenzij ze door blanken gepleegd worden).
Maar onschuldige woorden, die zeggen wat iedereen weet en ziet, wekken hun hevige verontwaardiging (behalve wanneer ze uit de mond van niet-blanken komen).

Het onderscheid is zo buitensporig en irrationeel dat je het een vorm van racisme zou kunnen noemen, want het heeft dezelfde instinctieve kracht die van geen redelijkheid wil weten.
Ja, redelijkheid werkt op antiracisten als een rode lap op een stier.
Er is niks logisch aan hun gedrag, het is zo tegenstrijdig als wat.
Bovendien is het agressief.
Antiracisten spelen ongegeneerd op de man en kijken niet op een karaktermoord meer of minder.
Toch beschouwen ze zichzelf als de redelijkheid en de menselijkheid zelve.
Het zijn allemaal kenmerken van racisme.
Racisten vinden zichzelf superieur.
Zij zijn de ware mensen.
Andere rassen zijn foute – of zelfs helemaal geen – mensen.

Het racisme van de antiracisten is natuurlijk geen gewoon racisme, dat spreekt.
Het is ‘omgekeerd’ racisme.

Om te beginnen is het tegen het eigen ras gericht.
Alleen blanken kunnen racistisch zijn.
Racismeklachten worden bij het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding alleen gehoord wanneer ze tegen blanken gericht zijn.
Zijn ze tegen niet-blanken gericht, dan worden ze door Jozef De Witte weggelachen.
Hahaha, racisme bij niet-blanken!
Wat een grap!
Iedereen weet toch dat alleen blanken racistisch zijn!
Behalve natuurlijk wanneer hun racisme tegen hun eigen ras gericht is.
Dan is het geen racisme.
Dan is het antiracisme.
Dan is het een uiting van superieur mens-zijn.

20131127-132623.jpg

Antiracisten beschouwen zichzelf inderdaad als een superieur … ras, een ras dat als taak heeft het inferieure ras – de racisten – beschaving bij te brengen. En daarvoor zijn alle middelen goed, want zolang dit moreel minderwaardige mensenras bestaat, kan er geen vrede heersen op aarde.

Wat dit omgekeerde, antiracistische racisme bewerkstelligt, is dat het blanke ras in twee wordt gedeeld. Het bestaat in toenemende mate uit een superieur antiracistisch deel en een inferieur racistisch deel.
De kloof tussen beide ‘rasdelen’ wordt stelselmatig groter, want na verloop van tijd worden de ‘inferieure’ mensen het beu om steeds weer beschuldigd en gekleineerd te worden door mensen die zich superieur wanen. Ze beginnen op hun beurt hun beschuldigers te beschuldigen, die uiteraard verontwaardigd zijn over zoveel laagheid en hun beschuldigingen nog meer kracht bijzetten.
En zo ontstaat een vicieuze cirkel van wederzijdse beschuldigingen.

Een ander gevolg is dat degenen die beschuldigd worden van racisme op de duur ook werkelijk racistisch worden. Ze krijgen een hekel aan vreemdelingen, die niet alleen worden voorgesteld als slachtoffers van hun racisme, maar die ook het antiracisme-discours overnemen.
Het antiracisme is dus ‘self fullfilling’.
Als je het maar lang genoeg volhoudt, krijg je gelijk.
Na verloop van tijd ontstaat er een kluwen van beschuldigingen waarin zelfs een kat haar eigen jongen niet meer terugvindt.

Om enige klaarheid te scheppen in die warboel moeten we terug naar het begin.

Wanneer is de immigratie begonnen?
Wanneer werd het Westen geconfronteerd met de instroom van vreemdelingen?
Ik weet het niet precies, maar het moet na de oorlog zijn geweest.
De mijnwerkers.
Wat ik daarvan gehoord heb, is dat deze (vaak) Italianen relatief goed werden opgevangen.
Vandaag is er zelfs eentje premier van dit land.
Niet slecht qua gastvrijheid en verdraagzaamheid zou je toch denken.
Later kwamen ‘les Nord Africains’.
Die stonden bij cafébazen al langer bekend als amokmakers.
Altijd miserie met die kerels.
Vandaar de bordjes ‘interdit aux Nord Africains’.
Maar er kwamen er steeds meer.
En toen moet het begonnen zijn.

In heb in mijn jeugd – de jaren ’60 en ’70 – nooit over racisme horen spreken.
Het was toen allemaal bourgeoisie en kapitalisme wat de klok sloeg.
De rijken en de machtigen waren de slechteriken en de arbeiders waren de goeien.
Heel wat idealistische studenten gingen in die tijd in de fabriek of in de mijn werken.
Amada, RAL, maoïsme, marxisme-leninisme: als intellectueel was je links of je was een fascist.
In de jaren ’80 sloeg de hele zaak echter om.
Vandaag is de intellectuele wereld nog altijd uitgesproken links.
Maar de vijand zijn niet langer de machthebbers.
De vijand is vandaag de arbeidersklasse, de gewone bevolking, jan-met-de-pet.
Daar leeft ‘het monster van het racisme dat door Europa waart’.

20131127-133515.jpg

Het kan dus verkeren.
Het ene moment beschouwden de intellectuelen de machthebbers nog als hun grootste vijand, het volgende moment waren ze hun bondgenoten in de strijd tegen de arbeiders, die voordien hun grote vrienden waren.
Dezelfde intellectuelen die 30, 40 jaar geleden nog ‘Alle Macht aan de Arbeiders’ riepen (of dachten) hebben zich vandaag ontpopt tot de spreekbuis van de machthebbers.

Wie het fenomeen ‘antiracisme’ wil begrijpen, moet er dus achter komen wat die drastische ommekeer veroorzaakt heeft.

Als we de antiracisten mogen geloven, is dat ‘het monster dat door Europa waart’, een van hun geliefde uitdrukkingen.
Het is alsof ze in hun enthousiasme voor ‘de arbeiders’ opeens de slang in het paradijs ontwaarden, vol afschuw rechtsomkeer maakten en zich halsoverkop in de armen wierpen van de machthebbers, roepend: heer, verlos ons van dit kwaad!
Op de een of andere manier moeten de intellectuelen collectief een visioen hebben gehad, een plotse openbaring van een verschrikkelijk kwaad dat zich vermomd had als een eenvoudige, onschuldige arbeider.
Een andere verklaring voor hun drastische koerswijziging zie ik niet, te meer daar ze zich van die koerswijziging totaal niet bewust lijken te zijn.
Ik heb alvast nog nooit de vraag horen stellen: hoe komt het toch dat dezelfde generatie intellectuelen die eerst de liefde verklaarde aan de gewone werkmens, diezelfde werkmens nu vol afschuw uitspuwt?
Nee, de hedendaagse intelligentsia doet alsof er niets gebeurd is.
Meer zelfs, ze beschouwt zichzelf als een rots in de branding van racisme, onverdraagzaamheid, haat, discriminatie, enzovoort.
De wereld zou ten onder gaan in een orkaan van pure kwaadaardigheid als daar niet de intellectuelen waren die, samen met de overheid – eendracht maakt macht – de fundamenten van de menselijkheid en de beschaving bewaakten en belichaamden!
Nee, met de intellectuelen is er niks aan de hand, zij staan pal, zoals altijd.
De gewone bevolking daarentegen…

Het doet me onwillekeurig denken aan een andere ‘omkering’, die volgens de intellectuele wereld evenmin heeft plaatsgevonden.
Het was de omkering in de kunst, die van klassiek plots hedendaags werd.
In 1917 verscheen plots – vanuit het niets – de pispot van Marcel Duchamp.
In een wereld de weliswaar in beroering was, maar die niettemin nog altijd tekende, schilderde en beeldhouwde, dook plots een kunstenaar op (die eigenlijk meer een intellectueel was en zich later ook vol minachting van de kunst zou afkeren) die een ordinaire pispot tentoonstelde en verklaarde: dit is kunst omdat ik het zeg!
Het duurde geen 50 jaar of deze ‘nieuwe kunst’ had de hele wereld veroverd.
Vandaag stellen kunstenaars als vanzelfsprekend pispotten en kakmachines tentoon, en geen enkele intellectueel ziet daar graten in.
In 50 jaar tijd is de hele oude, klassieke kunst van de aardbodem weggevaagd en vervangen door een ‘kunst’ die er in de verste verte niet op lijkt.
Maar iedereen doet alsof er niks gebeurd is…

20131127-133656.jpg

De kunstkenners van onze tijd gedragen zich op precies dezelfde manier als de antiracisten: ze keren zich vol afschuw en minachting af van het gewone volk, dat geen boodschap heeft aan pispotten en kakmachines. Uit alle macht (en met steun van de overheid en de machthebbers) proberen ze dat volk her op te voeden, onder meer door de oude liefde voor klassieke tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken zodanig te verketteren dat niemand nog van die liefde durft te getuigen uit schrik afgeschilderd te worden als een cultuurbarbaar, als een vijand van de menselijke beschaving.
Maar het baat allemaal niets.
Honderd jaar na Marcel Duchamp moet het gewone volk nog altijd niets hebben van de nieuwe officiële pispotkunst.
En daar kan maar één reden voor zijn: het volk is kwaadwillig.
Het keert zich af van de Nieuwe Waarheid en de Nieuwe Schoonheid.
Het wordt bezield door een … kwaadaardig monster.

Aan de intense afkeer bij zowel de intelligentsia (voor het racisme en het cultuurbarbarisme van het volk) als het volk (voor de arrogantie en wereldvreemdheid van de intelligentsia) kunnen we aflezen dat er inderdaad iets monsterlijks wordt waargenomen, iets wat overal hevige verontwaardiging wekt en dus blijkbaar de kern van ons mens-zijn raakt.
Het is (de waarneming van) dit ‘monster’ dat de even bruuske als onbewuste ommekeer van de intelligentsia heeft veroorzaakt, zowel in de politiek als de kunst.

Laten we dus even aandachtiger kijken naar dit monster.

Hebben de intellectuelen en antiracisten – twee inwisselbare begrippen – gelijk?
Huist er in de ziel van de gewone man inderdaad een monsterlijk wezen?
Als ik om me heen kijk naar de mensen uit mijn omgeving – en die zijn tamelijk ‘gewoon’ (dus geen echte intellectuelen, en ook geen echte arbeiders) – dan bespeur ik daar geen monsterlijkheden.
Wel integendeel, ik zie vooral mensen van goede wil die geen kwaad in de zin hebben.
Er zijn mensen bij die dagelijks met allochtonen werken en daar heel wat mee te stellen hebben, maar ook bij hen merk ik geen racisme, hoogstens ergernis.
Ik vraag hen soms: kennen jullie echte racisten?
En dan moeten ze ontkennend antwoorden.

Wat ik van deze ‘gewone mensen’ echter wel soms verneem, zijn verhalen over Marokkanen.
Zo vertelde mijn zuster, die les geeft in het Bijzonder Onderwijs, dat ze twee vechtende Marokkaanse meisjes uit elkaar had moeten halen.
Daarbij had ze er eentje bij de haren moeten trekken, anders lukte het niet.
De volgende dag werd ze bij de directeur geroepen waar haar het voltallige bestuur van de Mechelse moslim-executieve wachtte.
Ze werd ervan beschuldigde het meisje te hebben geschopt en geslagen.
De moslimmannen keken haar met moordzuchtige blikken aan en maakten haar duidelijk dat haar leven aan een zijden draadje hing.
Het werd haar zelfs met zoveel woorden gezegd: we zullen je vermoorden!
Gelukkig kwam er een Marokkaans meisje getuigen dat niet mijn zus het andere meisje geschopt en geslagen had, maar dat het net omgekeerd was geweest.
Dat bracht de moordlust tot bedaren en redde de job en wie weet het leven van mijn zuster.

20131127-134320.jpg

Een ander verhaal was dat van een arts die ’s nachts een noodoproep kreeg.
Toen hij met de auto buiten wilde rijden, bleek de uitgang versperd door een auto die vlak voor de garagepoort stond geparkeerd.
Daarop belde de arts de politie, die de auto liet wegtakelen.
Toen hij terugkeerde van zijn spoedgeval werd hij opgewacht door een groepje Marokkanen.
Ze kwamen rond hem staan en zeiden: voor deze ene keer zullen we het zo laten, maar waag het niet dat nog eens te doen!
Knoop het goed in je oren: overdag is Mechelen van jullie, maar ’s nachts is het van ons!
En dat was geen loos dreigement.
’s Nachts is Mechelen een uitgestorven stad waar alleen groepjes Marokkanen rondzwerven.
Mijn ouders hebben me meer dan eens verteld hoe je ’s avonds, als het donker wordt, alle cafés leeg ziet lopen, want niemand waagt zich na zonsondergang nog op straat.
Ze hebben me ook verteld hoe er vlak bij hen om de hoek een oude man in zijn eigen huis gemarteld en vermoord werd, terwijl zijn gehandicapte vrouw machteloos moest toekijken. De daders waren – uiteraard – Marokkanen of, om het in het antiracistische jargon te zeggen: jongeren.
Ja, in Mechelen beleven ze veel plezier aan hun jongeren …

En zo zijn er nog tientallen, honderden, duizenden verhalen te vertellen, het een nog stuitender dan het andere.
Ze spelen zich niet alleen in Mechelen af, of in Vlaanderen.
Ze spelen zich in heel Europa af.
En ze worden zorgvuldig verzwegen door de antiracistische intelligentsia.

Als ik bij dit verzwegen moslimgeweld ook nog eens het openbare moslimgeweld voeg, dan krijg ik iets wat veel meer op een monster lijkt dan het zogenaamde racisme van de bange blanke man.
En hoe monsterlijk is het niet om dit monster te negeren, om het goed te praten, om het de hand boven het hoofd te houden, en in plaats daarvan de schuld te geven aan de bange blanke man!

Het beeld dat hier (opnieuw) opduikt, is dat van de draak met de twee koppen.
De luciferische kop is het religieuze fanatisme van de islam.
De ahrimanische kop is het wetenschappelijke materialisme van het Westen.
Ze doen alsof ze elkaars doodsvijanden zijn, maar in werkelijkheid zijn het bondgenoten, bondgenoten in de strijd tegen de gewone mens, de islamitische zowel als de Westerse.
De zogenaamde oorlog tegen het terrorisme is in werkelijkheid de oorlog van een kleine maar machtige elite tegen het (eigen) volk.
Dat is ook het wezen van het antiracisme: een terroristische oorlog van een intellectuele elite tegen jan-met-de-pet, een oorlog die niet met fysieke maar met geestelijke middelen wordt uitgevochten.

20131127-134902.jpg

Beide oorlogen spiegelen elkaar.
Zo kent men in de moderne oorlogsvoering het begrip ‘onderhoudsbombardementen’.
Het zijn dagelijkse bombardementen die niet bedoeld zijn om bepaalde doelwitten te raken, maar om de bevolking murw te maken.
Hetzelfde soort bombardementen vindt elke dag in de media plaats, al meer dan 10 jaar lang.
Er gaat geen week, ja zelfs geen dag voorbij of er verschijnt een artikel in de krant waaruit moet blijken hoe racistisch de bange blanke man wel is.
Onafgebroken wordt erop gehamerd, want de geestelijke weerstand van de ‘blanke man’ moet gebroken worden.

Dat brengt mij bij de volgende vraag: waarom moet de gewone blanke man gebroken worden?
Waarom worden er monsterlijke middelen ingezet om deze reeds in hoge mate machteloze mens te breken?
Wat mag er in die mens dan wel leven dat het bij de machthebbers en de intellectuelen zoveel afschuw, woede en verontwaardiging veroorzaakt?

Dat is stof voor een volgend hoofdstuk.
Maar afrondend kan gezegd worden dat er in de jaren ’80 van de vorige eeuw een ‘monster’ opgedoken is dat in korte tijd de wereld veroverd heeft en nu overal terreur zaait.
Het is natuurlijk geen fysiek monster met klauwen en schubben en een vuurspuwende bek, dat is duidelijk.
Het is een geestelijk monster.
Een monsterachtige geest.
Hij onttrekt zich aan ons bewustzijn, enerzijds omdat we niet meer in geestelijke wezens geloven, en anderzijds omdat hij een buitengewoon geraffineerd en verwarrend spel speelt met zijn twee tegengestelde koppen.
Wie echter zorgvuldig waarneemt en nadenkt, kan de werking en het bestaan van dat monster niet (meer) ontkennen.

Het is geen pretje om de realiteit van dit monsterlijke wezen onder ogen te zien, en de meeste mensen verkiezen dan ook om het hoofd in het zand te steken.
Maar daardoor ontgaat hen ook iets anders.
Want waar heeft dit monster het op gemunt?
Dat kan niet de bange blanke man zijn, die nu reeds zijn mond niet meer durft opendoen en zich op zijn kop laat zitten dat het niet mooi meer is.
Het moet een welbepaalde geest zijn die in hem leeft, een geest die zijn terroristische tegenhanger in woede, verontwaardiging en vreselijke bombardementen doet losbarsten.

Dat is wat mij betreft een eerste grote conclusie die ik trek uit mijn analyse van het fenomeen ‘antiracisme’.
Antiracisten wijzen – trillend van woede en verontwaardiging – naar een onbekende, bescheiden en uiterst verdraagzame geest die blijkbaar is opgestaan in de ziel van de gewone mens, de blanke zowel als de moslim.
Het is de geest van de gewone mens.
Het is gewoon … de geest van de mens.

Maar daarover een volgende keer.

20131127-135214.jpg

THE SECOND COMING

Turning and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

(W.B.Yeats)

De herdenkers

Op 4 november stond in ‘De Nieuwe Antwerpenaar’ het bericht ‘Steinerschool De Es maakt documentaire over oorlog en vrede’.

Merel zit in het zesde middelbaar en werkte mee aan het project:

‘Wij hebben een vrouw geïnterviewd die vijf jaar oud was tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Ze had niet veel concrete herinneringen, maar wel erg veel beelden die nog bij haar opkwamen. Het overheersende beeld was dat van – wonder boven wonder – een vriendelijk Duits leger.
Zo beschrijft ze een herinnering van een Duitse soldaat die haar een appel geeft.
Ze herinnerde zich ook nog het gevoel toen ze veilig tussen haar ouders in bed lag tijdens een bombardement.
Ze heeft zich later nooit meer zo veilig gevoeld als toen.
Ik vond het erg intens en mooi dat deze vrouw zo positief was.
Andere klasgenoten hebben bijvoorbeeld een getraumatiseerde voormalige kindsoldaat geïnterviewd, dat was wel erg confronterend.’

‘Het project heeft mijn belangstelling voor oorlog niet aangewakkerd, die was er al, maar mijn kijk op oudere mensen is wel veranderd.
Vroeger vond ik dat die nogal konden zagen over kleine dingen.
Deze vrouw was zo positief en had zo veel levenservaring.
Ikzelf heb mijn grootouders nooit gekend.
Dit project deed me beseffen dat ik dat eigenlijk wel mis.’

Kijk, dit vind ik leuk.

Geen enkele leerling zal er volgend jaar aan ontsnappen: De Groote Oorlog.
Voordrachten, spreekbeurten, boeken lezen, musea bezoeken, films kijken, mensen interviewen …
Want: we moeten onze kinderen goed inpeperen DAT DIT NOOIT MEER MAG GEBEUREN!
Alsof het kinderen en gewone mensen zijn die oorlog voeren.
Maar ze kunnen die kinderen en gewone mensen natuurlijk wel schrik aanjagen met die (herdenking van de) oorlog en hen bepaalde ideeën aanpraten.
Dat zulks niet altijd lukt, bewijst het verslag van Merel.
Wat heeft ze namelijk geleerd van het oorlogsproject?
1. Dat de Duitse soldaten heel vriendelijk waren.
2. Dat oude mensen heel interessant kunnen zijn.

Ik heb zo’n vermoeden dat dát niet de bedoeling was.
Ja, ze zullen nog werk hebben, de herdenkers!

20131126-222225.jpg

Een wraakroepende plek

20131126-195756.jpg

Met deze foto is een droevig verhaal verbonden.

Links ziet u het jaagpad langs de Schelde.
Aan de overkant ligt Melle.
U kunt nog net een stukje zien van de nieuwe brug.
De oude is op een dag ingestort.
Melle in het nieuws!
Wat echter nooit in het nieuws is gekomen, is het volgende.
U ziet rechts een straat die uitkomt, of liever uitkwam op het jaagpad.
Om de een of andere reden vond men dat niet kunnen, en dus hebben ze die rechte hoek ‘afgesneden’ zodat die arme wielertoeristen nu niet meer zo hard hoeven te remmen als ze hier willen afslaan.
Pech natuurlijk voor de twee oude mensen die al hun hele leven woonden in het huis op de hoek.
Dat huis stond op de plek stond waar u nu de auto en de caravan ziet staan.
Ze hebben die twee mensen simpelweg uit hun huis gezet en het afgebroken.

Ik hoop van harte dat degenen die daar verantwoordelijk voor waren in de hel zullen branden.
En als er geen hel is (wat ik zeer betwijfel) dan moeten ze maar een hoek van de hemel afsnijden en er een hel van máken.
Ze kunnen die klus laten uitvoeren door de onverlaten in kwestie.
Die weten toch al hoe ze een hoek moeten afsnijden en iemands leven tot een hel maken.
Dit keer zal het hun eigen leven zijn.
’t Is eens iets anders.

Ik heb die twee mensen nog gekend.
Brave, vriendelijke mensen.
Ik zat er ooit langs de Schelde te schilderen toen de man naar buiten kwam en een praatje sloeg.
Hij nodigde me naar binnen, waar zijn vrouw mij een kopje koffie aanbood.
Aan de muur hing een schilderij dat de vroegere schoolmeester van Melle nog gemaakt had: een zicht op de brug over de Schelde.
Het was een verrassend goed schilderij, niet het werk van een amateur.
De man vertelde me dat ze op hun oude dag nog uit hun huis zouden gezet worden, het huis waar ze bijna een halve eeuw gewoond hadden.
Hij kon het niet geloven.
Ik ook niet.
Toen ik later zag waarvóór hun huis had moeten plaatsmaken, heb ik de bureaucraten vervloekt die dit op hun geweten hadden.
Misschien woont het oude koppel nu aan de overkant, in de schreeuwlelijke serviceflats die ze daar neergepoot hebben.
Kunnen ze iedere dag naar de overkant kijken, waar hun oude huis stond.
Maar waarschijnlijk leven ze niet meer.
U weet wel: oude bomen die verplant worden …

De ene voorgevel is de andere niet

20131126-181226.jpg

Dit is duidelijk een autovriendelijke woning.

Blauw is altijd schoon

20131126-164559.jpg

Ik wil wedden dat de Etrusken zoiets niet konden!

Bij de tandarts

20131126-163648.jpg

Mocht u het niet kunnen lezen: de Etrusken hadden 3000 jaar geleden tandartsen wier technische kwaliteiten pas in de jaren ’70 van de vorige eeuw werden geëvenaard en voorbijgestreefd.
En nu de rest nog …

Lohrangrin

Zondag naar Wilrijk geweest.
Kerstbazaar in steinerschool Lohrangrin.
Ik wilde zaterdag al eens een kijkje nemen in Gent, maar ik voelde m’n keel dik worden en ben dus maar de hele dag naast de kachel blijven zitten.
Op de Kasteellaan zit de klad er trouwens in: slechts één dag meer, in plaats van de gebruikelijke drie.
Jammer.
Vroeger – ik spreek nu over de tijd van de Menapiërs en de Merovingers – was de kerstbazaar het absolute hoogtepunt van het jaar.
De school werd dan herschapen in een soort sprookjespaleis waar je eindeloos kon in ronddwalen.
Alle klassen waren veranderd in gezellige, met kleurige lichtjes versierde cocons vol heerlijke dingen die je nergens anders vond en die je deden vergeten hoe grijs en grauw en kil het buiten was.
Groot nadeel was dat deze kerstbazaars zowat overal in hetzelfde weekend werden gehouden (het weekend voor Sinterklaas).
Maar we waren jong en we hadden een auto en we reden van de ene kerstbazaar naar de andere.
Naar Wilrijk ben ik zelfs nog eens in m’n eentje gereden.
De nieuwbouw stond er nog niet, er was alleen een oud huis in een donker bos.
Alle vensters van dat grote poppenhuis waren verlicht en tussen de bomen hingen lange slingers van gekleurde lichtjes.

20131126-000539.jpg

Van dat sprookjesachtige blijft nu niet veel meer over – scholen worden groot – maar er is nog altijd één ding dat me naar kerstbazaars drijft en dat zijn de viltpopjes.
U kunt het geloven of niet, maar ik ben daar een groot liefhebber van.
Als ik niet zo opzag tegen die autostrades (en als ik wat meer geld had) zou ik ieder jaar de kerstbazaars afdweilen op zoek naar viltpopjes.
Ik erken natuurlijk dat de stapels vilt van Joseph Beuys veel grotere kunst zijn (wat had u gedacht?), maar ik prefereer de kleine viltkunst van steinerschoolmama’s.
Ik heb een zwak voor het materiaal, de kleuren, de kinderlijke expressiviteit en soms de mama’s ook natuurlijk.

In Wilrijk is dat Ann Galand.
Ze heeft ‘het’.
En wat mag dat ‘het’ dan wel zijn, hoor ik u vragen?
Wel, Ann lijkt op haar popjes en figuurtjes: ze voelt aan als vilt.
Dat laatste moet u natuurlijk niet letterlijk nemen.
Ik heb deze mama met geen vinger aangeraakt.
Zelf legt ze de nadruk op verbinden (Kunst Zinnig Verbinden is haar motto).
Maar gelukkig verbindt kunst niet alleen, kunst scheidt ook.
Ze staat namelijk tussen kunstenaar en kijker.
En daarom kan er tussen Ann, als viltpopjesmaakster, en mezelf, als viltpopjesliefhebber, iets moois ontstaan zonder dat haar man of mijn vrouw zich zorgen hoeven te maken.
De viltpopjes staan tussen ons in.
Onze liefde gaat via hen.
Ann stopt haar liefde in haar popjes, ik herken en beantwoord die liefde door die popjes te bewonderen en er af en toe eentje te kopen.
Onze relatie blijft geheel en al in de artistieke sfeer.
’t Is maar dat u ’t weet.

20131126-000721.jpg

Ik ken Ann trouwens niet persoonlijk.
Alhoewel.
Wat heet persoonlijk?
Ken je de kunst, dan ken je ook de kunstenaar.
Je kent hem (of haar) zelfs op een heel intieme en toch afstandelijke manier.
Daarom kan ik zeggen dat Ann aanvoelt als vilt.
En dat haar vilten popjes aanvoelen als Ann.

Diezelfde middag heb ik ook met Jos Verhulst zitten praten.
Jos is net als Ann van Antwerpen, en we hadden het over een andere Antwerpenaar: Rubens.
Die voelt helemáál niet viltig aan.
Hij voelt eerder aan als … vlees.
Geen biefstukvlees natuurlijk, hoewel dat er zeker in zit – Rubens doet me altijd wat aan bloed denken – maar mensenvlees, vlees dat doordrongen is van geest en zin.
Daarmee bedoel ik niet zijn blote mevrouwen en meneren, hoewel die er zeker bij horen. Nee, ik bedoel die hele, zo buitengewoon zinnelijke wereld van Rubens, waarin alles – mensen zowel als kleren en bomen en voorwerpen – opgenomen is in één grote ‘etherische vleselijkheid’.
Jos Verhulst heeft een paar jaar geleden de zin in al die zinnelijkheid ontdekt, het woord in al dat vlees zeg maar.
Uit zijn ‘Rubenscode’ (waar ik bij gelegenheid nog dieper op in ga) kun je opmaken dat bij Rubens het woord vlees wordt, met de klemtoon op ‘wordt’.
Want het is nog niet helemaal vlees.
Alles is in wording bij Rubens, alles is in beweging, de hele werkelijkheid wordt ‘vloeibaar’. Het is een beetje alsof er belangrijk bezoek komt en het hele huis in rep en roer is, want alles moet klaar zijn om de hoge gast te ontvangen.
Zo voel ik Rubens aan, met in mijn achterhoofd de ‘Rubenscode’: het Woord is er nog niet, maar het wordt iedere minuut verwacht.

In feite heeft Rubens’ kunst het huidige seizoen als grondtoon: het kind nadert de aarde en alles wordt in gereedheid gebracht.
Bij Rubens zie je bij wijze van spreken hoe een kind het lichaam van zijn moeder doet opzwellen.
Rubens’ vormen zijn duidelijk ‘opgezwollen’, de spieren van de mannen zowel als de billen van de vrouwen.
Alles is bij Rubens buiten proporties (tot zelfs de afmetingen van zijn doeken) omdat een machtige geest bezig is zich toegang te verschaffen tot de aardse, fysieke wereld.

20131126-001106.jpg

Als ik aan Rubens denk, dan denk ik altijd aan zijn adembenemende titanenkracht, die als een stormwind over de doeken wervelt.
Het zijn pure etherische levens- en vormkrachten die je hier aan het werk ziet.
De sfeer van de moeders, zoals Goethe het noemde.
Maar die zo beweeglijke en bewogen sfeer is onafscheidelijk van die heel andere sfeer: de stille, dromerige sfeer van het kind, dat nog omgeven is door de hemel.
Niemand heeft ooit kinderen geschilderd als Rubens.
Ook dát hoort bij de Boogschutter.
Beide uitersten leven hier naast elkaar: de titanenkracht die als een machtige storm door de wereld gaat en alles in beweging brengt, en stille sfeer van het kind dat droomt van kabouters en elfjes.

Zo kom ik terug bij Ann Galand die, zo lees ik op haar website, een … Boogschutter is.
Kijk eens aan!
Waarlijk, er is geen grotere tegenstelling denkbaar dan tussen deze twee Antwerpenaren: de titaan Rubens, met zijn grote scheppingsgeweld, en steinerschoolmama Ann, met haar vilten kaboutertjes en engeltjes.
En toch maken ze allebei deel uit van de Boogschuttersfeer.
Zou Lohrangrin, de zwanenridder, dat trouwens ook niet doen?
Zwanen hebben iets donzigs, iets zuivers en ingetogens.
Alsof er een kind tussen hun vleugels slaapt.
Maar het zijn strijdbare beesten.
Als ze met hun bek of hun vleugels uithalen, kun je je maar beter uit de voeten maken.
En als ze opstijgen, zijn het net Concordes.

20131126-002838.jpg

Het titanengeweld van de centaur en de warme geborgenheid van sprookjeswereld, ze zijn allebei des Boogschutters.
Iemand die deze twee zo verschillende kwaliteiten in zich verenigde, was Rilke.
Hij was zacht als vilt en toch sprak hij over het Verschrikkelijke waarvan het Schone het begin is.
Het verschrikkelijke, dat is het titanengeweld van de scheppingskrachten.
En het schone, dat is het kind dat daardoor op aarde komt.
Bij Rubens liggen die twee nog uit elkaar.
Bij Rilke ontmoeten ze elkaar.
Bij Rubens zie je het titanengeweld van een oude ziel die zich toegang verschaft tot de aarde en haar bijna wanstaltig doet opzwellen.
Bij Rilke voel je al veel meer de betoverende sfeer van het kind.
Alles is er veel kalmer en rustiger.
Het Boogschuttergeweld is er tot bedaren gekomen omdat het kind geboren is.
Je zou kunnen zeggen dat Rubens hoort bij het begin van de Boogschutter en Rilke bij het einde. Maar geweldig of ingetogen, groot of klein, de Boogschutterkrachten zijn altijd gericht op het kind, en ze bereiken hun hoogtepunt in de overgave aan het kind.
Dat is ook bij Rubens het geval.
Zijn zo grootse kunst culmineert in het kleine, het intieme, het gewone: zijn olieverfschetsen, zijn kinderportretten, de portretten van zijn twee vrouwen.
Daar is al dat scheppingsgeweld tot pure menselijke liefde geworden.

Ik heb een grenzeloze bewondering voor de grote Rubens, want niemand is groter dan hij.
Maar echt houden doe ik van de ‘kleine’ Rubens, die zichzelf vergeet (maar niet verliest) in zijn liefde voor het kind, en wiens bovenmenselijke grootheid en wijsheid een veel menselijker vorm aannemen.

20131126-001933.jpg

In het Boogschuttergeweld herken ik het geweld dat een oude ziel moet gebruiken om zich toegang te verschaffen tot de aardse wereld.
Want anders lukt het niet.
En de enige reden waarom hij het überhaupt doet, is ‘het kind’ dat hij op aarde zal ontmoeten, het kind dat ligt te dromen van kabouters en elfjes en engeltjes.
Daarom ga ik als oude ziel zo graag kijken naar de vilten popjes op kerstbazaars.
Het is een kinderlijke wereld, of beter: het is een volwassen wereld, maar hij is helemaal op het kind gericht.
Er wordt enorm veel werk verzet op zo’n bazaar.
Het is in zekere zin een titanenwerk om alles in goede banen te leiden.
Daar zijn Jupiter-kwaliteiten voor nodig.
Ook de wijsheid waar steinerscholen van doordrongen zijn (of zouden moeten zijn) is typisch voor Jupiter, de heerser van Boogschutter.
Maar al die Boogschutterkwaliteiten – die oude-zielenkwaliteiten zijn – worden ten dienste gesteld van het kind.
Dat is ten minste de bedoeling.
Nergens slagen steinerscholen daar zo goed in als ‘in het klein’.
Ze zijn op hun best in de kleuterklassen, met hun wollen engeltjes en vilten kabouters.
Daarna wordt het stelselmatig minder.
Want naarmate kinderen opgroeien, gaan Boogschutter en kind – of oude ziel en jonge ziel – weer uit elkaar.
Even was het vrede tussen die twee: in de kersttijd.
Maar daarna begint het geweld weer.
Dan worden kinderen weer kleine Boogschuttertjes, die zo snel mogelijk groot willen worden en in hun haast overal overheen lopen.

Maar zover zijn we nog niet.
Het kind moet eerst nog geboren worden, en het is niet eens december.
Tja, de Boogschutter is nauwelijks in te tomen.
Hij schiet zijn pijlen zo ver mogelijk de toekomst in en vergeet maar al te gemakkelijk wat er vlak voor zijn voeten ligt.
Ja, in zijn tomeloze verlangen naar het kind loopt hij dat kind wel eens voorbij.
Of hij vertrappelt hij het zelfs.
Maar zoals ik al zei: zover zijn we nog niet.
Het is nu de tijd van de lampionnetjes en de vilten popjes en de kunst.

Hoe zouden we anders dit sombere, duistere seizoen moeten doorkomen!

20131126-002107.jpg