Ik is klein

door lievendebrouwere

Even terug in de tijd.
Het is eind oktober.
Omdat ik in Bottelaere moet zijn, heb ik de opdracht gekregen om daarna Anna op te halen in het vlakbij gelegen Munte.
Ze heeft daar sinds kort kennis gemaakt met het fenomeen ‘school’, want op de Kasteellaan in Gent was er geen plaats meer.
Dus gaat Anna niet naar de peuterklas op vijf, maar op 50 minuten van haar huis.
Dat is tenminste de tijd die ík erover gedaan heb.
Helena – haar moeder en mijn dochter – vindt antroposofie dikke zever, maar ze wil wél dat Anna naar een steinerschool gaat.
Zo vader, zo dochter.
Ik vond antroposofie destijds ook dikke zever, maar zo’n steinerschool vond ik uitstekend voor m’n kinderen.
Stel je voor: ze konden daar tekenen en schilderen en boetseren en muziek maken en zingen en toneel spelen en hun schriften vol kleuren!
En last but not least: ze hoefden helemaal geen examens te doen!
Daarvoor nam ik die rare Steiner en zijn sofen graag op de koop toe.

Zo ziet Helena het waarschijnlijk ook.
Bovendien bevalt het haar wel in Munte.
Munte is namelijk een klein idyllisch dorpje waar de tijd is blijven stilstaan.
Het steinerschooltje is gehuisvest in het oude dorpsschooltje vlakbij de kerk.
Als de kinderen in de klas zitten, kun je buiten de bladeren horen vallen.
Ritsel, ritsel, ritsel: iets anders hoor je daar momenteel niet.

Hoezere vielen ze af, de zieke zomerblaren, toen ik er die herfstdag arriveerde.
Hoe zonken ze altemaal, die eer zo groene waren, te grondewaart.
Het leek wel of ik in een gedicht van Guido Gezelle was terechtgekomen.
Ik parkeerde onder de bomen en liep naar het schooltje.
Helena had me omstandig uitgelegd in welke klas ik moest zijn.

20131202-132918.jpg

Voor wie komt u?
Anna.
Aha. Anna, kom eens kijken!
Daar was ze, aangekleed en al.
Ik schrok.
Dat kleine, stille ding, was dat Anna?

Ik had het gevoel of ik boven op St. Baafs stond en zij beneden.
Ik stak mijn hand uit en zwijgend legde zij haar handje erin.
Ze is nog maar pas wakker, zei juf Nancy.
Ja, dat kende ik.
Als Anna geslapen heeft, komt ze van ver, van heel ver.
Misschien gaat ze iedere keer wel heen en terug naar Afrika, wie weet.
Half slapend liet ze zich naar buiten leiden.
Ik zei niets.
Ik heb grote eerbied voor mensen die slapen.
Ik zal ze nooit wakker maken.
We passeerden de kerk.
Opeens wrong Anna haar handje los, liep naar de metalen brug die op de trappen was geïnstalleerd (voor rolstoelgelovigen), sprong daar een paar keer op en neer, en kwam toen terug alsof er niets gebeurd was.
Ze was waarschijnlijk niet eens wakker geworden.
We wandelden zwijgend naar de auto, terwijl de bladeren ritselden.
(Reken maar dat je dát op de Kasteellaan niet hoort als de school daar uit is!)
Het was warm voor de tijd van het jaar en ik trok m’n jas uit voor ik Anna in de auto installeerde.
Ze kroop zelf in haar kinderstoeltje en wachtte geduldig tot ik haar vast zou gespen.
Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want Anna was bovenop de riemen gaan zitten.
Ik zocht met m’n handen achter haar rug, onder haar benen, onder haar poep, over haar gezicht, in haar haar, mompelend: waar zijn ze, waar zijn ze?
Daar moest Anna wel om lachen.
Ze begreep dat het moderne leven niet eenvoudig is voor oudere mensen, en stak een handje toe.
Hier, zei ze, en toonde me de beide riemen.
Nu moesten ze nog in elkaar geklikt worden.
Anna toonde me geduldig hoe dat moest.
Oef!
Ik was er voorwaar van beginnen zweten.
Ik kroop achter het stuur, klikte mijn eigen riem vast en wilde starten, toen ik opeens een ingeving kreeg.
Ik keek achterom, zag Anna lijdzaam in haar stoeltje zitten en vroeg: heb je niet te warm?
Ze knikte onmerkbaar.

Zucht.

20131202-133120.jpg

Ik stapte weer uit, klom op de achterbank, maakte de riempjes los, wurmde Anna uit haar jas, klikte de riempjes weer vast, en zweette nog harder.
Half uitgeput kroop ik opnieuw achter het stuur.
Drie kinderen: hoe had ik dat in godsnaam overleefd?

Het leven was wél nog eenvoudiger in de vorige eeuw.
Een riem deed ik nooit om. Te lastig.
De kinderen gooide ik gewoon op de achterbank, samen met een paar van hun vriendjes.
Als ik bruusk moest remmen, vloog er wel eens eentje tot op de voorbank, maar dat was dikke pret.
Ik remde dus ook wel eens als het niét moest.
Nu hangt zo’n auto van voor tot achter vol riemen en hij wil niet eens rijden als je ze niet om hebt.

Toen ik een uur later in Gentbrugge arriveerde, had ik onbedoeld een flink stuk van de wereld tussen Munte en Gent gezien.
Anna sliep diep.
Haar hoofdje was helemaal op haar borst gezakt en over haar voorhoofd liep een straaltje zweet.
Arme duts!
Ik wurmde haar nog maar een los – ocharme mijn rug! – en droeg het slappe slapertje naar huis.
Ik wilde haar overdragen aan Helena’s nieuwe vriendje, maar ze sloeg zijn handen met een snauw weg.
Hij deinsde beduusd achteruit.
Dan maar naar de mama die op het terras stond te telefoneren.
Anna begon nu te dreinen en Helena trok ze met één hand op haar heup.
Ik maakte me vlug uit de voeten.
Dit zou geen prettig ontwaken worden, dat stond vast.
Zou het die dag nog wel goed komen?
Want als Anna uit haar hum is, is ze er heel erg uit.
Als ze erin is overigens ook.
Alles is bij Anna maal twee.
Een beetje zoals haar naam.

20131202-133334.jpg

En dat is nu net wat ik wilde vertellen.
Als Anna bij ons thuis is – in of uit haar hum – dan vult ze het hele huis.
Ik word dan in de hoek gedrukt.
Fysiek is Anna nochtans een klein ding, kleiner dan andere kinderen.
Maar haar etherisch lichaam kan bijna reusachtige proporties aannemen.
Je ziet het niet, maar verdorie, je ondervindt het wel!
En het is beslist geen ADHD-kind. Nee, ’t is pure levenskracht.
Ik word er soms zelfs een beetje bang van.
Mij maken ze in ieder geval niet wijs dat ras alleen maar een kwestie van huidskleur is.
Ik heb daar het zeer levende bewijs van.

Ja, wie wil weten wat een etherisch lichaam is, moet maar eens naar Anna komen kijken.
Of luisteren.
Bijvoorbeeld wanneer ze voorleest uit de Filosofie der Vrijheid.
Ik wil wedden dat dit boek nog nooit zo levendig en expressief is voorgedragen.
Je verstaat er wel geen woord van, maar dat is niet ongewoon bij de Filosofie der Vrijheid.
Anna declameert ook zonder tekst dat het een lieve lust is.
Hele redevoeringen steekt ze af, met dreigende blikken, wijdse gebaren, opengesperde ogen, gefronste wenkbrauwen, stemverheffingen en gefluister, gebalde vuisten, priemende vingers, alles erop en eraan.
Behalve de woorden.
Maar die komen wel.
Vrees ik.

Anna leest heel graag, maar ze kijkt ook heel graag.
Ik heb twee klassiekers voor haar gekocht: Tiny in de bergen en Tiny op de boerderij.
Al heel vroeg was Anna gefascineerd door het prentje waarop Tiny op haar rug in de sneeuw ligt met haar ski’s hoog in de lucht.
Ze had nog nooit sneeuw gezien, laat staan ski’s, maar ze bladerde altijd meteen naar dat prentje en riep dan verheugd: boem patat!
Sindsdien heet Tiny eigenlijk Tiny Boem Patat.
En wij zeggen: Anna Boem Patat.
Maar dat laatste ontkent ze ten stelligste.
Een andere favoriet is het prentje waarop het gezin van Tiny aan tafel zit.
Daar kijkt ze eerst een hele tijd aandachtig naar, zet haar vingertje dan op de vader en verklaart opgetogen: papa!
Alsof de man lange tijd weg is geweest, maar nu teruggekeerd is in de schoot van het gezin.
An en ik kijken dan altijd even naar elkaar, want Anna’s papa is zwart als de nacht en Tiny’s vader is zeer blank.

Maar wat me die dag in Munte trof, toen ik Anna ging afhalen in haar schooltje, was een nog groter mysterie.
Hoe kan een kind dat thuis alle kamers van het huis vult, opeens zo klein lijken!
Ik moest me bijna bukken om haar te kunnen zien: een klein, stil hummeltje, verloren in een al te grote wereld.
En het was dan nog die idyllische dorpswereld van Munte!
Waar de bladeren zo rustgevend ritselen.
Ik wist op slag: zo’n kind hoort niet thuis in een school, ook geen dorpsschool, zelfs geen steinerschool.
Zo’n kind hoort thuis te zijn, waar het ongestoord het hele huis kan vullen.
Het is niet goed als een kind al zo vlug moet ineenkrimpen en zich diep in zijn lichaampje verstoppen.

20131202-133550.jpg

Als een steinerschool één opdracht heeft, dan is het om dat arme etherlichaam, het levenslichaam van het kind, met alle mogelijke middelen te helpen, te steunen en te versterken.
Over gewone scholen spreek ik niet eens.
Die hebben wat mij betreft ook maar één opdracht: zo vlug mogelijk steinerscholen worden!
En dat heeft niks met antroposofie te maken, maar alles met het kind zelf.
Scholen moeten kinderen niet leren leren.
Ze moeten kinderen leren spelen.
Ze moeten kinderen leren kind te zijn.
’t Is erg dat het zover is gekomen, maar ’t is nu eenmaal niet anders.
En wie het niet gelooft moet maar eens naar Annaatje komen kijken.
Of naar gelijk welk ander kind.
Daaraan moet je een school aflezen.
En aan niks anders.

20131202-133749.jpg

Advertenties