Het laatste stukje van de antroposofische puzzel

door lievendebrouwere

De Brug valt in de bus.
Altijd een spannend moment: wat zal er dit keer in staan?
Nummer 82 (reeds) opent met de vraag:
Hoe staat het met de Antroposofische Vereniging?
In antroposofische kringen is dat een geliefde vraag.
Om de zoveel tijd vragen antroposofen zich af hoe het verder moet, hoe het beter kan, wat de problemen zijn.
En daarna doen ze gewoon weer verder.
Dat is althans de indruk die ik krijg.

Zo lees ik in het eerste artikel van ene Steffen Hartmann dat hij in Dornach drie stromingen waarneemt: de moderniseerders (Bodo von Plato, Paul Mackay en co), de bewaarders (Sergej Prokofieff en Peter Selg) en Judith von Halle (de vrouw-met-de-stigmata).
Dat doet bij hem de vraag rijzen: hoe komen we tot een vruchtbaar ‘samen-in-onze-tegenstellingen’?
Hij citeert in dat verband Anton Kimpfler: ‘Als alle antroposofen zouden samenwerken, dan was de antroposofie de sterkste kracht ter wereld.’

Een tweede artikel is van de hand van Johannes Greiner.
Hij schrijft:

‘De talloze conflicten die sinds de dood van Rudolf Steiner in de Antroposofische Vereniging gewoed hebben, zijn een van de treurigste zaken voor iemand die zich in de antroposofie verdiept. Ook vandaag nog gaat er zoveel kracht verloren aan vitterijen en wederzijdse bestrijding.
Alsof Rudolf Steiner ons tot inquisitie aangezet heeft!
Toen hij merkte dat hij niet veel tijd meer had, hield hij de karmavoordrachten. Dat is zijn nalatenschap aan ons.
Uit het inzicht in het verleden kan men zijn eigen opgaven aflezen en vooral: zich bewust worden van de eigen schaduw. Samenwerken met mensen die de eigen dubbelganger spiegelen is de karmische kunst van de toekomst!
Als men het niet kan opbrengen om bij zijn eigen handelen voortdurend een tegengewicht te creëren dan doen anderen dat voor ons. Als we bij de oude gewoonte blijven om de tegenstander te bestrijden en alleen het eigen standpunt te laten gelden, dan stort alles in.

Om concreet te worden, wil ik een blik werpen op het Goetheanum.
Daar hebben zich de laatste jaren twee tegengestelde groepen gevormd, zo meen ik althans waar te nemen.
De ene groep wil in alle eerbied het werk van Rudolf Steiner verzorgen, de esoterie verdiepen en de christologie in het centrum stellen van het eigen streven.
De tweede groep richt de blik meer naar de buitenwereld en vraagt hoe men de antroposofie in de wereld kan plaatsen zonder deze te veel af te schrikken.
Deze twee groeperingen zijn als dag en nacht, als yin en yang.
Ze roepen elkaar als tegenstelling op.
Als er geen derde element als bemiddelaar tussenkomt, dan kan uit de strijd slechts de onderdrukking van één van beide volgen.
Een grondimpuls van de Weihnachtstagung was een verbinding te leggen tussen de openheid naar de wereld en de innerlijke arbeid, een verbinding zoals tussen de twee koepels van het eerste Goetheanum.’

20131213-121929.jpg

Tot zover Johannes Greiner.

Ik ben het volledig eens met beide auteurs, al heb ik zo mijn twijfels bij Judith von Halle als ‘derde stroming’.
Mij lijkt ze tot de ‘stroming’ van Prokofieff te behoren, ook al ligt ze juist met hem zwaar in de clinch.
Zo gaat dat: de grootste ruzie maak je altijd met ‘verwanten’.
Daarom maken antroposofen ook zoveel ruzie: omdat ze allemaal (geestelijk) verwant zijn.
In feite zijn antroposofen kleine kinderen: ze maken voortdurend ruzie.
Dat hoort nu eenmaal bij de jeugd.

De vraag is natuurlijk of antroposofen na 100 jaar al niet wat volwassener zouden moeten zijn.

Op het eerste gezicht ben je geneigd daar volmondig ja op te antwoorden.
Maar als je ziet hoe de twee meest vooraanstaande antroposofen – Marie von Sivers en Ita Wegman – niet eens konden wachten tot Steiners assen koud waren om elkaar in de haren te vliegen, dan vraag je je af: waren die twee werkelijk zo kinderachtig of was er meer aan de hand?

Toen ik las wat Hartmann en Greiner schrijven, moest ik onwillekeurig aan Anna denken, onze kleindochter die dit weekend bij ons logeerde.
Dat leverde volgend tafereeltje op.

Ik zit vooraan in mijn zetel-naast-de-kachel aan mijn blog te werken, en An en Anna zijn in de keuken bezig.
Ga je drinkbeker eens halen, hoor ik An zeggen.
Die beker staat vlak naast me, op een stapel boeken, precies op Anna’s ooghoogte.
Dat wordt dus een makkie.
Anna komt vanuit de keuken aangestoven, wild enthousiast over de haar opgedragen taak.
Vlak voor de beker blijft ze staan.
Ze kijkt speurend om zich heen.
Ze werpt een blik in haar poppenbedje, doet de deur van haar kastje open, tilt de kussens van de sofa op.
Niks.
Verbaasd kijkt ze rond.
Ze staat weer vlak voor de drinkbeker.
Je zoekt het te ver Anna, zeg ik, het is vlakbij!
Terstond laat ze zich op haar knieën vallen en steekt haar hoofd onder de kast.
Anna toch!
Ze springt weer overeind en haalt haar schoudertjes op, beide handjes omhoog stekend als om te zeggen: beker is weg!
Hij staat vlak voor je neus, dummie!
Ze kijkt opnieuw, maar ziet nog altijd niks.
Ik begin nu luid te lachen en er verschijnt een blik vol onbegrip in haar donkere ogen.
Ik sta op, grijp haar hoofdje met beide handen vast en duw haar neus op de drinkbeker.
Geen reactie.
Wel verrek, denk ik.
Ik laat echter niet los, en op een gegeven moment rolt de knikker van haar aandacht dan toch in de goede richting.
Eureka, de beker, ze ziet hem!
Met een wilde zwaai grijpt ze het ding vast en holt ermee naar de keuken, trots op haar vondst.

Ik ga hoofdschuddend weer zitten.
Een mens vraagt zich af wat zo’n kind allemaal ziet en – vooral – niet ziet.
Ik vergeet gemakshalve dat dergelijke dingen me ook regelmatig overkomen.
Ik zie alles, behalve wat vlak voor mijn neus staat.

20131213-122123.jpg

En ik ben niet de enige.

Als An roept: waar is de …?, antwoord ik altijd: vlak voor je neus!
In de helft van de gevallen klopt het nog ook.
Als het mij overkomt, zeg ik altijd: maar daarnet lag het er niet!
En ik probeer An ervan te overtuigen dat dingen zich kunnen verstoppen.
Ik geloof dat zelf wel niet, maar ik wil de mogelijkheid toch openhouden.
Zei C.G.Jung niet dat dingen ‘wegverwonderd’ kunnen worden?
Er kunnen alleszins vreemde dingen gebeuren met iemands aandacht.
Het ene moment kun je stekeblind zijn voor iets, en het volgende moment zie je het zo helder dat je niet kunt begrijpen dat je ’t niet eerder gezien hebt.
Waaraan ligt zo’n tijdelijke blindheid?
Toeval?
Ik heb daar zo mijn twijfels over.
Vanwaar komen gedachten, invallen, inzichten?
Uit het niets.
Maar is dat ‘niets’ niet gewoon een woord voor wat we niet kennen?
Wat mij betreft, kan het net zo goed iémand zijn die me een idee ingeeft of mijn blik ergens op richt. Een geest zeg maar, een wezen dat je niet kunt zien.
En waarom zouden die geesten ook geen dingen kunnen ‘verbergen’?
Dat wil zeggen: ervoor zorgen dat we ze niet zien?

Daar moest ik dus aan denken toen ik las wat Hartmann en Greiner schrijven.
Want ik dacht: zien ze het nu écht niet?
Allebei onderscheiden ze twee tegengestelde groepen (Judith doet even niet mee).
Allebei pleiten ze voor samenwerking tussen deze twee groepen.
Allebei zien ze daarin zowel het probleem als de oplossing.
Greiner heeft het ook nog eens over de Weihnachtstagung die de twee stromingen met elkaar verbond zoals de koepels van het afgebrande Goetheanum.
En alsof het nog niet genoeg is, presenteert hij Steiners karmavoordrachten als datgene-wat-hij-ons-op-het-hart-wilde-drukken.

Maar geen van beiden rept met één woord over oude en jonge zielen, terwijl iedereen kan zien dat het daarover gaat.
Ze staan met hun neus op het antwoord dat ze zoeken, en toch zien ze het niet.
Twee volwassen antroposofen, en ze gedragen zich zoals een kleuter van drie.
Want er is geen antroposoof die niet gehoord heeft van oude en jonge zielen.
Of die niet weet wat herders en koningen zijn.
Het is de oerdualiteit van de antroposofie.
Maar ze zien het niet.
Alsof ze opeens met blindheid geslagen zijn.
Alsof het zielenthema ‘wegverwonderd’ is.

20131213-122220.jpg

Ik schud mijn hoofd, net als bij Anna.
Het lijkt wel of ze het niet WILLEN zien!
Uit hun tekst valt op te maken dat ze heel goed weten waar het om gaat en wat het probleem is, maar ze krijgen de woorden ‘oude en jonge zielen’ niet over hun lippen.
Ze kunnen of durven of willen het probleem niet bij de naam noemen.
De laatste beslissende stap zetten ze niet.
De stap van denken naar doen.
De stap van theorie naar praktijk.
De stap die alles in beweging zet.

Rudolf Steiner zegt over het thema van oude en jonge zielen het volgende:
‘Als we volgens deze inzichten onze plaats in het leven bepalen, dan is dat een intensieve toepassing van de theorie op het leven. Dat iemand veel over karma praat, hoeft niet zoveel pijn te doen. Maar als het bij wijze van spreken in het eigen vlees snijdt, dan komt het al dichter bij het eigen wezen. En dat is precies wat de antroposofie op aarde wil brengen: verdieping van het wezen van de mens.’

Hartmann en Greiner doen me denken aan mensen die een puzzel maken en nog slechts één stukje moeten inpassen: de oude en de jonge zielen.
Het is maar een klein stukje vergeleken bij de vaak indrukwekkende stukken die ze al op hun plaats hebben gelegd. En toch komen ze er niet toe om dat laatste gaatje op te vullen en het beeld compleet te maken.
Waarom?
Wat houdt hen tegen?

Het is de herkenning.
Ze deinzen terug voor wat er zichtbaar zal worden als ze dat laatste stukje inpassen.
Ze deinzen terug voor het levend worden van het samengepuzzelde beeld.
Ze voelen dat ze het beeld zullen herkennen.
Dat ze contact zullen maken met wie of met wat zich (nu nog) in dat beeld verbergt.
En die ontmoeting zal alles veranderen.
Als je tussen onbekenden opeens een bekend gezicht ontdekt, dan wordt alles anders.

20131213-122355.jpg

De antroposofie gaat over de mens.
Zij wil het wezen van de mens verdiepen zodat er een ontmoeting kan plaatsvinden met de kern van dat wezen, met het diepste wezen van de mens.
Dat is, zou je kunnen zeggen, het doel van de antroposofie: de mens weer in contact brengen met wie hij in wezen is.
Want de mens is vervreemd van zichzelf.
Hij weet niet meer wie hij is.
Hij weet ook niet meer wie de ander is.
Mensen zijn vreemden geworden voor elkaar.

Ons diepste wezen – ons Ik – heeft zich in de loop der tijden losgemaakt uit zijn omhullingen, zoals ook een kind dat stelselmatig doet wanneer het opgroeit.
Op die manier wordt het stap voor stap volwassen en zelfstandig.
Die zelfstandigheid hebben we echter zwaar betaald: zonder omhulling staan we als vreemden in de wereld en tegenover elkaar.
Maar voor het eerst in de geschiedenis opent zich nu ook de mogelijkheid om de ander in zijn naakte Ik-zijn te herkennen en te ontmoeten.
Niet via ras of volk of familie of sociale klasse of welke andere omhulling ook, maar rechtstreeks van Ik tot Ik.

Dat is een grote stap, want zo’n ontmoeting is op louter vertrouwen gebaseerd.
Wordt dat vertrouwen beschaamd, dan slaat dat diepe wonden.
En voor die pijn deinst de moderne mens terug.
Maar er is meer.
Een Ik-ontmoeting vereist een totale overgave.
Anders kun je een mens niet echt ontmoeten.
Is je eigen Ik echter niet sterk genoeg, dan dreig je jezelf te verliezen in die overgave.
En dat is een nog groter gevaar dan het gekwetst worden.
Om de mens voor dat gevaar te behoeden – het gevaar dat hij niet alleen zijn omhullingen maar ook zijn Ik kwijtspeelt – is er de dubbelganger.
Hij is het (geestelijke) wezen dat ons belet de stap over de drempel te zetten als we daar nog niet sterk genoeg voor zijn.
En die sterkte kunnen we aflezen aan ons vermogen om onze dubbelganger onder ogen te zien.
Kunnen we hem onder ogen zien zonder los te barsten in verontwaardiging of afschuw of woede of geweld of welke vorm van ontkenning ook, dan zijn we er klaar voor. Dan kunnen we onze dubbelganger bewust meenemen in onze ontmoeting.
Want hij hoort bij ons, hij is een deel van ons wezen, zonder hem zijn we niet ‘heel’.
Ja, zonder hem stellen we vaak niet veel voor.

20131213-122906.jpg

Kijken we maar naar de ‘bange, blanke man’: hij is in veel opzichten een zwakke, meelijwekkende figuur, juist omdat hij reeds het grootste deel van zijn omhullingen heeft afgelegd. Hij staat daar in al zijn Ik-naaktheid en de hele wereld ligt bij wijze van spreken op de loer om dit lekkere hapje op te peuzelen.

Dubbelgangers vormen een soort internationale gemeenschap.
Ze hebben de neiging om samen te smelten met elkaar, juist omdat ze geen Ik hebben.
En dan vormen ze een enorme, dreigende kracht die het voorzien heeft op het Ik van de mens.
Want de dubbelganger wil niets liever dan verenigd worden met het Ik van de mens.
Maar hij kent slechts één manier om dat te doen: die van het roofdier.
Dat roofdier hebben we allemaal in ons.
Het vertoont zich uitgerekend op het moment dat we onze laatste omhullingen afleggen en ons Ik zichtbaar wordt.

Het loert met name op de antroposofie, waar het Ik van de mens centraal staat.
Van zodra Rudolf Steiner begon met de ontsluiering van het Ik-geheim werd hij aangevallen door demonen.
Naarmate ze doorkregen met wie ze te doen hadden, werden hun aanvallen heviger.
Ze culmineerden een eerste keer in de moordaanslag die op Steiner gepleegd werd.
Daarna volgde de brandstichting van het Goetheanum.
Een jaar later, onmiddellijk na de Weihnachtstagung, sloegen ze opnieuw toe.
Negen maanden later, kort na de onthulling van het zielenthema, maakten ze een eind aan zijn openbare leven.
Zes maanden later stierf Steiner en opnieuw sloegen ze toe: ze scheurden de hele Antroposofische Vereniging in twee en legden ze lam.
Volgens Ita Wegman was er een rechtstreeks verband tussen deze scheuring en de opkomst van Hitler.
Hitler zorgde ervoor dat heel Europa in twee gescheurd werd.
En daarmee was het nog niet gedaan.
Het ‘verscheuren’ gaat door, tot op de huidige dag.

Als de antroposofie is wat ze beweert te zijn, dan hebben de ruzies in haar schoot een representatief karakter: het zijn mensheidsruzies.
Wat in de antroposofie op geestelijk (en minder geestelijk) vlak wordt uitgevochten, wordt elders in de wereld op fysiek vlak uitgevochten.
De dubbelganger van de antroposofie is in feite de dubbelganger van de mensheid.
Hij is als het ware de som van alle individuele dubbelgangers.
Een roofdier van kosmische afmetingen.
De draak zelve.

20131213-123616.jpg

Toen Rudolf Steiner – dat machtige mensen-Ik – stierf, stond de antroposofische vereniging naakt en onbeschermd tegenover de draak.
En die zag zijn kans schoon.
Hij reduceerde al die ‘spirituele’ figuren tot kinderachtige wezens die ruzie maakten over prullaria.

Ik hoor het Anna zo roepen: is mijne!

Ik ben de afgelopen 30 jaar getuige geweest van verschillende antroposofische ruzies.
Wie niet gelooft in de draak moet zich maar eens in zo’n ruzie mengen.
Je ziet mensen voor je ogen veranderen in totaal andere wezens, alsof je ze nooit gekend hebt en hun ware aard pas nu bovenkomt.
Maar het is natuurlijk hun dubbelganger die het heft overneemt.
Antroposofische ruzies zijn bijna altijd ruzies tussen dubbelgangers, ruzies waarbij de mensen en de menselijkheid ruw aan de kant worden geschoven en alle spiritualiteit in rook opgaat.
En steeds weer wordt een gemeenschap in twee gedeeld.
Steeds weer gaat het om dezelfde tweedeling: die tussen oude en jonge zielen.
Ik heb het al zo vaak zien gebeuren, en ik zie het nog altijd gebeuren.
Zoals ook nu weer in Dornach.
Het is altijd hetzelfde liedje.
En we herkennen de melodie maar niet.
Want we WILLEN ze niet herkennen.
Of beter: onze dubbelganger wil dat niet.
Want hij leeft in en van de broederstrijd.
Als we die strijd herkennen, herkennen we de dubbelganger.
En dan verliest hij zijn macht over ons.
Dat jaagt hem evenzeer de stuipen op het lijf als hij ons de stuipen op het lijf jaagt.
Want hij vreest het menselijke Ik kwijt te raken en in peilloze diepten neer te storten.
De mens is namelijk zijn enige hoop op verlossing.
Daarom klampt hij zich aan ons vast alsof zijn leven ervan afhangt.
En wij duwen hem van ons af alsof … ons leven er eveneens van afhangt.

Dat is de tragiek van onze relatie met de dubbelganger.
Het is ook de tragiek van de relatie tussen oude en jonge zielen.
Want zij zijn elkaars dubbelganger.
Of beter: zij zien hun dubbelganger in elkaar.
Want dat is wat dubbelgangers doen: zij projecteren zichzelf op de ander.
En hoe meer die ander op ons lijkt, hoe groter de verwantschap is, des te duidelijker is de projectie.
Daarom zijn broedertwisten de ergste van allemaal.
‘Broers’ zien hun dubbelganger zo duidelijk in de ander dat ze het niet kunnen verdragen en de spiegel – hun broeder dus – willen stukslaan.

De enige manier om dat te vermijden, is door onszelf in de (verafschuwde) ander te herkennen.
Maar dat is juist de zwaarste opgave.
Onszelf herkennen in datgene of diegene die we het meest verafschuwen?
Dat voelt als … zelfvernietiging.

Ik herinner me ooit een boek gelezen te hebben waarin het Duitse en het joodse volk met elkaar vergeleken werden.
En wat bleek?
Ze waren ‘broers’: ze spiegelden elkaar op tal van gebieden.
De Duitsers herkenden zichzelf in de joden, maar niet bewust.
En daarom probeerden ze de joodse spiegel te vernietigen zodat ze niet langer met hun spiegelbeeld geconfronteerd zouden worden.
Maar juist het vermijden van die (bewuste) confrontatie bracht hen op de rand van de totale zelfvernietiging.

20131213-123826.jpg

Dat is dan ook – nog altijd – de keuze waarvoor de mensheid staat: zelfherkenning of zelfvernietiging.
We moeten kiezen tussen de gevoelsmatige zelfvernietiging (die een gevolg is van het bewuste herkennen van de eigen dubbelganger) en de reële zelfvernietiging (die een gevolg is van het uit de weg gaan van die herkenning).

De pijn van de ontmoeting met de dubbelganger – de zelfherkenningspijn van het menselijke Ik – mag absoluut niet onderschat worden.
De dubbelganger gaat tekeer als een roofdier dat in de val zit.
Hij kan diepe wonden slaan.
Ik herinner me nog een familie-uitstapje in de Ardennen.
We hadden zowat de hele dag in de wilde natuur gewandeld toen we aan de rand van een bos opeens een buizerd aantroffen die in een klem was terechtgekomen, u weet wel zo’n ding met tanden dat dichtklapt en niet meer opengaat.
Het was een hele klus om dat dier te bevrijden.
Want het was niet blij om ons te zien, wel integendeel.
Van zodra we naderden sloeg het wild met zijn vleugels en haalde het uit met zijn bek en zijn ene vrije klauw.
De buizerd zag ons als de vijand en hij vocht voor zijn leven.
We moesten dus én dat wilde dier in bedwang houden én die klem openkrijgen.
Dat vergde een nauwe samenwerking, maar na een verwoed gevecht slaagden we erin de buizerd vrij te krijgen.
Hij koos meteen het luchtruim.
Een bedankje kon er niet af.
Waarschijnlijk klopte zijn hart al even fel als het onze.
Maar onze dag was goed.
We hadden een kwaad ongedaan gemaakt.

De dubbelganger is een roofdier dat niet zonder handschoenen mag worden aangepakt.
Hij is werkelijk gevaarlijk.
Maar het gevaar bestaat vooral uit onwetendheid, aan beide kanten.
En juist daarom heeft Rudolf Steiner ons – op de valreep – het weten geschonken omtrent de oude en de jonge zielen.
Het was het laatste stukje van de grote antroposofische puzzel.

Op het eerste gezicht lijkt het onaanzienlijk, een beetje banaal zelfs:
Er zijn twee soorten antroposofen.
Het klinkt bijna kinderachtig, alsof ook de antroposofie zijn cowboys en indianen telt.
Dan kun je het toch beter hebben over de rozenkruisers, of over de manicheïsten, of over de Michaëlstroom, of de graalstroming.
Dat klinkt veel spiritueler.
Maar nee, oude en jonge zielen.
Antroposofie voor kinderen …

20131213-124037.jpg

We vergeten echter dat Steiner zijn grote liefdesoffer op kerstmis bracht, in een soort stal: het schrijnwerkersatelier, de werkplaats van de timmerman.
De koninklijke antroposofische tempel was afgebrand.
De antroposofie stond als het ware op straat.
Naakt en berooid.
En toen gebeurde het: Steiner werd weer kind.
Hij offerde zijn indrukwekkende geestelijke grootheid op om deel te worden van de antroposofische vereniging, een verzameling kleine kinderen die voortdurend ruzie maakten.
Hij leverde zich aan hen over, ze mochten met hem doen wat ze wilden.
En dat deden ze ook.
In plaats van zich als ouders te gedragen en de zorg voor het kind op zich te nemen, gingen ze gewoon door met ruzie maken.
Met al hun persoonlijke besognes scheurden ze Steiner als het ware in stukken.
En hij protesteerde niet, hij liet het allemaal gebeuren.
Hij was een kind geworden dat uit louter liefde bestond.
Hij had maar één boodschap meer: hebt elkander lief.

En hij gaf het voorbeeld.

Hij vertelde ook een eenvoudig verhaaltje, over twee broers, een oudere en een jongere.
Het klonk nogal onnozel, althans voor degenen die belangrijker zaken aan hun hoofd hadden.
Maar degenen die met hun hart luisterden, hoorden de stemmen uit de hoogste hiërarchieën, want van daaruit sprak Steiner tijdens zijn karmavoordrachten.
Hij had nog veel meer willen vertellen vanuit deze hoge kinderlijke sferen, maar zijn offer belette dat.
Hij was tot de daad overgegaan.
Hij had – op het allerhoogste niveau – de stap gezet van theorie naar praktijk.
En daarmee nodigde hij ons uit diezelfde stap te zetten, maar dan op ons niveau, dat van de ruziemakende kinderen, de oude en de jonge zielen.

Het was een stap waarop de demonen furieus reageerden.
Het is een stap waarop ze altijd reageren.
Dat kan afgelezen worden aan het feit dat de antroposofische vereniging die ene kleine stap nog altijd niet gezet heeft.
Bijna 100 jaar nadat Rudolf Steiner het geheim van de oude en de jonge zielen onthulde en zijn toehoorders op het hart drukte om na te denken over dit thema, is er nauwelijks een antroposoof die weet of hij een oude dan wel een jonge ziel is.
Ofschoon Steiner het zielenthema in verband bracht met het voortbestaan van de menselijke beschaving, leeft het totaal niet in de antroposofische vereniging.
Tenzij dan onbewust, in de talloze ruzies en onenigheden die de antroposofie verhinderen ‘de sterkste kracht ter wereld’ te worden, een kracht die de verscheurde wereld meer dan ooit nodig heeft.
Het is dus niet de geest van Rudolf Steiner die de huidige antroposofische vereniging bezielt, het is de geest van de dubbelganger.
Hij heeft de antroposofie stevig in zijn greep.
Hij maakt haar blind voor ‘het kind’.
Hij belet haar de drieledige constellatie te zien waarin dat kind geboren wordt: een Ik dat ontvangen wordt door twee liefhebbende ouders.
Die ouders zijn in dit geval de oude en de jonge zielen, de koningen en de herders.
Zolang zij niet samenwerken, bewust en vrijwillig samenwerken, is er in de herberg van antroposofische vereniging geen plaats voor de tot kind geworden geest van Rudolf Steiner.
Er is dan alleen maar plaats voor broedertwisten.
En voor de vraag: wat is er toch aan de hand?

20131213-124225.jpg

FRIEDRICH RITTELMEYER in gesprek met MET RUDOLF STEINER

‘Denkt u werkelijk dat de antroposofie erin zal slagen meer te worden dan een krachtige impuls in onze beschaving? Denkt u dat ze echt kan doorbreken als een nieuwe cultuur?’
Hij werd buitengewoon ernstig.
‘Als de mensheid niet aanvaardt wat haar aangeboden wordt, zal ze opnieuw honderd jaar moeten wachten’, zei hij.
Hij zag er diep bewogen uit.
En het waren niet zomaar emoties, het was meer iets als de donder van het oordeel.
Hij zei niets meer.
Nooit meer heb ik gezien (of had ik voordien gezien) hoe de ziel van een heel tijdperk kan beven in de ziel van één mens.

(Friedrich Rittelmeyer: Mijn ontmoeting met Rudolf Steiner)

Advertenties