Homeopathie-bashing

door lievendebrouwere

Onderstaande tekst is van Marnix Schaubroeck, huisarts in het Gentse therapeuticum.

Op 15 nov 2012 verscheen op de Knack-website een artikel van Brecht Decoene, moraalfilosoof, onder de titel: “Homeopathie, nogal dunnetjes”.
Het artikel lijkt mij een typisch voorbeeld van de soort “kritiek” die sceptici plegen te publiceren tegen homeopathie of andere vormen van CAM (complementaire en alternatieve geneeskunde) en was voor mij de aanleiding om onderstaande tekst te schrijven. Ook in de medische pers (Artsenkrant e.a.) verschijnen met de regelmaat van een klok gelijkaardige denigrerende artikels – sinds eind 2012 vnl. naar aanleiding van de behandeling en uitwerking van de wet Colla. Het is deze zomer gelukt om onderstaande tekst op enkele van de nieuwsbrieven die bijna dagelijks in de virtuele inbox van de Vlaamse artsen verschijnen te publiceren.

HOMEOPATHIE-BASHING

Waar ik het nog het meeste moeite mee heb is de agressiviteit waarmee de schrijvers nagenoeg altijd hun mening over CAM en CAM-beoefenaars ventileren. Zij lijken te vergeten dat zij het over (mede)mensen hebben, wanneer zij zowel de gebruikers (patiënten) als de voorschrijvers (of het nu artsen zijn of niet) neersabelen als uitbuiters, onverantwoordelijken, dommerikken, kwakzalvers,… Zij lijken te vergeten dat ook die medemens recht heeft op zijn eigen visie op mens, wereld, geneeskunde, levensinvulling. De (pers)wereld zou op zijn kop staan mocht op dezelfde manier geschreven worden over holebi’s, allochtonen, andere minderheden. Zij lijken te vergeten dat veel van de CAM-voorschrijvers, en dan in het bijzonder de artsen die met CAM werken, evengoed wetenschappelijk opgeleid zijn en in de overgrote meerderheid van de gevallen in eer en geweten vanuit hun wetenschappelijk denken met CAM werken. Anderzijds: met de termen die zij in hun argumentatie gebruiken om de “believers” belachelijk te maken, maken zij eigenlijk zichzelf belachelijk.

Het grote tegenargument dat dan telkens weer naar voor wordt geschoven is inderdaad dat van de “vermeende wetenschappelijkheid” van de CAM; of omgekeerd gezegd: over het zogezegd gebrek aan wetenschappelijk bewijs van de werkzaamheid van de CAM.
De eerste vraag die hierbij dan moet gesteld worden is deze: “Wat is wetenschap? Wanneer is iets wetenschappelijk te noemen?”. Voor het doorsnee publiek lijkt het simpel: wat door bekende figuren in de media wordt getoond, “zal wel juist zijn”. Voor wie verder denkt (“Durf denken”, met deze slogan maakt de Universiteit Gent reclame voor zichzelf) ligt het toch anders.

Aan de basis van echte wetenschap ligt in de eerste plaats: verwondering, nieuwsgierigheid, het verlangen om meer te weten over hoe mens en wereld in elkaar zitten; openheid naar wat nog niet bekend is, naar wat zou kunnen zijn. Verder: onderzoek natuurlijk, en daarbij ook dialoog met collega-wetenschappers die elk op hun manier proberen om het zijn, de werkelijkheid te benaderen.

Historisch gezien heeft hier een grote ontwikkeling plaatsgevonden, vnl sinds de 17de eeuw.
In vogelvlucht:
1. Francis Bacon, 17de eeuw: fundeert de experimentele methode als grondslag van de natuurwetenschap.
2. David Hume, 18de eeuw: stelt dat het onderkennen van causale samenhangen enkel bij herhaalde of bij grote aantallen (waarnemingen) mogelijk is.
3. John Stewart Mill, 19de eeuw: stelt dat het onderkennen van causale samenhangen enkel mogelijk is bij het vergelijken van een specifiek behandeld met een niet behandeld object (vb: groep): de methode van het vergelijkend controleren.
4. Ronald Fisher, 30er jaren vd 20ste eeuw: samenvoeging van de drie hoger gestelde voorwaarden, en toevoeging van een nieuwe voorwaarde: de randomisatie.
5. Austin Bradford Hill, 1946: de eerste wereldwijd erkende gerandomiseerde studie.
6. Henry Beecher en de Cornell Conference on Therapy, 50er jaren: voorwaarde van het blinderen.
7. 60er jaren: de gerandomiseerde dubbelblindstudie vindt ingang in de geneesmiddelenwetgeving van de Verenigde Staten, en in de jaren 70 ook in Europa.
8. 1993: de Cochrane Collaboration wordt opgericht, genoemd naar Archie Cochrane.

Tegelijkertijd nam het onderzoek in de biologie een grote vlucht, tot en met de huidige moleculaire biologie; uiteindelijk kent de medische wetenschap de mens enkel en alleen nog als een ‘zak’ water met daarin een aantal moleculen die met elkaar allerlei interacties aangaan, wat dan zou moeten volstaan om het wezen “mens” in zijn geheel te kunnen begrijpen; en bij ziekte dus op passende “moleculaire” wijze te behandelen.

De grote kritiek die men hierop kan geven is dat met de actuele methodologie de hele mens en zijn wereld gereduceerd wordt tot een (weliswaar ingewikkeld) geheel van fysica en scheikunde. Al het andere wat een mens tot mens maakt (gedachten, gevoelens, wilsimpulsen,…) zijn een soort “afscheiding” van deze scheikundige processen.

Voor het grote publiek lijkt het zo alsof hiermee de kous af is; in de pers wordt dit materialistische, mechanistische mensbeeld immers dagelijks breed uitgesmeerd. Het publiek krijgt veel minder de kans om ook meer genuanceerde of “alternatieve” visies op de mens te leren kennen. En het beseft niet dat deze genuanceerde of “alternatieve” visies vaak ook binnen de reguliere wetenschap bestaan en verdedigd worden, zij het door een minderheid van wetenschappers, waardoor de populaire pers er geen aandacht aan besteedt. Het publiek, en daarbij horen evengoed de studenten aan onze universiteiten, wordt een belangrijk stuk wetenschap onthouden!

Lees bvb eens de titels van de laatste paar jaren ivm neurobiologie (hersen-wetenschappen): “Wij zijn ons brein” (Dick Swaab), “De vrije wil is een illusie” (idem, in DM), “De ziel is een prachtige illusie” (Nicholas Humphrey, in Knack), “Beter hersentjes dan hartjes op Valentijnsdag” (Steven Laureys, in DM), “De vrije wil bestaat niet” (Jan Verplaetse, in DM),… Duidelijk, toch? Het zijn deze slogans die blijven hangen. Ook al zijn er andere titels, zoals: “Geen vrije wil? Wat een denkfout!” (Daniel Dennett, in DM), “Wij zijn méér dan 1.400 gram eiwitten en vet” (Jan Derksen, in DM), “We moeten nadenken over onze emoties” (Antonio Damasio, in DM). Minder vaak, en al wat moeilijker te begrijpen, want genuanceerder, voor de doorsnee-lezer.
Er wordt daarbij veel te weinig, of zelfs geen, aandacht besteed aan het feit dat wat historisch als wetenschap gegroeid is, in feite gebaseerd is op vóór-wetenschappelijke veronderstellingen; op veronderstellingen, oordelen die in het denken van de betreffende wetenschappers aanwezig waren/zijn, en waarop zij dan verder hun wetenschappelijk onderzoek gebaseerd hebben. We zouden het gerust vooroordelen kunnen noemen, THOMAS KUHN (wetenschapsfilosoof) noemt het paradigma’s (“De structuur van wetenschappelijke revoluties”, 1962).
De dialoog tussen believers en non-believers van CAM zou al veel verder staan wanneer beide groepen ten minste dit stuk werkelijkheid in het achterhoofd zouden (willen) houden, en zich zouden bewust zijn dat ELKE toegepaste wetenschap uitgaat van een bepaald paradigma.
Het gaat inderdaad ook om willen, om de wil hebben zich in het denken van de ander te verplaatsen, in openheid, en in respect en aanvaarding van het anders-denken van de andere. In de huidige discussie (of eerder, gevecht) is deze wil ver te zoeken. Het is dan ook een grote fout van de decanen van de Belgische medische faculteiten dat zij zich blijkbaar zonder meer afzetten tegen de CAM in België. Het is een vergissing van de studenten geneeskunde dat zij zich niet kritischer opstellen tegenover het eenzijdige mensbeeld dat zij in hun opleiding voorgeschoteld krijgen.

In andere landen zijn nochtans voorbeelden genoeg van universiteiten en instellingen die zich toeleggen op kritisch maar open onderzoek naar CAM, en naar de mogelijkheden van “integrale”, “integratieve”, “geïntegreerde”… geneeskunde (1). Het is merkwaardig hoe krampachtig de Belgische universiteiten zich hier tegen blijven verzetten.

Een gelijkluidende kritiek kan gelden voor het eenzijdig vasthouden aan de zogenoemde “evidence based medicine”, of tenminste aan een enge interpretatie van wat deze EBM moet inhouden. In de oorspronkelijke definitie van EBM (David Sackett, 1996) is EBM gebaseerd op: -1) externe evidentie (in casu RCTs), -2) interne evidentie (zijnde de ervaring van de clinicus), en -3) de wensen en voorkeuren van de patiënt. In de concrete praktijk van wat van de (huis)artsen als EBM wordt vereist dreigen de laatste twee items verloren te gaan; in zijn dagelijkse werk zal de (huis)arts de drie items weliswaar (willens nillens) nog integreren, maar wanneer het over CAM gaat kennen de critici enkel nog de RCTs als alleenzaligmakend.

In 2006 schreven Dave Holmes e.a. van de Faculty of Health Sciences aan de University of Ottawa een mogelijks ietwat vlammend betoog over EBM (Int J Evid Based Healthc 2006; 4; 180-186) . Uitgaand van ideeën van filosofen als G. Deleuze, F. Guattari, M. Foucault en H. Arendt noemen ze de “kolonisatie” van de medische wetenschappen door het EBM-denken een totalitaire ideologie, beheerst door een post-positivistisch paradigma. Hierin wordt het menselijke subject, voor wie deze wereld in de eerste plaats een vitale en existentiële betekenis heeft, ontkend. Het “regime van de waarheid” dat door het EBM-denken is gaan overheersen, sluit elke andere manier van wetenschaps-beoefening of onderzoek uit. Op deze manier versterkt het ook voortdurend zijn eigen ideologie en zaait het intolerantie tegenover andere manieren van denken.

In eigen land poneert Ignaas Devisch, professor ethiek en medische filosofie aan de UGent, op basis van de deconstructietheorie (Derrida) dat de EBM zelf niet voldoet aan haar eigen claims. “EBM beweert zich te baseren op ‘evidentie’, eerder dan op ‘intuïtie’. Het fundamentele onderscheid dat EBM maakt tussen kwantitatieve ‘evidentie’ en kwalitatieve ‘intuïtie’ is evenwel niet vanzelfsprekend (“self-evident”). De betekenis van ‘evidentie’ is onduidelijk en er zijn geen kwaliteitsvolle studies die de superioriteit van EBM in de gezondheidszorg aantonen. Deze paper (*) toont aan dat EBM, ondanks zichzelf, alleen maar de illusie hoog houdt van conclusieve wetenschappelijke rigueur in het maken van klinische beslissingen, en uiteindelijk niet in staat is haar eigen structurele criteria voor ‘evidentie’ waar te maken” … “Uiteindelijk, om dit fundamentele onderscheid te behouden moet EBM steun zoeken in (bio)politieke ideologie en in epistemologie die gelijkt op geloof”. (vertaling van ondergetekende)

De mechanistische visie op de mens en de beperkende werking vanwege de EBM-eis versterken mekaar in het maatschappelijke veld. De toenemende intolerantie zien we niet alleen in de politieke sfeer of in het dagelijkse sociale gebeuren, maar blijkbaar ook en vooral aan onze universiteiten – die nochtans vrijplaatsen van vrij denken en onderzoek (“Durf denken”!) zouden moeten zijn. Zou een gebrek aan creativiteit, ook al aan onze middelbare scholen – waar leerlingen misschien eerder in het mechanistische denken geconditioneerd worden dan dat ze er creatieve vaardigheden aankweken -, hier mee aan de basis kunnen liggen?

Dat er ook naar andere, nieuwe vormen van evidentieonderzoek wordt gezocht kan geïllustreerd worden aan het werk van het Duitse IFAEMM (Institut für angewandte Erkenntnistheorie und medizinische Methodologie e.V. – Institute for Applied Epistemology and Medical Methodology) aan de Universiteit van Witten/Herdecke. Daar is men bvb bezig met het ontwikkelen van het concept CBM, Cognition Based Medicine. (http://www.ifaemm.de/index.html)

Zo zou men ook op zoek kunnen gaan naar een ander mensbeeld dan het reductionistisch-materialistische, naar een ander paradigma. Ik laat hier de lezer zelf op onderzoek gaan, er is genoeg te vinden in de literatuur en via internet. Om aan te sluiten bij mijn voorbeeld uit de neurobiologie: men kan evengoed een theorie formuleren waar de “geest” een op zichzelf staand “wezen” is, in plaats van het product van de hersenen. Men kan zich voorstellen dat de geest de hersenen als instrument gebruikt. Wanneer men dan de oefening doet om alle als bewijs van de huidige theorie aangevoerde experimenten te kaderen binnen die “nieuwe” theorie, merkt men dat dit absoluut mogelijk is!
Het is met andere woorden een denkfout om deze experimenten te poneren als bewijs van de actueel aanvaarde theorie! Ze kunnen evengoed als bewijs voor de “geesttheorie” gelden.

Naar mijn mening zit hier het probleem: wie vanuit zijn materialistische mensvisie het concept “geest” niet kan aanvaarden, kan ook met de CAM niet om. Wie er zich wel voor openstelt, kan gedachten ontwikkelen over de werking en werkzaamheid van CAM (bvb homeopathie). Dergelijke gedachten zijn trouwens al ontwikkeld en neergeschreven door meerdere denkers – wie zoekt, kan ze vinden. Maar wie er mee aan de slag wil gaan, riskeert agressieve kritiek van de (politiek en in de media vaak invloedrijke) “non-believers”. In onze materialistisch ingestelde maatschappij heeft het reductionistische mensbeeld zich diep gesetteld. Het ligt aan de basis van (en is voorwaarde voor) het ongebreidelde consumptiegedrag, en dus ook aan de basis van de (economische en politieke) macht van (oa farmaceutische) firma’s en beleggers die er goed geld aan verdienen. Én het heeft zich meester gemaakt van het reguliere wetenschappelijk bedrijf, waaraan het zijn arrogantie verleent om andersdenkenden te denigreren. Terwijl het toch maar een “geloof, ideologie, paradigma,…” (maak zelf maar de keuze!) als een ander is!

Om een wetenschapper te citeren, ook al is hij niet-medicus (Paul De Grauwe op 23 mei 2013 in Knack):

“Als wetenschapper moet je elke hypothese zo formuleren dat het mogelijk is om die te verwerpen. Een theorie die niet verworpen kan worden is geen wetenschap. … …
Dat sommigen van mijn collega-economen zich nog altijd aan hun oude stellingen blijven vastklampen vind ik soms bevreemdend. Wellicht lijden die aan een soort van cognitieve dissonantie: ze hebben een idee en als de feiten dat tegenspreken, verwerpen ze die feiten gewoon. Blijkbaar kunnen ze maar niet aanvaarden dat er iets niet klopt aan hun theorie.’Dat moet zo zijn. Dat is gewoon zo’, zeggen ze dan. Dan wordt het haast religie, hé. … …
Wie tegen een heersende overtuiging ingaat, wie populaire modellen loslaat, heeft weinig hoop om daar op korte termijn over te kunnen publiceren. Dus kiezen veel academici ervoor om zich te conformeren, en dat komt het wetenschappelijk onderzoek echt niet ten goede.”

Moeten we niet eerder nederig zijn, luisteren naar elkaar, de waarde van elkaars denkbeelden schatten, in plaats van elkaar wederzijds af te maken als kwakzalvers? Zelf ben ik geen filosoof en trouwens ook geen homeopaat maar gewoon huisarts; ik heb gewoon in mijn praktijk gedurende 35 jaar een “geïntegreerde” invulling van de huisartsgeneeskunde leren beoefenen: een integratie van reguliere en antroposofische geneeskunde, en met frequente doorverwijzing naar bvb osteopathie, waar ik dan ook de mogelijkheden (en, inderdaad, ook de beperkingen) van heb leren kennen.

(*) ‘We hold these thruths to be self-evident’: deconstructing ‘evidence-based’ medical practice – Journal of Evaluation in Clinical Practice 15 (2009) 950-954.

Marnix Schaubroeck, Gent.

Enkele voorbeelden:

CAM-conferentie, Brussel 9 okt 2012.
http://www.homeopathyeurope.org/media/political-activities/cam-conference-9-october-2012/cam-conference-presentations

Duitsland:
http://www.uni-wh.de/gesundheit/forschung-gesundheit/forschungsschwerpunkt/

http://www.uni-wh.de/gesundheit/lehrstuhl-medizintheorie/

http://www.ecim-congress.org

http://www.brustkrebs-integrativ.de/

Zweden:
Integrative Care Science Center (met oa medewerkers vh Karolinska Institutet):
http://www.integrativecare.se/en/

Zwitserland:
Symposium Integreative Onkologie, St. Gallen
http://www.integrative-oncology.ch/

20131227-194728.jpg

Advertenties