Driekoningen-essay (deel 2: een paard van Troje)

door lievendebrouwere

In het eerste deel van mijn driekoningen-essay vertelde ik over mijn kersttijd, over hoe ik ieder jaar weer verlang naar vrede, en hoe die vrede ieder jaar weer verstoord wordt.
Alsof de duivel ermee gemoeid is.
Dit jaar was de duivel-van-dienst Joseph Beuys, de man die de Hedendaagse Kunst als een modern paard van Troje de antroposofische wereld heeft binnengehaald.
Dat binnenhalen is onder luid gejuich gebeurd. Het wordt gezien als een overwinning: eindelijk is de muur die de antroposofie scheidt van de moderne, hedendaagse wereld doorbroken!
Ik kan helaas niet delen in die feestvreugde.
Ik weet namelijk welke geest zich verbergt in de Hedendaagse Kunst.
Ik heb hem aan het werk gezien, ik heb hem aan de lijve ondervonden.
En ik twijfel er niet aan: hij zal de antroposofie ten gronde richten.

Maar dat is het ergste niet.

Het ergste is dat hij het zal doen zonder dat iemand het merkt.
Hij zal het antroposofische huis helemaal uithollen en alleen de buitenmuren laten staan.
Van buitenaf gezien, zal er niets veranderd zijn.
Integendeel, het antroposofische leven zal bruisen als nooit tevoren.
Maar het zal wel zíjn leven zijn.
Als een spin zal hij zijn prooi zorgvuldig inpakken, er zijn gif in spuiten, wachten tot de binnenkant veranderd is in een papje, en dat dan opzuigen.
Voor de antroposofen zal het zijn alsof ze ‘over de drempel’ gaan en terechtkomen in de geestelijke wereld. Maar het zal een onderwereld zijn. En daar zullen ze gevangen zitten, want in de roes van de drempeloverschrijding zullen ze niet beseffen dat ze zich in de buik van de draak bevinden.

20140112-190209.jpg

Hoe weet ik dat allemaal? Ben ik helderziend of zo? Kan ik de toekomst voorspellen?
Helemaal niet.
Ik weet het omdat ik het allemaal al eens meegemaakt heb in de wereld van de kunst.
Ik weet het omdat ik het vandaag opnieuw zie gebeuren.
En ik zie het niet alleen in de antroposofische wereld gebeuren.
Ik zie het overal gebeuren.
De geest van de Hedendaagse Kunst verspreidt zich vandaag over de hele aarde.
En hij doet dat op zijn eigen gekende manier: met een Blitzkrieg.
Er is tegen deze geest geen kruid gewassen.
Daarover maak ik mij geen enkele illusie.
Hij zal de wereld veroveren, zoals hij eerst de wereld van de kunst veroverd heeft.
Want de kunst bootst niet langer de werkelijkheid na.
Het is vandaag de werkelijkheid die de kunst nabootst.

Zoals ik al zei: dit is geen divinatie of speculatie, het is louter waarneming. Waarneming en denken natuurlijk, want deze beelden liggen niet zomaar voor het grijpen. Ze zijn in de werkelijkheid aanwezig, maar ze moeten al denkend zichtbaar worden gemaakt.
Antroposofen staan er niet voor bekend een scherp oog te hebben voor de wereld die hen omringt. In de afleveringen van ‘Das Goetheanum’ die verschenen tijdens de periode 1940-1945 werd met geen woord gerept over de wereldoorlog die buiten de muren aan de gang was.
De antroposofische blik is inderdaad vooral naar binnen gericht, en om die blik te beschermen, worden er dikke muren gebouwd.
Daar is op zich niets tegen.
De wereld heeft nood aan de naar binnen gerichte, geestelijke blik.
Maar zoals er gevaren verbonden zijn aan de eenzijdig naar buiten gerichte, materialistische blik, zo zijn er ook gevaren verbonden met de eenzijdig naar binnen gerichte, spirituele blik.
Echt bedreigend worden die gevaren echter pas wanneer ze zich verenigen, wanneer de beschermende muur tussen beide blikrichtingen doorbroken wordt, en materialisme en spiritualiteit zich vermengen.
Dat gebeurt in de vorm van een kunstwerk, want overal waar geest en materie één worden, ontstaat kunst.

20140112-190348.jpg

Het paard van Troje was een kunstwerk, en om het binnen te halen, sloopten de Trojanen de muren van hun stad.
Het werd hun ondergang.
De Griekse strijdmacht had zich te pletter gelopen op de muren van Troje, maar er was één Griek die de Trojanen van binnenuit kende en wist dat ze niet zouden kunnen weerstaan aan een kunstwerk dat hun zege symboliseerde.
Vandaag herhaalt die geschiedenis zich.
De antroposofie is een spiritueel bolwerk waartegen het materialisme zich te pletter loopt.
Na 100 jaar strijd staat het nog altijd overeind.
Maar onder de ‘materialistische strijdkrachten’ is er één man die de antroposofie van binnenuit kent en die weet dat antroposofen niet kunnen weerstaan aan een kunst die haar zege symboliseert: de kunst van Joseph Beuys.
In de persoon van deze kunstenaar hebben ze een antroposoof die het helemaal gemaakt heeft in de ‘buitenwereld’ en dus het ideaal van de antroposofie belichaamt.
Want de antroposofie wil geen klein spiritueel bolwerk blijven, waar de esoterische wijsheid zorgvuldig behoed wordt, zoals dat in vroeger tijden gebeurde. Nee, de antroposofie wil een vereniging zijn die tegelijk esoterisch en exoterisch is. Ze wil helemaal in de moderne, hedendaagse wereld staan. Ze wil die wereld bevruchten met haar geestelijke impuls.

En dat is het ideaal dat Joseph Beuys in hun ogen belichaamt.
Zijn hele leven heeft hij de antroposofische ideeën verkondigd, niet binnen de antroposofische muren zoals gebruikelijk, maar erbuiten, in de moderne, hedendaagse wereld. En hij werd daar niet weggehoond en bespot, nee hij werd daar bewonderd en geëerd, en hij groeide uit tot één van de bekendste kunstenaars van de 20ste eeuw.
Van zo’n succes kan een antroposoof alleen maar dromen.
Ja, in feite is Joseph Beuys de allereerste antroposoof die erin geslaagd is de ondoordringbare muur tussen antroposofie en moderne wereld te doorbreken.
Zelfs Rudolf Steiner is daar nooit in geslaagd.

20140112-190531.jpg

Het valt dus te begrijpen dat Joseph Beuys veel enthousiasme losweekt onder moderne antroposofen, dat ze hem zien als een eerste zwaluw die de antroposofische lente aankondigt, en dat hij voor hen een lichtend voorbeeld is dat ze willen volgen.
Ik begrijp dat allemaal heel goed.
Maar ik begrijp ook dat dit mes aan twee kanten snijdt.
Langs de bres die de antroposofen in hun muur hebben geslagen toen ze Joseph Beuys triomfantelijk binnenhaalden, kan de antroposofische geest zich inderdaad over de moderne, hedendaagse wereld verspreiden en doen wat van haar verwacht wordt en wat haar wezenlijke opgave is: de wereld bevruchten.
Maar ook het omgekeerde kan gebeuren: langs diezelfde bres kan ook de materialistische buitenwereld – vermomd als kunst – de antroposofie binnenstromen, haar verlammen met haar gif en haar helemaal leegzuigen.

In het licht van de enorme macht die het materialisme vandaag ontplooit in de wereld, lijkt het mij geen overbodige voorzorgsmaatregel om op zijn minst beide mogelijkheden onder ogen te zien.
Via Joseph Beuys en de Hedendaagse Kunst kan de antroposofie inderdaad de wereld veroveren, daar ben ik het volkomen mee eens, althans in theorie.
Maar via Joseph Beuys kan de wereld ook de antroposofie veroveren, en dat is helaas wat ik in de praktijk zie gebeuren.
Ik heb daar in het eerste deel van dit essay twee voorbeelden van gegeven, maar er zijn er veel meer.
In feite zie ik het overal gebeuren.
De ‘bres in de antroposofische muur’ is geen materiële bres, ofschoon ze zich wel in de materie uitdrukt. Het is een wereldwijd netwerk van scheuren en barsten waarlangs de materialistische geest langzaam binnensijpelt.
Maar nergens zie ik dit ‘worldwide web’ zo duidelijk als in de kunst, de kunst die zo essentieel is voor de antroposofie.

20140112-190825.jpg

De grote kracht van de antroposofie ligt in haar kunstzinnigheid, in haar streven om geest en materie met elkaar te verbinden.
Het antroposofische streven is niet louter spiritueel van aard, het is evenmin louter materieel van aard, het is beide tegelijk.
Het uiteindelijke doel van de antroposofie is om van de wereld een kunstwerk te maken, noch meer noch minder.
Juist die kunstzinnigheid onderscheidt haar van vrijwel alle andere spirituele of materialistische bewegingen.
Maar diezelfde kunstzinnigheid is ook haar achilleshiel.
Daar, en daar alleen, is de antroposofie kwetsbaar.
En dat weet de draak heel goed.
Daarom richt hij zijn pijlen op deze plek.
Dat doet hij overigens niet alleen in de antroposofie, hij doet dat overal.
Er is geen gebied dat door de draak zo geviseerd wordt als de kunst, en met name dan de beeldende kunst.
Daar vinden in onze tijd de grootste verwoestingen plaats.
En het zijn ‘kunstzinnige’ verwoestingen, verwoestingen die tegelijk geestelijk en materieel van aard zijn.

We zijn in onze tijd niet alleen getuige van de verwoesting van de kunst, maar ook van het ontstaan van de kunst der verwoesting.
Anders gezegd: het verwoesten van de kunst gebeurt op kunstzinnige wijze.
Het gebeurt van binnenuit, met de middelen van de kunst zelf.
Weten waar de achilleshiel van de kunst zich bevindt, en die zwakke plek ook nog eens feilloos raken, dat is een kunststuk, daar moet je een kunstenaar voor zijn.
Ik voel dan ook onwillekeurig bewondering, niet voor de Hedendaagse Kunst, dat wil zeggen voor de verwoesting zelf, maar voor de geest die erachter zit, die buitengewoon intelligente en ‘kunstzinnige’ geest die erin geslaagd is het gehele artistieke verleden van de mensheid in pakweg 50 jaar van de aardbodem weg te vegen.
Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier over de geest van de kunstzinnige traditie, niet over de materie, dat wil zeggen over de kunstwerken. Die bestaan nog altijd en worden nog altijd geëerd. Maar de geest waaruit ze zijn ontstaan, is dood. Hij is door de geest van de Hedendaagse Kunst als het ware met één reusachtige zwaardhouw doormidden gehakt.

20140112-191343.jpg

Hoezeer ik de ‘oude’ geest van de kunst ook liefheb, ik voel onwillekeurig ontzag voor de enorme kracht van de ‘nieuwe’ geest.
Je moet het maar kunnen: zo’n glorieus verleden met één enkele welgemikte slag vernietigen.
De antroposofie kan niet op zo’n indrukwekkend verleden bogen, integendeel, ze is nog piepjong. Toch heeft ze de afgelopen 100 jaar al heel wat gepresteerd. Alleen al het feit dat ze nog bestaat, mag als een prestatie van formaat gelden, want spirituele bewegingen zijn meestal kort van duur. De antroposofie heeft zich echter over de hele aarde verspreid: men treft ze aan van Amerika tot China, van de Noordpool tot de Zuidpool. Kwantitatief stelt het allemaal niet veel voor, maar kwalitatief wordt er overal ter wereld belangrijk werk verricht. Antroposofen zijn gedreven mensen, met een wereldvisie die tegen meer dan één stoot kan. De instellingen die ze overal opgericht hebben – scholen, landbouwbedrijven, artsenpraktijken, banken, economische associaties, wetenschappelijke onderzoekscentra, kunstzinnige initiatieven, religieuze verenigingen, zorginstellingen, ziekenhuizen, enzovoort – zijn voor veel zoekende mensen een toevluchtsoord, een thuishaven, een oord van inspiratie. Hoe bescheiden ook: het is een alternatief worldwide web.

Welnu, dit hele mondiale antroposofische web wordt vandaag geïnfiltreerd door de geest van de Hedendaagse Kunst. Overal kom je de naam van Joseph Beuys tegen, de grote voorman van deze kunst. Overal wordt hij enthousiast ontvangen, tot zelfs in Dornach. Deuren gaan voor hem open, fondsen worden vrijgemaakt, initiatieven opgestart. Met name jonge, geestdriftige antroposofen kiezen hem tot hun geestelijke leider. Ze zien in hem een eigentijdse versie van Rudolf Steiner: geen ernstige dominee met een zwart kostuum, maar een speelse, ondeugende kunstenaar die de ouderen choqueert, die uitdaagt en tot nadenken stemt. En die ouderen hebben geen verweer. Ze bekijken die vreemde nieuwlichter met wantrouwen, maar is dat niet wat ‘ouderen’ altijd doen? Het is volkomen normaal dat het oude weerstand biedt aan het nieuwe. Maar in het geval van Joseph Beuys is de oude garde machteloos. Ze moet toegeven dat de ideeën van deze avantgardist antroposofisch zijn en dat ze de jeugd weten te begeesteren. Dus wat kunnen ze anders doen dan hun bezwaren opzij zetten, in naam van de antroposofie? Een mens moet nu eenmaal offers brengen voor de goede zaak, nietwaar?

20140112-191515.jpg

En zo gebeurt het dat Joseph Beuys als een overwinnaar wordt binnengehaald.
Hij werd in Dornach zelfs herdacht op hetzelfde moment dat men de 100ste verjaardag vierde van de verbinding van de kunst met de antroposofie. Het was als één viering en daarom in zekere zin de officiële erkenning van de Hedendaagse Kunst als doel en middel van het moderne antroposofische streven.
Deze plechtige overhandiging van ‘de sleutels van de antroposofie’ aan de geest van de Hedendaagse Kunst ging vanzelfsprekend gepaard met een kunsttentoonstelling. Een leerlinge van Beuys had er niet beter op gevonden dan een zaal van het Goetheanum vol … verdroogde bananenschillen te strooien.
Voor sommige mensen (waaronder ikzelf) was dat de druppel die de emmer deed overlopen en ze deden iets ongehoords: ze protesteerden.
Zelf hoorde ik pas jaren later over de hele zaak toen ik twee artikels onder ogen kreeg die toen een fundamentele kritiek op Joseph Beuys en zijn Hedendaagse Kunst hadden geformuleerd. Voor mij was het de eerste kritische noot die ik in 30 jaar antroposofie hoorde. Ik voegde daar mijn eigen kritische noot bij, en samen ondergingen ze het lot dat alle kritiek op de Hedendaagse Kunst ondergaat: niemand sloeg er acht op.
Er kwamen in mijn geval twee ironische reacties, die het best vermakelijk vonden dat iemand zich druk maakte over die bananenschillen in het Goetheanum, en dat was dat. Ik heb nog even overwogen om op mijn beurt te reageren, maar de kans dat het tot een gesprek zou kunnen komen, was zo klein dat ik het maar opgaf.
Ik weet intussen wel dat de pleitbezorgers van de Hedendaagse Kunst de mond vol hebben van ‘kritische instelling’, ‘confrontatie’, ‘communicatie’ en ‘sociale sculptuur’, maar in de praktijk dulden ze geen enkele tegenspraak en reageren ze in de regel verontwaardigd op iedere kritische vraagstelling. Wie de vanzelfsprekendheid van de Hedendaagse Kunst niet aanvaardt, wordt beschouwd als een mens van slechte wil: hij komt niet in aanmerking voor een gesprek.

20140112-191652.jpg

Dat is in de antroposofische wereld niet anders dan daarbuiten.
De bijna totale afwezigheid van antroposofische kritiek op Joseph Beuys weerspiegelt de algemene kritiekloosheid ten aanzien van de Hedendaagse Kunst.
Het aantal kunstkenners dat ik ooit een fundamentele kritiek op de Hedendaagse Kunst heb weten formuleren, kan ik tellen op de vingers van één hand.
Vaste prik is ook dat van die klokkenluiders nadien nooit meer iets vernomen wordt. Ze verdwijnen geruisloos van het toneel.
Iedereen weet wat hem te wachten staat als hij zijn stem durft te verheffen tegen de Hedendaagse Kunst, en dus zwijgt iedereen als vermoord. Nergens is ook maar één spoor van kritiek te horen op de Heilige Hedendaagse Kunst (behalve dan die uiterst zeldzame druppels op de hete plaat). Overal heerst een ijzeren omerta die niemand straffeloos doorbreekt.

Dat is de werkelijkheid achter de Hedendaagse Kunst: een wereldwijde genadeloze dictatuur van een machtige geest waartegen geen kruid gewassen is.
Dat is ook de werkelijkheid achter Joseph Beuys, de antroposofische sjamaan die zoveel antroposofische geesten betovert.
Die (geestelijke) werkelijkheid dringt nu de antroposofische wereld binnen langs alle kieren en spleten.
Ik ken die geest al m’n hele leven, hij is mijn grootste kwelduivel.
Hij vernietigt alles wat mij lief is, hij steekt stokken in al mijn wielen.
Toen ik de antroposofie ontdekte, hoopte ik eindelijk een plek te vinden waar ik veilig voor hem was. Die illusie heeft niet lang geduurd. Ik heb hem in de antroposofische wereld zelfs beter leren kennen dan daarbuiten, juist omdat zijn duisternis zich daar duidelijker aftekent tegen het licht van de antroposofie.
De ontmoeting met Joseph Beuys is dan ook één van de grootste ontgoochelingen in mijn leven. Als een mens ook binnen de antroposofische muren niet veilig kan zijn voor de Grote Verwoester, waar dan wel?

20140112-191925.jpg

Ik heb echter leren begrijpen dat je als antroposoof niet kunt verlangen naar vrede op aarde aan alle mensen van goede wil, als je niet bereid bent de strijd met de draak aan te gaan. En daarvoor hoef je de antroposofische wereld niet te verlaten, o nee.
Dat heb ik de afgelopen kersttijd weer eens mogen ondervinden.
Ik was vast van plan mijn huis niet te verlaten en alle heilige dagen in mijn zetel naast de kerstboom door te brengen.
Maar dat was zonder de waard gerekend.
Toen ‘Antroposofie Vandaag’ in de bus viel, sloeg ik het nietsvermoedend open.
En daar was hij weer, de Herodes van mijn kerstdagen, de onvermijdelijke.
In liefst vier verschillende artikelen kwam ik Joseph Beuys tegen, twee keer expliciet en twee keer impliciet.
Het was meteen afgelopen met mijn kerstvrede.

Ik werd geconfronteerd met de vraag: wat moet ik doen?
Moet ik mijn mond houden, en de lieve vrede bewaren?
Of moet ik mijn mond opendoen, en Herodes wakker maken?
Dat is geen eenvoudige vraag.
In het verleden heb ik altijd gereageerd als ik deze kindermoordenaar zag verschijnen.
Ik kon mijn weerzin niet beteugelen.
Ook al verscheen hij in al zijn glorie tijdens de feestelijke afsluiting van een steinerschooljaar, ik stond op en klaagde hem aan.
Dat werd mij kwalijk genomen door ouders, leerkrachten én kinderen.
Hoe haalde ik het in mijn hoofd om dergelijke dingen te zeggen over mensen die zich het hele jaar hadden ingezet voor de school en de kinderen!
Waar was ik trouwens geweest dat hele jaar?
Men had me niet eens gezien!
Maar nu iedereen welverdiend aan het feestvieren was, verscheen ik om ieders vreugde te vergallen!
Wie was nu eigenlijk de Herodes?

20140112-192035.jpg

Ik droop af als een geslagen hond, met de staart tussen de poten.
Ik moest bekennen: ik had het feest verstoord met mijn geblaf.
Ik had leerkrachten in tranen doen uitbarsten.
Ik had ouders vol afkeer naar me zien kijken.
Ik had zelfs de verontwaardiging van de leerlingen gewekt.
Nee, ik had er absoluut geen goed gevoel bij.
Ik voelde me smerig, en ik had diepe spijt van wat ik gezegd had.
Maar van één ding had ik geen spijt: dát ik gesproken had.
Trots was ik er niet op, want ik had een figuur geslagen.
Maar ik had het tenminste geprobeerd.
Ik had geprotesteerd.
En toen ik nadien de kinderen van de klas – letterlijk en figuurlijk – in hun ondergoed zag staan, wist ik dat ik me niet vergist had.
Voor hen was ik opgekomen, al beseften ze dat zelf niet.
Ze beseften niet dat ze misbruikt werden.
Ook de ‘misbruikers’ beseften dat niet.
Ze waren ervan overtuigd in de geest van de Hedendaagse Kunst te handelen.
En wat kon daar verkeerd mee zijn?

Ik heb al die mensen gebruskeerd, al vermoed ik dat het nauwelijks tot hen doordrong.
Ze vonden het al te vergezocht wat ik zei, en de manier waaróp ik het zei bevestigde dat alleen maar.
Toen ik jaren later vernam dat diezelfde geest van de Hedendaagse Kunst ook in Dornach feestelijk ontvangen was, herhaalde de geschiedenis zich.
Ik protesteerde opnieuw, ik wekte opnieuw verontwaardiging en ik droop opnieuw af.
Als ik herlees wat ik toen geschreven heb, schaam ik me diep.
Maar ik schaam me over de vorm, niet over de inhoud.
Ik heb geen spijt dát ik geprotesteerd heb.
Iemand moest het doen, ook al was die iemand niet opgewassen tegen de geest waartegen hij protesteerde.

20140112-192154.jpg

En nu gebeurt het dus opnieuw.
There is a system in this madness.
Opnieuw zie ik – tijdens de kersttijd dan nog – een geest verschijnen die een diepe weerzin in me oproept, die mij letterlijk ziek maakt.
Ik zou me veel beter voelen als ik hem negeerde.
Het zou voor iedereen veel aangenamer zijn als ik mijn mond hield.
Maar er zou iets blijven knagen.
Mijn geweten zou geen rust hebben.
Zeker, ik zou het het zwijgen kunnen opleggen.
Dat zou mij, en ook anderen, vele voordelen opleveren, voordelen waar ik heel erg naar verlang.
Maar ik wil het niet, ik kan het niet.
Al m’n hele leven weiger ik dat zwakke, beverige stemmetje van mijn geweten de mond te snoeren als ik weer eens tegenover de Herodiaanse geest van de Hedendaagse Kunst kom te staan.
Ik zoek die afschuwelijke geest niet op, integendeel, ik probeer hem juist zoveel mogelijk te vermijden.
Maar ieder jaar komt hij mijn kersttijd verpesten, en ik wil nu toch eindelijk eens weten waarom.
Daarom schrijf ik dit ‘Driekoningen-essay’: in een (zoveelste) poging om de geest te begrijpen die mij al m’n hele leven kwelt, de geest die mij voor een verbijsterend raadsel stelt, de geest die mij niet los wil laten, de geest van de Hedendaagse Kunst.

Ik ken de risico’s die daarmee verbonden zijn.
Waarschijnlijk zal ik weer mensen voor het hoofd stoten.
Waarschijnlijk zullen mensen weer denken: o nee, niet opnieuw!
Waarschijnlijk zal ik een pak lezers verliezen.
Maar ik doe het toch.
Ik wil verlost raken van die pesterige Hedendaagse Geest.
En dat lukt nooit door hem te negeren.
Dus moet ik hem onder ogen zien.
En mijn diepe, diepe walg beteugelen.
Want hij is mijn dubbelganger.
Hij is mijn hoogstpersoonlijke kwelgeest, de nagel aan mijn doodskist.
Ik haat hem uit de grond van mijn hart.
Hij belichaamt alles wat ik verafschuw.
Hij is het kruis dat ik moet dragen, en waaraan ik weer eens gespijkerd zal worden.
Maar als ik dat niet accepteer, dan wordt dat kruis op iemand anders’ schouders gelegd, dan wordt iemand anders aan het kruis genageld, een onschuldig kind.
En dat kan ik niet hebben.

20140112-192847.jpg

Daarom trek ik weer eens ten strijde tegen de geest van de Hedendaagse Kunst, tegen die monsterachtige draak die zich voedt met onschuldige kinderen.
Ik zal die strijd weer smadelijk verliezen, maar het is al verliezend dat men wint van de draak.
Ik voel me bovendien gesterkt door de droom die ik had tijdens een van de heilige nachten, de droom waarin ik aan tafel zat en driekoningentaart at met een gangsterbende. Het was mijn buurman die op de boon beet en ze vloekend voor mij op tafel gooide, de boon die van goud bleek te zijn.

Ik hoor in antroposofische kringen al jaren spreken over de twaalf heilige nachten en over de heel bijzondere mogelijkheid die er dan bestaat om contact te maken met de geestelijke wereld.
Dat laatste lukte me nooit.
Mijn kerstnachten waren allesbehalve heilig, en dromen deed ik nooit.
Tot dit jaar.
Toen was er die slapstick-droom over die gangsterbende.
Niet bijster spiritueel, als je ’t mij vraagt.
Maar hé, ik ben een beginneling, het was mijn allereerste kerstdroom!
We zullen nu eens zien wat er waar is van al die mooie verhalen over de heilige nachten van de kersttijd.
We zullen eens zien of ik in staat ben mijn dubbelganger wat goud te ontfutselen.
Want the proof of the pudding is in the eating, isn’t it?

20140112-192350.jpg