Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: januari, 2014

And the beat goes on

20140127-094539.jpg

Het schandaal(tje) rond het jongste boek van Kristien Hemmerechts is een sappig verhaal dat niettemin heel leerzaam is.
Zo vertelde ik zaterdag nog dat een jonge en succesvolle boekhandelaar uit Gent ‘De vrouw die de honden eten gaf’ niet in zijn winkel wilde omdat hij het een pervers boek vond. Voor ‘dat soort boeken’ moest je maar naar de buren gaan, zei hij.
Tenminste, dat was wat De Morgen vertelde.

In De Standaard lees ik vandaag een ander verhaal.
De reden waarom Bart Van Aken de jongste van Hemmerechts weigert te verkopen, is niet dat het een pervers boek is. Hij vindt het doodgewoon een … kutboek.
Of dat nu werkelijk de uitdrukking is die Van Aken gebruikt heeft, is de vraag.
Misschien dacht de redacteur: laat ik maar in de stijl van Hemmerechts blijven, want die neemt woorden als kut, lul en kont graag in de mond.
Met de huidige ‘literaire’ journalistiek heb je er in feite altijd een beetje het raden naar wat er werkelijk gezegd of gebeurd is.

Dit keer valt uit de context op te maken dat Bart Van Aken met ‘kutboek’ bedoelde (ik citeer): ‘een literair lamentabel en simpelweg slecht boek’.
Hij verklaart geen enkel boek van Kristien Hemmerechts te verkopen omdat hij haar werk ‘slecht en literair niet relevant’ vindt, met uitzondering van haar debuut ‘Een zuil van zout’.
Hij verwijst daarmee (bewust of niet) naar een veel voorkomend fenomeen, althans bij Vlaamse schrijvers: ze schrijven één succesvol boek en blijven daar dan de rest van hun leven op teren.
Alles wat ze daarna nog schrijven is slechts een flauwe doorslag van hun eerste boek. Eendagsvliegen dus, die die ene dag rekken tot een heel leven.

De kans is groot dat Kristien Hemmerechts een van die vele eendagsvliegen is.
Ik heb in het verleden een paar keer geprobeerd om een boek van haar te lezen – was zij niet een grote naam en moest ik toch op z’n minst eens iets van haar gelezen hebben? – maar verder dan een paar bladzijden ben ik nooit geraakt.
Ik herinner me nog dat ik haar eerste boek las, het boek dat in de ogen van Bart Van Aken wél genade vindt. Ik ben tot halverwege geraakt, maar toen kon ik niet meer. Het boek was oervervelend en van een doodse grijsheid. Een beetje zoals een schilderij van Luc Tuymans.

20140127-113347.jpg

En volgens Bart Van Aken zijn Hemmerechts’ andere boeken nóg slechter.

Ik ben dus geneigd de man te geloven als hij zegt dat ‘De vrouw die de honden eten gaf’ een prul is.
Maar daar staat dan weer tegenover dat het boek in Nederland – toch veel meer een boekenland dan Vlaanderen – zeer goed onthaald wordt.
Wat moet een mens dáár weer over denken?
Moet de Vlaamse kritiek (ook in Kortrijk is er een ‘betere’ boekhandel die het boek weigert) werkelijk toegeschreven worden aan het Dutroux-trauma?
Of moet de Nederlandse lof toegeschreven worden aan de fascinatie voor het ‘exotische’ Vlaanderen?

Nee, het is dezer dagen niet eenvoudig om achter de waarheid te komen, zeker niet wanneer het literatuur en kunst betreft. Bestáát die waarheid trouwens wel? Is kunst geen kwestie van smaak en valt daar bijgevolg niet over te twisten?

Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, kun je natuurlijk eeuwig blijven palaveren over een boek als ‘De vrouw die de honden eten gaf’. Dat is een goede zaak voor de verkoop en voor het media-circus (dat overigens ook alleen maar geïnteresseerd is in verkoop). Maar op die manier wordt kunst stiekem een economische zaak en moet een schrijver of kunstenaar er in de eerste plaats voor zorgen dat hij naambekendheid verwerft, want dat zorgt voor de verkoopcijfers.
Kristien Hemmerechts lijkt dat heel goed te begrijpen, want ze is dezer dagen niet uit de media weg te slaan en poseert met graagte voor fotografen allerhande.
Haar boek zal ongetwijfeld een commercieel succes worden. En dat is het belangrijkste, want de literaire kwaliteit, ach, dat is toch maar een kwestie van smaak, nietwaar?

Als die vraag evenwel ontkennend wordt beantwoord, liggen de zaken heel anders.
Dan doe je zoals Bart Van Aken: je verkoopt het boek eenvoudig niet.
Als alle boekhandelaars dat deden – omdat ze simpelweg zagen dat het een slecht boek is – dan zou de uitgeverij met al haar exemplaren blijven zitten en zou ze wel eens twee keer nadenken voor ze nog een boek van Hemmerechts uitgaf.
Het zou dan waarschijnlijk ook vlug afgelopen zijn met het schrijverschap van Hemmerechts, tenzij ze zou proberen om een werkelijk goed boek te schrijven.
En dat zou niet alleen met haar, maar met álle schrijvers gebeuren.
Het zou kortom voor een ware omwenteling zorgen.

20140127-113804.jpg

Maar dat is heus niet voor morgen, want de overtuiging dat kunst een kwestie van (persoonlijke) smaak is, zit heel, heel diep ingebakken in het moderne bewustzijn.

Het is dus wachten tot er opiniestukken verschijnen van schrijvers die het opnemen voor Kristien Hemmerechts, want ze zijn in deze kwestie allemaal betrokken partij.
Ik ben dus eens benieuwd.
Dit geval is een soort testcase.

De reacties op ‘De vrouw die de honden eten gaf’ zijn niet min.
Ze komen niet alleen van buiten, maar ook van binnen.
Ik kan me niet herinneren dat een boekhandel (en dan nog een jonge en hippe boekhandel) ooit zo openlijk geweigerd heeft om een boek te verkopen wegens ‘te slecht’.
De vraag is nu of de schrijverswereld de verdediging van een van haar leden zal opnemen.
In eerste instantie heeft hij dat inderdaad gedaan, bij monde van Ivo Victoria, die daar dacht zijn voordeel mee te doen (reclame voor zijn eigen boek).
Maar zal hij dat ook blíjven doen, nu de wind aan het keren is?
Of zal het schrijversgild Hemmerechts laten vallen omdat ze ‘de stiel’ in gevaar heeft gebracht?
Omdat het voelt dat er een grens overschreden is?

En zal Kristien Hemmerechts in dat geval in de spiegel durven kijken?
Want ik begin te vermoeden dat ze dit (onbewust) zelf gezocht heeft.
De vraag is: zal haar bewuste zelf (h)erkennen wat haar onbewuste zelf haar voorschotelt?
Zal ze met andere woorden ook bewust over de grens durven gaan?

Zoals ik al zei: ik ben benieuwd.

20140127-114242.jpg

Advertenties

Een spreuk voor Berlijn

Het jaar 1923, dat begon met de vernietiging van het Goetheanum en eindigde met de Weihnachtstagung, was niet alleen voor de antroposofische beweging een onheilsjaar, maar voor heel Duitsland en Midden-Europa.
Terwijl Hitler in Landsberg ‘Mein Kampf’ schreef, gaf Rudolf Steiner opdracht zijn woning in Berlijn op te zeggen en alle antroposofische boeken naar Dornach over te brengen.
‘Als deze heren aan de macht komen, zei hij, kan ik geen voet meer op Duitse bodem zetten.’
Aan Anna Samweber, een medewerkster uit Berlijn, gaf hij in die dagen een spreuk mee voor de komende tijden van nood.
Zelf is hij nooit meer in de stad geweest.

Voor de vrienden in Berlijn

De mens ziet met het oog,
geschapen door de wereld.
En wat hij ziet, bindt hem
aan wereldvreugde en aan wereldleed.
Het bindt hem aan alles
wat ontstaat, maar net zo goed
aan alles wat omlaag stort
in duistere oorden van de afgrond.

De mens schouwt met het oog
geschonken door de geest,
en wat hij schouwt, bindt hem
aan hoop en aan standvastigheid van geest:
het bindt hem aan alles
wat wortelt in de eeuwigheid,
wat vrucht draagt in de eeuwigheid.

Maar schouwen kan de mens alleen
als hij het innerlijke oog
zelf voelt als deel van de godesgeest
die op de schouwplaats van de ziel
in de tempel van het lichaam
godesdaden verricht.

De mensheid vergeet steeds meer
het innerlijk van God.
Wij echter willen het heffen
in helder bewustzijnslicht
en dan de vlam der goden
over puin en as
in de harten van mensen binnendragen.
Bliksemflitsen mogen
de uiterlijke huizen
verbrijzelen tot puin,
Wij bouwen zielenhuizen
uit het staalsterke lichtweven
van het inzicht.
En ondergang van het uiterlijke
moet opgang worden
van het zieleninnerlijk.

Nader komt het leed
uit machten van de stofkracht.
De hoop blijft stralen
ook als duisternis ons omwolkt,
en zij zal eens binnendringen
in onze herinnering,
wanneer wij na de duisternis
weer mogen leven in het licht.
Wij willen niet dat deze toorts
in betere tijden ons ontbreekt,
doordat wij hem in deze tijd van smart
niet in onze ziel hebben geplant.

(Rudolf Steiner)

20140126-225330.jpg

Materialisme en kunst

Het intellect is vooralsnog het meest geestelijke in ons. Als we dat intellect echter eenzijdig ontwikkelen, zonder tegelijk ook het gevoel en de wil te ontwikkelen, dan ontwikkelen we altijd de neiging tot materialistisch denken.
Hoewel het intellect gedurende ons fysieke aardeleven het meest geestelijk in ons is, heeft het de drang naar het materialisme. We moeten namelijk niet geloven dat we het geestelijke in de mens ontwikkelen als we het intellect ontwikkelen. We ontwikkelen dan alleen het vermogen om het materiële te begrijpen. Pas door op smaakvolle, esthetische wijze ook het gemoed, het gevoelsleven te ontwikkelen, richten we het intellect op het geestelijke. En pas door de wil op te voeden, zelfs al gebeurt dat door uiterlijke handvaardigheid, leggen we in de mens de basis voor een verstand dat op de geest gericht is. Als zo weinig mensen tegenwoordig de neiging hebben het intellect op de geest te richten, dan komt dat doordat de wil zo verkeerd geschoold werd tijdens de kinderjaren.

Waardoor voeden we de wil op de juiste manier op?
We doen dat door het kind vóór alles actief te laten zijn in de kunst, door het zo mogelijk vroeg te laten luisteren naar muziek en te laten kijken naar tekeningen en schilderijen, maar ook door het in de mate van het mogelijke te laten meedoen.

(Rudolf Steiner)

GA 297 – Stuttgart, 31 augustus 1919.

20140126-161701.jpg

Driekoningen-essay (deel 6: het grote taboe)

In deel 5 van dit essay betoogde ik dat de kunst van onze tijd een gebroken kunst is, een kunst die in twee stukken is uiteengevallen.
Populair zal ik mij met die stelling niet maken, want ofschoon de hele wereld vandaag in tegengestelde stukken uiteenvalt – Oost/West, Noord/Zuid, rijk/arm, christendom/islam, palestijnen/joden, soennieten/sjiieten, progressief/conservatief, links/rechts, enzovoort – is het een groot taboe om op die ‘Grote Breuk’ te wijzen.
Zeg niet dualiteit maar diversiteit: dat is het grote hedendaagse motto.
De talloze brokstukken waarin de wereld uiteenvalt, worden gezien als een verrijking. Ze brengen kleur in een grijze, uniforme wereld. Ze bevruchten elkaar en doen een nieuwe wereld ontstaan.
Aldus de correcte visie.
Over de Grote Breuk mag niet gesproken worden.
Ook niet in de kunstwereld.
Vooral niet in de kunstwereld.
De kunst toont ons vandaag een wereld waarin het taboe zo groot is geworden dat het niet meer wordt waargenomen.
De strijd die in de sociale, religieuze, politieke en economische wereld nog volop woedt en ons belet de ogen te sluiten voor de tegenstellingen, is in de kunstwereld reeds gestreden.
Er is geen strijd meer en dus ook geen bewustzijn van de diepe kloof die de kunst in twee deelt.

De kunst van onze tijd zou een gebroken kunst zijn?
Komaan zeg, wat een idiote gedachte!
In welke tijd leef ik eigenlijk?

20140126-143325.jpg

Het grootste taboe is een taboe dat niet langer als een taboe wordt ervaren.
Het is tot een tweede natuur geworden en maakt deel uit van ons wezen.
Iedere poging om het te doorbreken wordt ervaren als een aanslag op het wezen van de mens. Het stuit dan ook op hevige, instinctieve weerstanden die tot uiting komen in heilige verontwaardiging, alsof er een kind wordt verkracht.
Die verontwaardiging is intussen deel geworden van het moderne leven.
Het is nauwelijks nog mogelijk om een redelijk gesprek te voeren. Keer op keer eindigen discussies in explosies van verontwaardiging, wederzijds wantrouwen en viscerale afkeer.
In de extremistische islam zijn de emoties reeds verhard tot fysieke explosies.
Maar in de kunstwereld zijn ze nog een stap verder.
Daar zijn geen explosies meer nodig, want er is ook geen discussie meer.
Daar heerste de vrede van een volkomen eensgezinde wereld waar andersdenkenden niet langer meer als denkenden worden beschouwd, maar als een meelijwekkende, achtergebleven soort waar men geen aandacht meer aan besteedt.

20140126-143416.jpg

Het taboe op de Grote Breuk, het bijna fysieke onvermogen om de Grote Kloof die de wereld in twee deelt onder ogen te zien, leidt tot een scheiding der geesten.
Dat is wat de kunst ons vertelt.
De mensheid raakt gaandeweg verdeeld in mensen die het taboe steeds meer ‘internaliseren’ en tot deel van hun eigen wezen maken, en mensen die zich tegen dat taboe verzetten en weigeren de ogen te sluiten voor het gebroken-zijn van de wereld.
De buitengewone gevoeligheid van de hedendaagse mens voor alles wat met racisme te maken heeft, is daar een uitdrukking van. Diep in zijn onderbewustzijn leeft het besef van de scheiding der geesten: de mensheid valt uiteen in twee soorten mensen, twee geestelijke ‘rassen’. En omdat de moderne mens er niet in slaagt die geestelijke breuk onder ogen te zien, projecteert hij ze onbewust in de materie: hij verdeelt de mensheid in racisten en antiracisten.

En dat doet hij dus ook in de kunst.
Hij scheidt de geesten.
Hij noemt ze hier geen racisten en antiracisten, maar cultuurbarbaren en beschaafde mensen.
‘Cultuurbarbaren’ zijn in feite artistieke racisten: ze maken onderscheid tussen twee soorten kunst, ze spreken over een Grote Breuk in de kunst.
De ‘beschaafde mensen’, de echte kunstliefhebbers, verzetten zich verontwaardigd tegen dit kunst-racisme: voor hen is de kunst één grote, kleurrijke familie.
Dat wil zeggen, zo was het tot pakweg 50 jaar geleden.
Want vandaag is de strijd gestreden.
De cultuurbarbaren hebben het onderspit gedolven.
Er wordt niet meer gesproken over een Grote Breuk.
Dat is trouwens nooit gebeurd.
Nog voor de barbaren tot dit inzicht konden doordringen, werd hen krachtdadig de mond gesnoerd. Ze werden uit de kunstwereld gestoten, en de vrede keerde weer.

20140126-143708.jpg

De keerzijde van die vrede is echter dat er niet meer over een gebroken kunst gesproken wordt en al evenmin over de scheiding der geesten die heeft plaatsgevonden.
Want dat is de grote paradox: het taboe op de scheiding veroorzaakt de scheiding.
Juist doordat er nergens nog gesproken wordt over de Grote Breuk in de kunst, bestaat de kunst uit twee totaal verschillende werelden waartussen geen enkel contact meer is.
Aan de ene kant zijn er de ‘beschaafde mensen’, de liefhebbers van de ene, alomvattende Hedendaagse Kunst. Aan de andere kant zijn er de ‘cultuurbarbaren’ die als varkens rondwroeten in een modderpoel van alle soorten achterhaalde, commerciële en pseudo-kunst.
Die Olympos en die onderwereld worden van elkaar gescheiden door een diepe, onoverbrugbare kloof.

Die strenge apartheid is de keerzijde van de vrede die in de kunst heerst.
Uiteraard wordt over die keerzijde nooit gesproken, want niemand wil geconfronteerd worden met ofwel het feit dat hij anderen uitstoot ofwel het feit dat hij een uitgestotene is.
Aan beide zijden van de kloof heerst een vrijwel absolute ontkenning van de apartheid.
Wie op de Olympus het taboe doorbreekt, wordt meteen in de onderwereld gegooid.
En wie daar het taboe doorbreekt, wordt genegeerd, want niemand in de onderwereld wil geweten hebben dat hij in de onderwereld leeft.

Het beeld is dus het volgende: de kunst van onze tijd is uiteengevallen in twee stukken die allebei ontkennen dat ze slechts brokstukken zijn. Ze doen alsof er niets gebeurd is en alles bij het oude is gebleven. Ze leven in volslagen ontkenning, ieder in hun eigen aparte wereld. Op die manier slagen ze erin de vrede te bewaren.
Maar die artistieke of geestelijke vrede gaat ten koste van eindeloos veel geweld in de gewone, materiële wereld.
Daar nemen de onvrede, de spanningen en het geweld hand over hand toe en dreigt ‘de strijd van allen tegen allen’ waarover Rudolf Steiner sprak.
Het is alsof de strijd die niet op geestelijk vlak gestreden wordt, dan maar op fysiek vlak moet uitgevochten worden.
Zelfs de natuur lijkt deel te nemen aan die mondiale strijd.

20140126-144023.jpg

Dit is natuurlijk geen aangenaam beeld. Het is een ronduit apocalyptisch beeld. Het is het beeld van een enorme, wereldwijde en onvermijdelijke strijd. De oorzaak van die strijd is de Wederkomst van Christus, de geboorte van ‘het kind dat alles nieuw maakt’. En zoals iedere geboorte gaat deze ‘komst’ gepaard met weeën: de oude (moeder)wereld kraakt in al zijn voegen om baan te ruimen voor de nieuwe wereld.
Die geboorteweeën kunnen niet vermeden worden, maar het maakt een groot verschil of we die weeën bewust dan wel onbewust ondergaan.
Als we de geboorte onder ogen zien, als we met andere woorden de ogen niet sluiten voor de Grote Scheiding die ophanden is – de scheiding tussen moeder en kind – dan kunnen we ons voorbereiden, dan kunnen we de pijn onder controle houden en dan weten we ook waarom we die pijn verdragen. De geboorte wordt dan een beproeving die we moedig en zelfs met vreugde ondergaan, want we weten dat het kind ons alles zal doen vergeten.
Als we daarentegen niets afweten van enige geboorte, dan zullen we in de Grote Scheiding een ramp zien die kost wat kost moet vermeden worden. In plaats van ons voor te bereiden op de geboorte, zullen we er alles aan doen om die geboorte te verhinderen, want we zien haar als een levensbedreigende ziekte die met alle middelen dient bestreden te worden.
Maar juist door die scheiding tussen moeder en kind te verhinderen, veroorzaken we een veel grotere en pijnlijker scheiding, want we brengen beider leven in gevaar.
De paradox van de geboorte is namelijk dat moeder en kind maar met elkaar kunnen verenigd worden als ze eerst gescheiden worden.

Het geweld dat de wereld vandaag in toenemende mate teistert, is het geweld van een geboorte: de geboorte van een nieuwe wereld. We verlangen ook hevig naar die nieuwe wereld, dat hoeft geen betoog. We hebben al een eeuw lang de mond vol over vernieuwing en verandering, en de wereld is in die 100 jaar inderdaad al meer veranderd dan in de voorbije 1000 jaar.
Maar de gewelddadigheid van al die veranderingen is niet enkel het gevolg van de geboorte die bezig is. Ze is in de eerste plaats het gevolg van onze onwetendheid omtrent die geboorte en de daaruit voortvloeiende pogingen om ze te verhinderen. Wat we vandaag meemaken is de strijd op leven en dood tussen een kind dat wil geboren worden en ouders die dat kind als een kwaadaardig gezwel beschouwen en het met chemo en bestraling te lijf gaan.
Het is met andere woorden een tragedie van kosmische afmetingen.

20140126-144529.jpg

Als ik dat apocalyptische beeld nu terugkoppel naar de kunst, dan wordt begrijpelijk dat de Grote Breuk niets anders is dan het moederlichaam van de kunst dat opensplijt om de nieuwe kunst op de wereld te zetten. De kloof die de kunst van onze tijd in twee deelt, is de gapende opening waardoor we een blik werpen in de schoot van de kunst. In die schoot verbergt zich het wezen van de kunst, het eeuwig jonge wezen dat zichzelf steeds vernieuwt. Maar dat wezen kunnen we nog niet waarnemen, want onze zintuigen zijn geheel gericht op de ‘buitenkant’ van de kunst, op de ‘moeder’. Nu die moeder als het ware in twee splijt, kijken we in een donker gat, een gapende leegte. En die vormt zo’n enorm contrast met de (uiterlijke) schoonheid van de moeder, dat we ontzet terugdeinzen en onze ogen sluiten.
We zijn niet in staat om de kunst – de we altijd gekend hebben in haar stralende schoonheid – te zien in haar hedendaagse toestand: die van een moeder die, ontdaan van al haar koninklijke waardigheid, zichzelf als het ware in twee scheurt.
Nee, roepen we uit, dit kan niet waar zijn!
Dit is niet de kunst zoals we die altijd al gekend hebben!
En we grijpen terug naar oude beeld van de ongebroken kunst.
We sluiten onze ogen in ontzetting voor de Grote Breuk, voor de donkere kloof die de kunst van onze tijd in twee deelt.
En we beseffen niet dat we juist daardoor een nog veel grotere breuk veroorzaken.
We beseffen niet dat we de kunst nog veel lelijker maken dan ze al is.
We beseffen niet dat we de geboorte van de Nieuwe Kunst verhinderen, ja dat we zowel de oude als de nieuwe kunst dreigen te vernietigen.
We beseffen ten slotte niet dat we, door onze ogen te sluiten, de strijd tussen moeder en kind, tussen oud en nieuw, dwingen een fysieke vorm aan te nemen, de fysieke vorm waarover we dagelijks in de kranten lezen, en waarvan we zelf ook meer en meer het slachtoffer worden.

20140126-150030.jpg

De wereld waarin we vandaag leven, is de werkelijkheid geworden wereld van de kunst.
Er is in die wereld niets wat ook niet in de wereld van de kunst is.
En juist omdat de wereld van de kunst eigenlijk reeds tot het verleden behoort – er verandert niets wezenlijks meer in die wereld – kunnen we er van op een afstand op terugkijken en er ons een beeld van vormen dat ons helpt om ook de actuele werkelijkheid te begrijpen. Misschien kunnen we op die manier voorkomen dat we in die werkelijkheid dezelfde fouten maken die we in de kunst gemaakt hebben, en dat is in de eerste plaats het ontkennen van de Grote Breuk.
Maar dan moeten we wel bereid zijn om die Grote Breuk in de kunst van onze tijd onder ogen te zien, en daarvoor moeten we breken met de (schijn)vrede die aan beide kanten van die breuk heerst. We moeten breken met de vrede op de Olympos van de Hedendaagse Kunst, wat tot gevolg zal hebben dat we verbannen worden naar de onderwereld van de massa-kunst. Maar ook daar moeten we ons verzetten tegen de onverschilligheid en gedachtenloosheid die er heersen.
We moeten ons verzetten tegen het taboe dat aan beide kanten heerst, het taboe op de Grote Breuk, en dat verzet zal ons precies in het midden tussen beide werelden plaatsen, dat wil zeggen ín de grote leegte waar beide voor terugdeinzen.
En daar, in die leegte, in die kloof moeten we het uithouden, zonder in één van beide uitersten te vervallen.
We mogen de Hedendaagse Kunst niet juichend verwelkomen als de nieuwe kunst, want dan verwisselen we het kind voor de vernietigende strijd tegen de oude (moeder)kunst.
En we mogen ook niet wegzakken in onverschilligheid en denken: het zal wel allemaal vanzelf in orde komen. Want dan verliezen we uit het oog dat de nieuwe kunst niet zonder ons bestaat. Ze zal zonder onze inspanningen nooit geboren worden. En dat kunnen geen blinde inspanningen zijn, want juist ons bewustzijn speelt een cruciale rol in haar geboorte. Het is onze wakkerheid die beslist over leven en dood. Het is ons volgehouden bewustzijn in en van de Grote Kloof of Breuk of hoe we het ook willen noemen, dat de Nieuwe Kunst geboren zal doen worden. Het is ons onderscheidingsvermogen dat moeder en kind van elkaar zal scheiden zodat ze een nieuwe en veel bewustere twee-eenheid kunnen vormen, een twee-eenheid die zonder ons niet kan bestaan.

20140126-150236.jpg

Zo hoort u het ook eens van nóg iemand anders

20140125-181645.jpg

Deze jongeman is Bart Van Aken.
Let op de zwarte bril, let op het zwarte t-shirt: Bart is cool!
Bart werd verleden jaar uitgeroepen tot Boekverkoper van het Jaar.
In Nederland is dat de hoogste eer die je in het boekhandelvak kunt behalen.
In Vlaanderen waarschijnlijk ook.

Bart Van Aken is uitbater van Het Paard van Troje, dé betere boekhandel van Gent, gelegen op de Kouter, op 20 meter van Standaard Boekhandel en op 100 meter van de Fnac, precies tussen die twee boekhandelgiganten in dus.
Je moet het maar doen!

Welnu, deze Bart Van Aken wil het jongste boek van Kristien Hemmerechts niet in zijn winkel.
Hij vindt het pervers.
Klanten die het toch willen, verwijst hij door naar de buren, ‘waar dit soort boeken wel verkocht wordt’.

Kijk eens aan!
Er bestaan blijkbaar nog principiële mensen, jonge coole ondernemende mensen dan nog.

20140125-182917.jpg

Zo hoort u het ook eens van een ander

20140124-231309.jpg

Het betoog van Kristien Hemmerechts moet zonder concurrentie het meest arrogante zijn dat ooit iemand in ‘Reyers laat’ uit zijn nek heeft geslagen. Geen geringe prestatie, gezien ook de schertsadvocaat Walter Van Steenbrugge en de overdadig bepoederde, bepommadeerde en bebotoxte pruimenkoningin Mia Doornaert er habitués zijn.

(Koen Meulenaere)

Waterman

20140124-171002.jpg

We zijn intussen in Waterman aangeland en dat is eraan te merken.
Waaraan dan wel?
Het grootste verschil met Steenbok is, althans in mijn beleving, de rust.
Wat me in januari zo trof, was de intense activiteit in de atmosfeer.
Uiterlijk viel daar nauwelijks iets van te merken, maar je voelde heel duidelijk een jeugdige bedrijvigheid, een onverzettelijke wil.
Daar merk ik nu niks meer van, integendeel, er heerst een diepe rust in de natuur die me onwillekeurig doet denken aan de augustus-sfeer van Leeuw, het tegenoverliggende teken.
Ik heb verleden jaar Kreeft, het teken dat aan Leeuw voorafgaat, vergeleken met een hogedrukpan. En dezelfde intensiteit herkende ik ook in de voorbije Steenbokmaand: een soort samengeperste energie.
Wel, al die druk is nu weg.

Toen ik een paar dagen geleden langs de vijver ging wandelen, viel me de sterke watergeur op.
Het waaide nochtans niet. In januari was het veel woeliger en natter geweest, maar geen enkele keer had ik die doordringende watergeur geroken.
Nu wel dus.
Het bracht me op de gedachte dat iets wat in januari nog in het water had gezeten – een beeld van de materie – nu in de lucht was overgegaan – een beeld van de geest.
En dat kan best kloppen met het karakter van de Waterman, want dat is helemaal geen aards teken zoals Steenbok, maar een mentaal teken.

Ik denk dat de drie maanden van kerstmis tot pasen overeenkomen met de eerste drie zevenjaarsperioden in een mensenleven.
Steenbok komt overeen met het werk aan het fysieke lichaam: het is de mens zich een plaats verovert in de materie.
In Waterman begint het werk aan het etherische lichaam: de mens begint te leren, hij gaat naar school.
In Vissen – een gevoelsteken – begint dan het werk aan het astrale lichaam: de zwangerschap van het Ik dat met pasen geboren wordt.

De etherische sfeer, die de verbinding vormt tussen materie en geest, is de menselijke sfeer bij uitstek, en dat kan wel kloppen met het typische mensen-teken Waterman.
Mensen die onder Waterman ter wereld komen, zijn meestal zeer sociale mensen.
Het menselijke en intermenselijke is hun biotoop.

Waar het hen wel wat aan ontbreekt, is het vuur dat Leeuw in overvloed heeft.
Toen ik vandaag ging wandelen, rook ik op een gegeven moment een brandende sigaret.
De geur was zo opwekkend dat ik dacht: dit is precies wat vandaag nog ontbrak.
Watermannen zijn mensen die behoefte hebben aan mensen, en dus ook aan geest.
En die ontstaat uit het contact tussen mensen, zoals vuur ontstaat uit het contact tussen stenen.

20140124-171026.jpg

Wit is de vuilste kleur

20140123-204018.jpg

Dit is Kurt Vandemaele, filmkenner en cultuurmens.
Hij is onlangs naar een film gaan kijken die hem diep heeft aangegrepen.
Luister maar:

‘Een week lang heb ik me week gevoeld als een mossel. Ik zou hoe dan ook nooit tranen genoeg gehad hebben om de schande uit te wissen die aan elk van ons kleeft die geen kleurtje heeft. Soms is wit de vuilste kleur. ‘Twelve Years a Slave’ is een horrorfilm waarin wij de slechteriken zijn. Misschien durfde ik gewoon niet te wenen. Als blanke hebben we daar eigenlijk het recht niet toe.
Hoeveel tranen er ook zullen vloeien, de film van Steve McQueen is geen moment sentimenteel. Maar zó aangrijpend dat je een steen bent als je je na afloop niet kapot voelt. Alles zit juist in deze film. Eigenlijk had hij weer Shame mogen heten, net als zijn vorige. En eigenlijk had de film die hij daarvoor draaide, Hunger, ook Shame mogen heten. Mens, je moest je schamen. Dat is wat hij voortdurend zegt. En dat hij verdomme gelijk heeft. In al zijn grootsheid doet zijn meesterwerk me heel klein voelen.
Ik heb graag van die regisseurs die tegen de dingen aanschoppen. Spike Lee was er ook zo een. Jaren de kwaadste en zwartste regisseur. Als je hem interviewde, kon je er van op aan dat hij je de huid vol schold. Omdat je blank was en je er niet voor schaamde. En je kwam met uitstekende kopij naar huis. Jammer genoeg is zijn woede getemperd. Het systeem heeft zijn kleur verbleekt.’

Op die manier wil gevoelsmens Kurt Vandemaele ons warm maken voor de film ‘Twelve years a slave’: omdat het onze verdomde plicht als blanken is om ons dood te schamen.
Waar hebben we dat nog gehoord?
O ja. In de krant, zowat elke dag.
En op de radio. En op tv.
Een beetje overal dus eigenlijk.
Wij blanken zijn door en door slecht.
Wij zijn racistisch, haatdragend, fascistisch, onverdraagzaam, islamofoob, enfin, iedereen kent de akte van beschuldiging wel.
We moeten natuurlijk wel onderscheid maken.
Er zijn ook blanken die niet zo slecht zijn: de betere blanken zeg maar.
Zij hebben zich tot taak gesteld de slechte blanken in te peperen hoe slecht ze wel zijn. En van die taak kwijten ze zich met groot plichtsgevoel en bewonderenswaardige gedrevenheid.
Ware missionarissen zijn het, die overal hun doem-boodschap verkondigen: wij zijn slecht, wij zijn zondig, wij moeten ons schamen, wij moeten boete doen.

20140123-215302.jpg

Tja, de negertjes zijn intussen allemaal beschaafd en bekeerd, dus moeten de missionarissen nieuwe werkgebieden aanboren.
Vlaanderen heeft altijd zijn zonen uitgezonden om andere volkeren tot het ware geloof te brengen, maar het heeft daarbij één volk over het hoofd gezien: het eigen volk, het Vlaamse.
Aan dat euvel wordt momenteel met brandende geloofsijver verholpen.
Vlamingen moeten boeten!

Komt het doordat ik een oom Jezuïet heb gehad en dus weet wat schijnheiligheid is?
Ik weet het niet, maar ik wantrouw boetepredikers.
Ik verdenk ze ervan genot te beleven aan dat boeteprediken.
Het is hen er niet zozeer om te doen God weer gunstig te stemmen, dan wel om er zelf beter van te worden.
Zelfverheffing door vernedering van anderen.
Daar verdenk ik hen van, zo slecht ben ik.

Om mijn verdenking te staven, haal ik er een andere filmkritiek bij, van dezelfde Kurt Vandemaele.
Dit keer is hij naar een zeer blanke film gaan kijken: ‘The Wolf of Wall Street’, de nieuwste van Martin Scorsese.
Het is eigenlijk een portret van een bijzonder degoutant soort blanken: gehaaide jongelui die mensen bedonderen, daar waanzinnig veel geld mee verdienen, en zich overgeven aan een waanzinnig decadent leven waarbij ze om de 5 seconden ‘fuck’ roepen.
Schaamde de gevoelige blanke Kurt zich bij het zien van zoveel blanke slechtheid?
O ja, leest u maar:

20140123-215423.jpg

‘Natuurlijk ga ik ook wel eens naar een film om de sleur te vergeten en gewoon het verstand op nul te zetten. Daartoe dienen nu eenmaal de lunaparken van de cinema. Je weet wel, die supermarkten waar het eigenlijk niet veel uitmaakt wat er verkocht wordt, zolang het maar opbrengt. Als je een film wil zien die je echt kan beroeren, blijf je daar beter weg. Tenzij het niet anders kan. Die dag kon het voor mij niet anders.
(…)
Toen ik kort voor het begin van de film zag hoe hele bendes voorzien van emmers zoetigheid zich alsmaar dichter in mijn buurt kwamen installeren, voelde ik de nattigheid al komen. Iets later voelde ik ze letterlijk, toen ze hun popcorn bij het uitproesten om de wansmakelijkheid op het scherm, in een bad van speeksel, als kogels in mijn nek afschoten.
(…)
Ze zaten te schateren en te bulderen wanneer Leonardo DiCaprio en zijn kompanen mannen en vooral vrouwen als voetveeg gebruikten en hun eerbaarheid aantastten. Hilarisch vonden ze het hoe die klootzakken met het vele onterecht verdiende geld mensen konden afdreigen en dwingen om naar hun stinkende pijpen te dansen. Er werd niet alleen op foute momenten gelachen, er werd gezopen en geschranst en aan beide kanten van mijn zitje lagen benen over de stoelen waar stinkvoeten aan vastzaten. Bij iedere scène gaven ze luidop hun bedenkingen. Sommige van die ploerten zaten zelfs hun maten op te bellen, wellicht om uit de dialogen te citeren. Gelukkig was de film ondertiteld, want ik moest er niet op rekenen de gesprekken op het scherm te volgen.
(…)
Toen ik na afloop van de overigens schitterende film de vele lomperiken in de zaal nog hoorde nagenieten, maakte ik me de bedenking dat ik de parels die ook door varkens kunnen geconsumeerd worden, volgende keer liever in een andere stal ga bekijken. Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn nu eenmaal meer gelijk dan andere.’

Kenner Kurt schaamde zich diep, voor … de anderen in de zaal.
Hij had wel een boetepreek willen houden om hen duidelijk te maken wat een ploerten het wel waren, maar ze zouden hem alleen maar uitgelachen hebben. Zo doen onbeschaafde lieden dat nu eenmaal met missionarissen.
En dus gaf missionaris Kurt zijn preek in De Morgen, waar hij gelezen werd door … andere missionarissen.
Daar dienen al die boetepreken dan ook voor: opdat de boetepredikers zichzelf beter zouden voelen, beter dan die varkens in hun stal …
Maar is dat niet een beetje dezelfde mentaliteit als de slavendrijvers in ‘Twelve years a slave’?
En hielden zij die mentaliteit niet in stand omdat ze er geld mee verdienden?
Daarmee wil ik natuurlijk niets gezegd hebben over Kurt Vandemaele, want het spreekt vanzelf dat hij zijn filmkritieken niet schrijft voor het geld.

20140123-215447.jpg

De vrouw die de honden eten gaf

20140123-163033.jpg

Dit is Kristien Hemmerechts, de bekendste Vlaamse schrijfster.
Ze was al een tijdje uit het nieuws, maar nu is ze er weer in.
Ze heeft namelijk een nieuw boek geschreven waarover in Vlaanderen nogal wat ophef is ontstaan.
‘De vrouw die de honden eten gaf’ gaat namelijk over Michelle Martin, de onlangs uit de gevangenis ontslagen vrouw van Dutroux.
Over die vrijlating was ook heel wat ophef ontstaan, en Kristien Hemmerechts, nooit te beroerd om de goegemeente te choqueren, heeft die ophef geprolongeerd.
Daarover toont ze zich heel verbaasd.
Ze begrijpt het niet: het boek is nog niet verschenen en het wordt al veroordeeld!

In het West-Vlaams noemen we zo iemand een ‘totentrekker’.
(Voor de anderssprekenden: een ‘tote’ is een gezicht)
Kristien Hemmerechts hangt de vermoorde onschuld uit, terwijl ze heel goed weet wat ze doet. Of niet soms?

Wel, ik denk dat het allebei is.

20140123-163100.jpg

Kijkt u eens naar de omslag van haar boek.
Mij maak je niet wijs dat Hemmerechts er niet op uit is om ophef te maken. Daarom geeft ze ook interviews aan kranten, tijdschriften, radio en tv. Er is geen betere promotie voor een boek dan een flink schandaal. En ze heeft de centen zeker nodig, want een huis op de Cogels-Osylei onderhouden: dat kost geld. Nee nee, la Hemmerechts is een gehaaide tante die de media weet te bespelen als geen, dat lijdt geen twijfel.

Maar hoe valt die doortraptheid te rijmen met haar ‘onschuld’, met de verbazing over de ophef die haar boek veroorzaakt?

Ik denk dat we hier te maken hebben met de typische gespletenheid van het moderne bewustzijn dat enerzijds onschuldig, naïef en wereldvreemd is en anderzijds geslepen, berekenend en keihard.
Tussen die twee ‘bewustzijnen’ is geen contact: de linkerhand weet niet wat de rechter doet.
In het centrum van het moderne bewustzijn heerst dus … bewusteloosheid.
De moderne mens is zich helemaal niet bewust van zijn verregaande gespletenheid.
Neem nu het prototype van dit ‘bewusteloze bewustzijn’: de politiek correcte mens.
Hij gaat vreselijk tekeer tegen zijn onverdraagzame medemensen, maar heeft geen idee van zijn eigen onverdraagzaamheid.
Als men hem daarop wijst, ontploft hij zowat, want hij waant zich juist een stuk bewuster dan anderen.
De ‘bewusteloosheid’ in de kern van de politiek correcte geest is dus niet zomaar een afwezigheid van bewustzijn, het is de aanwezigheid van een ánder bewustzijn, een bewustzijn dat niet gekend wil worden.

20140123-163333.jpg

Ik herinner mij nog een tv-gesprek tussen Kristien Hemmerechts en Marion van San.
Marion van San was de sociologe die in opdracht van de Vlaamse overheid onderzoek had gedaan naar de relatie tussen allochtonen en criminaliteit. Haar conclusies waren echter niet politiek correct (er bleek wel degelijk een verband tussen etniciteit en criminaliteit te bestaan) en dus werd het onderzoek onder de mat geveegd en Marion van San door het slijk gehaald.
Kristien Hemmerechts is zowat de meest politiek correcte aller Vlaamse schrijvers, dus een gesprek tussen die twee beloofde vuurwerk.
En dat kwam er ook.
Op een gegeven moment werd Van San de linkse theorieën en ‘sociale bewogenheid’ van la Hemmerechts beu en zei: denkt u misschien dat ik niet weet waar u woont?
Het was een verwijzing naar de alombekende Cogels-Osylei in Berchem, waar de huizen als kastelen zijn.
Dat schot trof Hemmerechts pal in haar ‘bewusteloosheid’ en wat daar toen uit opsteeg was pure haat, moordlustige haat.
Marion van San had de vinger op de wonde gelegd en die wonde was de actieve bewusteloosheid in het centrum van het moderne bewustzijn, een bewusteloosheid die veroorzaakt wordt door een van haat vervulde geest die zich slechts toont als men hem in het nauw drijft.

Het is geen wonder dat Kristien Hemmerechts ter hulp geschoten wordt door schrijvende collega’s, of beter: door de bedrieglijke bewusteloosheid die ze in zich dragen.
Zo las ik in de krant van 21 januari een opiniestuk van Ivo Victoria, die ik een tijdje geleden al eens ter sprake bracht en die de kunst verstaat om over anderen te schrijven en tegelijk reclame te maken voor zichzelf (er verschijnt binnenkort een nieuw boek van hem).
Hij vertrekt van de vaststelling dat het boek van Hemmerechts in Nederland heel goed ontvangen wordt terwijl in Vlaanderen alles draait om de relatie tussen fictie en werkelijkheid.
Die twee moeten volgens hem gescheiden worden.

20140123-163925.jpg

‘De mediaheisa in Vlaanderen hoort niet thuis in de recensie van een roman.
Hoé de schrijver de werkelijkheid heeft verwerkt en ge-roman-tiseerd, is in wezen irrelevant. Het gaat om het eindresultaat.
Ah, de wonderlijke wisselwerking tussen feit en fictie – het blijft voor velen een lastige zaak. Vooral wanneer die fictie gebaseerd is op een werkelijkheid die ons niet zint. Misschien moet onze moeizame verhouding tot die ongemakkelijke werkelijkheid de ware inzet van het debat op televisie, radio en opiniepagina’s zijn, in de hoop dat België ooit ‘uitbehandeld’ raakt van zijn post-traumatische Dutroux-stoornis. Ondertussen kunnen literaire recensenten zich dan in alle rust en sereniteit over de kwaliteiten en gebreken van de roman buigen, in plaats van hem aan de werkelijkheid af te meten en hem daarop te be- en veroordelen.’

Kijk, dat vind ik nu eens een verhelderend stukje proza, even verhelderend als dat gesprek tussen Marion van San en Kristien Hemmerechts. Want hier spreekt de geest die zich verbergt in de kern van het moderne bewustzijn en die vooral zeer actief is in schrijvers en intellectuelen. Het is niet Ivo Victoria die dit stukje geschreven heeft, hij heeft er zich alleen toe geleend. Dat zou hij nooit gedaan hebben als hij had beseft dat dit opinieartikel niet over de heisa in Vlaanderen gaat, maar over hemzelf, over het schrijversgild.

Waarom is er in Vlaanderen zoveel heisa ontstaan over een boek dat nog niemand gelezen heeft? Omdat het ‘gestoorde’ Vlaamse publiek geen onderscheid weet te maken tussen fictie en werkelijkheid?
Ja, dat is wat de Hemmerechtsen en Victoria’s graag willen geloven, want tegen die geestelijke duisternis schittert hun ster natuurlijk des te feller.
De waarheid is echter dat het Vlaamse publiek het zat is om door zijn schrijvers en intellectuelen steeds weer afgeschilderd te worden als een verzameling achterlijke gestoorden.
Het heeft geen heisa gemaakt over het boek van Kristien Hemmerechts, het heeft heisa gemaakt over Kristien Hemmerechts zelf, over haar gestoorde relatie met de werkelijkheid, over haar wereldvreemdheid, over haar hautaine gedrag tegenover het Vlaamse publiek.

20140123-164229.jpg

Dat publiek heeft de schaamteloosheid aangeklaagd waarmee Hemmerechts de heisa over Michelle Martin uitbuit, de schijnheiligheid waarmee ze de vermoorde onschuld (sic) uithangt, het gebrek aan menselijkheid van haar en haar vakbroeders.
Daar ging het om, niet om dat ene boek.

Het Vlaamse publiek is niet al te wakker, maar het voelt wel aan door welke geest Hemmerechts geïnspireerd wordt en daarover toont het zich – terecht – verontwaardigd. Het voelt zich in de steek gelaten en verraden door zijn eigen intelligentsia.
Het kijkt met stijgende afkeer naar die verwaande klasse die steeds meer haar greep op de werkelijkheid verliest en de schuld daarvoor op het publiek afwentelt.
Het is het beu om voortdurend beschuldigd te worden door intellectuelen die niet in staat zijn om naar zichzelf te kijken.
Het wil niet langer als spiegel fungeren voor die ijdele troep.

Er gaapt een diepe kloof tussen de Vlamingen en hun intellectuelen.
Verre van hun volk te ‘verlichten’ hebben die intellectuelen zich tegen dat volk gekeerd. Ze worden het maar niet moe om dat volk te kakken te zetten, om het op alle mogelijke (geraffineerde) manieren door het slijk te sleuren, om er zich zoveel mogelijk van te distantiëren.
Het is alsof de Vlaamse intellectuelen niet meer tot hun volk willen behoren, alsof ze er zich helemaal willen van losmaken.

Ik heb ‘De vrouw die de honden eten gaf’ niet gelezen. Misschien is het wel een goed boek. Misschien helpt het om te begrijpen wat er gebeurd is. Misschien is het precies wat we nodig hebben om de Dutroux-affaire te verwerken. Dat is best mogelijk (al twijfel ik er sterk aan).
Maar het is gewoon te ver gekomen.
Men is het arrogante gedrag van de hele kunstwereld meer dan beu.
Het nieuwe boek van Hemmerechts is niets anders dan een druppel die de emmer doet overlopen.

20140123-165113.jpg

In dezelfde krant lees ik een stuk van een andere auteur, ene Christophe Van Gerrewey, die zijn beklag doet over de besparingen in de kunstsector.
Hij schrijft:
‘Daardoor ontstaat een vreselijke verschraling van de maatschappij. De culturele diversiteit verdwijnt en middelmaat wordt de norm – geen grijze middelmaat, maar felgekleurde, schreeuwerige, oogverblindende middelmaat, die de dag nadien als een kauwgombel open spat en meteen door nieuw geblaas wordt vervangen. Wat een minderheid van de bevolking doet en belangrijk vindt, wordt niet meer wenselijk geacht. Alleen de grote machinerieën blijven over. De machtigen beslissen wat mag en al de rest is pretentieuze, traditionele, moeilijke marginaliteit. Wie iets anders wil, mag opkrassen. Wie niet aansluit bij de culturele grondstroom, of wie er jong, intelligent en tegendraads bovenuit wil stijgen, die moet binnenkort op geen enkele steun meer rekenen, en mag assimileren of emigreren.’

Dit is opnieuw een verhelderend stukje proza, want opnieuw geschreven door de geest die zich verbergt in de kern van het moderne intellectuele bewustzijn. Dit is niet Christophe Van Gerrewey die schrijft, anders had hij wel geweten dat wat hij hier zegt in feite over hemzelf gaat, over de culturele wereld die hij verdedigt. Want dat is helemaal geen wereld die ‘tegendraads boven de culturele grondstroom uit wil stijgen’, het is die grondstroom zélf. Het is een wereld van ‘felgekleurde, schreeuwerige, oogverblindende middelmaat’, een ‘grote machinerie waar de machtigen beslissen’.

20140123-165257.jpg

Deze tekst is een voorbeeld van hoe de Verborgen Geest die de moderne intelligentsia bezielt te werk gaat: hij projecteert zichzelf naar buiten, op de wereld, op de anderen. En daar kijken de intellectuelen dan met afschuw naar, zonder te beseffen dat ze in een spiegel kijken.
Alles wat Christophe Van Gerrewey zegt, is waar. Het geldt echter niet zozeer de anderen, dan wel hemzelf en de culturele wereld die hij vertegenwoordigt. En in plaats dat het hem nederig maakt en tot nadenken stemt, spuwt hij zijn gal op de spiegel die weigert in te zien hoe belangrijk hij wel is.
De spiegel, dat wil zeggen: de gewone, niet-intellectuele wereld, kijkt verbaasd naar dit arrogante gedrag en denkt: het zal wel koelen zonder blazen.
Maar het koelt niet.
Er komt gewoon geen eind aan de niet aflatende stroom van beschuldigingen.
En de bevolking wordt dat langzaam moe.
Ze krijgt op haar beurt een diepe afkeer van de ‘culturele klasse’ wier voornaamste bezigheid erin lijkt te bestaan zich zo ver mogelijk te distantiëren van de lage driften die (volgens haar) onder de bevolking heersen.
En zo ontstaat de vicieuze cirkel waar de Onzichtbare Geest garen bij spint.
Hij deelt de bevolking in twee – in arbeiders en intellectuelen zeg maar – en zet ze tegen elkaar op. Hij creëert als het ware twee spiegels die elkaar tot in het oneindige weerkaatsen, lees beschuldigen.

Het getuigt niet alleen van een verregaande wereldvreemdheid dat Kristien Hemmerechts niet begrijpt waarom men zich in Vlaanderen zo druk maakt over haar boek, het getuigt ook van een verregaand gebrek aan zelfkennis. Ze is zich, net als haar vakbroeders, niet bewust van de kwaadaardige geest die in haar schuilt. Ze ziet hem overal, behalve bij zichzelf.

‘De vrouw die de honden eten gaf’ is een veelzeggende titel, want de hond is bij uitstek het symbool van Ahriman. En de vrouw die deze hond te eten geeft, is heus niet alleen Michelle Martin. Zou Kristien Hemmerechts haar boek werkelijk zo geschreven hebben: in het besef dat Michelle Martin ook in haarzelf zit? Zou zij begrepen hebben dat zij zelf een vrouw is die honden eten geeft?

Dát zou pas een gebeurtenis zijn in de Vlaamse Letteren!

20140123-165514.jpg

Domheid: een moreel tekort

Dietrich Bonhoeffer was een diepgelovige protestantse dominee, die had deelgenomen aan de voorbereiding op een aanslag tegen Hitler. Toen hij wachtte op zijn executie in het concentratiekamp van Flossenburg, schreef hij het volgende: “Vast staat, dat domheid geen gebrek aan intelligentie is, maar een moreel tekort. Er zijn mensen met een buitengewoon snel verstand die dom zijn, en mensen met een traag verstand die allesbehalve dom zijn”.

20140122-203743.jpg