Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: januari, 2014

Driekoningen-essay (deel 5: over de drempel)

In deel 4 van dit essay had ik het over de magische ring die de wereld in zijn greep dreigt te krijgen. Het klinkt als een verhaal van Tolkien, maar helaas is het beeld ontleend aan de werkelijkheid. Daar zijn namelijk Nieuwe Magiërs aan het werk die iedereen willen betoveren met een combinatie van luciferische verleiding en ahrimanische agressie.
Er is maar één kruid gewassen tegen deze hedendaagse magie en dat is wakkerheid van geest.
Waar de nieuwe magiërs de mens ertoe brengen om de drempel van de geestelijke wereld in benevelde toestand te overschrijden, bestaat de remedie erin om hetzelfde te doen, maar dan bewust.
In dat bewustzijn ligt onze enige vrijheid, want over de drempel gaan we toch, of we dat nu willen of niet. De hele mensheid gaat vandaag ‘over de drempel’.

Wat er kan gebeuren als die drempeloverschrijding met een dof, niet-wakker bewustzijn plaatsvindt, hebben we in de vorige eeuw in Duitsland kunnen waarnemen, en vandaag kunnen we het nog altijd waarnemen in de Hedendaagse Kunst.
In het eerste geval was de betovering zo sterk dat ze slechts met het grootste geweld kon verbroken worden, in het tweede geval is de betovering nog steeds ongebroken.

20140122-101925.jpg

Al m’n hele leven denk ik: de betovering van de Hedendaagse Kunst kan toch niet blíjven duren! Die ballon moet toch ééns doorgeprikt worden! Er moet toch ooit een eind komen aan die verdwazing!
Maar dat gebeurt dus niet.
Integendeel, het wordt steeds erger. De betovering breidt zich uit.
Wat in de Hedendaagse Kunst gebeurd is, gebeurt nu ook buiten de kunstwereld, in de gewone werkelijkheid. Overal wordt er komaf gemaakt met de verworvenheden uit het verleden, overal wordt in naam van de vernieuwing de klok teruggedraaid, overal wordt het protest met (fysiek en/of ideëel) geweld de kop ingedrukt.
Het vervolg laat zich aflezen aan de kunstgeschiedenis: na een korte, hevige strijd zal ieder verzet verstommen en zal de vrede intreden, de doodsvrede van de onderwerping.

Ik denk niet dat die Heerlijke Nieuwe Wereld nog tegen te houden is, om de eenvoudige reden dat hij reeds bestaat. Kunstenaars reiken met hun bewustzijn in sferen waar de toekomst al gevormd is. Ze maken beelden van een werkelijkheid die nog zichtbaar moet worden, maar die op geestelijk vlak reeds een feit is. Daarom zegt men wel eens dat kunstenaars hun tijd vooruit zijn.
Afzonderlijk kunnen ze zich vergissen in het ‘lezen’ van deze nog niet gerealiseerde werkelijkheid, maar allemaal samen niet. En dus vrees ik dat een toekomst naar het model van de Hedendaagse Kunst niet meer te vermijden is.
Ze is er al, ze moet zich alleen nog ‘materialiseren’.

Het is dus zaak om de tijd die ons nog rest te gebruiken om wakker te worden en de betovering te doorbreken, want het maakt een groot verschil of we nuchter dan wel dronken over de drempel gaan.
Het gaat, zoals Bernard Lievegoed het uitdrukte, om de redding van onze ziel.
Aan de andere kant van de drempel heersen krachten waar we niet tegen opgewassen zijn en die onze ziel gevangen nemen als we er ons aan overgeven. Het is dus van het grootste belang – zowel ons persoonlijke belang als het algemeen belang – om onderscheid te maken tussen de (geestelijke) krachten die we daar ontmoeten.
En ‘daar’ is in dit geval ‘hier’: de drempeloverschrijding vindt op aarde plaats, in de dagelijkse realiteit. Maar de gevolgen ervan blijven niet beperkt tot de aarde en ons huidig leven. Ze strekken zich verder uit in de toekomst dan we beseffen.

20140122-102620.jpg

Met die toekomst hoeven we ons echter niet bezig te houden, het is hier en nu dat we wakker moeten worden.
Hoe doen we dat?
Hoe bevrijden we ons uit de ban van de ring?
Dat doen we door afstand te nemen, door achteruit te stappen, door ons los te maken van het ‘betoverende’ zintuiglijke spektakel dat voor onze ogen opgevoerd wordt.
Maar juist dat is zo moeilijk: er wordt ons geen tijd gegund om even op adem te komen en de wereld van op een afstand te bekijken. We worden meegesleurd in een duizelingwekkende ratrace, we moeten steeds harder werken, we worden steeds meer angst aangejaagd, we staan steeds stijver van de stress, enzovoort.
Vroeger was er nog de zondag met zijn verplichte rust en bezinning. Maar religie speelt geen rol van betekenis meer in het moderne leven. Die rol is overgenomen door de kunst. Daar vinden we nog ontspanning, ademruimte, inspiratie. Maar dat weet Ahriman ook, en dus heeft hij zijn pijlen op de kunst gericht, vooral op de beeldende kunst, want daaraan kunnen we het imaginatieve vermogen ontwikkelen dat de eerste stap is in het loskomen van de zintuiglijke betovering waarmee Ahriman ons gevangen houdt.

Daarom heeft hij in de vorige eeuw niet alleen in de werkelijkheid een gigantische bom heeft laten ontploffen, maar ook in de kunst.
We zijn van die ‘explosie’ nog altijd niet bekomen, integendeel, het duizelt ons nog altijd. We slagen er maar niet in te begrijpen wat toen gebeurd is. En zolang we onze aandacht alleen richten op het materieel-zintuiglijke vlak, zullen we het ook niet kunnen begrijpen, want ‘de bom’ had ook een geestelijk-bovenzintuiglijke dimensie, en die kwam met name in de kunst tot uitdrukking.

Als we die twee ‘ontploffingen’ – de fysieke en de kunstzinnige – niet als één ontploffing leren zien, dan zullen we nooit begrijpen wat er in de 20ste eeuw is gebeurd.
We moeten onze blik verruimen: we moeten kunst en werkelijkheid als een eenheid leren zien. Dat is de drempeloverschrijding die in ons bewustzijn moet plaatsvinden: we moeten de grens tussen kunst en werkelijkheid overschrijden.

20140122-103029.jpg

Zonder het te weten overschrijden we die grens voortdurend.
Wanneer we de wereld van de kunst betreden, schakelen we over naar een ander bewustzijn. Verlaten we die wereld weer, dan schakelen we terug naar ons gewone bewustzijn.
Maar we zijn ons daar niet van bewust, we schakelen niet zelf.
Niet alleen veranderen we automatisch van bewustzijn, we doen dat ook voortdurend want art is everywhere in onze tijd. Van ’s morgens tot ’s avonds zijn we omringd met kunst. Het is misschien geen grote kunst maar het zijn toch beelden, muziek, teksten, dat wil zeggen: fictie en geen werkelijkheid. En tussen die twee werelden – de reële en de fictieve – wordt in ons bewustzijn aan één stuk door geschakeld.

Dat is de drempeloverschrijding die voortdurend plaatsvindt, maar onbewust, zonder dat we het weten, zonder dat we het willen. Het is een instinctief proces dat zijn eigen gang gaat, buiten ons om.
De gevolgen zijn er ook naar. Zowel de hedendaagse werkelijkheid als de Hedendaagse Kunst worden alsmaar onmenselijker, in letterlijke zin: de mens verliest zijn greep op de grote machinerie die het moderne leven geworden is.
De vraag is dus niet óf we over de drempel gaan, de vraag is hoé we over de drempel gaan: als slaaf of als vrij mens? Of beter: als iemand die tot slaaf wordt of als iemand die vrij wordt? Want we zijn nog geen slaaf en we zijn nog niet vrij. Dat worden we pas als we ‘de drempel’ overschrijden.

Als ik kijk naar de kunst van mijn tijd, dan zie ik daar – als in een spiegel – dat de drempeloverschrijding waarover Rudolf Steiner spreekt een feit is. Maar ik zie ook dat deze drempeloverschrijding leidt tot geestelijke slavernij, tot een magische betovering die zowat de hele intellectuele en culturele wereld in zijn ban houdt.
Deze betovering breidt zich momenteel uit tot ver buiten de culturele wereld. Om met Oscar Wilde te spreken: de werkelijkheid bootst de kunst na.
Maar we zouden het net zo goed omgekeerd kunnen zien.
Als Marcel Duchamp in 1917 een pispot tentoonstelt, dringt de werkelijkheid de wereld van de kunst binnen. De kunst bootst de werkelijkheid zodanig na dat ze er niet meer van te onderscheiden is.
We zien dus twee tegengestelde bewegingen: de werkelijkheid dringt de kunstwereld binnen en de kunstwereld dringt de werkelijkheid binnen. Ik zal hier niet ingaan op de vraag van de kip en het ei. Feit is dat beide werelden elkaar doordringen en dat de grens tussen beide vervaagt. Ze verdwijnt met andere woorden uit ons bewustzijn.

Als we onze ziel willen redden uit de (geestelijke) slavernij waarin we terechtkomen als we onbewust over de drempel gaan, dan moeten we ons bewust worden van die drempel, dan moeten we de grens tussen materie en geest leren onderscheiden. Die grens ligt in ons eigen bewustzijn, maar buiten ons wordt ze zichtbaar in de grens tussen kunst en werkelijkheid.

20140122-103237.jpg

Vroeger kreeg die grens heel concreet vorm in het tempelachtige karakter van het museum, met de trappen die men diende te bestijgen en de vestiaire waar men zijn overjas diende achter te laten. Het was een ritueel dat daadwerkelijk een ‘drempel’ vormde die veel mensen afschrikte. Vandaag is die drempel zodanig verlaagd dat hij niet meer lijkt te bestaan. Maar dat is schijn. De drempel is verinnerlijkt, hij bevindt zich nu helemaal in onszelf, in de verandering van bewustzijn die we ondergaan wanneer de wereld van de kunst binnenstappen. Maar juist die bewustzijnsgrens ontsnapt aan ons … bewustzijn.
Er gebeurt iets in ons bewustzijn waar we niets vanaf weten, en het wordt het alsmaar sterker.

We worden langzaam maar zeker uit ons eigen bewustzijn gedreven. We worden gemarginaliseerd in onze eigen ziel, alsof iets (of iemand) daar onze plaats wil innemen en ons tot zijn eigendom wil maken.
De enige manier om deze slavernij te voorkomen, is een radicale omkering: we moeten onszelf weer in bezit nemen, we moeten ons eigen wezen weer veroveren, we moeten onszelf leren kennen op een dieper niveau dan tot nog toe.
En dat kunnen we nooit zonder spiegel.
Als we rechtstreeks in onszelf kijken, dan tasten we in het duister. Ons bewustzijn is zodanig naar buiten gericht dat het niet langer in staat is zich naar binnen te keren zonder in zwijm te vallen. We hebben dus een spiegelbeeld nodig, een zintuiglijk beeld van ons bewustzijn, en dat vinden we juist in de kunst.
In de kunst wordt ons bewustzijn weerspiegeld, zowel het naar buiten gerichte als het naar binnen gerichte. En aan de hand van dat ‘holistische’ spiegelbeeld kunnen we ons bewust worden van de grens die we voortdurend onbewust overschrijden.

20140122-103353.jpg

Wat zien we nu als we in de spiegel van de kunst kijken?

In eerste instantie niets.
De (lege) zintuiglijkheid waarmee Ahriman ons gevangen houdt, is in de kunst tot een spektakel geworden dat ons denkvermogen verlamt. En dus nemen we – instinctief – onze toevlucht tot menigten abstracte gedachten die echter geen verband meer houden met wat we zien. Ons bewustzijn wordt als het ware in twee gespleten: het bestaat uit louter (zintuiglijk) waarnemen en louter (abstract) denken.
Om dat bewustzijn weer te ‘helen’ moeten we afstand nemen, we moeten zicht krijgen op het geheel van de kunst. En dat betekent dat we de wereld van de kunst moeten verlaten.
Paradoxaal genoeg is het de Hedendaagse Kunst die dat bewerkstelligt.
Door de kunstwereld te vullen met pispotten, kakmachines en andere variaties op het thema ‘rommel’ drijft zij de oprechte kunstliefhebber naar buiten. Want hij kan het niet aanzien hoe de ‘tempel’ van de kunst ontheiligd wordt.
Wanneer de gedegouteerde kunstliefhebber echter wegvlucht, dan gebeurt precies wat de (geest van de) Hedendaagse Kunst wil bereiken: de drempel wordt onbewust overschreden. De kunstliefhebber zoekt zijn toevlucht in de gewone werkelijkheid, in het gewone bewustzijn. Hij wil vergeten wat hij in de wereld van de kunst meegemaakt heeft.

Maar de ware kunstliefhebber kan zich nooit losmaken van de kunst. Hij kan haar niet de rug toekeren en halsoverkop wegvluchten. Dus stapt hij achteruit, terwijl hij de ogen op haar gericht houdt, zoals altijd. Op die manier neemt hij steeds meer afstand van de kunst, tot hij haar wereld uiteindelijk verlaat en bij wijze van spreken ruggelings het museum buitenstapt. Op het moment dat hij de drempel – de grens tussen de kunstwereld en de echte wereld – overschrijdt, verandert hij niet van bewustzijn, hij ‘schakelt’ niet. Hij behoudt zijn kunstzinnige manier van kijken en neemt ze mee naar buiten. Hij doet niets anders dan wat hij ín het museum doet: afstand nemen van de kunstwerken. Alleen neemt hij nu geen afstand van één kunstwerk, maar van de gehele kunst.

Wat ziet nu de kunstliefhebber die erin slaagt bij het overschrijden van de drempel ‘de continuïteit van bewustzijn’ te bewaren? Wat zien we wanneer we in de gewone werkelijkheid onze kunstzinnige manier van kijken bewaren?

20140122-103720.jpg

We zien een gebroken kunst.

We zien een kunst die in twee stukken is uiteengevallen.
Een kunst met een grote K en een kunst met een kleine k.
Een hoge kunst en een lage kunst.
Een elitaire kunst en een massa-kunst.
Een nieuwe kunst en een oude kunst.
Een moderne kunst en een klassieke kunst.
Een kunst-met-uitleg en een kunst-zonder-uitleg.
Een gesubsidieerde kunst en een commerciële kunst.
Een Hedendaagse Kunst en … de rest.

De kunst van onze tijd is niet langer een organische eenheid. Maar ze is evenmin een eindeloze verscheidenheid waar geen lijn in te trekken is.
Al haar verschijningsvormen kunnen teruggebracht worden tot één grote dualiteit.
Die kan op verschillende manieren benoemd worden, maar het zijn allemaal variaties op hetzelfde thema, dat van de gebroken, in twee gedeelde kunst.

Met zo’n onderscheid haal ik mij natuurlijk de spot en hoon op de hals van iedere zichzelf respecterende kunstkenner.
Ik overtreed ook het eerste gebod van de moderne intellectueel: gij zult niet veralgemenen, gij zult nuanceren.
Maar voor er genuanceerd kan worden, moet er eerst onderscheiden worden.
En het onderscheid tussen de twee soorten kunst is maar al te reëel.
Het is namelijk een onderscheid dat door de Hedendaagse Kunst zelf wordt gemaakt.
‘Hedendaagse Kunst’ is een label dat geplakt wordt op alle kunstuitingen die door dezelfde geest bezield worden. En alleen de kunstuitingen die het merkteken van deze geest dragen, hebben het recht zichzelf ‘kunst’ te noemen. Alleen zij krijgen toegang tot de kunstwereld, dat wil zeggen tot de wereld van de musea, de wereld van de kunstkenners, de wereld van het kunstonderwijs, de wereld van de kunstboeken, de wereld van de media, de wereld van de veilinghuizen, de wereld van het grote geld, enzovoort.
Kunstuitingen die dit label niet dragen, worden op een hoop gegooid en op straat geveegd: zij vormen samen de commerciële, lage, inhoudsloze, achterhaalde massa-kunst, de kunst die in feite geen kunst is.

20140122-103942.jpg

Natuurlijk, als men zich beperkt tot de louter zintuiglijke waarneming, dan is een dergelijke tweedeling een aanslag op de kleurrijke en levendige diversiteit van de kunst van onze tijd. Maar als men er afstand van neemt dan voegt die versnipperde zintuiglijkheid zich weer samen tot een herkenbaar beeld, het beeld van een door en door dualistische kunst.
Het wordt dan tevens duidelijk dat die zintuiglijke verscheidenheid in werkelijkheid een abstractie is, net als de talloze intellectuele gedachten die vandaag met kunst verbonden worden.
Beide abstracties – de zintuiglijke en de intellectuele – vormen samen een masker waarachter het wezen van de kunst verborgen blijft. Het is het masker van het materialisme, dat tussen onszelf en het wezen der dingen staat, en als een Berlijnse muur ons bewustzijn in twee deelt.

Hoe die muur opgetrokken wordt, kunnen we bijvoorbeeld aflezen aan de houding van de Hedendaagse Kunst tegenover de film.
Men kan moeilijk beweren dat film geen kunstuiting is, en nog minder dat het geen hedendaagse kunstuiting is. Toch peinzen de kunstkenners er niet over om film het label ‘kunst’ toe te kennen. In geen enkel kunstboek zal men een hoofdstuk filmkunst aantreffen, hoewel de film toch duidelijk tot de beeldende kunsten behoort.
En het is wel degelijk de Hedendaagse Kunst die een scherpe grens trekt tussen zichzelf en de commerciële filmwereld. Het zijn niet de filmmensen die dat doen.
Niemand wijst het predicaat ‘kunst’ of ‘kunstenaar’ af, juist omdat het in onze tijd de plaats van ‘religie’ en ‘priester’ heeft ingenomen. Dat wordt wel niet met zoveel woorden gezegd, maar onbewust wordt het wel zo ervaren.

Door het begrip ‘kunst’ tot haar eigendom uit te roepen, oefent de Hedendaagse Kunst een grotere invloed uit op het moderne bewustzijn dan we denken.
Niet voor niets wordt er gesproken over een ‘kunstkerk’ en over ‘kunstpausen’. Alleen deze kunstpausen hebben het recht het waarmerk ‘kunst’ toe te kennen. En zij worden geacht onfeilbaar te zijn.
Deze van God gezondenen verdelen de kunstwereld in de enige ware en zaligmakende kerk aan de ene kant, en de ongelovigen, de heidenen, de dwalenden die in duisternis leven aan de andere kant.
Berouwvolle schapen worden door de moederkerk met open armen ontvangen, maar schapen die volharden in het kwaad worden doodgezwegen, ze bestaan eenvoudig niet. Er zijn echter ook nog de afvallige schapen, die de dogma’s van de Hedendaagse Kerk in twijfel trekken en kritisch benaderen.
Voor hen is er geen genade.
Zij worden als zondebok de woestijn in gestuurd, de woestijn aan de andere kant van de grens, daar waar de ongelovigen wonen, die de wijsheid en zegeningen van de Hedendaagse Kunst niet kunnen bevatten met hun beperkte vermogens.
Deze zwarte schapen verliezen alles wat ze in de kerk bezaten en komen terecht in een wereld waar kunst van geen tel is, waar mensen niet nadenken, waar geen ontwikkeling is, een lagere wereld zeg maar, een onderwereld.

20140122-104831.jpg

Uiteraard blijft deze ‘excommunicatie’ onzichtbaar voor wie zich laat betoveren door het zintuiglijke en intellectuele spektakel dat de Hedendaagse Kerk opvoert. Maar iedereen in de kunstwereld weet wat hem te wachten staat als hij van het Hedendaagse Geloof ‘afvalt’. Daarom zijn klokkenluiders nagenoeg onbestaande in de kunstwereld.
Het geloof in de Hedendaagse Kerk is zelfs zo groot dat men afvalligen beschouwt als meelijwekkende figuren die het licht van de zon willen ontkennen. Men lacht ze gewoon uit. En dat is nog de ergste straf.
Ze doet de afvalligen namelijk twijfelen aan zichzelf. Ze beginnen zich af te vragen of ze misschien verkeerd zijn, niet enkel in hun opvattingen of in hun oordeel maar in wie ze zijn. Vroeg of laat komt de gedachte in hen op dat hun diepste wezen misschien niet hun diepste wezen is, maar een koekoeksjong dat ze het nest moeten uitgooien en vervangen door het stralende en machtige groeps-Ik dat de Hedendaagse Kerk hen aanbiedt.
Ze staan dan dicht bij het verkopen van hun ziel, zoals men het vroeger uitdrukte.

Meer dan de materiële gevolgen van de excommunicatie (verlies van reputatie, broodwinning, vriendenkring) is het deze ‘beproeving van de ziel’ die iedere kritiek de mond snoert, en die de Hedendaagse Kunst als een ondoordringbare muur omgeeft, een muur die de kunstwereld in twee stukken deelt waartussen vrijwel geen contact is. Deze muur is het spiegelbeeld van de Berlijnse muur die dwars door ons eigen bewustzijn loopt. Hij is tevens een beeld van de drempel waar we maar niet overheen raken, althans niet in ons bewustzijn. En dat onvermogen wordt vertaald in de weigering om het bestaan van deze muur te erkennen.

Want dat is de tweede vaststelling die men doet wanneer men de kunst van onze tijd in zijn geheel probeert te zien: niet alleen is die kunst in twee stukken gebroken, maar beide stukken ontkennen ook de breuk. Er is helemaal niets gebeurd, beweren ze allebei.

Daarom volgende keer: de Grote Ontkenning.

20140122-105154.jpg

Het verstand, de wil en het denken

De mens kan het stervende, het dode in de natuur bevatten met zijn voorstellingen die hem geleverd worden door het aan de hersenen gebonden dode verstand. De levende wil omvat, door middel van de zintuigen, die met hun wilsaspect actief in de omgeving leven, de werkzame krachten en wezens die in waarheid de geestelijke wereld vormen. Door dit zintuig-wilsgebeuren wordt ook de geestelijk-fysieke voeding van de mens verzorgd.
Met deze beide polaire processen hebben we echter het menselijk wezen nog niet volledig te pakken. Daarom wordt het door Rudolf Steiner nog verder beschreven in zijn voordracht van 23 augustus 1919 (GA 293):

‘Boven deze twee elementen – het verstand dat het dode in zich opneemt, en de wil die het levende, het wordende in zich opneemt – staat iets wat de mens, en geen enkel ander wezen op aarde van geboorte tot dood in zich draagt, en dat is het zuivere denken.
Dat denken is niet gerelateerd aan de zintuiglijke natuur, maar slechts aan het bovenzinnelijke element in de mens zelf, aan datgene wat hem tot een autonoom wezen maakt. Daardoor gaat hij uit boven datgene wat in hem minder dan dood is en boven datgene wat meer dan levend is. Wil men dus spreken van de vrijheid van de mens, dan moet men de blik richten op het autonome in hem, op het zuivere denken, dat vrij is van zintuiglijke indrukken en waarin ook altijd de wil leeft.’

Dit autonome in de mens kan in verband worden gebracht met de opstanding en met het opstandingslichaam. Want door datgene wat de mens, vanuit dit autonome aspect, in zijn lichaam verwerkt, wordt de aarde als levend wezen behouden wanneer dit lichaam na de dood aan de aarde wordt overgedragen. Door dit autonome aspect draagt de mens een kosmisch-geestelijk aspect in zich dat ten bate van de aarde werkt wanneer hij de vruchten van dit werk-aan-het-lichaam aan de aarde afstaat.

‘Zonder de stoffelijke resten van de mensen was de aarde allang dood.’ (Rudolf Steiner)

(Peter Tradowsky)

20140121-134259.jpg

Cool en Hot

De twee cruciale woorden in het eigentijdse vocabularium zijn zonder enige twijfel ‘cool’ en ‘hot’.
Wie niet cool is, moet hot zijn, en wie geen van beide is, is niets.
Het hele moderne leven zit samengevat in die twee woorden.
Wie ze begrijpt, begrijpt alles.
En wie alles begrijpt, is tegelijk cool en hot.
Als dat niet wijs is!

Wat wil het zeggen als iemand cool is?
Eigenlijk wil dat zeggen dat hij is zoals de anderen, dat hij erbij hoort, dat hij mee is met zijn tijd. Wie cool is, is dan ook gezagsgetrouw: hij tekent niet buiten de lijntjes.
Een voorbeeld.
Jonge stadsmensen zijn heel erg cool. Ze kleden zich strikt volgens de regels, gaan naar de juiste cafés, lezen de juiste boeken, houden zich ver van alles wat ‘fout’ is.
‘Fout’ staat voor ouderwets, achterhaald, zonder zintuig voor hoe-het-vandaag-hoort.
Het paradoxale is dat coole mensen zichzelf helemaal niet braaf, volgzaam en keurig vinden. Integendeel, die eigenschappen schrijven ze juist toe aan mensen die niét cool zijn.
Neem nu de jonge intellectueel, schrijver of journalist. Cooler dan hij is er geen. Politiek correcter ook niet. Hij is het roerend eens met de overheid en voelt derhalve de grootste minachting voor wie niet correct is. Met groot dédain kijkt hij neer op het bekrompen, volgzame, behoudsgezinde plebs, en beseft totaal niet dat hijzelf (minstens) even bekrompen, volgzaam en gezagsgetrouw is.

20140120-190043.jpg

Dezelfde paradox zien we als we de betekenis van het woordje ‘hot’ nagaan.
‘Hot’ is datgene wat je moet gedaan hebben, wat je moet gezien hebben, wat iedereen wil hebben, kortom wat in de mode is.
Niemand wil ‘uit de mode’ zijn of uit de toon vallen, want dat is gênant, beschamend, vernederend. Je loopt dan rond in een foute jurk, of met een fout kapsel, of met een foute bril, en iedereen lacht je stiekem (of openlijk) uit.
En toch heeft ‘hot’ een aureool van exclusiviteit, van originaliteit, van anders zijn dan de anderen.
Want ‘hot’ is nieuwer dan nieuw, en gisteren is al vreselijk oudbakken.
Nee, ‘hot’ springt er werkelijk uit, onderscheidt zich van de rest, doet niet mee met de grote hoop.

In feite betekenen ‘cool’ en ‘hot’ hetzelfde.
Het zijn allebei vormen van collectiviteit die zich afzetten tegen … collectiviteit.
Het zijn tevens vormen van individualisme die zich verzetten tegen ieder individualisme.
Ze zijn allebei reactionair, maar vinden zichzelf progressief.
Ze keren terug naar het verleden, maar met een modern sausje erover.
Vintage. Want cool en hot zijn Engelstalig.
Of course, want Amerika is de baas.

20140120-190411.jpg

Cool doet het met een schouderophalen, onverschillig, minachtend.
Hot doet het met de neus in de lucht, uitdagend, zelfingenomen.
Variaties op hetzelfde thema.
‘Cool’ is de mannelijke variatie, ‘hot’ de vrouwelijke.

Maar als ‘cool’ en ‘hot’ in wezen hetzelfde betekenen, wat is dan het thema waarop ze variaties zijn?
Wat is tegelijk koud en heet, reactionair en progressief, collectief en individueel?
Eén ding is duidelijk: we moeten het niet zoeken in de letterlijke betekenis van de woorden.
‘Coole’ mensen zijn helemaal geen kille mensen, en ‘hotte’ mensen kunnen best ‘cool’ zijn.
Eigenlijk zijn het de 2 gezichten van één Januskop.
En van wie mag die kop dan wel zijn?

Dat is een heel moeilijke vraag.

Misschien wordt er iets duidelijker wanneer we beide woorden antroposofisch vertalen.
‘Cool’ betekent namelijk ahrimanisch, en ‘hot’ luciferisch.
Ahriman en Lucifer zijn verklaarde vijanden, maar op een hoger niveau raken hun (tegengestelde) eigenschappen met elkaar vermengd en werken ze eensgezind samen.
Daardoor worden ze gevaarlijker dan ooit, want ons onderscheidingsvermogen krijgt geen vat meer op hun paradoxale eenheid.
Als we hen proberen vast te pinnen, roepen ze luid: je mag niet veralgemenen, je moet nuanceren! En als we dat vervolgens doen, rijden we ons vast in een onontwarbaar kluwen.
Op die manier creëren Lucifer en Ahriman een ondoordringbaar scherm waarachter zich hun baas verbergt.
En dat is iemand die je beter niet tot vijand maakt.

20140120-191004.jpg

Deze gedachten kwamen (embryonaal) in me op toen ik zaterdag terugkeerde van ’t stad. En precies op het moment dat ze in m’n bewustzijn opdoken, zag ik ze vóór me in een beeld.
Ik zag namelijk een … meisje op een fiets.
Haar (waarschijnlijk vervilte) haren waren boven op haar hoofd samengebonden tot een soort ananas, en haar oren zaten verborgen onder de grote ronde schelpen van een koptelefoon. Het was alsof haar hoofd geklemd zat tussen de twee helften van een ander (technologisch) hoofd, en er bovenop haar hoofd nog een ander (natuurlijk) hoofd stond.
Drie hoofden in één dus.
Het was een merkwaardig, hoewel niet uitzonderlijk gezicht in een studentenstad als Gent.
Toch was het niet zozeer het uiterlijk van het meisje dat me trof.
Het was vooral haar blik.
Ofschoon ik slechts een terloopse blik op haar wierp – ik was in gedachten verzonken – keek ze terug op een manier die aan duidelijkheid niets te wensen over liet. Haar ogen zeiden, duidelijk articulerend: stront, wie heeft u gescheten?
Ik gebruik met opzet deze West-Vlaamse uitdrukking omdat er zoveel arrogantie in die blik lag dat ik er moest om lachen.
Een meisje van pakweg 16 jaar.
En ze keek alsof ze de koningin van Sheba was die tussen de varkens was terechtgekomen.
Ja, ze was ongetwijfeld heel erg cool, en hot zal ze ook wel geweest zijn, maar de buitensporige arrogantie in haar blik was cool noch hot. Het was iets anders.
Het kwam me voor dat Mister Cool en Misses Hot een kind hadden gebaard dat op een fiets door de Eendrachtstraat reed.

Had dat meisje-op-de-fiets iets te maken met de gedachten die in m’n hoofd opdoken precies op het moment dat ze me kruiste?
Of was het allemaal toeval?

Wie zal het zeggen?

20140120-191057.jpg

Zaterdagochtend

Zaterdagochtend. Geen eten meer in huis, dus ik moet naar de winkel.
Destelbergen slaapt nog.
Ik ben zowat alleen in de plaatselijke Delhaize en koop er (onder meer) een ‘Oorlogskrant’, een heruitgave van Het Volk, christen dagblad, uit 1914.
Lijkt me wel leuk: een oorlogsgazet lezen bij het ontbijt.
De zon breekt door.
Ik keer terug langs de vijver en kom daar onverwachts in de grootste drukte terecht.
Een groep bouwvakkers loopt me bijna omver, stoere kerels, helemaal in het oranje gekleed, helm op het hoofd, ijzeren alaam bungelend aan hun riem.
Ze komen van de grote werf, waar een nieuw wooncomplex zal verrijzen, naast het megalomane sportcentrum waarmee het gemeentebestuur Destelbergen ‘op de kaart wil plaatsen’.
Wordt daar dan ’s nachts aan gewerkt?
Of op zaterdagochtend?
Ik heb geen kans om dat raadsel op te lossen want ik word bijna omvergereden door een stoet auto’s die hun weg zoeken tussen de plassen.
Wat gebeurt hier allemaal?
Ik zie een moeder op naaldhakken door de modder pikkelen met in haar armen een … elfje, een klein meisje in het rose en met een tutuutje aan.
Aha! Nu snap ik het.
Naast het plaatselijke fitnesscenter – waar ik door de grote ramen gestroomlijnde mensen bezig zie op gestroomlijnde toestellen – bevindt zich namelijk ook een … balletschool.

20140118-131549.jpg

Leuk voor die meisjes (hoop ik), maar ik denk vooral aan de moeders.
Aan de auto’s en de kleren te zien, zijn het moeders die iedere dag gaan werken.
En dat betekent: hollen, draven, spoeden en haasten.
Als het dan eindelijk zaterdag is en ze eens op hun gemak zouden kunnen ontbijten met het gezin, moeten ze alweer hollen, draven, spoeden en haasten, want Danaë wil naar het ballet, en Kevin wil naar het voetbal, en Willem wil nergens naartoe, en er moeten ook nog boodschappen worden gedaan, enzovoort, enzovoort.

Als ik thuiskom staat de koffie al klaar.
Als dát geen liefde is!
Ons eerste gesprek van de week.

An vertelt over de vergadering die ze had met de peuter- en kleuterjuffen in de steinerschool van Wilrijk.
Het was best wel een merkwaardige vergadering, zei ze, want twee kleuterjuffen zaten niet op hun stoel maar stonden er bovenop.
Als de kleuter van huis is, dansen namelijk de … muizen.
De kleine kostgangers renden kriskras door de klas, en zelfs in een steinerschool gaan (sommige) juffen dan bovenop hun stoel staan.
Gelukkig gilden ze niet.

Dat had gefilmd moeten worden, zei ik.
Ja, antwoordde An, als een van de ‘deleted scenes’ in het jaarlijkse schoolfilmpje: 16+ niet voor gevoelige kijkers.

20140118-131836.jpg

We hadden het erover dat peuters helemaal niet op een school thuishoren, maar dat de situatie nu eenmaal is wat ze is en dat je de realiteit niet kunt ontvluchten.
Het is in de werkgebieden dat de antroposofie zich ontwikkelt, zei An.
En in het denken, voegde ik daaraan toe.
Hela, hela, reageerde An, wij denken ook hoor, wij denken in functie van de praktijk.

Kijk, zo beginnen ruzies.
Op zaterdagochtend, als we even kunnen uitblazen en een gesprek voeren.
Een mens vraagt zich af wat we zouden doen als we niet de hele dag moesten werken.
De hele dag ruzie maken?
Maar An en ik zijn door de wol geverfd.
Als er zo’n meningsverschil dreigt, denken wij: aha, oude en jonge zielen!
En zo kwamen we algauw tot een vergelijk:
Jonge zielen denken in het werken.
Oude zielen werken in het denken.
En op die manier groeien ze naar elkaar toe.
Wie werkt zonder te denken en wie denkt zonder te werken, vindt de ander nooit.

Voor alle duidelijkheid: denken zonder te werken betekent niet (noodzakelijk) denken zonder handenarbeid te verrichten. Het betekent: automatisch denken, denken zonder je in te spannen, denken zonder kreatief te zijn.
Werken-in-het-denken betekent eigenlijk hoofd en hart samenbrengen, want het is het hart dat echt denkt, dat zich inspant. Het hoofd spant zich niet in, het is als een computer: het draait gewoon.

20140118-132338.jpg

Gisteren zei euritmiste Mia tegen me: vergroten is niet zo moeilijk, verkleinen dát is moeilijk!
Mmm, dacht ik, daar moet ik toch eens over nadenken.
En door het met An over oude en jonge zielen te hebben, kwam ik tot de conclusie dat het slechts één kant van de zaak is.

Voor oude zielen is het inderdaad heel moeilijk om de dingen klein te maken.
Ze zien de dingen van nature heel groot, zo groot mogelijk.
Oude zielen leven met hun gedachten namelijk tussen de sterren, en dat is een véél grotere wereld dan die piepkleine zintuiglijke aarde.
Oude zielen zijn Christuszoekers, en Christus is juist de Hele Grote die zich Heel Klein heeft gemaakt. De hele sterrenwereld is in hem gecomprimeerd tot … een mens.
Om Christus te vinden moeten oude zielen hem navolgen, dwz: alsmaar kleiner worden, hun hele sterrenwijsheid alsmaar verdichten.
En dat is een pijnlijk kristallisatieproces.

Voor jonge zielen ligt de moeilijkheid juist in het omgekeerde: in het oplossen, in het groter maken.
Jonge zielen zijn geen Christuszoekers want ze dragen Christus in zich: het zijn Christofori, Christusdragers.
Maar die Christus-in-hen is zo klein dat ze er zich niet bewust van zijn.
Hij leeft bij wijze van spreken ergens in een uithoek van hun wezen, en dan nog in een stal waar geen mens hem gaat zoeken.
Maar hij is wel hun drijvende kracht, want hoe onooglijk hij ook lijkt, hij draagt de hele sterrenwereld, de hele kosmos in zich, en dat is een onweerstaanbare kracht.
Gedreven jonge zielen zijn eenvoudig niet te stoppen.
Maar ze zijn wel te misleiden.
Als iemand hen een spiegel voorhoudt waarin ze vaagweg de trekken van Christus menen te herkennen, dan zijn ze niet meer te houden, dan gaan ze dwars door alle muren heen.
En zo kunnen ze tot het werktuig worden van een kwade geest die de kunst verstaat zich als Christus voor te doen.
Dat is wat talloze jonge zielen in nazi-Duitsland is overkomen: ze herkenden in Hitler vaagweg de Christus en kozen hem tot hun führer.

20140118-132806.jpg

Dus nee, dat uitvergroten niet zo’n probleem zou zijn, klopt niet.
Het klopt alleen voor oude zielen.
Voor jonge zielen is het wel degelijk een probleem.
Zij willen de wereld veranderen, verbeteren, dwz verchristelijken.
Maar als zij dat zonder helder bewustzijn doen, dan maken zij de zaken vaak nog (veel) erger dan ze al waren.

Heel dat hedendaagse streven naar verandering, vernieuwing, progressiviteit, avant-garde, is een typisch jonge-zielenstreven. Maar het is een blind streven, een streven zonder bewustzijn van datgene wat de wereld vooruitstuwt.
Ik houd m’n hart vast voor het moment dat Ahriman, de Sterke Man, eens echt verschijnt.
Dan zal heel dat enorme jonge-zielenstreven niet meer te houden zijn, het zal als het ware exploderen van enthousiasme.
En dan dreigt de wereld één groot Syrië te worden, een strijd van allen tegen allen, in de naam van vrijheid en voortuitgang.

En zeggen dat heel die gigantische wereldruzie te vermijden zou zijn als ze in de kiem gesmoord werd met het inzicht in de relatie tussen oude en jonge zielen!
Maar hoe breng je dat inzicht aan de wereld als zelfs antroposofen het niet willen aanvaarden?
Kijk, dát is nu het probleem waar ik mee worstel.
En het is een probleem van vergroten én verkleinen.
Ga daar maar eens aan staan!
Op een zaterdagochtend.

Gelukkig houden de muizen zich koest.

20140118-133617.jpg

Wat groeit daar in mijnen hof?

20140117-195724.jpg

(eentje uit de oude doos)

Zo hoort u het ook eens van een ander

Na mij meer dan dertig jaar intensief te hebben beziggehouden met de antroposofie, ben ik er vast van overtuigd geraakt dat we in Rudolf Steiner één van de meest waarheidsgetrouwe, schoonste en zuiverste mensengeesten vinden die ooit op aarde hebben geleefd. En zijn biografie is een mysterie, waarvan de diepten tot op heden nog maar nauwelijks zijn doorgrond.

(Sergej Prokofieff)

20140117-182943.jpg

(geboortehuis van Rudolf Steiner)

Vlaamse helden

20140117-171458.jpg

Dit is Yves Desmet, een van de grootste lichten van Vlaanderen, en waarschijnlijk van heel Europa.
Hoofdredacteur van De Morgen, een krant van wereldformaat.
Politiek correcte medemens nr 1.
Kortom, a potatohead.

Wat schrijft hij vandaag in zijn gazet?

‘België, zo leert een statistiek van de Europese Commissie, is als derde beste leerling van de klas uit de financiële crisis gekomen. In de periode 2007-2013 steeg ons bbp, toch de grootste en belangrijkste indicator van welvaart en economische groei, alleen in Duitsland en Oostenrijk sterker dan bij ons. De zestien andere landen van de eurozone presteerden slechter.

Dat bericht veroorzaakte op sociale media meteen een regen aan zure reacties uit die hoek die vindt dat in dit land niets meer werkt, en het dat alleen weer zal doen nadat het gesplitst is.

Zo ver zijn we gekomen in het maatschappelijke debat: dat gewone neutrale vaststellingen en feiten die het heilige geloof in de eigen ideologie tegenspreken, moeten ontkend worden. En dat bij gebrek aan inhoudelijke tegenargumenten er dan maar op de integriteit van de boodschapper moet geschoten worden.

Nochtans zijn er nog heel wat feitelijke gegevens die de stelling tegenspreken dat dit land met een rotvaart naar de verdoemenis gaat. Nooit eerder in de geschiedenis hebben Belgen én Vlamingen meer geld op hun rekening en op hun spaarboekjes zien staan, nooit eerder zijn er zo veel mensen aan het werk geweest, eigenaar van hun woning, nooit eerder in betere gezondheid, nooit eerder met eenzelfde hoge opleidingsgraad of levensverwachting als nu. Nooit.

Natuurlijk is niet alles perfect, natuurlijk zijn er vele domeinen waarop je nog vooruitgang zou kunnen boeken. Maar de kretologie over de ondergang van het avondland mag nu stilaan wel eens beginnen te stoppen.’

Voilà!
Iémand moest het eens zeggen!
Iemand moest toch eens de moed opbrengen om op te staan en te spreken!
Geen wonder dat het Yves zonder Vrees was, Vlaanderens vuurtoren en lichtbaken.
Yves doet me denken aan Walter, die andere Vlaming die veel te groot is voor dit apenland.
Modereus Walter Van Beirendonck zette deze week Parijs op stelten met een défilé dat waarschijnlijk de geschiedenisboeken zal halen als het meest gedurfde statement uit de annalen van de modewereld. Hij vatte zijn collectie namelijk op als een protest tegen … racisme!
Ja, u leest het goed. Dát heeft Walter dus gedurfd, zoveel lef schuilt er in deze kerel.

20140117-174643.jpg

Ja, het zijn werkelijk brullende leeuwen, onze Vlaamse intellectuelen!
Hun moed kent geen grenzen, en ooit zullen ze geroemd en geëerd worden.
Yves Desmet is uit hetzelfde onbuigzame hout gesneden als Walter.
Hij heeft het namelijk gewaagd om zijn stem te verheffen tegen niemand minder dan Bart de Verschrikkelijke, het monster dat iedere Belg doet beven van angst. En dat wil wat zeggen, want de Belgen zijn, zoals iedere geschiedkundige weet, de dappersten onder de Galliërs.
Wat het hele Romeinse leger onder Julius Caesar niet vermocht, dat doet Bart de Afgrijselijke in zijn eentje: de dappere Belgen de stuipen op het lijf jagen.
U moet niet vragen.
Hitler, Stalin en Mao waren schooljongetjes vergeleken bij Vreselijke Bart.
En tegen deze draak van welhaast kosmische dimensies heeft Yves de Moedige het dus durven opnemen. Helemaal in zijn eentje! Want al jaren aan een stuk durft geen Belg, geen Vlaming, geen journalist of modeontwerper zijn mond opendoen uit schrik voor de nietsontziende represailles van de doodseskaders van Bart zonder Genade.
Toegegeven, Yves heeft de verschrikkelijke naam niet genoemd, noch de naam van zijn vervloekte partij. Maar iedereen weet over wie hij het heeft.
Iedereen beseft welke heldendaad hier gepleegd wordt.
Het is stil geworden in Vlaanderen.
Een stilte vol eerbied en ontzag.
Een stilte vol angst en vrees ook.
Want de wraak van Bart de Boze zal alle voorstellingsvermogen te boven gaan.
En ze zal neerkomen op het hoofd van één man: Yves Desmet.

Huiver, Vlamingen, Belgen en Europeanen, en aanschouw een held, voor niets vervaard!

Dat moet dan, sinds de vorige verkiezingen de elfhonderdnegenendertigste geweest zijn.
Ik heb het bijgehouden.
Walter den Beir was de elfhonderdachtendertigste.

Wordt zonder enige twijfel vervolgd.

20140117-181432.jpg

20140117-162728.jpg

(het bier is bij de hond inbegrepen)

20140117-003540.jpg

Driekoningen-essay (deel 4 : in de ban van de ring)

De kunst van onze tijd is een universum zonder grenzen waar alle mogelijke kunstvormen door elkaar warrelen in een chaotische verscheidenheid die de kijker doet duizelen. Hij valt van de ene verbazing in de andere, en net als hij denkt alles wel gezien te hebben, duikt er alweer iets nieuws en ongeziens op. De hedendaagse kunstwereld is een roetsjbaan waar geen eind aan komt, een adembenemende belevenis die de kijker geen tijd laat om bij zijn positieven te komen.

Wie deze wereld betreedt, kan zich in een enorme deeltjesversneller wanen, waar alles botsing en confrontatie is, waar alles aan duizelingwekkende snelheid gaat en waar onafgebroken (sic) nieuwe deeltjes ontstaan. Alles is hier zowel heel klein als heel groot. De hedendaagse kunstwereld is inderdaad een reusachtige wereld, met enorme, adembenemende musea en overdonderende tentoonstellingen. Maar wat men in die wereld ziet, is dan vaak weer heel klein, in de figuurlijke zin: een paar versleten schoenen, een hoop aardappelen, een pakje boter, wat conserven op een rek.
Zo ‘klein’ zijn deze kunstwerken dat ze helemaal geen kunstwerken lijken.
Als we ze buiten op straat aantroffen, zouden we ze niet eens als kunst herkennen.
Het zijn gewoon dingen, dingen zonder enige artistieke betekenis.

20140116-140955.jpg

Juist deze betekenisloosheid dwingt de kijker om afstand te nemen, veel meer afstand dan hij vroeger gewoon was.

In de klassieke kunst volstond het om een paar stappen achteruit te doen en je ‘herkende’ het beeld. Je moest werkelijk al met je neus op een schilderij of een beeld geplakt staan om terecht te komen in dezelfde chaotische en betekenisloze wereld die in de kunst van onze tijd zo uitvergroot wordt.
Die uitvergroting begon al met de impressionisten.
Als je hun schilderijen van op de gebruikelijke, zeg maar klassieke afstand bekijkt, zie je alleen een chaos van betekenisloze verfvlekken. Confetti, zoals Cézanne het smalend noemde. Moderne kunst, zouden we het vandaag kunnen noemen. Pas als je een aantal stappen achteruit doet, verschijnt uit die chaos een herkenbaar landschap, portret of stilleven.
Als je daarna het omgekeerde doet met oudere schilderijen en ze van veel dichter bekijkt dan gewoonlijk, bijna met een vergrootglas, dan zie je ook daar dezelfde warrige wereld van schijnbaar afzonderlijke en betekenisloze verfvlekken verschijnen.

De moderne kunst is in feite niets anders dan een technische uitvergroting van de oude kunst. Men zou kunnen zeggen: men deed hetzelfde maar met grovere borstels en op grotere oppervlakken.
Maar terwijl het materiaal groter werd, werd het onderwerp kleiner.
Iemand als Jan Van Eyck bijvoorbeeld, was nog een miniatuurschilder. Hij schilderde zo fijn en minutieus dat je je afvraagt hoeveel haren er op zijn penselen zaten.
Maar met die uiterst fijne werktuigen schilderde Van Eyck op één paneel wel honderden ‘impressionistische’ schilderijen. Een landschap was bij hem slechts een heel klein onderdeeltje van een schilderij waar als het ware de hele wereld op stond.
Wat bij Van Eyck slechts een detail is, wordt door de impressionisten uitvergroot tot een heel schilderij.

20140116-141042.jpg

Dit proces van uitvergroting ging alsmaar verder: de fijne penselen werden kwasten, de kwasten werden borstels en uiteindelijk goot de schilder de verf met emmers over zijn doek.
Tegelijk zette ook het proces van ‘verkleining’ door: schilderden de oude meesters nog een zintuiglijke én een bovenzintuiglijke wereld, dan werd die gaandeweg beperkt tot een louter zintuiglijke wereld, en uit die aardse, materiële wereld verdween gaandeweg alle betekenis tot er uiteindelijk pispotten en andere banaliteiten overbleven.
Een grootse, materie en geest omvattende werkelijkheid werd herleid tot … elementaire deeltjes.

Ja, het beeld van de deeltjesversneller past heel goed bij de Hedendaagse Kunst.
Zo onwaarschijnlijk groot als de aangewende middelen zijn, zo onwaarschijnlijk klein is datgene wat bereikt wordt.
Maar aan dat onwaarschijnlijk kleine wordt wel een onwaarschijnlijk grote betekenis toegekend, in de zin van: dit zijn de bouwstenen van onze wereld, dit is de ultieme werkelijkheid, dit is het mysterie van het leven.
Het pas ontdekte Higgs-deeltje wordt zelfs het Godsdeeltje genoemd.
In vergelijkbare, bijna mystiek klinkende bewoordingen wordt gesproken over de Hedendaagse Kunst: dit is de ultieme kunst, die doordringt tot de kern van de werkelijkheid.
Over de oude kunst wordt dan weer op smalende, minachtende wijze gesproken: ze kwam niet verder dan het nabootsen van de uiterlijke werkelijkheid.

Als antroposoof zouden we kunnen zeggen: de kunst is over de drempel gegaan, ze heeft de aardse werkelijkheid verlaten en is de geestelijke wereld binnengetreden.
Ze bekijkt de wereld niet langer als een nabootsende buitenstaander, maar ze bevindt zich pas echt ín de werkelijkheid en is tot medeschepper van die werkelijkheid geworden.
Dat is natuurlijk een enorme stap, een inwijding in de mysteries van het bestaan.
En inderdaad, dat is hoe hedendaagse kunstenaars en kunstliefhebbers zich gedragen: als ingewijden, als magiërs, als zieners.
Aan alles valt af te lezen dat zij dingen weten en ervaren die voor gewone stervelingen ontoegankelijk zijn. Waar het gewone publiek alleen maar afval ziet, zien zij adembenemende kunst. Wat jan-met-de-pet als betekenisloze onzin beschouwt, daar lezen zij de meest verheven ideeën in.

20140116-141229.jpg

Als niet-ingewijde zou men gemakkelijk kunnen denken dat deze mensen gewoon zo stoned als een garnaal zijn, maar dat is natuurlijk een bijzonder bekrompen, materialistische opvatting. Deze kunstenaars en kunstliefhebbers vormen juist een spirituele avant-garde van mensen die ontwaakt zijn, mensen die de moed hebben gehad ‘over de drempel’ te stappen en contact te maken met de wereld van de geest, een wereld waar de doorsnee mens angstig voor terugdeinst.

Toch blijft het vreemd dat de spirituele wereld van de Hedendaagse Kunst zoveel lijkt op de zeer materialistische wereld van een deeltjesversneller. Of zou die deeltjesversneller wellicht ook een voorbeeld van een drempeloverschrijding zijn, in die zin dat de deeltjes die er verschijnen niet gevonden worden maar gecreëerd? Moeten we het Higgs-deeltje met andere woorden beschouwen als een Hedendaags Kunstwerk?

De vraag rijst dus: wie is er wakker en wie is er stoned?
De ‘wakkeren’, zijn dat de mensen die Grote Kunst zien in een pispot?
En de ‘slapenden’, zijn dat degenen die alleen maar een pispot zien?
Of is het omgekeerd?
Misschien is er nog een derde mogelijkheid en hebben ze allebei gelijk: misschien is een pispot zowel Grote Kunst als gewoon een … pispot.
Ja, misschien heeft de werkelijkheid twee kanten: een banale buitenkant (die voor gewone stervelingen zichtbaar is) en een kunstzinnige binnenkant (die alleen door ingewijden waargenomen wordt).
Is dat niet juist een heel spirituele, holistische visie op de werkelijkheid?
Is dat niet de antroposofische visie?
Is dat niet mijn eigen visie, u weet wel: ‘de wereld als een kunstwerk zien’?

20140116-141648.jpg

Dat is een belangrijke vraag.

Als ik ze bevestigend moet beantwoorden, dan zijn de liefhebbers van Beuys en de Hedendaagse Kunst mensen die ‘ontwaakt’ zijn, en dan ben ikzelf iemand die ‘slaapt’.
Meer nog, ik ben dan een slapende die de wakkeren verwijt dat ze … slapen.
Waarschijnlijk is dat inderdaad hoe de Beuys-fans mij bekijken: als iemand die nog slaapt, iemand die er niet in slaagt om over de drempel te raken en zijn frustraties daarover uitwerkt op degenen die daar wel in geslaagd zijn.
Een simpel geval van spirituele onmacht en jaloezie dus.
En als die verhardt dan kan het heel erg lelijk worden.

Het is dus niet zomaar een academische vraag die hier rijst. Mijn persoonlijke zieleheil hangt ervan af. Of dat van anderen. Want één van beide moet de verkeerde weg zijn ingeslagen. Je kunt niet tegelijk slapen en wakker zijn. Het één van beide.
Of toch niet?
Is het wezen van de inwijding of de drempeloverschrijding niet dat je wakker wordt in de wereld van de slaap, dat wil zeggen in de geestelijke wereld die je ’s nachts betreedt? Of andersom: dat je wakker blijft wanneer je de wereld van de nacht betreedt?
Zijn ingewijden geen mensen die wakker kunnen slapen?
En zijn niet-ingewijden geen mensen die ofwel wakker zijn ofwel slapen, maar nooit beide tegelijk?
Ik denk het wel.

En daarmee heb ik een criterium gevonden waarmee ik, als niet-ingewijde, het ingewijd-zijn van bijvoorbeeld hedendaagse kunstenaars en kunstliefhebbers kan beoordelen.
Als zij namelijk zijn wat zij voorgeven te zijn, dan moeten ze net zo wakker zijn als ikzelf, want er is natuurlijk geen kunst aan om slapend over de drempel te gaan, dat doe ik ’s avonds iedere dag.
En halfwakker of dromend over de drempel gaan, komt evenmin in aanmerking.
Een drempeloverschrijding houdt te veel risico’s in dan dat je het in half benevelde toestand tot een goed eind zou kunnen brengen.
Nee, als Hedendaagse Kunstenaars zich voordoen als ingewijden, magiërs en alchemisten die van pispotten en uitwerpselen puur artistiek goud maken, dan moeten ze zonder problemen mijn kritische vragen kunnen beantwoorden, dan moeten hun ‘wakkere’ vermogens minstens even sterk zijn als hun ‘slapende’ capaciteiten.

Als antroposoof kennen we natuurlijk het schoolvoorbeeld van de moderne ingewijde, namelijk Rudolf Steiner himself.
We zien hier inderdaad een bijzonder kunstzinnig man, die niet alleen tekende, schilderde, beeldhouwde en gebouwen ontwierp, maar die eigenlijk alles wat hij deed een uitgesproken kunstzinnig karakter gaf, denken we maar aan de steinerscholen.
Hij legde er trouwens de nadruk op dat alles een kunst moest worden: dus geen geneeskunde maar geneeskunst, geen opvoedkunde maar opvoedkunst, geen landbouwkunde maar landbouwkunst, enzovoort.
Maar deed deze man zich voor als een kunstenaar, dat wil zeggen: zorgde hij er door zijn opvallende outfit of bizarre gedrag voor dat mensen hem meteen als kunstenaar herkenden?
De vraag stellen is ze beantwoorden.

20140116-142120.jpg

En gedroeg hij zich als een magiër, die allerhande bizarre rituelen uitvoerde waar mensen dan ademloos stonden naar te kijken zonder een idee te hebben wat hij deed?
Ook deze vraag moet ontkennend beantwoord worden.
Natuurlijk had Steiner ‘vreemde’ kantjes, hij was tenslotte een groot ingewijde en dat stop je niet zomaar weg, maar hij beperkte zijn anders-zijn tot het absolute minimum. Iedereen die hem kende, werd getroffen door het grote contrast tussen zijn machtige geest en zijn eenvoud en bescheidenheid.

Dat is alvast een opvallend verschil tussen Rudolf Steiner en de Hedendaagse Kunstenaars.
Maar een nog veel belangrijker verschil is het feit dat hij zijn uiterste best deed om alles wat hij deed en vertelde inzichtelijk te maken voor het gewone verstand.
Je hoeft, zei hij, helemaal niet helderziend te zijn om de waarheid in te zien van wat ik zeg.
Hij beklemtoonde juist de cruciale rol van het gezonde verstand. Dat was voor hem veel belangrijker dan welke ‘spirituele ervaring’ ook.
Dat is trouwens voor veel mensen het minst aantrekkelijke aspect van de antroposofie: het droge, rationeel-wetenschappelijke karakter ervan.
Er is heel veel spirituele wijsheid aanwezig in de antroposofie, maar tussen die wijsheid en de naar spiritualiteit snakkende moderne mens staat, als een wachter aan de drempel, de nuchtere rationaliteit, de kritisch-wetenschappelijke houding.
Geloof niets van wat ik zeg, herhaalde Steiner steeds weer, maar onderzoek het allemaal.
Zonder een kritische houding kwam je volgens hem de geestelijke wereld niet binnen.
Zonder humor trouwens ook niet.

Vergelijken we deze mentaliteit nu eens met die van de Hedendaagse Kunst.
Need I say more?
Ik las ooit het verslag van een gesprek met Joseph Beuys waarin hij een simpele houten krat (van het soort waarin ijskasten of auto-onderdelen worden vervoerd) voorstelde als ‘een typisch voorbeeld van klassieke kunst’. Hij gaf daarbij geen woord uitleg, en die uitleg werd ook niet gevraagd. Hij stelde het absurde dus voor als vanzelfsprekend en het werd als vanzelfsprekend aanvaard. Zonder één vraag, zonder één kritische opmerking.
Dit voorval trof me als een pars pro toto van de hele Hedendaagse Kunst.
In deze ‘kunst’ worden de meest onwaarschijnlijke zaken als vanzelfsprekend als kunst voorgesteld en dat wordt even vanzelfsprekend aanvaard.
Je zou Hedendaagse Kunst dan ook kunnen omschrijven als ‘de vanzelfsprekendheid van het onwaarschijnlijke’.
En dat kun je natuurlijk moeilijk een wetenschappelijke houding noemen.
Het is er zonder meer het tegendeel van.
Het is een houding van blind geloof.

20140116-142622.jpg

In de Hedendaagse Kunst vieren we ‘de terugkeer van de magiërs’.
Maar ofschoon ze zichzelf ‘hedendaags’ noemen, zijn het allesbehalve moderne magiërs, zoals Rudolf Steiner. Ze doen niet de minste moeite om hun magische rituelen en beelden uit te leggen, wel integendeel. Hun taalgebruik zelf is magisch. Het is een mengeling van rationaliteit en irrationaliteit die het verstand blokkeert en de kijker-luisteraar als het ware in slaap dwingt. En dwingen is hier wel het juiste woord, want wie zich verzet tegen deze magische betovering krijgt een heel andere kant van deze Hedendaagse Magiërs te zien: de agressieve, woedende, verontwaardigde kant.
Laat ik een voorbeeld geven dat eveneens als pars pro toto kan dienen.

Roger Raveel.
Zeer bekend Vlaams Hedendaags Kunstenaar.
Iedereen kende hem als een uiterst vriendelijke, ouderwetse opa die zich graag met zijn al even ouderwetse Zulma liet fotograferen. Onschuldiger en gewoner kan een kunstenaar er niet uitzien.
Raveel was beroemd in Vlaanderen. Niet alleen had hij een (groot) museum gekregen dat enkel en alleen aan zijn werk was gewijd, maar – alsof dat nog niet genoeg was – kon zijn werk ook nog eens bewonderd worden in zijn (niet minder grote) atelier waar hij persoonlijk rondleidingen gaf aan kunstliefhebbers die met bussen werden aangevoerd.
Eén van die kunstliefhebbers vertelde ooit wat hij had meegemaakt tijdens zo’n bezoek. Tijdens de rondgang had hij, nietsvermoedend, de terloopse opmerking gemaakt dat een deurklink op een van de schilderijen toch niet helemaal geslaagd leek.
Raveel had dat gehoord en barstte uit in woede. Hij schold de oneerbiedige onverlaat de huid vol terwijl iedereen als verstijfd toekeek.
Wie Roger Raveel ooit heeft horen spreken, zal zich daar niet over verbazen, want die onschuldig ogende opa was in werkelijkheid een onwaarschijnlijk zelfingenomen man die ervan overtuigd was dat hij de kunst van de 20ste eeuw beslissend beïnvloed had, tot in Amerika toe.

20140116-142712.jpg

En dit is geen alleenstaand geval.
De eveneens zeer sympathieke en joviale Jan Hoet moet je ook niet tegen de haren instrijken, want dan krijg je een heel ander iemand te zien.
Dit Janus-karakter is typisch voor de Hedendaagse Magiër: hij is de vriendelijkheid zelve zolang hij eerbiedigd wordt, maar één kritische opmerking kan hem veranderen in een buitengewoon arrogant en agressief wezen.
Magie en geweld: dat zijn de wapens van de nieuwe magiërs.
Zeer geraffineerde magie en niets ontziend geweld.
Verfijnde spiritualiteit en grof materialisme.
En deze tegenstrijdige kenmerken tref je ook aan bij de bewonderaars van deze magiërs, bij de ‘betoverden’.
Mijn ervaring met deze mensen is dat ze vriendelijk en welwillend blijven tot op een bepaald punt. Als ze merken dat hun woord-magie niet werkt, dan worden ze kwaad, heel kwaad. Ik heb er zelfs een tijdlang een spelletje van gemaakt om hen tot dat punt te brengen, maar toen ik ondervond dat het ook werkte bij niet-kunstliefhebbers was de pret er vlug af. Ik stelde tot mijn ontzetting vast dat de Hedendaagse Magie zich niet beperkte tot de kunstwereld. En nu spreek ik over dertig, veertig jaar geleden. Ik mag er niet aan denken hoe erg het vandaag is. Ik hoéf er niet eens aan te denken, ik lees het iedere dag in de krant.

In ieder geval, de magische geest die in de Hedendaagse Kunst aan het werk is, en die zich reeds ver buiten de muren van de kunstwereld heeft verspreid, kan ik onmogelijk rijmen met de geest die ik in Rudolf Steiner aan het werk zie: een door en door rationele en wakkere geest die te allen tijde bereid is om in te gaan op vragen en kritische bemerkingen, die het niet moe wordt om dezelfde zaken steeds weer op een andere manier uit te leggen, die zelfs voordrachten houdt voor arbeiders, die zich verre houdt van alle magie, en die nooit of nooit agressief of (opzettelijk) intimiderend was.
Ik zie in de Hedendaagse Kunst juist de omgekeerde geest.
En die ‘omgekeerdheid’ zie ik ook in de reacties.
De antroposofie van Rudolf Steiner was van bij haar ontstaan het voorwerp van scherpe kritiek, een kritiek die door Steiner tot vervelens toe werd weerlegd, en waarvan hij ook verwachtte dat zijn leerlingen ze zouden weerleggen.
Men heeft Steiner geprobeerd te vermoorden, men heeft het Goetheanum in brand gestoken, men heeft de Antroposofische Vereniging verboden, men heeft antroposofen het leven zuur gemaakt, en de aanvallen blijven duren tot de huidige dag.

20140116-143702.jpg

Vergelijk ik nu met de Hedendaagse Kunst, dan zie ik daar een kunst die minstens even ongewoon en ‘buitenissig’ is als de antroposofie, maar die niettemin gesteund wordt door de rijken en machtigen der aarde, die bejubeld wordt door de intelligentsia overal ter wereld, die geen enkele kritiek te verduren krijgt en die zelfs onder mensen die zich niet met kunst bezig houden als vanzelfsprekend wordt aanvaard.
Opnieuw dus precies het omgekeerde.

Als ik dat allemaal op een rijtje zet en opnieuw de vraag stel ‘wie slaapt hier en wie is wakker?’ dan is er voor mij weinig twijfel meer.
Het beeld van de deeltjesversneller is niet zomaar een lukrake associatie, het is het beeld van een magisch brein dat aan een enorme snelheid en met groot machtsvertoon in een cirkel blijft draaien en daarmee zichzelf en de wereld in de ban houdt.
De deeltjesversnellers worden steeds groter, en de deeltjes steeds kleiner.
Net zoals de Hedendaagse Kunst, waarvan de uiterlijke verschijning steeds indrukwekkender wordt en de inhoud steeds banaler.

De ban van deze magische ring – de wetenschappelijke zowel als de kunstzinnige – wordt alsmaar groter en zal waarschijnlijk maar eindigen wanneer hij de hele wereld omvat.
Deze ‘ring’ is geen inbeelding maar realiteit, een geestelijke realiteit die zich zowel in wetenschap, kunst als religie uitdrukt, en die hard op weg is om niet alleen het geestesleven maar het héle leven van de mens in zijn greep te krijgen.
Antroposofen weten om welke geestelijke realiteit het hier gaat, maar het is één ding om er in theorie over te spreken, en een heel ander om er in praktijk over te spreken.
En dat laatste is wat ik hier wil proberen.
Want de kunst is zowat het enige gebied geworden waarop je nog vrijuit kunt spreken.
In de wetenschap is dat niet langer mogelijk omdat er te veel economische belangen mee gemoeid zijn, en in de religie is het al evenmin nog mogelijk omdat er te veel macht in het spel is.
De kunst houdt het midden tussen beide, en ofschoon ook hier geld en macht in het spel zijn, blijft de kunst toch een schijnwereld, en juist die schijn – ook van de magie die er uitgeoefend wordt – geeft ons de vrijheid die we elders niet (meer) hebben.

20140116-143810.jpg

Als de ban van de ring ergens kan doorbroken worden, dan is het in de wereld van de kunst.
En om die betovering te doorbreken, moeten we de rode draad weer opnemen waar hij verbroken werd, de rode draad van het afstand nemen, van het achteruit stappen en het verruimen van de kunstzinnige blik.
Die ‘verruiming’ is tegelijk een verheldering, een toegroeien naar de objectieve blik van de wetenschap.
Ik wil dus afstand nemen van de kunst, ik wil haar van op afstand bekijken.
Ik wil mijn blik op de kunst gericht houden en als het ware ruggelings het museum verlaten om ook de relatie tussen kunst en werkelijkheid te kunnen waarnemen.
Dat is trouwens hoe ik ertoe kom om de kunst als een realiteit en de realiteit als een kunstwerk te zien.

De Hedendaagse Kunst doet precies het omgekeerde.
Zij verlaat het museum niet en neemt de kunstzinnige blik niet mee de wereld in.
Zij dringt juist het museum binnen en neemt de wereldse, materialistische blik met haar mee.
Op die manier heeft zij het museum – oorspronkelijk een tempel waar rust en contemplatie heersten – herschapen in een rumoerig marktplein.
De bezoeker wordt er niet alleen gedwongen om te betalen, hij moet ook nog eens zijn wakkere, kritische bewustzijn in de vestiaire achterlaten en het vervangen door een koptelefoon die hem precies vertelt wat hij moet zien, wat hij moet voelen en wat hij moet denken.

Wel, ik laat mij op veel gebieden dwingen, omdat ik niet anders kan, maar op één gebied laat ik mij niet dwingen, en dat is het gebied bij uitstek van de vrijheid: de kunst.
Als ik ook hier mijn vrijheid opgeef, dan blijft er van mij helemaal niets meer over qua zelfstandig Ik.
Dus blijf ik mij verzetten tegen de ban van de ring, tegen de magie van de Hedendaagse Kunst.
Als we toch ten onder moeten gaan (en wie twijfelt daar nog aan?) dan liever met de ogen open dan juichend en zwijmelend van dronkenschap zoals 100 jaar geleden.

20140116-144430.jpg