Driekoningen-essay (deel 7)

door lievendebrouwere

In deel 6 van dit essay had ik het over de Grote Breuk in de kunst. Ik kwam daarbij tot de conclusie dat niet zozeer de breuk zelf het probleem vormt, dan wel de ontkenning ervan.
Nochtans is het onmogelijk om naast die breuk te kijken.
Ze deelt de kunst, zowel in tijd als in ruimte, in twee stukken.

Laat ik beginnen met de tijd.

Wie een boek over kunstgeschiedenis doorbladert, wordt willens nillens getroffen door het enorme verschil tussen de kunst van de 20ste eeuw en de kunst van daarvoor.
Tot pakweg 1900 vormt de kunst van de mensheid, ondanks haar grote diversiteit, een organisch geheel. De grottekeningen van Altamira mogen dan 15.000 jaar oud zijn, ze zien eruit alsof ze in onze tijd gemaakt hadden kunnen zijn. Ondanks hun hoge ouderdom roepen ze een gevoel van herkenning en vertrouwdheid op.
Dat gevoel van herkenning verdwijnt wanneer de 20ste eeuw aanbreekt,
Het maakt plaats voor bevreemding.
De rode draad breekt.
Tussen de zonnebloemen van Vincent van Gogh en de pispot van Marcel Duchamp liggen amper 20 jaar en toch is er geen enkel raakpunt tussen beide.
Ze behoren tot twee totaal verschillende werelden.
En tussen die werelden gaapt een diepe kloof.

20140224-161726.jpg

Het is onmogelijk om die kloof niet te zien, en toch doet men alsof er helemaal geen kloof is.
Men doet alsof de pispot van Duchamp op volkomen natuurlijk wijze voortgekomen is uit de zonnebloemen van Van Gogh.
Die overgang is geen breuk maar een … metamorfose.
Zoals een rups zich ontpopt tot vlinder, zo heeft de oude kunst zich getransformeerd tot nieuwe kunst.
Hetzelfde wezen, maar in een totaal andere gedaante.
Niks aan de hand dus, in de natuur gebeurt het ook.

De Hedendaagse Kunst presenteert zich als de wettige erfgenaam van de oude kunst, haar eniggeboren zoon.
En die zoon overtreft de moeder, want de kunst heeft zich bevrijd uit haar cocon en ontplooit nu haar ware wezen.
Zo wordt het ook door diverse Hedendaagse Kunstenaars verkondigd: pas in de 20ste eeuw krijgen we de echte kunst te zien.
Wat daarvoor kwam, was slechts voorbereiding.
Verre van in twee stukken gebroken te zijn, is de kunst juist opengebloeid in een alles overtreffende synthese.

Wie dat niet begrijpt, verraadt zichzelf als iemand die niet in staat is verder te kijken dan het uiterlijk van de kunst.
Vroeger kon de kunstliefhebber zich nog vergapen aan de zintuiglijke verschijning van de kunst, aan haar esthetiek, aan haar vermogen tot nabootsing. Maar nu de kunst die uiterlijkheden heeft afgeworpen, blijft de oppervlakkige kijker met lege handen achter. Hij moet machteloos toezien hoe de kunst bij wijze van spreken ten hemel stijgt.
Alleen wie doorheen het uiterlijk van de kunst haar wezen kan waarnemen, is in staat om haar te volgen op haar hoge vlucht.

20140224-162019.jpg

En daardoor wordt de breuk-in-de-tijd ook een breuk-in-de-ruimte.
Want ook het kunstminnende publiek valt in twee stukken uiteen.

Aan de ene kant staan de kunstliefhebbers die er geen moeite mee hebben om in de pispot van Duchamp een metamorfose te zien van de zonnebloemen van Van Gogh. Ze houden evenveel (zo niet meer) van de nieuwe kunst als van de oude, en zien geen wezenlijk verschil tussen beide.
Aan de andere kant staan de kunstliefhebbers voor wie deze metamorfose een duister raadsel blijft. Zij zien geen enkel verband tussen de pispot en de zonnebloemen, en keren zich van de pispot af. Zij begrijpen niets van de nieuwe kunst en beperken zich dan maar tot de oude.

Tussen deze beide categorieën kunstliefhebbers gaapt een al even diepe kloof als tussen de oude en de nieuwe kunst.
Want hoezeer de avant-garde ook haar best doet om die kloof te overbruggen en de ‘achterblijvers’ voor te lichten, uit te leggen en op te voeden, het baat allemaal niets.
Ook na 100 jaar Hedendaagse Kunst is het nog altijd slechts een kleine minderheid die in staat is kunst te zien in pispotten, kakmachines, varkens en conservenblikken.
Terwijl het stormloopt voor tentoonstellingen met werk van ‘oude’ kunstenaars, blijven de zalen leeg wanneer het om ‘nieuwe’ kunstenaars gaat (behalve op de vernissage waar de avant-garde elkaar ontmoet en de pers aanwezig is).

20140224-162250.jpg

Deze breuk weerspiegelt ook de breuk tussen de kunstenaars zelf.
Want net zoals er kunstliefhebbers zijn die de stap van de oude naar de nieuwe kunst niet hebben kunnen zetten, zijn er ook kunstenaars die nog altijd zweren bij de oude, klassieke kunst.
Hoe talrijk ze zijn, valt moeilijk te boordelen, want ze worden doodgezwegen in de media, hebben geen toegang tot de kunsthandel, worden geweerd uit het onderwijs, en krijgen geen enkele overheidssteun. Ze zijn helemaal op zichzelf aangewezen, en was het internet er niet geweest, men zou denken dat ze uitgestorven zijn.
Dat is echter niet het geval.
Er zijn duizenden websites en weblogs van klassieke kunstenaars die niet zelden op hoog niveau werken, die (privé) lesgeven, boeken uitgeven, educatieve filmpjes maken en hun werk aan de man brengen. Voeg daarbij nog eens de ontelbare amateurs en zondagsschilders, en je hebt een hele alternatieve wereld waarover in de media met geen woord wordt gerept en die voor de officiële kunstwereld eenvoudig niet bestaat.

Het wonderlijke is dat in deze klassieke wereld met geen woord gerept wordt over de Hedendaagse Kunst. Men sluit er gewoon de ogen voor en doet alsof er niks aan de hand is.
Je zou het kunnen vergelijken met een land dat bezet is door een vijandige mogendheid. Het hele officiële leven is in handen van de bezetter, maar het dagelijkse leven gaat zijn gewone gang: de boeren ploegen, de onderwijzers onderwijzen, de huismoeders moederen, enzovoort. Ze proberen hun oude leven voort te zetten.
Zo gaat het ook in de kunst: de hele officiële kunstwereld is in handen van de Hedendaagse bezetter, maar de niet-collaborerende kunstenaars proberen hun oude ‘beroep’ uit te oefenen en de vijand zoveel mogelijk te negeren.

In deze multiculturele en globaliserende tijden, waarin alle grenzen wegvallen en de hele mensheid lijkt te versmelten, is het lichtjes verbijsterend om zien hoe twee werelden compleet naast elkaar leven en doen alsof de anderen niet bestaan.
Er is geen enkel contact tussen beide, ze leven in volstrekte apartheid.

20140224-162553.jpg

Slechts één ding hebben ze gemeen: hun ontkenning van de Grote Breuk.

We staan er zelden bij stil, maar we leven niet langer in een natuurlijke omgeving, we leven in een kunst-matige omgeving. We zijn van ’s morgens tot ’s avonds omringd met kunst en cultuur in al zijn aspecten: gebouwen, woorden, beelden, muziek. We kunnen er ons eenvoudig niet aan onttrekken.

Art is everywhere.

Maar juist die alomtegenwoordigheid – in combinatie met een eindeloze diversiteit – belet ons om afstand te nemen van die ‘kunstwereld’.
We worden erdoor meegesleurd, we verdrinken erin.
En daardoor ontgaat ons de diepe kloof die dwars door die wereld loopt.
Maar wanneer we erin slagen om de betovering van die alomtegenwoordige zintuiglijke schijn te doorbreken (sic) wordt de kloof zichtbaar en kunnen we er niet meer naast kijken.
Zij groeit dan uit tot hét centrale fenomeen in de wereld van de kunst.
Tegelijk zien we dan ook hoe smal de grens is geworden tussen de kunstwereld en de gewone wereld.
De Grote Breuk die door de wereld van de kunst loopt, loopt ook door de wereld daarbuiten. Ze loopt overal, zelfs door ons eigen wezen, want de kunst weerspiegelt niet alleen de zichtbare werkelijkheid, zij weerspiegelt ook de onzichtbare werkelijkheid, dat wil zeggen: onze eigen ziel, ons eigen bewustzijn.

We zien de Grote Breuk dan ook slechts in de mate dat we ook de breuk in ons eigen bewustzijn onder ogen zien.
Het is die innerlijke breuk die ons blind maakt voor de breuk in de (buiten)wereld.
Het is in feite één en dezelfde kloof.
De kloof die de kunst in twee deelt, is een kloof die wij zelf hebben geslagen.
Wij zijn de scheppers van die gebroken kunst.
Wij drukken er ons eigen gebroken wezen in uit.
Maar dat weten we niet.
We scheppen immers niet bewust.
Om ons bewust te worden van onze scheppende geest moeten we in de spiegel van de kunst kijken.
Maar dat durven we niet, want dan worden we geconfronteerd met dat grote gapende gat, met die diepe en duistere kloof.
En die jaagt ons de stuipen op het lijf.

20140224-163035.jpg
(performance door Chinese kunstenaar)

Die kloof, dat is de drempel waar we overheen moeten.
Dat is de grote uitdaging waarvoor we staan.
Als we die uitdaging uit de weg gaan, als we onze ogen sluiten voor dat ‘gat’ in onze ziel, dan zal het steeds groter worden en ten slotte veranderen in de muil van een monster dat ons met huid en haar verslindt.
Dat is misschien een ietwat melodramatische voorstelling, maar het gaat nu eenmaal om geestelijke realiteiten die alleen door middel van beelden zichtbaar kunnen worden gemaakt. Die realiteiten leunen echter zo dicht aan bij de materiële wereld dat beeldspraak minder beeldspraak is dan het lijkt.
Het ‘monster’ waarover ik spreek, bestaat wel degelijk.
Het is geestelijk – en dus onzichtbaar – van aard, maar het houdt zich op in de etherische wereld, het deel van de geestelijke wereld dat het dichtst aanleunt bij de zichtbare, materiële werkelijkheid.

En juist omdat we in deze tijd allemaal ‘over de drempel’ gaan, komen we in contact met dat monster. We voelen dat het er is en het jaagt ons diepe angst aan.
De moderne mens is een angstige mens, een mens die een reusachtig onheil voelt naderen en steeds moeilijker zijn tegenwoordigheid van geest kan bewaren.
En toch is dat laatste het enige wat helpt.
Tegenover dit apocalyptische monster kunnen we alleen onze tegenwoordigheid van geest plaatsen, de tegenwoordigheid van onze geest, de geest van de mens.
Want het ‘monster’ of de ‘draak’ is een onmenselijke geest.
Het is een geest die het op onze menselijkheid gemunt heeft en haar van binnenuit wil verzwelgen.

Het grootste gevaar schuilt dan ook niet in de wereld om ons heen, het schuilt in onszelf.
Daar leeft het monster: in onze ziel, in onze geestelijke wereld.
En daar moet het overwonnen worden.
Maar dat kunnen we niet als we het niet waarnemen: je kunt geen onzichtbare vijand overwinnen.
Daarom hebben we een spiegel nodig: de spiegel van de materiële wereld.
In die wereld is niets wat ook niet in de wereld van de geest is.
De materie is niet meer dan een spiegel van de geest.
Hijzelf is schijn, maar wat hij weerspiegelt is waar.
En de spiegel van die spiegel is de kunst.
In de kunst weerspiegelt de werkelijkheid zichzelf in tegelijk zeer geconcentreerde en zeer afgezwakte mate.
Kunst is, zoals Plato al zei, schijn-van-schijn.
Maar juist daardoor biedt de kunst ons de mogelijkheid om onder ogen te zien wat we in de werkelijkheid niet onder ogen durven of kunnen zien, en dat is het monster uit Yeats’ Second Coming, ‘the rough beast that slouches towards Bethlehem’.

20140224-163740.jpg

Welke verblindende, bewustzijnsverlammende kracht uitgaat van dit ‘beest’ kunnen we aflezen aan de algemene ontkenning van wat ik de Grote Breuk in de kunst noem.
Er wordt met geen woord over gesproken, aan geen van beide kanten.
Iedereen doet alsof er niets aan de hand is, ook al wordt er stront als kunst geserveerd, ook al wordt het Goetheanum vol bananenschillen gegooid.
Men houdt de lippen stijf op elkaar, meer zelfs: men applaudisseert.
Dit is geen taboe meer.
Dit is iets anders.
Het is een taboe dat niet meer als taboe wordt beschouwd, omdat het uit ons bewustzijn is verdwenen en tot een tweede natuur geworden.
Iedere bewustwording van de Grote Breuk wordt dan ook ervaren als een aanslag op het eigen wezen.
Er wordt instinctief op gereageerd met verontwaardiging, woede, agressie, hoon en spot.
En instinctief is werkelijk instinctief: men is zich niet bewust van die reactie.
Het is een verschijnsel dat je goed kunt waarnemen bij politiek correcte intellectuelen. Ze produceren een niet aflatende stroom van beschuldigingen tegen racisten, onverdraagzamen, haatdragenden, verzuurden, enzovoort, en ze beseffen totaal niet hoe racistisch, onverdraagzaam, haatdragend en verzuurd ze zelf wel zijn.
En het is echt geen truc, ze geloven werkelijk dat ze verdraagzaam, liefdevol en welwillend zijn.
De Grote Breuk is in hun ziel tot werkelijkheid geworden: het ene deel van hun bewustzijn heeft geen weet van het bestaan of het gedrag van het andere deel.
Dr. Jekyll heeft geen flauw idee wie mr. Hyde is, ook al wonen ze in dezelfde kamer.

Het beeld dat hier verschijnt, is dat van het ‘monster’ dat zich in onze ziel genesteld heeft zonder dat we er iets van weten. En hoe meer dat kwalijke wezen in ons te keer gaat, des te meer trekken we ons terug in het andere brokstuk van onze ziel, en des te betere mensen voelen we ons.
Een karikatuur van die gespleten mens zien we in de moslimterrorist die zich opmaakt om met een bomauto in te rijden op een menigte onschuldige mensen, en die zichzelf een halve heilige voelt, een martelaar, een zuivere van geest.

20140224-164126.jpg

Het geeft alleszins een idee van hoe gevaarlijk deze monsterlijke geest is, hoe hij ongezien in de ziel van de mens sluipt en hem de meest onmenselijke dingen laat doen zonder dat hij er zich van bewust is. Wel integendeel, wie door deze geest bezeten wordt, waant zich een verlichte geest, een moreel superieur mens, in wiens hart louter liefde en verdraagzaamheid wonen.
Het is nagenoeg onmogelijk om zo’n mens nog tot inzicht te brengen, want iedere poging om hem te wijzen op de breuk in zijn ziel, maakt die breuk alleen nog groter. Enerzijds trekt hij zich terug in de ‘goede’ kant van zijn ziel (en voelt zich een nóg beter mens) en anderzijds ontbindt het monster zijn duivels en verovert nog wat meer terrein in de ziel van zijn ‘gastheer’.

Dergelijke mensen moeten gezien worden als ‘offers’ die het ons mogelijk maken om in een spiegel te kijken en ons bewust te worden van het vreselijke wezen dat als een koekoeksjong onze ziel binnendringt en daar onze menselijkheid beetje bij beetje uit verwijdert.
Zo moet mijns inziens ook – en vooral – de Hedendaagse Kunstenaar worden gezien.
Zoals iedere kunstenaar duikt hij met zijn bewustzijn onder in de etherische wereld, want daar leven de scheppende krachten die hij nodig heeft.
Maar in onze tijd is de etherische wereld het toneel van de ontmoeting tussen Christus en de Antichrist, en omdat Christus zich op geen enkele manier opdringt en zijn grote tegenstander wél, is de kunstenaar een vogel voor de kat. In zijn eentje is hij niet opgewassen tegen deze zo ongelooflijk geraffineerde en kwaadaardige geest.
We herkennen in de Hedendaagse Kunstenaar eigenlijk de oude, individuele kunstenaar wiens tijd voorbij is, maar dat niet wil of kan toegeven en daardoor ten prooi valt aan een kwaadaardige geest, zoals alles en iedereen wiens tijd voorbij is.

20140224-164457.jpg

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, loopt in Brussel de overzichtstentoonstelling van Michaël Borremans, een kunstenaar die de oude, klassieke kunst lijkt te verzoenen met de nieuwe, Hedendaagse kunst.
Borremans is trouwens niet de enige in zijn soort.
Het klassieke, traditionele schilderen, dat nog niet zolang geleden officieel dood werd verklaard door kunstpaus Jan Hoet, is aan een even onverwachte als steile opmars bezig.
Steeds meer jonge mensen bekennen zich weer tot de traditie van het klassieke, figuratieve tekenen en schilderen.
Maar of dat een goede zaak is, durf ik sterk te betwijfelen.
Ik zie er veeleer een teken in dat de Grote Breuk nog ‘onzichtbaarder’ wordt dan ze al was.
Door die vermenging van oud en nieuw, van Klassiek en Hedendaags, wordt de spiegel helemaal wazig en verdwijnen de contouren van de breuk die dertig, veertig jaar geleden nog heel scherp waren.

Wat er ook van zij, het is hoog tijd dat we in de spiegel van de kunst durven kijken en daar de Grote Kloof ontwaren die ook door onze eigen ziel loopt. Want alleen het bewustzijn van die kloof kan er ons voor behoeden om erin te vallen en ‘opgeslokt’ te worden door een kwaadaardige geest die ons diep vernedert en ons in de waan laat dat we ons hoog verheffen.

Hiermee wil ik dit Driekoningen-essay afronden.

Het begon met Joseph Beuys die mijn kersttijd verstoorde en het eindigt er eigenlijk ook mee.
Want Beuys is zowat de belichaming van de Grote Breuk.
Zijn werk bestaat uit twee totaal verschillende werelden waartussen geen enkel contact is: een bevlogen antroposofische ideeënwereld en een grauwe, akelige wereld die uit louter materie bestaat.
Zolang we Beuys dualistisch benaderen, blijven we blind voor die breuk, maar wanneer we hem driegeleed benaderen – zoals we kunst altijd zouden moeten benaderen – dan groeit die breuk juist uit tot de kern van zijn werk.
Het wezenlijke van Joseph Beuys zijn niet zijn theorieën en ook niet zijn praktijk, maar het totale ontbreken van enig verband tussen die twee.
En dan rijst de vraag: wat zegt het over de hedendaagse antroposofie dat Joseph Beuys er zo’n hoge status bekleedt?
Wordt het niet stilaan tijd dat we Beuys als een spiegel gaan zien en niet als een na te volgen voorbeeld?
Moeten we niet eindelijk eens ons hart laten spreken en het offer aanvaarden dat deze man gebracht heeft?

20140224-164853.jpg

Advertenties