Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: maart, 2014

Het is leuk om af en toe bloed te zien vloeien

20140331-220139.jpg

Donderdagavond was er op Canvas een reportage over inwoners van Eritrea die hun land massaal ontvluchten en proberen tot in Israël te raken.
In de Sinaï-woestijn wordt er echter jacht op hen gemaakt door bedoeinen die de Eritreeërs opsluiten in kampen. Daar worden ze verplicht familie of vrienden te bellen om hen te vragen losgeld te storten, anders zullen ze gefolterd worden. Om de vraag kracht bij te zetten, worden ze reeds tijdens het telefoongesprek gefolterd of verkracht.
Is het losgeld eenmaal betaald, dan worden ze vrijgelaten.
Als ze er uiteindelijk in slagen Israël te bereiken (zonder onderweg neergeschoten te worden), dan moeten ze daar op straat leven, want Israël kan het zich niet permitteren om vluchtelingen goed te ontvangen, want dan worden ze erdoor overspoeld.
De Eritreeërs leven er dus in erbarmelijke omstandigheden en krijgen op de koop toe oproepen van … familieleden die gefolterd worden door de bedoeinen in de Sinaï-woestijn.

Het was naar verluidt een gruwelijke reportage (ik heb ze zelf niet gezien).
Vreemd was echter dat er met geen woord gerept werd over de reden waarom tienduizenden Eritreeërs hun land ontvluchten en dergelijke gevaren trotseren.
Dat is toch de eerste vraag die je je stelt bij het zien van zoveel wanhoop?
Niet echter de VRT.
En dus stel je een tweede vraag: wat zit daarachter?
Waarom gebaart de VRT dat haar neus bloedt?

20140331-221529.jpg

Het antwoord blijkt een klassieker te zijn: de vluchtelingen zijn christenen die vervolg worden door moslims, en over moslims willen onze politiek correcte intellectuelen uiteraard geen kwaad woord horen.

Als er voor de verandering eens het omgekeerde gebeurt – moslims die vervolgd worden door christenen (zoals in Centraal-Afrika) – dan zijn diezelfde intellectuelen er als de kippen bij om dat flink in de verf te zetten én te verzwijgen dat die vervolgingen een wraakactie zijn voor … alweer moslimterreur.

En zo gaat dat nu al vele, vele jaren door.
Overal ter wereld zaaien moslims terreur, maar dat wordt verzwegen, gerelativeerd, geminimaliseerd.
In zowat alle moslimlanden worden christenen vervolgd, geterroriseerd en vermoord, maar dat wordt verzwegen, gerelativeerd, geminimaliseerd.
Ja, het journaille slaagt er zelfs in de zaken om te draaien en de moslims voor te stellen als de hedendaagse joden en de christenen als de hedendaagse nazi’s.

En die niet aflatende propaganda wordt geloofd, net als (bijna) honderd jaar geleden.

Een mens staat sprakeloos tegenover zoveel verdwazing.

20140331-221900.jpg
(Wereldwijd worden 100 miljoen christenen vervolgd)

20140331-222338.jpg

De Belgische Syriëstrijder (zo wordt hij eerbiedig in de krant genoemd) Abou Omar Al-Belgiki uit Molenbeek getuigt vanuit de loopgraven: ‘Het is leuk om af en toe bloed van ongelovigen te zien vloeien, want wij zijn opgegroeid met beelden op televisie en in films, waarin het telkens de Moslims zijn die sterven.’

De jihad dankt de Westerse televisie- en filmmakers.

Het materiaal van de vrijheid

20140331-192048.jpg

Vanmiddag naar ’t stad geweest.
Geld gaan uitgeven dat ik gisteren verdiend heb.
Investeren in materiaal.
Het is één van de plezierigste dingen die ik ken.
Andere mensen maken wereldreizen of gaan dineren in The Jane of kopen een flatscreen dat nog flatter is of ruilen hun BMW voor een Porche.
Maar ik loop uren te snuisteren bij Schleiper en koop teken- en schilderspullen.
Heerlijk!
Dingen waarmee je iets kunt doen.
Doen dat nergens toe dient.
Doen dat je doet om het doen zelf.
Héél wat anders dus dan rondlopen in de Brico.
Daar word ik ziek van, depressief, wanhopig.
Ik mijd Brico’s en Doe-Het-Zelf-zaken als de pest.
Heel dubieus begrip overigens: Doe-Het-Zelf.
Eigenlijk betekent het: doe zelf wat je beter door een ander kunt laten doen.
Deprimerend principe.
Daarom is Schleiper of gelijk welke zaak voor teken- en schildermateriaal zo opwekkend.
Daar geldt namelijk het principe: doe wat je door niemand anders kunt laten doen.
Er zijn ontelbare mensen die beter badkamers kunnen installeren, maar er is op de hele wereld niemand die kan tekenen of schilderen zoals jij dat doet.
Zelfs als je het slecht doet, is het nog altijd helemaal van jezelf.
En hoe goed je een badkamer ook installeert, er is bitter weinig bij van jezelf.

20140331-192235.jpg

Ik las ooit dat Jean Blaute – een muzikant – nooit een winkel voor teken- en schildermateriaal kan passeren zonder er iets te kopen.
Ik doe daar meestal niks mee, voegde hij eraan toe, maar ik kan er niet aan weerstaan.
Ik begrijp dat maar al te goed.
Je koopt in zo’n winkel grenzeloze mogelijkheden.
Je koopt in zo’n winkel eigenlijk vrijheid, potentiële vrijheid.
Je moet die vrijheid dan nog wel realiseren – en dat is een heel ander paar mouwen – maar zonder materiaal kan er geen vrijheid zijn, hoe graag je ook zou willen.

Dat is waarschijnlijk wat de aarde zo kostbaar maakt: het is een plek vol materialen, vol potentiële vrijheid.

Toen ik terugkeerde van Schleiper waren de scholen uit.
Het was druk, druk, druk in Gent.
Op de Graslei zag het zwart (of toch donkergrijs) van de studenten en leerlingen.
Op het plein voor de St. Niklaaskerk wemelde het van het jonge volk.
Iemand stond te zingen en gaf van jetje op z’n gitaar.
Door het geratel van de trams kon je er niks van horen.
Waarom staat die kerel hier, vroeg ik me af.
Onder de stadshal, vijftig meter verderop, is de akoestiek immers zoveel beter.
Maar misschien stónd daar al iemand te zingen of muziek te maken.
Dat bleek echter niet zo te zijn.
Toen ik er even later passeerde, was het er – zoals altijd – leeg.
Er is nochtans véél ruimte, en er staat een lange rij banken, maar daar zat welgeteld één iemand op.

20140331-192544.jpg

Zoveel plaats, zoveel mogelijkheden, maar niemand doet er wat mee.
Het is alsof iedereen de plek mijdt.
Overal rondom is het druk en gezellig en rumoerig, maar onder en naast de Stadshal waar de Gentse culturele en politieke elite zo trots op is, blijft het vreemd genoeg leeg.
Het is alsof hier iemand vermoord werd en men met een grote boog om de plek des onheils heen loopt.
And guess what, volgens mij is dat ook zo.
Hier, op deze ‘verdoemde’ plek, werd de vrijheid om zeep gebracht.
Hier heeft men, tegen de uitdrukkelijke wil van de Gentenaar in, een aanslag gepleegd op het hart van de stad, die ooit bekend stond voor zijn koppige, onplooibare wil.
En ofschoon niemand daarover spreekt en misschien niemand het zelfs maar voelt, wordt het onbewust niettemin heel goed waargenomen.
Niemand wil hier zijn.

Wat later zag ik Michel Vuylsteke voorbijfietsen, Gents bekendste blogger.
Hij was helemaal in het zwart gekleed, met een lange zwarte jas er nog overheen, en een hoe-heet-zo’n puntmuts op z’n hoofd, met van die lange oorflappen.
Wat een outfit op zo’n warme lentedag!
Iets zegt me dat hij die stadshal geweldig vindt.
Als je de cafetaria van het SMAK bezoekt, zit die ook altijd vol in het zwart geklede mensen.
Zwart is de kleur van de Hedendaagsheid.
Zwart is de kleur van de leegte.

Geef mij maar de kleuren van schilderverf, de kleuren van de lente, de kleuren van de vrijheid.

20140331-191834.jpg

Etienne en ons Heerke

We hebben nu vernomen hoe onze hersenen werken, maar de vraag die niet is opgelost, luidt: hoe komt het dat ze zo werken?
Wel: omdat er 60 miljard jaar geleden een enorme knal heeft plaatsgevonden waarna het heelal in een fractie van een seconde in alle richtingen is uitgedijd.
Daardoor kunnen we denken, pompt ons hart, draait de aarde rond de zon, schieten tomaten als paddenstoelen uit de grond, en komt de zee op en trekt ze weer af.

Een beetje ernst alstublieft.

Best mogelijk dat het scheppingsverhaal onwaar is en de big-bangtheorie waar, maar het scheppingsverhaal verklaart wel alles en de big-bangtheorie niets.
Hoe komt het dat we kunnen denken?
Omdat ons Heerke het zo beschikt heeft.
Hoe komt het dat de aarde rond de zon blijft draaien?
Omdat ons Heerke het zo wenste.
Waarom groeit en bloeit wat groeit en bloeit?
Omdat ons Heerke…
Geef toe: dat zit sluitender in elkaar dan de atheïstische leer van moderne wetenschappers.
Waarom bestaat Etienne Vermeersch?
Omdat God dat heeft gewild.
Het omgekeerde is ook een tijdje het geval geweest, tot twee fenomenen zich quasi gelijktijdig voordeden: de boetegordel begon wat te fel in de dijen van de professor te prikken, en een kortgerokte juffrouw stapte voorbij het seminarie.

(Koen Meulenaere)

20140331-134647.jpg

Pooiers van het Woord

20140331-084829.jpg

Het verhaal is intussen bekend: enkele bewoners van het Antwerpse Zuid hebben klacht ingediend tegen de overlast van de jaarlijkse Sinksenfoor. Ze hebben gelijk gekregen van de rechter en de foor dient nu uit te wijken naar een plein in Borgerhout. Dat is echter niet naar de zin van de foorkramers, die hevig protesteren tegen wat zij broodroof noemen.
Hoé hevig, dat konden we verleden woensdagochtend in de krant lezen: ze blokkeerden de hele Antwerpse ring met hun vrachtwagens.
Wie de Antwerpse ring een beetje kent, weet wat dat betekent: een enorme verkeerschaos.
Er zijn die ochtend ongetwijfeld heel wat moorddadige gedachten richting de foorkramers gegaan, en terecht.
Wie duizenden mensen veroordeelt om urenlang in de file te staan, verdient het daarvoor te boeten. En dan spreek ik nog niet over de economische schade die de protesteerders veroorzaakt hebben.
Als het systeem van de GAS-boetes eerlijk en rechtvaardig wordt toegepast, dan zijn die foorkramers failliet, en is het probleem opgelost.
Maar dat zal ongetwijfeld niet gebeuren, want geldverdienen is heilig in ons land.
Alles moet ervoor wijken.

Dat lees ik vandaag in de commentaren van De Morgen, de socialistische krant die zogezegd opkomt voor de rechten van de kleine man.
Men is er verontwaardigd omdat het ‘volksvermaak’ van de kermis dreigt te verdwijnen in Antwerpen.
Onder meer Hugo Camps trekt weer eens al zijn registers open.

‘In ‘Terzake’ liet kakelnicht Karel Van Eetvelt zijn licht schijnen over het escalerende conflict. Er sprak weinig liefde uit zijn woorden. Je kon zien dat hij niet veel op heeft met foorkramers. Gêne voor het proletariaat van botsauto’s kleurde zijn gezicht.’

‘Kortom, Antwerpen beleefde weer een hoogmis van repressie. Naar de wanhoop van de foorkramers werd nauwelijks omgekeken. Dat de verbanning van de Sinksenfoor naar een uithoek van de stad pure broodroof is, kon niemand wat schelen.’

‘Foorkramers zijn namelijk economisch nutteloos en plezier in de stad leidt af, soms tot ellende.

‘De gedachte alleen al het leger in te zetten tegen foorkramers getuigt van diepe sociale verachting en vunzig elitarisme.’

20140331-131230.jpg

Aldus sprak Hugo Camps, na baron Lippens de bekendste inwoner van Knokke, het paradijs van proletariër.
Ja, het hééft ongetwijfeld iets om ’s morgens in je appartement op de zeedijk aan je espresso te nippen, uit te kijken over zee, te luisteren naar het vage gekrijs van de meeuwen, en vervolgens vol verontwaardiging te schrijven over het lot van de werkende mens in de grote stad.
Ik droom daar ook soms van: opkomen voor de verworpenen der aarde, terwijl de zon op mijn gezicht schijnt en de zee in mijn oren ruist.
Dát is pas genieten!
Fysiek bevoorrecht én moreel superieur: wat wil een mens nog meer!

Eerbied voor de waarheid misschien, eerbied voor het woord?

Ik gun Hugo Camps zijn appartement (of is het een villa?) in Knokke.
Maar wat ik hem niét gun is zijn morele superioriteit.
Ongemerkt is de reactionaire idee het moderne bewustzijn binnengeslopen dat rijkdom en morele superioriteit samenhoren. Want al die politiek correcte intellectuelen, die zich moreel en geestelijk zo ver verheven wanen boven de racistische, bekrompen, achterlijke, haatdragende en verzuurde bevolking, zijn stuk voor stuk succesvolle, welgestelde, geziene burgers. En als ze dat (nog) niet zijn, dan willen ze het dolgraag worden. Ze hebben er alles voor over om zich los te trekken uit de ‘Vlaamse klei’, verlost te worden uit de anonimiteit van de ‘massa’ en zich te distantiëren van het domme ‘plebs’.

Deze aloude idee – dat rijkdom en aanzien een beloning van God is voor morele superioriteit – vloekt natuurlijk met de nieuwe idee dat alle mensen gelijk zijn, en dus wendt de hedendaagse elite voor in naam van het volk te spreken, hetzelfde volk waar ze zo’n diepe afkeer en minachting voor voelt.
Ik kan die minachting nog begrijpen, want als ik mij op zondagochtend, op weg naar mijn (nieuwe) werk, de weg versperd zie door een groep wielertoeristen die midden op de weg fietst en het vertikt het (ruime) fietspad te gebruiken, dan voel ik ook een diepe afkeer in me opkomen voor dit ‘klootjesvolk’ (al betwijfel ik dat er nog veel ‘volks’ is aan kerels die zich zich fietsen van een paar duizend euro kunnen permitteren).
Maar wat ik niet kan begrijpen, en wat ik ook niet pik, is dat deze nouveaux riches, of het nu wielertoeristen of intellectuelen zijn, zich boven de wet verheven wanen.
En in het geval van Camps en co is dat de wet van de waarheid, de eerbied voor het woord.

20140331-131400.jpg

Wat ik Hugo Camps en zijn politiek correcte soortgenoten zeer kwalijk neem, is dat zij van hun bevoorrechte positie geen gebruik maken om de waarheid te zoeken en het woord te cultiveren.
Ze doen precies het omgekeerde: ze gebruiken de waarheid en het woord om zichzelf te verheffen, om zich te verrijken, om samen een nieuwe elite te vormen die de bevolking eens gaat vertellen hoe het moet.
Wat ik hen kwalijk neem is dat zij zich voordoen als dienaars van het woord terwijl zij in werkelijkheid pooiers van het woord zijn.
Zij misbruiken en verkrachten wat ze, als intellectuelen, zouden moeten dienen en liefhebben.

Hun verontwaardiging over de gedwongen verhuis van de Sinksenfoor is daar mooi (?) voorbeeld van.

De Sinksenfoor wordt voorgesteld als volksvermaak, als het vertier van de gewone man, en kinderen in het bijzonder.
Degenen die klacht hebben ingediend tegen de foor worden voorgesteld als … nouveaux riches, als het bekakt soort volk dat op het Zuid is komen wonen en de oorspronkelijke bewoners daar heeft weggejaagd.
Het stadsbestuur dat het vonnis van de rechtbank moet uitvoeren, en dat onder de leiding staat van – kijk eens aan! – Bart De Wever, wordt voorgesteld als een verzameling fascisten.
En de journalisten, schrijvers en intellectuelen stellen zichzelf voor als de verdedigers van het volk, van de gewone man, van de foorkramer en de foorbezoeker.

Laten we nu eens kijken naar de werkelijkheid waarop al die woorden en voorstellingen betrekking zouden hebben.

De Sinksenfoor, een volksvermaak?
Mijn idee van volksvermaak is: het volk amuseert zichzelf.
Bijvoorbeeld door met loodjesgeweren op gipsen pijpjes te schieten.
Bijvoorbeeld door plastic eendjes uit het water te vissen.
Bijvoorbeeld door je krachten te meten met een gepensioneerde bokser.
Bijvoorbeeld door met een hamer op een kop van jut te slaan.
Bijvoorbeeld door op de paardjesmolen de ‘flosj’ te grijpen.
Bijvoorbeeld door met een bal blikjes om te gooien.
Enzovoort.

20140331-132004.jpg

Als ik naar de huidige Sinksenfoor kijk, dan zich ik iets heel anders: het volk wordt vermaakt.
En dat gebeurt door middel van enorme machines waarin mensen worden vastgebonden en helemaal niks meer kunnen doen, behalve griezelen en gillen.
De machines zelf ‘gillen’ nog veel harder: ze maken een oorverdovend lawaai.
Hetzelfde oorverdovende lawaai dat je tegenwoordig ook op sportwedstrijden aantreft, en dat (heb ik me laten vertellen) bedoeld is om het publiek mak te maken, zodat het niet baldadig wordt.
Er is zelfs een tijd geweest dat het voetbalpubliek achter tralies werd gezet, als waren het wilde beesten.
Volksvermaak?
Uit het hele moderne massa-amusement spreekt een diep wantrouwen voor het volk.
Het wordt volkomen passief gemaakt en de mond gesnoerd.
En dat wordt, als altijd, verdedigd met de bewering: zij willen dat zélf, we kunnen er ook niks aan doen!
Jaja, als het volk rotzooi wordt voorgeschoteld, dan komt dat doordat het volk dat wil.
Als bijvoorbeeld de televisie slechte programma’s maakt, dan doet ze dat enkel en alleen omdat ‘de mensen dergelijke dingen willen zien’.
Als ze films onderbreekt met reclame: allemaal omdat de kijker dat wil!
Wat de elite ook doet, ze doet het allemaal omdat het volk dat wil.
Kijk maar naar de politiek: politici doen niets anders dan de wil van het volk uitvoeren.
Daarom zijn ze ook zo enthousiast over referendums, zoals in Zwitserland …

Tja, wat kan een mens anders doen dan sarkastisch worden bij zoveel schijnheiligheid en leugenachtigheid!
De Sinksenfoor volksvermaak? Laat me niet lachen.
De Gentse Feesten volksvermaak? Je moet maar durven.
Ooit waren ze dat, ongetwijfeld.
Maar tussen ooit en nu is er veel veranderd.
De klassieke voorstelling van Sinksenfoor en Gentse Feesten strookt al lang niet meer met de werkelijkheid.
Ze is er zelfs het omgekeerde van geworden.

20140331-132136.jpg

Degenen die nu tegen dit zogenaamde ‘volksvermaak’ protesteren zouden zogenaamd elitairen zijn, die niet kunnen verdragen dat hun buurt bevuild wordt door ‘het klootjesvolk’.
Dat het ‘elitairen’ zijn, is best mogelijk, want het Antwerpse Zuid is een exclusieve buurt geworden.
Maar hoe is dat gekomen?
Eén woord: MUHKA.
Het MUseum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen.
In het zog van dat museum zijn er tientallen Hedendaagse kunstgalerijen gekomen.
En in het zog van die kunstgalerijen kwam het rijke volk.
Zo werd een volksbuurt a place to be voor welstellende mensen die hip en hedendaags willen zijn, hetzelfde soort mensen dus dat nu verontwaardigd is over de teloorgang van de ‘volkse’ Sinksenfoor.

Eerst jaagt de elite het volk weg van het Zuid middels Hedendaagse Kunst.
Dan jaagt ze de Sinksenfoor weg middels dure advocaten.
En vervolgens maakt ze daar luid misbaar over middels veel woorden in de kranten.

Wat is de crux in dit schijnheilige verhaal?
Het is de elite die geconfronteerd wordt met … zichzelf.
Door het Antwerpse Zuid in te palmen, wordt de hippe, rijke elite geconfronteerd met de Sinksenfoor, een volksvermaak dat in handen van het grote geld is gevallen en die spiegel kunnen ze niet verdragen.
Het gewone volk dat tot voor kort op het Zuid woonde, heeft nooit geprotesteerd tegen de foor.
Het verdroeg dat lijdzaam, want het had geen andere keuze.
Het bezat niet de middelen, noch intellectueel noch financieel, om te protesteren tegen wat een aanslag is op eenieders (nacht)rust.
De nieuwe elite heeft die middelen wél en dus protesteert ze, volkomen terecht overigens.
Want zij wordt geconfronteerd met de realiteit.

De Hugo Campsen daarentegen, die ver weg in alle rust en comfort leven, worden niet geconfronteerd met de realiteit en ze hoeven dus ook niet in de spiegel te kijken.
Het komt bijvoorbeeld niet in hen op dat ze grote voorstanders zijn van de Hedendaagse Kunst, die in dit geval aan de basis ligt van de hele foorkramersheisa die nu zodanig uit de hand dreigt te lopen dat men overweegt om het leger erbij te halen.
Nee, zover denken ze niet, want dat zou hun comfort, materieel én geestelijk, in het gedrang kunnen brengen.
En om niet te hoeven denken, geven ze zich over aan pseudo-denken.
Om de waarheid over zichzelf niet te moeten zien, misbruiken ze het woord.

20140331-132348.jpg

Uiteraard hebben ze daarbij een zondebok nodig, en – o, opperst geluk – die hébben ze!
Uitgerekend in Antwerpen is Bart De Wever burgemeester geworden: een geschenk uit de hemel.
Jarenlang reeds valt de politiek correcte elite iedere dag hun zwarte schaap aan in ontelbare ‘opiniestukken’.
Of het nu gaat over de Sinksenfoor, de wielertoeristen, vrouwen in boerka’s, de toegenomen criminaliteit, de miss België verkiezing of de subsidiëring van de kunst, telkens weer komen ze terecht bij die ene man, die ze uitgeroepen hebben tot hun grote gezamenlijke vijand: Bart de Verschrikkelijke.

En de paradox is alweer: Bart is één van hen.
Hij is namelijk een zeer elitaire intellectueel die in naam van het volk spreekt en – veel beter dan dat volk zelf – weet wat goed is voor het volk.
Bart De Wever dweept niet voor niets met de oude Romeinen.
Hij is een echte volkstribuun, een leider.
Democratie is niet aan hem besteed.
In referenda gelooft hij niet.
De reden waarom hij zo’n blinde haat opwekt bij de hele intellectuele elite van dit land is dan ook dat hij deze elite een spiegel voorhoudt.
Onbewust herkennen de Hugo Campsen dezer wereld zich in Bart De Wever, en dat maakt hen des duivels.

‘Diepe sociale verachting en vunzig elitarisme’: ziedaar wat ze bij zichzelf niet onder ogen durven zien en daarom projecteren op een zondebok.
En daarvoor gebruiken ze zowel het volk als het woord.

Als we het Volk en het Woord met een hoofdletter schrijven, dan weten we meteen waar het om gaat.
Wat onze intellectuelen in zichzelf beleven, is de Wederkomst van Christus, de centrale gebeurtenis van onze tijd.
Het licht begint weer te schijnen in de duisternis.
En nergens is die duisternis dieper dan in het intellectualistische, materialistische hoofd van de moderne mens.
De moderne intellectueel, die zichzelf zo beschaafd en ontwikkeld waant, is dan ook tot in het diepst van zijn wezen geschokt door wat dit licht zichtbaar maakt.

20140331-132545.jpg

Het volstaat om in het midden van een stikdonkere kathedraal één brandend theelichtje te plaatsen, om de enorme ruimte, met al zijn schaduwen en verborgenheden, zichtbaar te maken.
Dat is wat Franz Kafka in het grandioze negende hoofdstuk van Het Proces in beeld heeft gebracht, en tegelijk ook verwoord middels de parabel van de Wachter voor de Wet, die natuurlijk niemand anders is dan de Wachter aan de Drempel, de afschrikwekkende dubbelganger van de mens.

Dat is dus wat ik Hugo Camps en de zijnen kwalijk neem: dat ze hun rustige comfortabele appartement met zicht op zee (of op het golfterrein) – en dat is uiteraard een beeld van het ‘hoofd’ – niet gebruiken om hun dubbelganger te leren kennen, maar om hem te projecteren op een zondebok die ze aan het kruis slaan met woorden als spijkers.

Maar met dat kwalijk-nemen, moet je natuurlijk oppassen, want vóór je ’t weet doe je net hetzelfde als Hugo Camps en maak je van hem een zondebok en een alibi om je eigen dubbelganger niet onder ogen te moeten zien.

Het spreekt vanzelf dat IK zoiets nooit zou doen.
Als IK een appartement aan zee had, dan zou ik daar niet van profiteren om mijn gal te spuwen op de politiek correcten in het binnenland en me daardoor veel beter te voelen dan zij.
Nee, als IK aan zee woonde en ’s morgens aan mijn espresso nippend zou luisteren naar het gekrijs van de meeuwen, dan zou ik …

Ja, wat zou ik dan eigenlijk doen?

20140331-132633.jpg

Van koeien en mensen

20140328-135948.jpg

In een reactie op een stuk van Chris Dusauchoit over het ‘euthanaseren’ van twee leeuwinnen in de zoo van Kopenhagen, schrijft Michel Vandenbosch, voorzitter van dierenrechtenorganisatie Gaia het volgende:

‘In de natuur gebeurt er van alles dat je niet in morele zin kan beoordelen. Als een leeuw een gazelle verscheurt, is de verleiding groot om de leeuw te veroordelen voor zoveel wreedheid. Maar die leeuw heeft geen keuze: hij kan niet anders dan jagen op prooidieren. Mensen daarentegen kunnen zich wel degelijk afvragen of hun handelingen ethisch door de beugel kunnen.’

Tot zover niks aan de hand.
Maar dan komt het.

‘Elke gedode leeuw was een voelend individu. Door ernaar te verwijzen als ‘exemplaren’, reduceert Dusauchoit die leeuwen tot voorwerpen. Voor de ethische dimensie van de leeuwen als moreel waardevolle individuen, heeft hij geen oog.’

Tot slot zegt hij nog:

‘Een dier uit een onwaardige situatie redden en het een kwaliteitsvoller leven gunnen, geeft blijk van empathische menselijkheid. Dat zijn morele reflexen en deugden die je niet genoeg kan versterken in onze samenleving.’

En hij besluit met:

‘En daaraan ontbreekt het helaas in de zoo van Kopenhagen en, in het geval van de dode leeuwen, ook bij Chris Dusauchoit.’

Dat je dieren niet moreel kunt beoordelen, is een waarheid als een koe.
Dat het getuigt van moraliteit om dieren goed te behandelen, is niet minder waar.
We kunnen het streven van Michel om dierenleed te verminderen dus alleen maar toejuichen.
Maar de manier waarop hij dat doet, is een heel ander paar mouwen.
Hij komt namelijk voor de dieren op door ze gelijk te schakelen met mensen.
Hij noemt de leeuw een ‘individu’.

Michel spreekt daarmee zichzelf tegen, want kort tevoren had hij nog gezegd dat je dieren niet moreel kunt beoordelen en mensen wel.
Hij maakt dus enerzijds een scherp onderscheid tussen mens en dier: een dier kan alleen maar doen wat zijn natuur hem ingeeft, terwijl een mens morele keuzes kan maken.
Vandenbosch veroordeelt dan ook heel scherp de zoo van Kopenhagen én Chris Dusauchoit: hij verwijt ze allebei een gebrek aan moraliteit en menselijkheid.
Anderzijds schakelt hij mens en dier echter gelijk: het zijn allebei ‘individuen’ en ‘het resultaat van miljoenen jaren van natuurlijke evolutie’.

Zijn reactie leest dan ook als een hoop onsamenhangende kolder.
Ach ja, denk je, ’t is weer Michel Vandenbosch!
Maar is zijn manier van ‘denken’ wel zo verschillend van de mainstream?
Hamert de moderne evolutietheorie er niet al tientallen jaren op dat mens niet meer is dan een dier?
Wordt er niet naar gestreefd om dieren dezelfde rechten toe te kennen als mensen?
En is dat niet de onvermijdelijke, logische consequentie van het Darwinistische mensbeeld?

20140328-163816.jpg

Ik twijfel er niet aan dat Michel Vandebosch oprecht begaan is met de dieren.
Maar dat neemt niet weg dat hij probeert de levenskwaliteit van de dieren te bevorderen door die van de mens te verminderen.
Door dieren ‘individuen’ te noemen, haalt hij dat begrip naar beneden.
Hij maakt er eigenlijk een soortbegrip van.
En daarin blijkt hij dus zeer politiek correct te zijn.
Want de politieke correctheid ziet de mens in de eerste plaats als lid van een groep: het blanke ras, de moslimgemeenschap, de holebi’s, de personen-met-een-migratieachtergrond, de progressieven, de extreem-rechtsen, enzovoort.
Tegen die groeps-identiteiten moet de individuele mens het steeds weer afleggen.

De achterliggende gedachte is dat de mens een dier is, en dus tot een bepaalde soort behoort zoals bijvoorbeeld de leeuw, die niet anders kan dan op prooidieren jagen.
Eén van de gevolgen van die materialistische mensvisie is het ‘Marokkanenprobleem’.
Blijkbaar behoort het tot de (tijdens miljoenen jaren van natuurlijke evolutie ontwikkelde) genetische code van jonge Marokkanen dat ze zich gedragen als leeuwen: ze jagen in groep op prooidieren.
Aangezien bij blanken de materialistische overtuiging heerst (ongetwijfeld ook het resultaat van miljoenen jaren natuurlijke evolutie) dat mensen dieren zijn, worden de Marokkaanse jongeren niet moreel veroordeeld: ze kunnen namelijk niet anders, ze zijn zo geprogrammeerd.
We moeten begrip hebben voor hun ‘anders-zijn’, dat wil zeggen voor de soort waartoe ze behoren.
Dat zijn we moreel aan onszelf verplicht.

Maar hier komt de kink in de denkkabel: we reserveren onze materialistische mensvisie voor … de andere rassen. We passen ze niet op onszelf toe.
De Maghrebijnen, de Afrikanen, de Indianen, de Arabieren: dat zijn allemaal soortmensen, dierlijke rassen eigenlijk die we niet moreel kunnen beoordelen.
Ze handelen zoals het in hun natuur ligt.
Het blanke ras daarentegen is – in onze politiek correcte ogen – moreel verregaand superieur, want het bestaat uit individuen met een hoge morele standaard.
En dus moet het blanke ras moreel beoordeeld worden, zeer streng zelfs.

De algemene opvatting is bijvoorbeeld dat het blanke ras racistisch is.
Een blanke die een racismeklacht indient tegen een niet-blanke wordt door Jozef De Witte gewoon weggelachen, want iedereen weet: alleen blanken zijn racistisch.
Volgens het Darwinistische mensbeeld dat we zo ongeremd toepassen op andere rassen, zouden we nu moeten zeggen: die blanken kunnen daar niks aan doen, want ze zijn genetisch zo bepaald.
Zoals de Marokkanen zich als jagende leeuwen gedragen, zo gedragen de blanken zich als racisten.
Dat zou logisch en consequent materialistisch denken zijn.
Maar – en dat is het probleem – we zijn geen consequente materialisten.
We behandelen de blanken niet zoals de andere rassen, dat wil zeggen als een diersoort die doet wat ze niet laten kan.
Nee, we vellen een vernietigend moreel oordeel over de blanken: ze zijn racistisch, onverdraagzaam, haatdragend, xenofoob, verzuurd, en noem maar op.
Er is eigenlijk niks goed aan het blanke ras, en dat mag vreemd heten, want zijn de blanken dan geen dieren zoals de zwarten, de Marokkanen, de bosjesmannen enzovoort?
Blijkbaar niet.
Blijkbaar is het blanke ras verregaand superieur aan alle andere rassen, want terwijl het gedrag van deze laatsten steevast vergoeilijkt wordt, wordt het gedrag van de blanken zeer streng veroordeeld.

20140328-162606.jpg

De politieke correctheid is dus fundamenteel racistisch.
Ze gaat uit van de morele superioriteit van het blanke ras.
De andere rassen mogen de beest uithangen, het wordt hen vergeven want ‘ze kunnen niet anders’.
Een blanke mag echter niet één woord verkeerd zeggen of het land staat op stelten.
Niet de kleinste zonde wordt van de blanke getolereerd.
Als Chris Dusauchoit bijvoorbeeld zegt dat het doden van een paar oude leeuwinnen nodig was om de jonge leeuwen te redden – een volkomen rationeel standpunt – dan wordt hem een tekort aan moraliteit en menselijk inlevingsvermogen verweten.

De – we mogen wel zeggen krankzinnige – morele zelfverheffing van de politiek correcte blanke is dus niet het gevolg van een materialistische mensvisie.
Ze is het gevolg van de onbewuste vermenging van twee mensvisies: een materialistische en een spirituele.
Het siert Michel Vandenbosch dat hij zo gevoelig is voor het lot van de dieren.
Het siert de politiek correcte mens dat hij zo streng is voor het eigen blanke ras.
Daaruit blijkt een hoge morele gevoeligheid.
Maar wat Michel en zijn politiek correcte collega’s allesbehalve siert en wat hen in feite tot morele krankzinnigen maakt, is dat zij hun hoge (en in wezen christelijke) moraliteit vermengen met de materialistische visie dat de mens een dier is onder de dieren.

Waar het hen aan ontbreekt, is onderscheidingsvermogen.
Waar het hen aan ontbreekt, is moed.
De moed om hun moraliteit te onderscheiden van hun Darwinistische overtuiging en in te zien dat die twee niet samengaan.
Want als ze dat doen, worden ze geconfronteerd met de kloof die tussen beide gaapt en die ze niet kunnen overbruggen.

Dus doen ze wat vandaag een tweede natuur aan het worden is: ze hinken van het ene been op het andere, ze pendelen heen en weer tussen hoofd en buik, ze vallen langzaam in twee stukken uiteen die van elkaar geen weet hebben.

Enkele bladzijden verder in dezelfde krant lees ik dat Colruyt het vlees van oude Hollandse melkkoeien gaat verkopen.
‘De dieren hebben misschien acht jaar melk gegeven en zijn aan het eind van hun carrière gekomen. We geven hen dan een tweede bestemming.’
Aldus vleesleverancier Bart De Pooter.

Hoe menselijk!
‘Aan het eind van hun carrière gekomen.’
‘Ze krijgen een tweede bestemming.’
De koeien (ongetwijfeld stuk voor stuk ‘voelende individuen’) worden na hun pensionering dus niet afgeschreven.
Hun leven krijgt een nieuwe zin.
Wat wil een koe nog meer!

Maar even later klinkt het al heel anders.
‘Ik verwacht dat er op jaarbasis toch tweehonderd ton zal worden verkocht.’
‘We vertrekken van een afgeschreven product en we maken er een premium-product van.’
Tweehonderd ton per jaar?
Afgeschreven producten?
Is hier dezelfde Bart De Pooter aan het woord die daarnet nog sprak over koeien als over mensen?
En zou die Bart De Pooter ook over mensen spreken als over koeien?

Ik las onlangs in de krant dat er in ons land dagelijks bijna één miljoen kippen worden geslacht.
Eén miljoen.
Per dag.
Het hele jaar door.
Allemaal voelende individuen …

Is het niet krankzinnig om je dan dik te maken over twee dode oude leeuwen in een zoo?
En vooral: om anderen te verwijten dat het hen aan moraliteit en menselijkheid ontbreekt omdat ze die krankzinnigheid niet delen?

20140328-161318.jpg
(Bart De Pooter, duidelijk een premium-product)

De gespleten mens

20140328-110900.jpg

In de krant van vandaag tref ik weer een fraai staaltje aan van de gespletenheid van de moderne mens.

Eerst zie ik online een filmpje waarin een jonge Marokkaan te zien is die met een valies-op-wieltjes door een winkelstraat loopt en afscheid neemt van de mensen die hij tegenkomt.
Immers, Geert Wilders wil minder Marokkanen in Nederland en dus vertrekt hij maar weer naar Marokko.
De reacties liegen er niet om: Nesim ontmoet overal de grootste sympathie.
Er wordt gevloekt op Geert Wilders (‘ze zouden die vent moeten afschieten’) en een vrouw barst zelfs in tranen van medelijden uit.
Wat ze die arme Marokkanen toch allemaal niet aandoen!
Maar kop op Nesim, laat je niet intimideren door dat stelletje klootzakken!
Dat is een kleine minderheid waar wij Nederlanders niks mee te maken willen hebben.
Jij bent en je blijft één van ons!

Het is bijna ontroerend om zien hoe solidair de Nederlander-in-de-straat is met zijn Marokkaanse medemens en hoe woedend hij is op die smeerlap van een Geert Wilders.
Maar in dezelfde krant lees ik het (korte) berichtje dat in Anderlecht een buschauffeur in elkaar is geslagen door vier jongeren.
De man is werkonbekwaam en de jongeren werden ter beschikking gesteld van het jeugdparket.

We weten intussen allemaal dat ‘jongeren’ newspeak is voor Marokkanen.
We weten ook dat ‘ter beschikking gesteld van het jeugdparket’ betekent dat ze morgen weer op vrije voeten zullen worden gesteld wegens minderjarigheid.
We weten ook dat dit soort geweld schering en inslag is.
Er gaat geen maand voorbij zonder dat ergens een buschauffeur wordt aangevallen door Marokkanen.
Ze worden geschopt, geslagen, gestoken en zelfs beschoten.
En dan zwijgen we nog van de dagelijkse pesterijen en vernederingen.

20140328-124741.jpg

Als ik de krant mag geloven gebeurt dat alleen in België, want uit de algemene woede over de uitspraak van Geert Wilders en de algehele sympathie voor Nesim in het filmpje, kun je niet anders dan opmaken dat er in Nederland helemaal geen Marokkanenprobleem bestaat.
Nee, dat bestaat alleen in België, en dan vooral in Vlaanderen, waar de Marokkanen zo zwaar gediscrimineerd worden dat ze niet anders kunnen dan reageren.
Als er weer eens een buschauffeur in elkaar wordt geslagen, dan is dat ongetwijfeld het resultaat van een hele reeks racistische beledigingen, pesterijen en scheldpartijen aan het adres van die arme Marokkanen.

Maar ik ben te oud geworden om de kranten nog te geloven.
Ik weet bovendien van de kinderen van mijn buren, die allemaal in Nederland wonen, dat het ‘vreemdelingenprobleem’ daar nog een stuk erger is dan hier.

Daarom is het zo onwaarschijnlijk wat ik in dat filmpje zag.
Natuurlijk, het was een propagandafilmpje en de ‘ongepaste’ reacties zullen ze wel weggelaten hebben, maar toch: al die emotionele sympathie-betuigingen?
In welke wereld leven die mensen, vraag je je af.
Alleszins niet in de reële wereld.
Ze leven in de wereld van … de kranten.
Als er in die kranten staat dat de Marokkanen zwaar gediscrimineerd worden, dan voelen ze diepe sympathie voor die sukkelaars.
Als er in de kranten staat dat Geert Wilders een onmens is, dan roepen ze: die vent moet neergeschoten worden!
Als er in de kranten staat dat blanke mensen onverbeterlijke racisten zijn, dan voelen ze zich schuldig.

20140328-125550.jpg

Als ze dan per ongeluk geconfronteerd worden met de realiteit, dan herzien ze hun krantenovertuigingen niet, want al die geleerde en verstandige mensen zullen het toch wel beter weten, zeker!
Nee, ze drukken hun eigen waarnemingen, gevoelens en conclusies weg.
Ze worden opgesloten in de kelder van hun onderbewustzijn.
En daar beginnen ze dan te broeien en te gisten. Er vinden ‘chemische reacties’ plaats waar ze zich niet bewust van zijn en waar ze geen controle over hebben.

Zo wordt de nieuwe, hedendaagse mens geboren.
Zijn hoofd zit vol met leugenachtige krantenpraat waartegen hij zich niet durft of kan verzetten.
Zijn onderbewustzijn zit vol met onderdrukte gevoelens die aan zijn controle ontsnappen.
En daartussen bevindt zich dan de mens zelf, wanhopig pendelend tussen beide polen.
Want noch in zijn hoofd, noch in zijn buik kan hij nog wonen.
Ze zijn allebei ‘bezet gebied’.
In zijn hart – tussen de twee bezette gebieden – heerst leegte, een leegte die hij ontvlucht door zich van de ene pool naar de andere te reppen, als een op hol geslagen klok.

De met Nesim sympathiserende Nederlanders in het filmpje bevonden zich in de ene pool, de buschauffeur en de getuigen van zijn afranseling bevinden zich ongetwijfeld in de andere pool.
Maar geen van beiden bevindt zich daar uit vrije wil.
Allebei bevinden ze zich daar omdat de omstandigheden het zo bepaalden.

En zo leven we allemaal in meer of mindere mate: bepaald door de omstandigheden.
Vandaag zijn we verontwaardigd over Geert Wilders die minder Marokkanen wil.
Morgen zijn we verontwaardigd over Marokkanen die een zoveelste buschauffeur in elkaar slaan.
Overmorgen zijn we verontwaardigd omdat ze weer worden vrijgelaten.
En de dag daarna is er weer wat anders waarover we verontwaardigd zijn.

Maar één ding is zeker: we zijn het zelf niet die verontwaardigd zijn.
We zijn het zelf niet die de snaren van onze ziel bespelen.
Iemand anders doet dat.

20140328-124406.jpg

Intellectualisme is tijdverlies

Alles wat we intellectualistisch in onze ziel verwerken, alles wat de moderne wetenschap als wetenschappelijke prestatie erkent, dat is sterfelijk. Het is sterfelijk als het menselijk lichaam, want juist het intellectualistische wordt volledig door het lichaam bemiddeld.
Alle zielenleven dat intellectualistisch bemiddeld wordt, ontstaat na de geboorte en gaat met de dood te gronde.
Geen enkel abstract begrip gaat met ons door de poort van de dood.
Daardoor is het zo dat vele zielen tegenwoordig een lang slapend leven moeten leiden na de dood.
Intellectualisme doet de mens na de dood in duisternis leven, en het duurt lang voor hij weer licht in die duisternis ziet.
Het is een feit dat er tegenwoordig, als gevolg van het intellectualisme, veel levenstijd verloren gaat voor de ontwikkeling van de mens.

(Rudolf Steiner)

GA 342 – Stuttgart, 14 juni 1921

20140327-123500.jpg

De Eeuwige Lente. (3)

Ja, als ik de ‘eeuwige lentezon’ moest karakteriseren, dan zou het begrip ‘vrijheid’ centraal staan.
Ik heb me nooit zo vrij gevoeld als aan de (door de modernen zo verguisde) academie.
Ik heb me nooit méér mezelf gevoeld als in de klas van die autoritaire man die eiste dat een tekening juist was.

Ik was als kind reeds heel erg ‘saturnaal’, dat wil zeggen: alles ging héél traag bij me.
Ik was degene op wie iedereen altijd moesten wachten.
Ik was ook degene die ’s zondags altijd te laat kwam in de les.
Ik moest namelijk alleen opstaan en alleen naar de academie fietsen.
Niemand riep dat ik uit m’n bed moest komen, niemand zat achter m’n veren.
Dat was ook niet nodig, want niets had me kunnen tegenhouden om naar de academie te gaan.

20140327-112232.jpg

Maar ik kwam dus wel altijd ruim te laat.

In een klas waar iedereen ijverig bezig was, moest ik nog een ezel zoeken, mij ergens installeren, mijn papier opspannen, mijn houtskool slijpen, en als ik dan eindelijk klaar was om te beginnen, was het eerste uur voorbij en werd er gepauzeerd.
Na de pauze vloog ik er echter in.
Ik tekende een uur lang heel geconcentreerd.
Dat was hard werken, want ik had een hekel aan wiskunde, en tekenen was (hier) niets anders dan toegepaste meetkunde.
De paradox was dus dat ik aan de academie eigenlijk hetzelfde deed als ‘aan de overkant’, in het uitgesproken wetenschappelijk en wiskundig georiënteerde Scheppersinstituut.
Maar terwijl ik daar een viscerale afkeer voor wiskunde ontwikkelde en er ten slotte helemaal op blokkeerde, deed ik aan de academie niets anders dan meten, meten en nog eens meten, alsof m’n leven ervan afhing.

Later zou blijken dat dat inderdaad het geval was.

20140327-112346.jpg
(Het Scheppersinstituut)

Na een uur intensief meten was mijn bobijntje af.
Ik was helemaal leeggetekend.
In die ‘lege’ toestand verliet ik dan de klas en ging door de academie zwerven.
Helemaal alleen liep ik door de stille, lege gangen en keek vol ontzag naar de grote tekeningen die aan de muur hingen: werk van de beste leerlingen.
Ik voelde er een ongelooflijke bewondering voor.
Ik dronk ze in als levenswater.
En ik had grote dorst, daar hadden ze ‘aan de overkant’ wel voor gezorgd.

Waar ik me ook aan laafde, was het licht.
Er waren overal grote, metershoge ramen waardoor het licht overvloedig naar binnen viel.
Ik hield ervan om me in de grote traphallen te koesteren in het zonlicht en uit te kijken over de daken van de oude stad.
In de academie heerste een diepe rust.
Je hoorde er alleen het suizen van de stilte, met af en toe wat pianoklanken uit het aanpalende conservatorium, en – natuurlijk – de beiaardklanken die als lentebloesems (of herfstbladeren, al naargelang van het seizoen) uit de Sint-Romboutstoren neerdwarrelden.
Het licht, de diepe rust en de tere klanken: ik kon er niet genoeg van krijgen.
Ze waren als een verkwikkend bad voor me, waar ik me na de zware arbeid van het tekenen, behaaglijk liet in wegzakken.

Zo heb ik vele uren doorgebracht: alleen in die grote academie, in het hartje van het slapende Mechelen, de oude hoofdstad van de Nederlanden.
Als het mooi weer was, klom ik (door een venster rond als patrijspoort) wel eens op het dak.
Daar had ik een adembenemend uitzicht op de Sint-Romboutskathedraal, die in haar majestueuze grootheid vlak voor mij oprees.
Heel Mechelen lag aan haar – en mijn – voeten.

20140327-112955.jpg

Als ik na mijn uitstapjes weer terugkeerde in de klas keek niemand daarvan op.
Ook de leraar niet.
In al de jaren die ik in zijn klas doorbracht, heb ik hem nooit één opmerking horen maken over het feit dat ik kwam en ging wanneer ik wilde.
Niemand legde me een strobreed in de weg.
Ik deed waar ik zin in had.
Ik voelde me volkomen vrij.

Ik voelde me echter ook volkomen geborgen.
Er heerste geenszins een atmosfeer van laisser faire aan de Mechelse academie, wel integendeel.
Het feit dat ik op m’n zwerftochten zelden iemand tegenkwam, illustreert dat.
De academie werd in het weekend bevolkt door honderden leerlingen: de klassen zaten propvol. Maar die leerlingen zwierven niet rond, ze waren allemaal ijverig aan het werk.
Zelf werkte ik harder dan gelijk wie, maar langer dan een uur kon ik die intense concentratie niet volhouden.
De leraar begreep dat.
Hij zou me nooit laten wegkomen met een fout in mijn tekening.
Maar hoe ik die tekening tot stand bracht, daar trok hij zich niks van aan.
Dat was mijn zaak, daar liet hij me volkomen vrij in.

Hij oordeelde alleen over de resultaten van het werk, niet over het werken zelf.
Toen ik ooit zei het jammer te vinden dat Leonardo da Vinci niet wat meer geschilderd had in plaats van zijn tijd te verknoeien met het ontwerpen van oorlogstuig, antwoordde hij: dat kun je niet zeggen, de man dat wellicht nodig om überhaupt te kúnnen schilderen, daar kun je niet over oordelen.
En dat deed hij zelf ook niet.
Hij oordeelde op geen enkele manier over hoe je tot een tekening kwam, en hij was daar uiterst consequent in.
Ik maakte bijvoorbeeld een tekening af in twee of drie geconcentreerde sessies van één uur. Andere leerlingen deden zes weken over één tekening.
Ik tekende meestal zuiver lineair, met scherpe lijnen zonder enige schaduw.
Andere leerlingen bedekten hun blad met een dikke laag zwarte houtskool.
Hij zei daar nooit één woord over.

20140327-113137.jpg

Zolang je tekening klopte, mocht je doen wat je wilde.

Dat resulteerde in even zovele persoonlijke ‘stijlen’ als er leerlingen in de klas waren.
Ik herinner me nog dat ik aan het eind van een schooljaar de klas binnenstapte en daar alle ezels in een grote halve cirkel zag opgesteld met daarop telkens de beste tekening die een leerling tijdens het jaar had gemaakt.
Ze waren klaargezet voor de jury die later op de dag zou komen.
Ik heb nooit duidelijker het mysterie van de menselijke individualiteit beleefd als toen.
Want al die tekeningen waren gemaakt naar hetzelfde model, in dezelfde klas, op hetzelfde papier, met dezelfde houtskool, onder leiding van dezelfde leraar, in dezelfde ‘academische’ geest.
En toch hadden ze niet méér van elkaar kunnen verschillen.
Stuk voor stuk vertegenwoordigden ze totaal verschillende, uiterst persoonlijke werelden.
Het was alsof je diep in de unieke ziel keek van degenen die de tekeningen gemaakt hadden.
Je herkende ze meteen: ze hadden niet alleen het model getekend, ze hadden ook zichzelf getekend.
De paradox was: hoe juister en waarheidsgetrouwer ze de buitenwereld tekenden, des te juister en waarheidsgetrouwer tekenden ze ook hun binnenwereld.
Ze hadden zichzelf zo treffend geportretteerd omdat ze … zichzelf vergeten hadden.
Ze waren in die tekeningen zo volkomen zichzelf geweest omdat ze alleen oog hadden gehad voor de buitenwereld.

20140327-113633.jpg

Ik voelde bij het zien van die kring van tekeningen dat ik aangeraakt werd door een mysterie.
Vol verbazing keek ik naar al die zo persoonlijke tekeningen, die stuk voor stuk het resultaat waren van dezelfde intense worsteling tussen het Ik en het zelf.
Ik kende die worsteling maar al te goed.
Ze vormde het wezen van de academische opleiding.
Wat je aan de academie leerde, was hoe je je liefde voor de wereld moest verzoenen met je eigenliefde.
En dat kon alleen via strijd, want liefde voor jezelf en liefde voor de wereld zijn tegenstrijdige krachten.
Je kwam naar de academie om te vechten met jezelf.
Ik heb er dan ook hevige gevechten geleverd.
Als ik ze verloor was ik zum Tode betrübt, maar als ik ze won was ik in de zevende hemel, himmelhoch jauchzend.
En er was niets egoïstisch aan die vreugde.
Het was de vreugde van een ‘zelf’ dat gestorven en verrezen was.
Het had zichzelf overwonnen in zijn streven om een tekening te maken van de wereld, en daardoor was die wereld (waartoe ook de tekening behoorde) tot een spiegel geworden waarin het zichzelf herkende.
Of beter: waarin het zichzelf zag. Want zien en herkennen is niet hetzelfde.

20140327-114122.jpg

We hadden het in de klas eens over de persoonlijke stijl van een kunstenaar.
Ik héb helemaal geen persoonlijke stijl, merkte ik op.
O jawel, antwoordde de leraar, je weet het alleen niet.
En hij ging er verder niet op in.
Ik stelde er ook geen vragen over, want wat kon mij die persoonlijke stijl schelen!
Ik wilde alleen zo goed mogelijk tekenen.
Als mijn tekeningen een ‘persoonlijke stijl’ hadden, dan was dat mooi meegenomen, maar daar ging het helemaal niet om.
Ik was niet naar de academie gekomen om een persoonlijke stijl te ontwikkelen – welke 11-jarige houdt zich dáármee bezig! – maar om goed te leren tekenen.
Al de rest was bijzaak.

Daarom was ik ook zo getroffen toen ik nietsvermoedend de klas binnenstapte en daar die kring van tekeningen zag staan.
Voor het eerst zag ik hoe ongelooflijk persoonlijk al die tekeningen waren, hoe ze spiegels waren van unieke, onvervangbare zielen.
En juist omdat die zielen hun ‘zelf’ vergeten hadden tijdens het tekenen, waren het heldere, waarheidsgetrouwe, objectieve spiegels.
O ja, ik herkende mijn medeleerlingen meteen in hun tekening.
Maar ik herkende niet hun kleine zelf met al zijn kleine kantjes. Nee, ik herkende hun Ik.
Ik herkende het grootse, zuivere wezen dat zij allemaal waren en dat zichzelf in zijn liefde voor de wereld (het getekende onderwerp) zichtbaar had gemaakt.
Ik zag een broederschap van mensen die één waren in hun liefde voor de(zelfde) wereld en juist daardoor zo verschillend en persoonlijk.
Ik beleefde, als in een flits, het mysterie van het ene dat tegelijk veelheid is.
Ik beleefde het mysterie van de mens.

20140327-114551.jpg

Die cirkel van tekeningen waar ik middenin stond en vol verbazing, ontzag en vreugde naar keek, was een beeld van de zonnegeest wiens licht zo helder straalde aan de Mechelse academie en die me het onbeschrijflijke gevoel gaf thuis te zijn, helemaal in mijn eigen element.
In die eeuwige lentezon, de zon van het menselijke Ik-wezen, heb ik mij tien jaar lang iedere zondagochtend (en later ook de zaterdagochtend) gekoesterd, en ik weet werkelijk niet hoe ik de grauwe weken aan het Scheppersinstituut overleefd zou hebben zonder die zon-dagen.

Als ik vandaag in de kranten lees, hoe kinderen elkaar op school soms letterlijk dood pesten, dan verbaast me dat niet.
Het kille intellectualisme in het onderwijs is er alleen maar erger op geworden, en het wekt in de kinderziel een dodelijke verveling waartegen het zich uiteindelijk alleen nog met zelfvernietigend geweld kan verzetten.
Ik ken dat geweld maar al te goed. Ik heb op school zelf ook gepest.
Geen leerlingen (er heerste toen nog een zekere solidariteit) maar leerkrachten.
We pestten in groep de leerkrachten die daar vatbaar voor waren, en we waren daarin soms zo gemeen dat ik er misselijk van werd.

Dát was de manier waarop onze kreativiteit een uitweg zocht: door gemene zaak te maken met de laagste kanten van ons egoïstische zelf.
We veranderden als klas soms in een roofdier dat iedere zwakheid bij een (bijvoorbeeld nieuwe) leerkracht detecteerde en er met kwaadaardig genot zijn tanden in zette.
Ja, we genoten ervan een leerkracht psychisch de vernieling in te helpen.
Maar tegelijk vonden we het afschuwelijk.
We wílden dat helemaal niet.
Maar we hadden geen andere keuze, we waren nog te jong om op eigen kracht weerstand te kunnen bieden aan dat ‘roofdier’ in ons, en we konden ons niet verzetten tegen de dode en dodelijke leerstof die we iedere dag in ons hoofd moesten pompen.

20140327-114731.jpg
(Het Scheppersinstituut: speelplaats)

De Broeders van Liefde voedden ons niet alleen op tot intellectuelen, tot rationele wetenschappers, ze voedden ons ook op tot agressieve egoïsten die van iedere zwakheid gebruik maakten om hun voordeel te halen.
Dankzij die ‘opvoeding’ ben ik er zelfs in geslaagd een universitair diploma te bemachtigen.
De Broeders van Liefde hadden mij geleerd wat bedrog, leugen en corruptie is, en ik kon hun lessen volop toepassen aan de universiteit.
Het kostte mij weinig moeite om al die ‘idiots savants’ om de tuin te leiden. Ik wist precies waar hun zwakke plekken zich bevonden en ik maakte gewetenloos gebruik van die ‘kennis’.

Hoe totaal anders was de sfeer aan de academie!
Leerkrachten om de tuin leiden?
Het idee alleen al was bespottelijk.
De leraar was niet alleen iemand die veel meer wist dan jij, hij was vooral iemand die veel meer kon en veel meer zag.
Hij beschikte over superieure vermogens, maar daar maakte hij geen gebruik van om je onder druk te zetten of te dwingen, wel integendeel.
Hij gebruikte ze alleen om je te helpen als je er zelf niet meer uitraakte.
En hij wist precies wanneer dat moment gekomen was.
Dan verscheen hij naast je, stak zijn hand uit en trok je weer overeind.
Zonder woorden, zonder grote gebaren, nuchter en zakelijk.
En dan verdween hij weer.
Waarom zou je zo’n man pesten of bedriegen?

20140327-115621.jpg

Op een dag kwam hij naast me staan en zei, met zijn hoofd wijzend: zie je die kerel daar in de hoek?
Ik keek om en zag een keurige jongeman die rustig op een stoel zat te tekenen.
Wel, zei de leraar, niemand weet wat met hem aan te vangen, hij is al op zes scholen aan de deur gezet, hij staat te boek als volkomen onhandelbaar. Maar ik heb nog geen greintje last met hem gehad. Hij is de braafste van de klas.

Je kon in die tijd nog je middelbaar diploma halen aan de academie.
Stel je voor: zonder studeren, zonder aardrijkskunde, zonder wiskunde, zonder natuurkunde, zonder lichamelijke opvoeding, zonder iets!
Alleen maar tekenen, schilderen en beeldhouwen.
Men kan zich indenken wat er gebeurde: de academie werd een soort vuilnisbak voor iedereen die niet kon aarden in het gewone onderwijs.
En in die (overigens zeer propere) vuilnisbak voelden al die drop outs zich prima in hun vel en ze berokkenden niemand last.
Meer zelfs, ze werkten hard.
Ze gingen uit vrije wil de strijd aan met zichzelf, en daardoor werden ze als het ware opnieuw geboren.

20140327-115917.jpg

Toen ik naar de universiteit ging, volgde ik in september ook de dagklas aan de academie.
Daar trof je een heel ander soort volk aan dan tijdens het weekend.
Maar allemaal hadden ze één ding met elkaar gemeen: als ze tekenden, werden ze weer als kinderen.
Ik heb dat keer op keer waargenomen: of het nu onhandelbare woelwaters waren, gewichtige bedrijfsleiders, gehaaide politie-inspecteurs of wanhopige huisvrouwen, als ze verdiept waren in hun werk, werden ze weer onschuldig.
Hun ‘zelf’ (dat in de buitenwereld soms in hoog aanzien stond) viel van hen af en wat tevoorschijn kwam, was een … spelend kind, een onschuldig kind dat met de grootste ernst speelde.
Als de Mechelse academie in vol ‘bedrijf’ was, dan was ze gevuld met mensen in de Schilleriaanse betekenis van het woord: mensen die speelden als een kind, in volle vrijheid en in volle geborgenheid.
En die schuldeloze menselijkheid was het wezen van de Eeuwige Lentezon die aan de academie scheen en die, zolang ze scheen, mensen van heinde en verre aantrok.
Want men voelde: daar, in dat heldere licht, kan ik mijn schulden inlossen, kan ik weer vrij worden, kan ik worden wie ik werkelijk ben.
En dat impliceerde lijden, want men moest zijn eigen ‘zelf’ overwinnen, men moest het bij wijze van spreken aan het kruis slaan.
Men werd kruisiger en gekruisigde tegelijk.
Zo overwon men het lente-dilemma: doordat lijden en doen lijden één werden.
Zo had men deel aan de Eeuwige Lente.

20140327-120251.jpg

Maar er bleef wel nog altijd de Melaan, de straat die de academie van het Scheppersinstituut scheidde, en die symbool stond voor de diepe kloof die tussen kunst en werkelijkheid gaapte en nog altijd gaapt.
Maar dat is voor de volgende keer.

Verontwaardiging is een vorm van haat (Spinoza)

20140326-201152.jpg

Dit is Jan Van Duppen, een Vlaamse huisarts in Rotterdam, een meneer doktoor met een migratieachtergrond dus.
Hij is de eerste kritische stem die ik hoor over wat hijzelf de ‘hysterische campagne tegen Geert Wilders’ noemt.

Hij schrijft onder meer het volgende:

‘Reflexmatig reageerde de goegemeente van het zuivere geweten en het hart op de juiste (linkse) plaats met een nooit geziene golf van verontwaardiging over zoveel racisme tegen de hedendaagse ’joden’ van Nederland.’

‘In haar boek ’Door Spinoza’s Lens’ citeert Tinneke Beeckman de joods-Nederlandse filosoof Spinoza over dit fenomeen:
’Verontwaardiging ontaardt makkelijk in een soort weerwraak, omdat ze een vorm is van haat.
Verontwaardiging geldt niet als morele graadmeter omdat ‘verontwaardiging slechts het masker van billijkheid draagt’.

‘Huidig PvdA-voorzitter en kamerlid Hans Spekman pleitte in 2008 als woordvoerder armoedebeleid en asielzaken voor een keiharde aanpak van Marokkaanse probleemjongeren:
‘De Marokkanen die niet willen deugen moet je vernederen, voor de ogen van hun eigen mensen. Als je ze alleen maar een waarschuwing of een boete geeft, lachen ze je uit.
En van een celstraf krijgen ze alleen maar meer status in hun groep.
Je moet ze zo aanpakken dat ze hun status juist verliezen.
Dat is het enige dat werkt.’

Huidig politiek leider van de PvdA Diederik Samsom wist in 2011 na een jaar in het geheim als straatcoach te hebben gewerkt in Amsterdam dat Marokkaanse jongeren een ‘etnisch monopolie’ hebben op straatoverlast.
De aanpak van de Marokkanenproblematiek noemde hij toen ‘een enorm zwakke plek’ van zijn partij.
Hij pleitte voor een hardere, duidelijkere en eerdere aanpak van overlastgevers:
‘Het triomfalisme bij die jongens, de wetenschap dat ze zich onaantastbaar voelen, en dat ook zijn. Dat gaat door merg en been. Het tast het zelfvertrouwen van de politie aan, het zelfvertrouwen van Nederland.’

Twee jaar geleden omschreef het Sociaal en Cultureel Planbureau het aandeel van Marokkaanse jongeren in de criminaliteit ’schrikbarend’.
Van alle Marokkaanse jongens tussen 12 en 23 jaar was 65 procent wel eens aangehouden.

Intussen blijkt uit de nieuwste cijfers van het SCP dat de werkloosheid onder de niet-westerse migranten in Nederland ruim driemaal zo hoog is als onder autochtonen: 16 tegen 5 procent.
Bij jongeren is het zelfs 28 tegen 10.
Ook hier scoren Nederlanders van Marokkaanse afkomst ruim boven gemiddelde.
Niet-westerse migranten zitten voor 12 procent in de bijstand tegen 2 procent autochtone Nederlanders.
En toch verschijnen steeds meer Oost-Europeanen op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Tot zover Jan Van Duppen onder de titel ‘Het korte geheugen van politiek correct Nederland.’

20140326-203107.jpg

Ecrin de merde

20140326-171442.jpg

Onder de titel ‘Zwaar weer voor de cultuur’ schrijft Jan Van Hove in de krant van gisteren over het succes van het Front National in Frankrijk.
Dat baart hem zorgen, want het FN – ik citeer – ‘wekt niet de indruk bijzonder cultuurminded te zijn, om het zacht uit te drukken.’
Dat is natuurlijk erg, want hoe valt het moderne leven te verdragen zonder cultuur, dat wil zeggen zonder boeken, zonder muziek, zonder schilderijen, zonder films, zonder televisie, zonder toneel, zonder dans, zonder mooie kleren, zonder gastronomie, zonder mooie huizen, enzovoort?
Wat blijft er nog over om voor te leven zonder dat alles?
Werken, geld verdienen, ons voortplanten, ons voeden, sex?
Klinkt tamelijk ondraaglijk als je ’t mij vraagt.

Ik zou het dan ook roerend eens zijn met Jan Van Hove en zijn bezorgdheid, ware het niet dat hij het begrip cultuur heel anders invult dan ikzelf.
Voor hem is ‘cultuur’ in de eerste plaats ‘hedendaagse cultuur’.
Hij huivert dan ook als hij verneemt dat het Front National in Reims een centrum voor … figuratieve kunst wil oprichten.
Hij schudt het hoofd: ‘het heimwee naar goede oude landschappen, zeezichtjes en bloemstillevens gaat maar niet over.’
In de onderbuik van de samenleving broeit nog altijd het verlangen naar de kunst van weleer, toen de schilders nog schilderden en de beeldhouwers nog beeldhouwden.
En naast dat verlangen broeit ook de afkeer van de moderniteit en de elitaire cultuurkringen.
Een kopstuk van het Front National heeft het zelfs bestaan om een Centrum voor Hedendaagse Kunst een écrin de merde te noemen, een juwelenkistje voor stront.
Stel je voor!
Wat een cultuurbarbaren!

20140326-184519.jpg
(‘Un peu de tendresse bordel de merde!’ – Festival d’ Avignon)

Tja, het is maar hoe je ’t bekijkt.
Voor mij is cultuur: Bach, Chopin, Haydn, Rubens, Van Eyck, De Braekeleer, Tsjechow, Thomas Mann, Rilke, Felix Timmermans, de Sint-Romboutstoren, Titanic, Desperate Housewifes, enzovoort, enzovoort.
Mijn lijstje is héél lang en er staat vanalles op.
Maar wat er niet op staat, is de zogenaamde Hedendaagse Kunst.
Ik heb die ‘cultuur’ helemaal niet nodig om het moderne leven draaglijk te maken.
Ik zou het zelfs niet als een verarming beschouwen als ze in het niets verdween.
WEL INTEGENDEEL.

Wat Jan Van Hove tot bezorgdheid stemt, stemt mij dus tot vreugde.
Tja, die dingen gebeuren.
Wat voor de één cultuur is, is het voor de ander niet.

Maar is dat niet juist de kern van de multiculturele samenleving?
Is dat niet juist wat diversiteit betekent?
En pluralisme?
En verdraagzaamheid?
En respect?
En openheid?
En noem maar op?

Mij kan het niet schelen dat mensen Hedendaagse Kunst maken.
Voor mijn part mogen ze zoveel SMAKs bouwen als ze maar willen.
Leven en laten leven, vind ik.
Maar als ‘hedendaags’ betekent dat er geen andere kunst meer mag bestaan, dan pas ik.
Als Jan Van Hove cultuur identificeert met Hedendaagse Kunst, dan vraag ik hem:
Waar haal je het recht om datgene wat jij cultuur noemt uit te roepen tot dé (enige echte) cultuur, en wat ik cultuur noem af te doen als iets wat geen recht van bestaan meer heeft?
En waar haal je de culot om dat te doen in naam van de verdraagzaamheid, de diversiteit en de multiculturaliteit?
Hoe kom je er in godsnaam bij om iedereen die een andere kijk op cultuur heeft af te doen als onverdraagzaam, bekrompen, extreem-rechts, fascistisch en wat er al niet meer in dat goed gevulde scheldwoordenboek van je staat!
Toegegeven, Jan Van Hove gebruikt die scheldwoorden nu even niet, maar de minachting voor iedereen die anders denkt dan hij is duidelijk voelbaar.

Hij besluit zijn stukje met de zin:
‘Zoveel is zeker: voor de culturo’s is er nog werk aan de winkel.’

Wat zou hij dáármee bedoelen?
Dat de culturo’s nog hard zullen moeten werken aan hun verdraagzaamheid?
Of dat ze er nog een flinke klus zullen aan hebben om hún visie op cultuur door te drukken en andere visies het zwijgen op te leggen?

Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat het niet het eerste is.

20140326-184111.jpg
(Het Festival van Avignon verlaat Avignon als het Front National er aan de macht komt)