Zonder de kunst zijn we verdoemd

door lievendebrouwere

In de krant van verleden week lees ik twee artikels waarin de auteurs hun bezorgdheid uitspreken over the state of the art, de toestand in de kunst.
Het ene artikel is van de hand van José Da Silva, correspondent in Portugal.
Daar is namelijk een controverse aan de gang over het feit dat de regering een collectie schilderijen en tekeningen van Juan Miró wil verkopen teneinde de begroting rond te krijgen.
Dat vindt José erg (terecht natuurlijk), maar wat hij nog erger lijkt te vinden, is dat de Portugese man in de straat het niet erg vindt.
Verdomme, zegt die man-met-de-pet, zijn er geen belangrijker zaken om je druk over te maken?
In een tv-quiz blijkt een deelnemer niet eens te weten wie Juan Miró is.
Een minister? Een tangodanser? Een stierenvechter?
Dat brengt José Da Silva ertoe een andere José te citeren: José Saramago.

‘Een volk dat niet geeft om kunst, is een gedoemd volk.’

Aldus de Portugese Nobelprijswinnaar voor literatuur.

20140303-164643.jpg

Ik ben het daar natuurlijk mee eens.
In onze moderne wereld heeft de kunst de plaats van de religie ingenomen.
Het is vandaag via de kunst dat de mens het contact met de geest onderhoudt.
Dat is een veelbetekenend feit, want in de kunst gaat het niet langer om een geest of God die vanuit de hemel op de aarde neerkijkt, maar om een geest die zich met de materie verenigd heeft, een God die vanuit de aarde en de mens zelf werkt.
Het gaat in de kunst met andere woorden om de christelijke geest, de God die mens is geworden en zich ‘tot aan het einde der tijden’ verbonden heeft met de aarde.
De afgelopen 2000 jaar vormden de overgang van het oude Godsbeeld naar het nieuwe Godsbeeld, van de ‘God in den hoge’ naar de ‘God in de mens’.
Wat we uit die tijd kennen als christendom is dus eigenlijk nog geen echt christendom: de kerk met zijn onfeilbare paus aan het hoofd is nog altijd een uitdrukking van het oude Godsbeeld.
Pas in onze tijd, nu de kerk haar (spirituele) macht verloren heeft en haar rol overgenomen is door de kunst, begint het echte christendom.
Godsdienst is nu tegelijk mensendienst geworden.
Over de hemel spreken is tegelijk over de aarde spreken.

De democratie is een uitdrukking van deze nieuwe relatie tot de geest: nog altijd wordt de mensheid ‘bestuurd’ door God, maar God resideert nu in de mens zelf, in iedere individuele mens.
Daarom is de stem van het volk vandaag ook de stem van Christus.
Daarom wordt het volk vandaag ook zo verketterd door de machthebbers.
Daarom wordt de democratie vandaag met de grote middelen bestreden.

En dat brengt me bij de reden waarom ik het helemaal niet eens ben met José de Silva.
Dat wil zeggen: ik ben het eens met wát hij zegt, maar niet met hoé hij het zegt.
Zijn schaamte, ergernis en verontwaardiging zijn volkomen misplaatst.
En wel omdat ze de reactie van de man in de straat gelden.
Ze zouden namelijk hemzelf moeten gelden, hemzelf en de hele intelligentsia waar hij deel van uitmaakt.
Want waarom is de gewone Portugese man al dat gezeur over Juan Miró beu?
Niet omdat het over een kunstenaar gaat.
Mensen zijn dat ‘gezeur’ beu omdat het afkomstig is van mensen die niet alleen hun minachting voor ‘het volk’ nauwelijks kunnen verbergen, maar die ook – en misschien zelfs vooral – geen bal geven om kunst.

20140303-164812.jpg

Hoezo?
Deze José de Silva toont zich toch juist heel bezorgd om de kunst?
Zeker, maar hij toont zich bezorgd over de kunst zoals de moderne machthebber zich ‘bezorgd’ toont over zijn onderdanen. Hij gedraagt paternalistisch, als een vader die weet wat goed wat goed is voor zijn kinderen.
Maar die ‘kinderen’ zijn geen kinderen meer.
En de ‘vader’ weet niet meer wat goed is.
Integendeel, hij is het spoor compleet bijster, en wel omdat hij zich nog vastklampt aan het oude Godsbeeld.
Maar het is niet meer de oude God die in dat beeld leeft.
De oude God heeft zich teruggetrokken, hij heeft de zaak overgelaten aan zijn Zoon.
Niemand komt vandaag nog tot de Vadergod dan door de Zoon.
Wie die Zoon omzeilt en zich – zoals vroeger – rechtstreeks tot de Vader richt, krijgt te maken met een heel andere geest, die het leeggeworden Vaderbeeld ‘gekraakt’ heeft en er zijn woning van heeft gemaakt.

Hoe deze antichristelijke geest eruit ziet, zien we in de Hedendaagse Kunst.
Deze ‘kunst’ doet alsof ze vanuit het vrije, individuele menselijke Ik schept (vanuit de Zoon dus) maar in wezen wordt ze geïnspireerd door de kwaadaardige geest die het oude Vaderbeeld tot het zijne heeft gemaakt.
Het is niet voor niets dat Hedendaagse Kunst overal ter wereld hetzelfde is.
Of het nu een Amerikaan is die Hedendaagse Kunst maakt, of een Rus of een Chinees of een Afrikaan, er is geen enkel verschil te merken.
Alle kenmerken die verbonden zijn met de plek op aarde waar ze wonen en werken, zijn uitgewist.
Alle individuele kenmerken zijn uitgewist.
Zelfs al het menselijke is uitgewist.
En ook de kijker mag onder geen beding als individu oordelen. Hij moet ieder persoonlijk gevoel, iedere persoonlijke reactie of impuls, iedere persoonlijke interpretatie onderdrukken en vervangen door de (door kunstpausen) voorgeschreven gedachten, gevoelens en reacties.
Hij moet met andere woorden de Zoongod uit zijn ziel bannen en vervangen door de pseudo-Vadergod.

20140303-165000.jpg

Het is deze ‘kunst’ die de José Da Silva’s dezer aarde onvermoeibaar promoten. En ze laten de man in de straat goed voelen hoe achterlijk hij wel is als hij deze kunst niet bewondert.
Deze man-in-de-straat is het intussen kotsbeu geworden om deze Hedendaagse Kunst door de strot geduwd te krijgen.
Hij begint ervan te kokhalzen.
Daarbij maakt hij steeds minder onderscheid: zijn weerzin breidt zich langzaam uit van de Hedendaagse Kunst tot alle kunst.
En dát is misschien wel het allerkwalijkste gevolg van de nu reeds 100 jaar durende pogingen van de ‘leidende klassen’ om ‘het volk’ de Hedendaagse Kunst door de strot te duwen:
het volk keert zich af van de kunst.

Niet de voortdurende confrontatie met Hedendaagse Kunst is het grote kwaad, maar de onbewuste, instinctieve reactie daarop: de mens ontwikkelt een viscerale afkeer tegenover kunst, niet alleen de Hedendaagse Kunst, maar álle kunst.
En daardoor ‘verdoemt’ het volk zichzelf.
Want het verloochent de scheppende Zoongod in zichzelf.

Op die manier gaat de anti-christelijke en anti-menselijke geest die (onder meer) de Hedendaagse Kunst bezielt te werk: hij doet in de mens een onbewuste, onbedwingbare afkeer ontstaan voor de kunst.
Maar de kunst is een spiegel van zijn eigen Ik, van de Zoongeest-in-hemzelf.
En niet alleen heeft hij – zeker in deze tijd, nu de spiegelrol van de religie is afgelopen – de spiegel van de kunst nodig om zich bewust te blijven van zijn eigen menselijkheid, maar als hij afschuw begint te voelen voor de kunst, dan voelt hij ook afschuw voor zichzelf, dan ontstaat er in hem een kracht die – als een koekoeksjong – zijn eigen Ik uit het nest van zijn ziel wil duwen.
Een volk dat een hekel krijgt aan de kunst, is een volk dat gedoemd is zichzelf te vernietigen.
En dat is precies wat de ‘Hedendaagse’ geest op het oog heeft: hij wil de moderne mens ertoe brengen de God-in-hemzelf eruit te gooien, zodat hijzelf zijn plaats kan innemen.

20140303-165306.jpg

Dat brengt me bij het tweede artikel.
Dat is van de hand van Mia Doornaert en het is een reactie op een gesprek waarin Wim Delvoye en Midas Dekkers het enkele dagen tevoren hadden over hun gemeenschappelijke fascinatie voor … stront.

Tussen haakjes:
Het is toch wel merkwaardig dat wat wij Vlamingen stront noemen, in Nederland poep heet, en dat wat wij poep noemen in Nederland kont heet.
Dat is een afzonderlijke beschouwing waard, maar ik wil me hier tot de kunst beperken, hoe passé het onderscheid tussen stront en kunst ook moge zijn.

Mia Doornaert schrijft:
‘Taboes zijn er in onze maatschappij te over, maar ze liggen niet bij bloot en seks. Ze liggen in de verstikkende greep van de artistieke en politieke correctheid op elke discussie. Durf kritiek te hebben op de waan van de dag, en onmiddellijk volgen preventieve verdachtmaking en banbliksems. Dat geldt voor politiek, en dat geldt voor kunst.’

Het is bijzonder moedig van Mia om dat te zeggen, want ze zal wel weten wat er gebeurt met mensen die kritiek durven te hebben op de Hedendaagse Kunst.
Ze lijkt dat inderdaad te beseffen, want meteen stapt ze over naar ‘het op vrouwenhaat lijkende seksisme van sommige operaregisseurs en operahuizen’.
Da’s een wel heel onverwachte move, want het is een hele stap van stront naar de opera.
Grotere tegenstelling kun je je haast niet indenken.
Maar het is wel handig van Mia, want nu kan ze vanachter het schild van (politiek correcte) kritiek op seksisme, kritiek blijven geven op de Hedendaagse Kunst, want die slaat in de operahuizen ook keihard toe.
Ze heeft het onder meer over een moderne enscenering van Dvoraks Rusalka, waarbij een waternimf (een geestelijk wezen dus) die verliefd wordt op een mens, ten tonele gevoerd wordt als een … hoer.
Dergelijke profanaties zijn schering en inslag in de moderne opera-uitvoeringen en het anti-christelijke karakter ligt er duimendik bovenop.
Zo heeft Mia Doornaert het ook over regisseur Frank Castorf die, na alweer een ‘hedendaagse’ versie van een Wagner-opera, tien minuten lang op het toneel stond te genieten van het boegeroep van het publiek.
Dat is de Hedendaagse geest ten voeten uit: hij geniet van de afschuw die hij opwekt, je kunt hem geen groter plezier doen dan te stikken in je verontwaardiging.
Naar verluidt deed Castorf er nog een schepje bovenop door het publiek te jennen en uit te dagen.

20140303-165522.jpg

Wat heeft dit nu allemaal te maken met Wim Delvoye en Midas Dekkers, vraagt Mia.

‘Wel, dat te veel van onze West-Europese kunstenaars vastzitten in iele en steriele stereotiepen, in een modieus conformisme, en/of in buitensporig narcisme. Dat is niet vrijblijvend en ook niet ongevaarlijk. Het zegt allicht ook iets over het gebrek aan elan en vuur en geloof in zichzelf van Europa als geheel.’

Dat is natuurlijk waar, maar het komt me toch voor als heel wat minder direct dan ‘de verstikkende greep van de artistieke en politieke correctheid’.
Nog minder direct is wat daarna volgt.
Mia citeert namelijk Kafka.

‘Het boek moet ons treffen als een vuistslag tegen de schedel, het moet de bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’

En dat geldt net zo goed voor de kunst in het algemeen, voegt ze eraan toe. Kunst moet treffen, moet branden, moet ons radicale en desnoods pijnlijke revelaties over onszelf en de wereld bijbrengen.
Maar Mia, dat is … precies wat de Hedendaagse Kunst wil!
Die frasen over kunst die moet schokken, die hoor je voortdurend in de Hedendaagse Kunst.
Het gaat daar om niks anders!

En dan komt de kers op de taart.
Barones Mia besluit haar artikel met de zin: ‘Dat laatste, beste en zeer begaafde Wim Delvoye, is eerder infantiele regressie.’
Met dat ‘laatste’ bedoelt ze het poep-taboe waarover Wim Delvoye sprak.
Ze heeft het dus niet over het werk van Delvoye, nee, ze heeft het over het taboe dat hij wil doorbreken. Dát taboe noemt ze een infantiele regressie.
Met andere woorden, ze is het volkomen met Wim Delvoye en Midas Dekkers eens: het is infantiel om je neus op te trekken voor poep/stront.
En logischerwijze dus ook voor kunst gemaakt met/van stront.

20140303-165717.jpg

Nu zal iedereen zeggen: maar dat bedoelt ze helemaal niet!
Nee, dat is duidelijk.
Maar het neemt niet weg dat het er wel degelijk staat.
Ja maar, zal men zeggen, je mag iemand niet vastpinnen op zijn woorden en al helemaal niet op een ongelukkige manier van uitdrukken. Dat laatste kan iedereen gebeuren, zelfs tot de adelstand verheven journalisten.
Ook daar ben ik het helemaal mee eens.
En toch denk ik niet dat het hier om een accidentele, toevallige lapsus gaat.
Wat Mia Doornaert echt bedoelt, zegt ze in één zinnetje: ‘Ze liggen in de verstikkende greep van de artistieke en politieke correctheid op elke discussie.’
In de rest van haar artikel probeert ze deze waarheid weer af te zwakken en zelfs in zijn tegendeel te keren.
En die ‘lapsus’ past precies in die (zelf)omkering.

Het is iets wat je telkens weer ziet gebeuren in artikels en opiniestukken: de schrijver spreekt een waarheid uit waarvan hij heel goed weet dat ze hem niet in dank zal worden afgenomen.
Hij riskeert niet alleen dat zijn teksten niet meer gepubliceerd zullen worden, maar zelfs dat hij zijn job kwijtraakt.
Dat overkwam verleden week sportjournalist Hans Vandeweghe.
Hij had in een column een beetje de draak gestoken met een Vlaamse snowboarder op de Olympische Spelen.
Is die man op zijn kop gevallen tijdens het snowboarden, had hij geschreven, of is hij gaan snowboarden omdat hij op zijn kop is gevallen?

20140303-165836.jpg

Een onschuldig grapje, maar de man werd prompt ontslagen als directeur van een of andere sportbond.
Reden: er was ‘een vertrouwensbreuk ontstaan die verdere samenwerking onmogelijk maakte.’

Je zal het maar meemaken: je maakt een grapje in de krant en hop, je bent je job kwijt!
Natuurlijk ging het niet om dat ene grapje.
Het was de druppel die de emmer had doen overlopen.
Ik mag de columns van Hans Vandeweghe graag lezen. Hij schrijft heel raak en zegt dingen die anderen niet zeggen.
Zo had hij onlangs nog in een artikel beweerd dat de Nederlanders hun 25 medailles in Sotsji behaald hadden met ‘technologische doping’. Ze droegen namelijk maillots die gemaakt waren van een speciale stof die de luchtweerstand met 3% verminderde. Dat had de fabrikant zelf in de pers verkondigd. Je zult het wel zien, had hij voorspeld.
Op 100 meter maakt 3% niet veel uit, merkte Vandeweghe op, maar op 10 kilometer maakt het het verschil tussen een medaille en geen medaille.
Kijk, zo’n dingen schreef Hans Vandeweghe: inconvenient truths.
En met dat grapje over snowboarder Seppe Smits was de maat vol.
Het was één vervelende waarheid te veel.
Hans stond op de keien.

Iedereen die in een krant of tijdschrift schrijft, iedereen die in de media werkzaam is, weet wat hem boven het hoofd hangt als hij de ongeschreven code overtreedt.
Ik herinner me nog het geval Edwin Ysebaert.
Hij was een populaire radio-presentator, onder meer van het veel beluisterde Eenzame-Hartenbureau.
De man had niet alleen een prachtige radiostem, hij verrichte ook baanbrekend werk.
Maar toen verscheen er een groot interview met hem in Humo waarin hij – zelf homo zijnde – zei: ‘Ik ben ervan overtuigd dat iedere homo in zijn leven een moment heeft waarop hij (nog) kan kiezen.’
Het was maar één zinnetje in een lang interview, en het werd er niet eens uitgelicht tot een vette kop (Humo betékende nog iets in die dagen), maar toen ik het las, dacht ik: o jee, man, dát ga je bezuren!
Het werd nog veel erger dan ik verwacht had.
Men ontketende een echte heksenjacht op hem. Hij werd door het slijk gesleurd op een manier die nu ‘gewoon’ is geworden, maar die toen – ik spreek nu over bijna 40 jaar geleden – ongezien was. Ysebaert ging er helemaal onderdoor, verloor zijn job, raakte aan lagerwal en ondernam ten slotte een zelfmoordpoging.

20140303-170027.jpg

De banvloek waarover ik het onlangs had in verband met kunstpaus Jan Hoet, is een keiharde realiteit die iedere intellectueel kent.
De meesten schrijven dan ook precies wat van hen verwacht wordt.
Maar er zijn er ook die een bestaan als intellectuele prostitué vernederend vinden.
Zoals Hans Vandeweghe: hij zocht voortdurend de grens op tot waar hij kon gaan.
En men liet hem betijen.
Maar wat hij niet besefte, was dat men de rekening heel nauwkeurig bijhield.
En toen zijn krediet op was, sloeg men zonder aarzelen toe: de directeur van de Vlaamse wielerbond werd ontslagen omdat hij een grapje had gemaakt over een … snowboarder.

Ook Mia Doornaert is één van die journalisten die af en toe wel eens iets durven te schrijven dat niet politiek correct is.
Dat is moedig van haar, al moet wel gezegd worden dat ze veel krediet heeft opgebouwd.
Ze is niet alleen voorzitter van de Vlaamse journalistenbond, ze is ook barones. Ze is in de adelstand verheven voor haar verdiensten als journaliste.
Meer krediet kun je waarschijnlijk niet opbouwen.
Maar als het over Hedendaagse Kunst gaat, zie je dat ze hetzelfde doet als al die andere journalisten die, gekweld door hun geweten en hun zelfrespect, iets schrijven dat niet is zoals het hoort: ze verpakt het zodanig dat je eigenlijk niet meer kunt vertellen wat ze nu eigenlijk gezegd heeft.
Iemand als Rik Torfs is daar een meester in. Hij draait en keert en wentelt zo virtuoos in zijn columns en artikels dat je niet meer weet wát hij nu eigenlijk gezegd heeft of waar hij voor staat.

Is het toeval dat Mia Doornaert uitgerekend in een stuk over Hedendaagse Kunst op een bijna exemplarische wijze doet, wat vandaag iedereen doet, namelijk datgene wat je wil zeggen op zo’n manier zeggen dat je er net zo goed het tegenovergestelde kunt in lezen?
Ze doet het niet zo virtuoos als Rik Torfs, maar juist daardoor kun je bijna stap voor stap volgen hoe ze een aanklacht tegen de Hedendaagse Kunst omkeert tot een lofzang op die kunst.

20140303-170141.jpg

Het spreekt vanzelf dat ze dit niet gewild heeft.
Maar dat is nu net het akelige van de zaak: de schrik zit er bij de intellectuelen zo diep in dat ze het omgekeerde doen van wat ze willen, en dat ze het niet eens beseffen.
Ze keren de waarheid automatisch om tot een leugen, en dat ontsnapt niet alleen aan hun wil, het ontsnapt ook aan hun bewustzijn.

Er is hier dus een geest aan het werk – ik noem hem de Hedendaagse Geest – die zijn wil oplegt aan de mens zonder dat deze het weet.

Zou Mia Doornaert beseffen wat ze geschreven heeft?
Ik betwijfel het ten zeerste.
En zelfs als ze het beseft, kan ze het niet meer rechtzetten.
Want niet alleen maakt ze zich dan de risée van heel schrijvend Vlaanderen, ze vestigt dan ook de aandacht van heel schrijvend Vlaanderen op het feit dat ze de Hedendaagse Kunst frontaal aanvalt.
En dat is geestelijke en maatschappelijke zelfmoord.
Barones of niet, het zou afgelopen zijn met Mia Doornaert.

Maar ik denk dat ze zich van geen kwaad bewust is.
Het omkeren van de waarheid in zijn tegendeel is vandaag zo’n automatisme geworden dat niemand er nog bij stilstaat.
Het is bijna iets lichamelijks geworden, het werkt zoals organen werken: zonder dat je er iets van merkt.
En hoe gezonder je bent, dat wil zeggen: hoe meer talent je hebt, en hoe vlotter dat omkeringsproces verloopt, des te minder merk je ervan.
Bovendien schuilt er zoveel genot in die geestelijke automatismen dat niemand er zich bewust wíl van worden.
Iedereen wil heerlijk blijven slapen.

Maar dit ‘slapen’, dit automatische functioneren, situeert zich niet in het gewone bewustzijn, dat bestreken wordt door ons denken en voelen.
Het situeert zich in de wil, in het gebied waar we sowieso slapen. Daar sluipt een geest – de Hedendaagse Geest – onze ziel binnen en laat ons dingen doen die we (bewust) helemaal niet willen, maar die we ook niet waarnemen.
Het is een soort actief slapen, een slapen dat gewild wordt en dat onze gedachten en gevoelens ongemerkt tot werktuig maakt.

20140303-170324.jpg

Toen Mia Doornaert haar stuk schreef, schreef deze ‘slaapverwekkende’ geest mee.
Hij leidde haar hand en zorgde ervoor dat ze de waarheid waarmee ze begon, stap voor stap in zijn tegendeel begon om te keren, met als kers op de taart een grammaticale lapsus, het laatste wat je van de zo taalgevoelige Mia zou mogen verwachten.
Waar die geest zich meester van maakte, was Mia’s kreativiteit, haar scheppend vermogen.
Want wat ze schreef, was geen wetenschap, het was in wezen een kunstzinnige tekst, zoals zoveel journalistieke teksten vandaag.

Er is een enorm verschil tussen de oude krant en de nieuwe krant.
De oude krant was droog en zakelijk, de nieuwe krant is … kunstzinnig.
En van dit kunstzinnige streven (dat zo typisch is voor de hedendaagse mens) maakt de Hedendaagse Geest zich meester.
Hij keert dit streven om.
Hij keert het scheppingsproces om.
En hij kan dat doen omdat het onbewust verloopt.

De tragiek is dat hij juist de meest getalenteerde, meest kunstzinnige, meest naar verbetering strevende mensen in zijn greep krijgt: zowat de hele intelligentsia dus.
Hij berooft daarmee niet alleen het volk van zijn beste elementen, hij doet een intense vijandschap ontstaan tussen ‘hoofd’ en ‘lichaam’ van dat volk.
Hij wekt een intense afkeer bij de intelligentsia voor het gewone volk.
En bij dat gewone volk wekt hij een intense afkeer voor de intelligentsia en alles waar ze voor staan, in de eerste plaats de kunst.

Deze groeiende wederzijdse afkeer tussen het volk en zijn intellectuele elite is een uiterlijk beeld van wat zich in de ziel van de hedendaagse mens afspeelt.
Maar het speelt zich niet af in de bewuste ziel, de ziel die we door middel van onze gedachten en gevoelens kunnen bereiken.
Het speelt zich af in onze onbewuste, slapende wil.
Daar is momenteel een geest actief die, zonder dat we daar enige waarneming van hebben, een kloof slaat in ons eigen wezen en die kloof vult met haat, woede en walging.
Het is een geest die zich meester maakt van ons eigen Ik, van onze scheppende geest, en hem tot zijn slaaf en werktuig maakt.
Hij bedient zich van al zijn vermogens, en vooral dan van het fundamentele vermogen om onderscheid te maken.
Want zo schept het menselijke Ik zichzelf: door zich te onderscheiden van het geheel.
En dat onderscheidingsvermogen is een goddelijke kracht.
Het is de kracht waarmee de Godszoon zich heeft losgemaakt van de Vader en mens is geworden.
En die kracht is geen andere dan de liefde, de pure, onzelfzuchtige liefde voor de mens.
Het is dezelfde kracht die zichzelf een spiegel schept in de kunst.
En het is door die spiegel dat de liefde zich in ons (weer) bewust wordt van zichzelf.

20140303-170518.jpg

Van dat kunstzinnige, spiegelscheppende vermogen maakt de Hedendaagse Geest zich, diep in onze ziel, meester.
Hij verhindert daardoor dat we onszelf (in ons diepste wezen) herkennen in de spiegel van de kunst.
En een Ik dat zichzelf niet herkent, kan niet ontwaken en actief worden.
Het is gedoemd om te slapen, om met een deel van zichzelf weerloos geketend te zijn aan de materiële wereld en met een ander deel in de geestelijke wereld te vertoeven.

Er is maar één manier om de Hedendaagse Geest te ontmaskeren, en dat is: met ons bewustzijn doordringen in de regionen van de wil, waar hij zich ophoudt.
Want alleen dan kunnen we dit monster onderscheiden van ons eigen Ik.
En er is maar één manier om deze wilsregionen – die geestelijke regionen zijn – te betreden zonder uiteengerukt te worden door de enorme krachten die daar heersen, en dat is: op een kunstzinnige manier.
Zonder de kunst zijn we als Dante in de hel zonder Vergilius.
Zonder de kunst zijn we … gedoemd.

20140303-170711.jpg

Daarom is de belangrijkste vraag vandaag: wat is kunst?
Want er is vandaag niet één kunst, er zijn twee kunsten.
En daartussen moeten we kiezen.

Als ik mij afvraag wat de grootste ‘prestatie’ van iemand als Jan Hoet was, dan komen er mij twee dingen voor de geest.
Eén: hij heeft de kunst uit haar ivoren toren gehaald, hij heeft haar weer bij het volk gebracht.
En twee: hij heeft iedereen laten geloven dat er maar één kunst is, de Hedendaagse Kunst.

Daarin herken ik de Hedendaagse Geest.
Hij verkondigt de waarheid, de belangrijkste waarheid van onze tijd, namelijk dat de kunst onze leidsman moet worden.
En vervolgens keert hij die waarheid ongemerkt in zijn tegendeel.

Iemand schreef onlangs dat de vader van artistiek Vlaanderen gestorven was.
En dat was Jan Hoet inderdaad: de Godfather van de kunst.
Hij heeft ontelbare kinderen verwekt, niet alleen in Vlaanderen, maar over de hele wereld.
Allemaal staan ze op de bres voor de kunst, de José De Silva’s en de Mia Doornaerts.
Hun getal is legioen.
Zij zijn de ware erfenis van Jan Hoet.
En we mogen er zeker van zijn dat ze goed verzorgd zal worden.
Want hij was geliefd, deze Godvader!

20140303-171014.jpg