De Eeuwige Lente. (3)

door lievendebrouwere

Ja, als ik de ‘eeuwige lentezon’ moest karakteriseren, dan zou het begrip ‘vrijheid’ centraal staan.
Ik heb me nooit zo vrij gevoeld als aan de (door de modernen zo verguisde) academie.
Ik heb me nooit méér mezelf gevoeld als in de klas van die autoritaire man die eiste dat een tekening juist was.

Ik was als kind reeds heel erg ‘saturnaal’, dat wil zeggen: alles ging héél traag bij me.
Ik was degene op wie iedereen altijd moesten wachten.
Ik was ook degene die ’s zondags altijd te laat kwam in de les.
Ik moest namelijk alleen opstaan en alleen naar de academie fietsen.
Niemand riep dat ik uit m’n bed moest komen, niemand zat achter m’n veren.
Dat was ook niet nodig, want niets had me kunnen tegenhouden om naar de academie te gaan.

20140327-112232.jpg

Maar ik kwam dus wel altijd ruim te laat.

In een klas waar iedereen ijverig bezig was, moest ik nog een ezel zoeken, mij ergens installeren, mijn papier opspannen, mijn houtskool slijpen, en als ik dan eindelijk klaar was om te beginnen, was het eerste uur voorbij en werd er gepauzeerd.
Na de pauze vloog ik er echter in.
Ik tekende een uur lang heel geconcentreerd.
Dat was hard werken, want ik had een hekel aan wiskunde, en tekenen was (hier) niets anders dan toegepaste meetkunde.
De paradox was dus dat ik aan de academie eigenlijk hetzelfde deed als ‘aan de overkant’, in het uitgesproken wetenschappelijk en wiskundig georiënteerde Scheppersinstituut.
Maar terwijl ik daar een viscerale afkeer voor wiskunde ontwikkelde en er ten slotte helemaal op blokkeerde, deed ik aan de academie niets anders dan meten, meten en nog eens meten, alsof m’n leven ervan afhing.

Later zou blijken dat dat inderdaad het geval was.

20140327-112346.jpg
(Het Scheppersinstituut)

Na een uur intensief meten was mijn bobijntje af.
Ik was helemaal leeggetekend.
In die ‘lege’ toestand verliet ik dan de klas en ging door de academie zwerven.
Helemaal alleen liep ik door de stille, lege gangen en keek vol ontzag naar de grote tekeningen die aan de muur hingen: werk van de beste leerlingen.
Ik voelde er een ongelooflijke bewondering voor.
Ik dronk ze in als levenswater.
En ik had grote dorst, daar hadden ze ‘aan de overkant’ wel voor gezorgd.

Waar ik me ook aan laafde, was het licht.
Er waren overal grote, metershoge ramen waardoor het licht overvloedig naar binnen viel.
Ik hield ervan om me in de grote traphallen te koesteren in het zonlicht en uit te kijken over de daken van de oude stad.
In de academie heerste een diepe rust.
Je hoorde er alleen het suizen van de stilte, met af en toe wat pianoklanken uit het aanpalende conservatorium, en – natuurlijk – de beiaardklanken die als lentebloesems (of herfstbladeren, al naargelang van het seizoen) uit de Sint-Romboutstoren neerdwarrelden.
Het licht, de diepe rust en de tere klanken: ik kon er niet genoeg van krijgen.
Ze waren als een verkwikkend bad voor me, waar ik me na de zware arbeid van het tekenen, behaaglijk liet in wegzakken.

Zo heb ik vele uren doorgebracht: alleen in die grote academie, in het hartje van het slapende Mechelen, de oude hoofdstad van de Nederlanden.
Als het mooi weer was, klom ik (door een venster rond als patrijspoort) wel eens op het dak.
Daar had ik een adembenemend uitzicht op de Sint-Romboutskathedraal, die in haar majestueuze grootheid vlak voor mij oprees.
Heel Mechelen lag aan haar – en mijn – voeten.

20140327-112955.jpg

Als ik na mijn uitstapjes weer terugkeerde in de klas keek niemand daarvan op.
Ook de leraar niet.
In al de jaren die ik in zijn klas doorbracht, heb ik hem nooit één opmerking horen maken over het feit dat ik kwam en ging wanneer ik wilde.
Niemand legde me een strobreed in de weg.
Ik deed waar ik zin in had.
Ik voelde me volkomen vrij.

Ik voelde me echter ook volkomen geborgen.
Er heerste geenszins een atmosfeer van laisser faire aan de Mechelse academie, wel integendeel.
Het feit dat ik op m’n zwerftochten zelden iemand tegenkwam, illustreert dat.
De academie werd in het weekend bevolkt door honderden leerlingen: de klassen zaten propvol. Maar die leerlingen zwierven niet rond, ze waren allemaal ijverig aan het werk.
Zelf werkte ik harder dan gelijk wie, maar langer dan een uur kon ik die intense concentratie niet volhouden.
De leraar begreep dat.
Hij zou me nooit laten wegkomen met een fout in mijn tekening.
Maar hoe ik die tekening tot stand bracht, daar trok hij zich niks van aan.
Dat was mijn zaak, daar liet hij me volkomen vrij in.

Hij oordeelde alleen over de resultaten van het werk, niet over het werken zelf.
Toen ik ooit zei het jammer te vinden dat Leonardo da Vinci niet wat meer geschilderd had in plaats van zijn tijd te verknoeien met het ontwerpen van oorlogstuig, antwoordde hij: dat kun je niet zeggen, de man dat wellicht nodig om überhaupt te kúnnen schilderen, daar kun je niet over oordelen.
En dat deed hij zelf ook niet.
Hij oordeelde op geen enkele manier over hoe je tot een tekening kwam, en hij was daar uiterst consequent in.
Ik maakte bijvoorbeeld een tekening af in twee of drie geconcentreerde sessies van één uur. Andere leerlingen deden zes weken over één tekening.
Ik tekende meestal zuiver lineair, met scherpe lijnen zonder enige schaduw.
Andere leerlingen bedekten hun blad met een dikke laag zwarte houtskool.
Hij zei daar nooit één woord over.

20140327-113137.jpg

Zolang je tekening klopte, mocht je doen wat je wilde.

Dat resulteerde in even zovele persoonlijke ‘stijlen’ als er leerlingen in de klas waren.
Ik herinner me nog dat ik aan het eind van een schooljaar de klas binnenstapte en daar alle ezels in een grote halve cirkel zag opgesteld met daarop telkens de beste tekening die een leerling tijdens het jaar had gemaakt.
Ze waren klaargezet voor de jury die later op de dag zou komen.
Ik heb nooit duidelijker het mysterie van de menselijke individualiteit beleefd als toen.
Want al die tekeningen waren gemaakt naar hetzelfde model, in dezelfde klas, op hetzelfde papier, met dezelfde houtskool, onder leiding van dezelfde leraar, in dezelfde ‘academische’ geest.
En toch hadden ze niet méér van elkaar kunnen verschillen.
Stuk voor stuk vertegenwoordigden ze totaal verschillende, uiterst persoonlijke werelden.
Het was alsof je diep in de unieke ziel keek van degenen die de tekeningen gemaakt hadden.
Je herkende ze meteen: ze hadden niet alleen het model getekend, ze hadden ook zichzelf getekend.
De paradox was: hoe juister en waarheidsgetrouwer ze de buitenwereld tekenden, des te juister en waarheidsgetrouwer tekenden ze ook hun binnenwereld.
Ze hadden zichzelf zo treffend geportretteerd omdat ze … zichzelf vergeten hadden.
Ze waren in die tekeningen zo volkomen zichzelf geweest omdat ze alleen oog hadden gehad voor de buitenwereld.

20140327-113633.jpg

Ik voelde bij het zien van die kring van tekeningen dat ik aangeraakt werd door een mysterie.
Vol verbazing keek ik naar al die zo persoonlijke tekeningen, die stuk voor stuk het resultaat waren van dezelfde intense worsteling tussen het Ik en het zelf.
Ik kende die worsteling maar al te goed.
Ze vormde het wezen van de academische opleiding.
Wat je aan de academie leerde, was hoe je je liefde voor de wereld moest verzoenen met je eigenliefde.
En dat kon alleen via strijd, want liefde voor jezelf en liefde voor de wereld zijn tegenstrijdige krachten.
Je kwam naar de academie om te vechten met jezelf.
Ik heb er dan ook hevige gevechten geleverd.
Als ik ze verloor was ik zum Tode betrübt, maar als ik ze won was ik in de zevende hemel, himmelhoch jauchzend.
En er was niets egoïstisch aan die vreugde.
Het was de vreugde van een ‘zelf’ dat gestorven en verrezen was.
Het had zichzelf overwonnen in zijn streven om een tekening te maken van de wereld, en daardoor was die wereld (waartoe ook de tekening behoorde) tot een spiegel geworden waarin het zichzelf herkende.
Of beter: waarin het zichzelf zag. Want zien en herkennen is niet hetzelfde.

20140327-114122.jpg

We hadden het in de klas eens over de persoonlijke stijl van een kunstenaar.
Ik héb helemaal geen persoonlijke stijl, merkte ik op.
O jawel, antwoordde de leraar, je weet het alleen niet.
En hij ging er verder niet op in.
Ik stelde er ook geen vragen over, want wat kon mij die persoonlijke stijl schelen!
Ik wilde alleen zo goed mogelijk tekenen.
Als mijn tekeningen een ‘persoonlijke stijl’ hadden, dan was dat mooi meegenomen, maar daar ging het helemaal niet om.
Ik was niet naar de academie gekomen om een persoonlijke stijl te ontwikkelen – welke 11-jarige houdt zich dáármee bezig! – maar om goed te leren tekenen.
Al de rest was bijzaak.

Daarom was ik ook zo getroffen toen ik nietsvermoedend de klas binnenstapte en daar die kring van tekeningen zag staan.
Voor het eerst zag ik hoe ongelooflijk persoonlijk al die tekeningen waren, hoe ze spiegels waren van unieke, onvervangbare zielen.
En juist omdat die zielen hun ‘zelf’ vergeten hadden tijdens het tekenen, waren het heldere, waarheidsgetrouwe, objectieve spiegels.
O ja, ik herkende mijn medeleerlingen meteen in hun tekening.
Maar ik herkende niet hun kleine zelf met al zijn kleine kantjes. Nee, ik herkende hun Ik.
Ik herkende het grootse, zuivere wezen dat zij allemaal waren en dat zichzelf in zijn liefde voor de wereld (het getekende onderwerp) zichtbaar had gemaakt.
Ik zag een broederschap van mensen die één waren in hun liefde voor de(zelfde) wereld en juist daardoor zo verschillend en persoonlijk.
Ik beleefde, als in een flits, het mysterie van het ene dat tegelijk veelheid is.
Ik beleefde het mysterie van de mens.

20140327-114551.jpg

Die cirkel van tekeningen waar ik middenin stond en vol verbazing, ontzag en vreugde naar keek, was een beeld van de zonnegeest wiens licht zo helder straalde aan de Mechelse academie en die me het onbeschrijflijke gevoel gaf thuis te zijn, helemaal in mijn eigen element.
In die eeuwige lentezon, de zon van het menselijke Ik-wezen, heb ik mij tien jaar lang iedere zondagochtend (en later ook de zaterdagochtend) gekoesterd, en ik weet werkelijk niet hoe ik de grauwe weken aan het Scheppersinstituut overleefd zou hebben zonder die zon-dagen.

Als ik vandaag in de kranten lees, hoe kinderen elkaar op school soms letterlijk dood pesten, dan verbaast me dat niet.
Het kille intellectualisme in het onderwijs is er alleen maar erger op geworden, en het wekt in de kinderziel een dodelijke verveling waartegen het zich uiteindelijk alleen nog met zelfvernietigend geweld kan verzetten.
Ik ken dat geweld maar al te goed. Ik heb op school zelf ook gepest.
Geen leerlingen (er heerste toen nog een zekere solidariteit) maar leerkrachten.
We pestten in groep de leerkrachten die daar vatbaar voor waren, en we waren daarin soms zo gemeen dat ik er misselijk van werd.

Dát was de manier waarop onze kreativiteit een uitweg zocht: door gemene zaak te maken met de laagste kanten van ons egoïstische zelf.
We veranderden als klas soms in een roofdier dat iedere zwakheid bij een (bijvoorbeeld nieuwe) leerkracht detecteerde en er met kwaadaardig genot zijn tanden in zette.
Ja, we genoten ervan een leerkracht psychisch de vernieling in te helpen.
Maar tegelijk vonden we het afschuwelijk.
We wílden dat helemaal niet.
Maar we hadden geen andere keuze, we waren nog te jong om op eigen kracht weerstand te kunnen bieden aan dat ‘roofdier’ in ons, en we konden ons niet verzetten tegen de dode en dodelijke leerstof die we iedere dag in ons hoofd moesten pompen.

20140327-114731.jpg
(Het Scheppersinstituut: speelplaats)

De Broeders van Liefde voedden ons niet alleen op tot intellectuelen, tot rationele wetenschappers, ze voedden ons ook op tot agressieve egoïsten die van iedere zwakheid gebruik maakten om hun voordeel te halen.
Dankzij die ‘opvoeding’ ben ik er zelfs in geslaagd een universitair diploma te bemachtigen.
De Broeders van Liefde hadden mij geleerd wat bedrog, leugen en corruptie is, en ik kon hun lessen volop toepassen aan de universiteit.
Het kostte mij weinig moeite om al die ‘idiots savants’ om de tuin te leiden. Ik wist precies waar hun zwakke plekken zich bevonden en ik maakte gewetenloos gebruik van die ‘kennis’.

Hoe totaal anders was de sfeer aan de academie!
Leerkrachten om de tuin leiden?
Het idee alleen al was bespottelijk.
De leraar was niet alleen iemand die veel meer wist dan jij, hij was vooral iemand die veel meer kon en veel meer zag.
Hij beschikte over superieure vermogens, maar daar maakte hij geen gebruik van om je onder druk te zetten of te dwingen, wel integendeel.
Hij gebruikte ze alleen om je te helpen als je er zelf niet meer uitraakte.
En hij wist precies wanneer dat moment gekomen was.
Dan verscheen hij naast je, stak zijn hand uit en trok je weer overeind.
Zonder woorden, zonder grote gebaren, nuchter en zakelijk.
En dan verdween hij weer.
Waarom zou je zo’n man pesten of bedriegen?

20140327-115621.jpg

Op een dag kwam hij naast me staan en zei, met zijn hoofd wijzend: zie je die kerel daar in de hoek?
Ik keek om en zag een keurige jongeman die rustig op een stoel zat te tekenen.
Wel, zei de leraar, niemand weet wat met hem aan te vangen, hij is al op zes scholen aan de deur gezet, hij staat te boek als volkomen onhandelbaar. Maar ik heb nog geen greintje last met hem gehad. Hij is de braafste van de klas.

Je kon in die tijd nog je middelbaar diploma halen aan de academie.
Stel je voor: zonder studeren, zonder aardrijkskunde, zonder wiskunde, zonder natuurkunde, zonder lichamelijke opvoeding, zonder iets!
Alleen maar tekenen, schilderen en beeldhouwen.
Men kan zich indenken wat er gebeurde: de academie werd een soort vuilnisbak voor iedereen die niet kon aarden in het gewone onderwijs.
En in die (overigens zeer propere) vuilnisbak voelden al die drop outs zich prima in hun vel en ze berokkenden niemand last.
Meer zelfs, ze werkten hard.
Ze gingen uit vrije wil de strijd aan met zichzelf, en daardoor werden ze als het ware opnieuw geboren.

20140327-115917.jpg

Toen ik naar de universiteit ging, volgde ik in september ook de dagklas aan de academie.
Daar trof je een heel ander soort volk aan dan tijdens het weekend.
Maar allemaal hadden ze één ding met elkaar gemeen: als ze tekenden, werden ze weer als kinderen.
Ik heb dat keer op keer waargenomen: of het nu onhandelbare woelwaters waren, gewichtige bedrijfsleiders, gehaaide politie-inspecteurs of wanhopige huisvrouwen, als ze verdiept waren in hun werk, werden ze weer onschuldig.
Hun ‘zelf’ (dat in de buitenwereld soms in hoog aanzien stond) viel van hen af en wat tevoorschijn kwam, was een … spelend kind, een onschuldig kind dat met de grootste ernst speelde.
Als de Mechelse academie in vol ‘bedrijf’ was, dan was ze gevuld met mensen in de Schilleriaanse betekenis van het woord: mensen die speelden als een kind, in volle vrijheid en in volle geborgenheid.
En die schuldeloze menselijkheid was het wezen van de Eeuwige Lentezon die aan de academie scheen en die, zolang ze scheen, mensen van heinde en verre aantrok.
Want men voelde: daar, in dat heldere licht, kan ik mijn schulden inlossen, kan ik weer vrij worden, kan ik worden wie ik werkelijk ben.
En dat impliceerde lijden, want men moest zijn eigen ‘zelf’ overwinnen, men moest het bij wijze van spreken aan het kruis slaan.
Men werd kruisiger en gekruisigde tegelijk.
Zo overwon men het lente-dilemma: doordat lijden en doen lijden één werden.
Zo had men deel aan de Eeuwige Lente.

20140327-120251.jpg

Maar er bleef wel nog altijd de Melaan, de straat die de academie van het Scheppersinstituut scheidde, en die symbool stond voor de diepe kloof die tussen kunst en werkelijkheid gaapte en nog altijd gaapt.
Maar dat is voor de volgende keer.

Advertenties