Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: april, 2014

Wat is kunst? (1)

Het is alweer een hele tijd geleden dat ik een voordracht bijwoonde van een vooraanstaand kunsttheoreticus, professor Willem Elias.
Ik herinner er mij dan ook niks meer van behalve zijn definitie van kunst.
Kunst, zei hij, is wat gemaakt wordt door iemand die van zichzelf zegt dat hij een kunstenaar is.
Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte, maar hij was bloedernstig.
Later zou ik begrijpen dat dit inderdaad het hedendaagse criterium voor kunst is.

20140429-152113.jpg

Het werd honderd jaar geleden reeds ingesteld door Marcel Duchamp.
Op een dag kreeg hij de opdracht om voor een tentoonstelling een zelfportret te maken.
Hij schreef een briefje waarop stond: ‘dit is een zelfportret omdat ik het zeg.’
De galeriehouder lijstte het briefje keurig in en stelde het tentoon.
Toen Duchamp na afloop van de tentoonstelling betaald wilde worden, zond de galeriehouder hem een telegram met de woorden: ‘dit is een check van 1000 dollar omdat ik het zeg.’
De anekdote vertelt niet hoe Duchamp daarop reageerde, maar ‘omdat ik het zeg’ is sindsdien de kern van het kunstbedrijf geworden.
Iets is kunst omdat iemand dat zegt.
Iederéén kan natuurlijk zeggen dat iets kunst is (of dat hij kunstenaar is), maar niet iedereen wordt geloofd.
Kunstenaar ben je dus als je geloofd wordt.
Daar komt het uiteindelijk op neer.

Niet voor niets spreekt men vandaag van een kunstkerk.
De hedendaagse kunstwereld is een geloofsgemeenschap, een gemeenschap van mensen die geloven.
En hun geloof wordt belichaamd door het hoofd van de kerk: de kunstpaus.
Hij is degene die bepaalt wat (of wie) geloofd moet worden, en aan zijn woord wordt niet getwijfeld.
Waarop baseert zo’n kunstpaus zijn onfeilbare oordeel?
Naar eigen zeggen doet hij dat op de kwaliteit van het werk van een kunstenaar.
Maar niet alleen is dat in tegenspraak met het algemene criterium dat in de hedendaagse kunst gehanteerd wordt, de kwaliteit in kwestie kan ook niet door de gelovigen worden waargenomen of gecontroleerd.

20140429-152405.jpg

Wat vandaag kunst is, wordt dus bepaald door een blind geloof in de kunstenaar.
Die kunstenaar ontleent zijn gezag niet aan zijn werk maar aan zijn plaats in de ‘kerkelijke hiërarchie’, een plaats die hem wordt toegekend door de kunstpaus.
Maar deze kunstpaus heeft niet het laatste woord.
Hij is uiteindelijk slechts de spreekbuis van de kunsthandel. En in die kunsthandel zijn het enkele grote internationale spelers die wereldwijd bepalen wat vandaag kunst is en wat niet.
Hoe doen ze dat?
Hoe ontstaat de inhoud van het blinde geloof dat in de ‘hogere kringen’ het geloof in de paus van Rome heeft vervangen?

Ik hoor het mijn oude tekenleraar nog zeggen: ‘Er zijn drie zaken waarmee je vandaag op korte tijd heel veel geld kunt verdienen: sex, drugs en kunst. De eerste twee zijn in handen van de georganiseerde misdaad. Waarom zou de laatste dat dan ook niet zijn?’
Wat vandaag doorgaat voor kunst wordt bepaald door een kleine elite van puissant rijke mensen. En was het niet Balzac die zei dat ieder fortuin berust op een misdaad?
Het is sowieso misdadig om zo buitensporig rijk te zijn, en dus mag er, om het zacht uit te drukken, getwijfeld worden aan het morele gehalte van deze kringen.

Veel moderne, progressieve en kritische mensen keren zich vandaag tegen de katholieke kerk. Ze beschuldigen de paus van Rome ervan een misdadiger te zijn, en noemen religie de bron van alle kwaad in de wereld. Religieuzen zijn in hun ogen niets anders dan lieden die de bevolking door middel van verzinsels in hun macht houden.
Daar zijn ze heilig (sic) van overtuigd en ze baseren zich daarvoor op de wetenschap en het zelfstandig oordeelsvermogen van de mens.
Maar diezelfde moderne, progressieve en kritische mensen die zo fanatiek tegen kerk en geloof zijn, zijn even fanatieke voorstanders van de kunstkerk en het kunstgeloof.
Niet alleen zien zij geen graten in een machtige ‘curie’ die wereldwijd bepaalt wat of wie er in de kunst moet geloofd worden, zij identificeren er zich zelfs mee. Buiten de kunstkerk is er in hun ogen geen heil: ofwel behoor je tot die kerk ofwel dwaal je in duisternis.

20140429-152618.jpg

Het is alsof de intellectuele elite, die van oudsher sterk gelieerd was met de kerk, zich opeens realiseert dat ze de geestelijke, religieuze grond onder de voeten verloren heeft en zich instinctief vastklampt aan een nieuwe kerk, die als twee druppels water op de oude lijkt.
Kunst is voor de moderne intelligentsia inderdaad een religie, een blind geloof.
Er valt niet redelijk over te praten, integendeel, als het over kunst gaat moet alle gezond verstand overboord worden gegooid. De meest buitenissige zaken – waarmee vergeleken de dogma’s van het oude geloof de redelijkheid zelve lijken – moeten voetstoots worden aanvaard op straffe van niet langer tot de geloofsgemeenschap te behoren.
Vragen mogen niet meer worden gesteld.

Dat geldt heel in het bijzonder voor die ene cruciale vraag: wat is kunst?
Alleen al het stellen van die vraag impliceert dat het rationele denkvermogen van de mens in staat is daarop een antwoord te vinden.
Maar dat is – in de hedendaagse opvatting – niet het geval.
De mens kan op eigen kracht geen antwoord vinden op die vraag.
Dat antwoord moet hem door middel van openbaring worden meegedeeld.
En wel door een kleine elite van uitverkorenen die in staat zijn de stem der goden te vernemen.

Men kan zich nu de vraag stellen wat voor soort ‘goden’ het zijn die zich richten tot de superrijken van deze wereld, tot de machtige internationale kunsthandelaars en hun selecte publiek.
Welke openbaring is het die alleen ten deel valt aan wat in feite criminelen zijn?
Eén ding is zeker: het is een buitengewoon krachtige openbaring, want ze is in staat het oordeelsvermogen van zowat de gehele hedendaagse intelligentsia lam te leggen en kritische denkers te veranderen in blinde gelovigen.
Iedereen kan dat voor zichzelf verifiëren: dit blinde geloof is vandaag algemeen onder intellectuelen.
Nergens is ook maar één woord van kritiek te horen.
Zelfs niet in de antroposofische wereld…

20140429-152732.jpg

Langzaam maar zeker wordt dit geloof vanzelfsprekend.
Er wordt niet meer over nagedacht.
Het wordt tot een tweede natuur, die felle verontwaardiging wekt als ertegenin wordt gegaan.
Deze ‘nieuwe natuur’ verspreidt zich in steeds bredere lagen van de bevolking, want iedereen wil erbij horen, niemand wil uit de ‘gemeenschap der weldenkenden’ gesloten worden, want it’s cold out there.
Dat dit verschijnsel zich niet alleen in de kunstwereld voordoet, is duidelijk.
Wat in de kunst gaande is, is ook in de werkelijkheid gaande.
De grens tussen beide is zeer smal geworden.

Dat alles maakt van de ‘nieuwe openbaring’ het meest verontrustende fenomeen van onze tijd, want wat vermag de mens tegen de problemen die hem bedreigen – en het zijn géén geringe problemen – als hij zijn gezond verstand verliest, als hij niet zelfstandig meer kan oordelen, als hij verandert in een blinde gelovige?
Het wordt met de dag duidelijker wat er gebeurt als we geloof hechten aan de ‘hogere’ kringen, aan politici, machthebbers, deskundigen, enzovoort.
We leveren ons dan over aan criminelen die maar één doel voor ogen hebben: hun macht en rijkdom vergroten.
Ze wenden alle middelen aan om de mens tot hun slaaf te maken.
En één van die middelen is de kunst.
Ja, er is zelfs veel voor te zeggen dat kunst hét verslavingsmiddel bij uitstek is, want de moderne, kritisch denkende mens tot een slaaf maken zonder dat hij het beseft, dat is niets minder dan een kunststuk.

20140429-153544.jpg

Ik maak me dan ook sterk dat de kunst het oefengebied is waarop de ‘nieuwe elite’ haar openbaring uitgeprobeerd heeft.
En het moet gezegd: met overweldigend succes.
Maar het was niet zomaar een experiment.
Deel van de openbaring die kleine maar machtige kringen ten deel viel, was een diep inzicht in de relatie tussen kunst en werkelijkheid.
De geest die deze ‘uitverkorenen’ inspireerde, wist wat Oscar Wilde ooit in een boutade uitsprak: de werkelijkheid bootst de kunst na.
Wie de kunst in zijn macht krijgt, die krijgt de hele wereld in zijn macht.
Want de mens is in zijn diepste wezen een kunstenaar.
De Hedendaagse Geest heeft dus een diep inzicht in het wezen van de mens, veel dieper dan de mens zelf.

Daar ligt ook de reden waarom we niet tegen hem opgewassen zijn: hij kent ons veel beter dan we onszelf kennen.
Maar daar ligt tevens de mogelijkheid om ons te verzetten tegen zijn invloed.
Door zijn werkwijze te bestuderen, kunnen we hem zijn inzichten in de mens ontfutselen. We kunnen onszelf beter leren kennen en die zelfkennis tot ons schild maken.
Ja maar, hoor ik antroposofen zeggen: we hebben die inzichten al, dankzij de antroposofie!
Dat is zeker zo, maar we vergeten al te gemakkelijk dat het abstracte inzichten zijn, geen levende inzichten. Voor Rudolf Steiner waren ze dat natuurlijk wel, maar voor ons zijn ze dat niet, of toch niet in voldoende mate, anders zouden antroposofen de Hedendaagse Kunst niet even kritiekloos omarmen als iedereen.

20140429-154126.jpg

Juist aan onze houding tegenover kunst kunnen we aflezen in hoeverre de inzichten van de antroposofie in ons tot een reële kracht zijn geworden en in hoeverre ze een blind geloof zijn gebleven waaraan we ons overgeven om erbij te horen, om niet in de kou te blijven staan.
Zijn we bereid om rationeel na te denken over de kunst van onze tijd?
Durven we de vragen stellen die in ons hart opkomen?
Of laten we ons de mond snoeren door pausen en andere kunstclerici die zich beroepen op een openbaring?
That is the question.

Als ik alles eens grondig naga, dan komt het mij voor dat er vandaag geen belangrijker vraag bestaat dan de vraag: ‘wat is kunst?’
Juist omdat kunst en werkelijkheid elkaar zeer dicht genaderd zijn, grenst zij zeer nauw aan de vraag: ‘wat is waarheid?’
Beide vragen zijn in feite vragen naar het wezen van de mens.
Het zijn ook heel confronterende vragen, tenminste wanneer we ze concreet stellen en niet á la Pontius Pilatus.
We moeten ons dus niet in theorie afvragen ‘wat is kunst?’ of ‘wat is waarheid?’
We moeten vragen: ‘is dit kunst?’ of ‘is dit waarheid?’

Niet toevallig is dat de vraag die de hele hedendaagse kunst in ons hart doet oprijzen.
Pispotten, kakmachines, kartonnen dozen: is dit werkelijk kunst?
Degenen die dit kunst noemen, spreken zij de waarheid?
Maar we stellen de vraag niet.
Want het hoort niet.
Als modern, ontwikkeld en derhalve kunstminnend mens worden we verondersteld te zwijgen, het hoofd te buigen en te … geloven.
Aan de buitenkant zijn we misschien wel wakker, kritisch en zelfstandig, maar in ons hart zijn we nog kinderen: we geloven alles wat ons verteld wordt.
Dat kind-in-ons wordt op een schandalige manier misbruikt door zowel de oude als de nieuwe clerus.
En de wakkere, kritische volwassene-in-ons doet niets om dat kind te beschermen.
Het geeft dat kind geen stem zodat het de verlossende vraag kan stellen, de Parsifalvraag van onze tijd: wat is kunst?

20140429-155655.jpg

Denken in beelden

Kleindochter Anna is gek op dansen.
Van zodra ze muziek hoort, is ze vertrokken: euritmie, ballet, breakdance, hedendaagse dans, alles door elkaar.
Maar ook zonder muziek danst ze.
Zo stond ze verleden week in het midden van de woonkamer met uitgestrekte armen rond haar as te draaien.
Liefhebber van de kunsten als ik ben, spoorde ik haar aan: sneller Anna, sneller!
Ik verheugde me al op het voorspelbare.
Maar ik had zonder de waard gerekend.
Toen Anna ophield met draaien en ondervond dat de wereld begon te draaien, liet ze zich vlug als tellen plat op haar buik vallen.
Het was een instinctieve, katachtige reactie, alsof ze zich in een reflex aan de aarde vastklampte.
Geen dronken Anna dus.
Ik had me te vroeg verheugd.

20140427-175342.jpg

Het onverwachte beeld van Anna-die-zich-op-de-grond-laat-ploffen, deed me denken aan – u raad het nooit – Copernicus.
Copernicus is de astronoom die halverwege de 16de eeuw een geestelijke revolutie ontketende door aan te tonen dat de zon niet om de aarde draait maar de aarde om de zon. De aarde – en tegenlijk ook de mens – verloor daardoor zijn status van middelpunt van de wereld.
Het was een degradatie met verstrekkende gevolgen.

Wat heeft de Copernicaanse revolutie nu te maken met Anna?

Wel, als je de zaken ietwat kinderlijk bekijkt, stond de aarde tot aan die revolutie stil.
Alleen de hemel bewoog: hij draaide rond de onbeweeglijke as van de aarde.
De mens – die zich toen nog als vanzelfsprekend liet leiden door ‘hemelse’ aangelegenheden – volgde de omloop van de zon, de maan en de sterren.
Hij draaide dus bij wijze van spreken rond zijn as, zoals Anna.
Dat was eeuwenlang zijn normale (geestelijke) beweging geweest.
Tot Copernicus kwam.
Toen bleef de mens opeens stilstaan.
Bleek immers dat de hemel helemaal niet draaide en dat hij dus niet om zijn as hoefde te draaien om in overeenstemming te zijn met de goddelijke beschikkingen die hij aan het uitspansel aflas.
Omdat de mens bleef stilstaan, begon de aarde te ‘draaien’.
En de mens verloor zijn evenwicht.

Maar hij viel niet om, zoals een volwassen mens dat zou doen.
Volwassen mensen proberen namelijk kost wat kost overeind te blijven als ze hun evenwicht verliezen. Als dat niet lukt, vallen ze om.
De pre-Copernicaanse mens was echter nog niet volwassen.
Hj probeerde niet wanhopig zijn evenwicht te bewaren, maar liet zich, net als Anna, op de grond vallen en klampte zich aan de aarde vast.

20140427-175544.jpg

Tot aan de Copernicaanse revolutie had de mens zich – als een kind – ‘vastgeklampt’ aan de hemel. Hij vond zijn houvast en leiding in ‘hemelse’ zaken, in religie en spiritualiteit en goden en engelen.
Na Copernicus veranderde dat en zocht de mens in toenemende mate zijn houvast in ‘aardse’ zaken.
De wetenschap bijvoorbeeld richtte de blik van boven naar beneden.
Ze begon niet alleen meer en meer het ondermaanse te onderzoeken, maar ze ging de wereld ook steeds meer in louter materiële zin interpreteren.

Het materialisme is dus eigenlijk een onbewuste reactie van de mens: hij klampt zich in een reflex aan de aarde vast om niet om te vallen.
Vandaag doet hij het omgekeerde: hij klampt zich opnieuw vast aan ‘de hemel’.
Vanaf het begin van de 20ste eeuw zien we – zeer tegen de materialistische gang van zaken in – een toenemende belangstelling voor spirituele zaken, en in de 21ste eeuw doet de religie zelfs weer helemaal mee.
Het is alsof de Copernicaanse revolutie teruggedraaid wordt: de hemel weer begint te draaien, de aarde blijft stilstaan, en de moderne mens reageert opnieuw instinctmatig.
Het is immers maar al te duidelijk dat hij zich ‘vastklampt’ aan religie, geest en spiritualiteit.
Het is geen vrije en bewuste keuze, maar een onbewuste, emotionele reflex.

De nieuwe revolutie maakt de oude echter niet ongedaan.
Dat de moderne mens weer begint te geloven in spirituele en religieuze zaken doet niets af aan zijn materialisme.
Spiritualisme en materialisme bestaan gewoon naast elkaar.
En verre van elkaar te verzwakken, maken ze elkaar alleen maar sterker.
Hoe materialistischer de moderne mens wordt, des te ‘spiritueler’ wordt hij ook.
En omgekeerd: hoe ‘spiritueler’ hij wordt, des te meer neemt zijn materialisme nog toe.
Ik zet ‘spiritueel’ bewust tussen haakjes omdat de spiritualiteit van de moderne mens niet te vergelijken is met de spiritualiteit van de pre-Copernicaanse mens.
Een kind wordt als vanzelfsprekend volwassen.
Maar een volwassene wordt niet als vanzelfsprekend weer kind.
Het is voor hem zelfs ontzettend moeilijk om weer de onschuld van een kind te verwerven.
Zijn nieuw verworven spiritualiteit is in de meeste gevallen dan ook louter schijn.
Ze is een laagje vernis dat een alsmaar groeiend materialisme verbergt.
Ja, dankzij die schijn-spiritualiteit kan het materialisme zich ongestoord vermenigvuldigen.
Denken we maar aan de ‘spiritualiteit’ van de moslimfundamentalisten.
Of aan de ‘religiositeit’ van de met bommen strooiende Amerikanen.

20140427-175840.jpg

Het reflexmatige materialisme dat na de Copernicaanse revolutie baan brak, heeft de mens van de hemel beroofd maar hem de aarde in de plaats gegeven.
Het reflexmatige spiritualisme dat vandaag baan breekt, geeft de mens de hemel echter niet terug, integendeel.
Het berooft hem van hemel én aarde.
De twee tegengestelde reflexen dreigen hem zodanig het evenwicht te doen verliezen dat hij terechtkomt in een wereld die hem geen enkel houvast meer biedt, noch materieel noch geestelijk.

Het is duidelijk dat de moderne mens behoefte heeft aan geestelijk houvast, want op de aarde vindt hij dat niet meer.
De aarde is al lang niet meer de vertrouwenwekkende plek die ze was voor de inferno’s van de 20ste eeuw losbraken.
En die apocalyptische toestanden waren een gevolg van een dubbele reflex: materialisme en spiritualisme traden tegelijk op en … explodeerden.
Dat exploderen is sindsdien niet opgehouden, het gaat nog steeds door.

We leven als het ware op een kruitvat.
Er is dus dringend nood aan een spiritualiteit die in combinatie met het materialisme géén ontploffingsgevaar oplevert.
We hebben een spiritualiteit nodig die zich met het materialisme verzoent, of beter: die de verworvenheden van het materialisme niet ongedaan maakt. Want ik denk niet dat de moderne atheïsten en materialisten gekant zijn tegen spiritualiteit op zich. Ze zijn gekant tegen het gevaar dat spiritualiteit oplevert voor de vrijheid en zelfstandigheid van de mens.
Ze kennen namelijk geen andere spiritualiteit dan de kinderlijke (en dus afhankelijke) religiositeit van de pre-Copernicaanse mens.

20140427-180135.jpg

Als antroposoof kun je natuurlijk zeggen: zo’n spiritualiteit bestaat!
De antroposofie biedt de moderne mens een wereldbeeld dat door en door spiritueel is, maar dat toch de menselijke vrijheid erkent en ze zelfs tot grondslag neemt.
Maar dan word je tegelijk ook geconfronteerd met de vraag: waarom overtuigt de antroposofie dan niet méér mensen?
We kunnen er niet omheen: de antroposofie speelt geen rol van betekenis in de moderne wereld. Beweren dat ze ertoe bijdraagt het ontploffingsgevaar te bezweren, is pure speculatie.
We moeten zelfs rekening houden met de mogelijkheid dat de antroposofie bijdraagt tot dat ontploffingsgevaar, omdat ze zich vermeit in geestelijke werelden die nauwelijks te verzoenen zijn met de concrete, zichtbare werkelijkheid.

Ik ondervind ook zelf telkens weer hoe groot de kloof is tussen mijn ‘antroposofische spiritualiteit’ en de materialistische wereld waarin ik leef.
Ik kan die spiritualiteit meestal alleen maar tegenover die wereld plaatsen, en het is al heel wat als ik erin slaag dat op een respectvolle, niet-veroordelende manier te doen.
Maar beweren dat ik mijn ‘spirituele zelf’ weet te verzoenen met de materialistische wereld van vandaag is … lachwekkend.
Het volstaat dat die wereld een norse blik op me werpt of mijn antroposofische zelf gaat onderuit.

Nee, een nieuwe spiritualiteit die werkelijk de lont uit het kruitvat kan halen, is nog niet voor morgen. En ze zal er ook niet komen zolang we ons niet bewust worden van de diepe kloof die gaapt tussen spiritualiteit en materialisme.

20140427-180553.jpg

Om duidelijk te maken hoe diep die kloof nog altijd (of zelfs meer dan ooit) is, keer ik terug naar Copernicus.
Deze sterrenkundige, die met zijn De revolutionibus orbium coelestium aan de grondslag lag van de moderne wetenschap, leefde in een tijd toen het huidige onderscheid tussen astronomie en astrologie nog niet bestond.
Voor de pre-Copernicaanse mens was het heelal met al zijn sterren en planeten een beeld van God.
Aan dat beeld las hij (via astrologen) af wat God van hem verwachtte.
Toen dat beeld een fictie bleek te zijn, volgde daar logischer wijze uit dat ook God een fictie was. En de mens hield – weliswaar heel langzaam – op te geloven in zowel God als de astrologie.

Vandaag weten we dat de dierenriemtekens waarop de astrologie zich baseert, niet bestaan.
Er is geen enkel verband tussen de sterren waaruit ze samengesteld zijn.
Die sterren bevinden zich zelfs vele lichtjaren van elkaar verwijderd.
Wat van op de aarde gezien dus een veelzeggend beeld lijkt, is in werkelijkheid een chaotische verzameling sterren zonder enig verband of betekenis.
Astrologische beelden zijn schijnbeelden. Ze bestaan alleen in de geest van de astroloog.
Geen groter tegenstelling dan tussen de astrologie en de astronomie.
Het pre-Copernicaanse wereldbeeld van de astrologie verhoudt zich tot het moderne wereldbeeld van de wetenschap als schijn tot werkelijkheid.

20140427-180828.jpg

Alleen al de idee dat die twee met elkaar verzoend zouden kunnen worden, is in de ogen van een moderne wetenschapper een godslastering (sic).
Het is een poging om de verworvenheden van de wetenschap ongedaan te maken en terug te keren naar de tijd toen de mensen nog geloofden in goden en engelen.
Hierover een gesprek voeren met een wetenschappelijke geest is nagenoeg onmogelijk.
Je kunt wel in de astrologie geloven, en je kunt in de wetenschap geloven, maar beide samen?
No way! Onmogelijk!

En toch is deze reactie niet … wetenschappelijk.
Iedereen die de astrologie ernstig en onbevooroordeeld onderzoekt – en dat is toch wat wetenschap inhoudt – zal tot de conclusie komen dat ze werkt.
Johannes Kepler, een beroemd astronoom die 100 jaar na Copernicus leefde en een grote naam is in de wetenschap, was een praktiserend astroloog.
Als collega’s hem daarop aanspraken, antwoordde hij: ‘mijne heren, ik heb de zaak bestudeerd en u niet!
Hij wist wat iedereen weet die de astrologie praktiseert: wie haar afdoet als onzin, heeft haar niet bestudeerd.
Al die wetenschappers die de astrologie verketteren als bijgeloof, reageren emotioneel en instinctief.
Ze zijn niet rationeel, laat staan wetenschappelijk.

Hun materialistische reflex is echter heel begrijpelijk.
Het is voor een wetenschappelijke geest ronduit verbijsterend te moeten vaststellen dat de astrologie werkt.
Want het betekent dat het pre-Copernicaanse wereldbeeld nog altijd geldig is.
De dierenriemtekens, die in het moderne wereldbeeld louter fictie zijn, zijn dus tegelijk werkelijkheid.
En het menselijk bestaan, dat in onze ogen uit louter toevalligheden en wilsbesluiten bestaat, is tegelijk gepredestineerd.
Je hoeft geen wetenschapper te zijn om de te voelen hoe deze twee wereldbeelden frontaal tegen elkaar botsen: het Westerse ‘yes, we can!’ dat gebaseerd is op de vrijheid van de mens, en het Oosterse ‘inch’ allah‘ dat gelooft dat alles in Gods hand ligt.

20140427-181033.jpg

Ik heb ooit nog eens en paar dagen chauffeur gespeeld voor iemand die zijn rijbewijs was kwijtgespeeld en zijn auto niet kon missen voor zijn werk.
En zeggen dat ik het wist, zuchtte hij, want mijn astroloog had me ervoor gewaarschuwd!
Hij geloofde dus wel degelijk in de astrologie (anders zoek je geen astroloog op), maar tegelijk wilde hij er niet echt rekening mee houden, ook al bracht hem dat in de problemen.
Ik herken die dubbelheid heel goed.
Ik heb in mijn jonge jaren genoeg van de astrologie gezien om te weten dat ze werkt.
Maar ik wist niet hoe ik ze moest verzoenen met mijn geloof in de menselijke vrijheid, en dus liet ik ze voor wat ze was.
Het enige wat ik ervan heb overgehouden (en wat me ook in haar aantrok, meer dan de praktische kant) is het denken in beelden.

Een astroloog denkt in beelden.
Als hij bijvoorbeeld wil weten wat de planeet Mars uitricht in het teken Kreeft, dan vormt hij zich een beeld van zowel Mars als Kreeft en laat die twee in interactie komen.
Het verband tussen de rode planeet uit ons zonnestelsel en de mythische oorlogsgod Mars heeft geen enkele wetenschappelijke grondslag. Het is puur verbeelding, net als de relatie tussen een (schijn)verzameling sterren aan de hemel en het waterdier kreeft.
En toch kan een (goede) astroloog op grond van die verbeelding zeer concrete voorspellingen doen.
Er is dus wel degelijk een verband tussen de menselijke verbeelding en de werkelijkheid. Dat kan iedereen ervaren die het wil.

20140427-181306.jpg

Het is dan ook geen toeval (sic) dat mijn weg van het materialisme naar de antroposofie begonnen is met de astrologie.
Toen ik er veertig jaar geleden voor het eerst een boek over las, trof ik daarin een manier van denken aan die me vreemd vertrouwd voorkwam: een kunstzinnig denken, een denken-in-beelden.
Dat zo’n beelddenken enig verband hield met de concrete werkelijkheid kon ik niet geloven, maar het intrigeerde me genoeg om de proef op de som te nemen.
Als het allemaal onzin was, dan wilde ik dat weten, niet geloven.
En dus kocht ik een goedkope handleiding en een (ietwat duurder) boekje met efemeriden, en ik trok mijn eerste horoscoop: die van mezelf, uiteraard.
Het was meteen de spijker op de kop: dat was ik, geen twijfel mogelijk!
Alles wat ik over mezelf wist (en meer), trof ik in die horoscoop aan.
In de jaren die volgden, zou ik ettelijke horoscopen trekken van medestudenten, en telkens bleek ik ze er meteen in te herkennen.
Tot ik op zekere dag een horoscoop trok die er niet op leek.
Ik had toen echter al zoveel vertrouwen in de astrologie dat ik zei: het geboorteuur dat je me hebt gegeven, kan niet kloppen!
Bij navraag bleken de ouders het inderdaad niet eens te zijn over het geboortemoment van hun dochter.
Dit keer trok ik de horoscoop op basis van de gegevens van de vader en ik zag meteen dat hij het bij het rechte eind had.
Ik moet dan ook eens lachen als kritikasters beweren dat astrologie louter verbeelding is.
Verbeelding is ze inderdaad, maar dan wel een verbeelding die onmiskenbaar verband houdt met de werkelijkheid.

20140427-181451.jpg

Als ik, zoals hierboven, allerlei gevolgtrekkingen maak louter op basis van beelden, dan besef ik dat veel mensen dat misschien wel leuk vinden, maar het niet echt ernstig nemen.
Kleine Anna vergelijken met de pre-Copernicaanse mens die duizelig wordt als de hemel stilstaat en de aarde begint te draaien?
Dat is allemaal maar bij-wijze-van-spreken, denken ze onwillekeurig, het is een kunstzinnig beeld, geen werkelijkheid.
Het idee dat ik met dit soort beelddenken iets te weten zou kunnen komen over de werkelijkheid, is in materialistische ogen gewoon lachwekkend.
Maar ook in antroposofische kringen wordt het denken-in-beelden met veel wantrouwen bekeken.
Fictie is fictie en werkelijkheid is werkelijkheid, and the twin shall never meet.
Deze, in wezen materialistische, overtuiging is zo diep geworteld in het bewustzijn van de moderne mens dat geen spiritualiteit er vooralsnog tegen opgewassen is.

Zonder beelddenken is geen echte spiritualiteit mogelijk, daar ben ik van overtuigd.
De moderne mens zal dit pre-Copernicaanse denken hoe dan ook moeten verbinden met het post-Copernicaanse denken, en hij zal dat bewust moeten doen.
De nieuwe spiritualiteit zal kunstzinnig zijn of ze zal vernietigend zijn.
Ze zal het materialistische denken tot een kunst verheffen of ze zal er zich onbewust mee vermengen en het tot een vernietigende kracht maken.
De kloof tussen verbeeldingskracht en rationaliteit, tussen kunst en wetenschap moet overbrugd worden, anders zal de moderne mens zijn evenwicht verliezen.
En hij zal vallen, want noch in de oude hemel noch op de oude aarde zal hij enig houvast vinden.

20140427-182441.jpg

Het impressionisme

Onlangs zag ik een oude postkaart met daarop een foto van een straat in een of ander Vlaams dorp aan het begin van de vorige eeuw.
De straat was niet meer dan een brede zandweg met aan weerszijden een reeks kleine huisjes.
Voor die huisjes stonden de bewoners, groot en klein, nieuwsgierig te kijken.
Sommige mannen hadden zelfs in het midden van de straat postgevat om het vreemde verschijnsel – de fotograaf – beter te kunnen zien.
Op de een of andere manier was het niet alleen een grappig maar ook een veelzeggend tafereel: een heel dorp komt op straat om te kijken naar iemand die … naar hen kijkt.

Dit soort oude, vergeelde postkaarten (vertaling van carte postale) vervult me altijd met nostalgische weemoed: ik zou er geld voor geven om nog eens rond te kunnen wandelen in die wereld van weleer. Het verschil tussen die stille dorpjes en de luidruchtige moderne wereld is zo enorm dat het pijn doet.
Nochtans is het niet meer dan een eeuw die ons van die postkaart-wereld scheidt.
Mijn grootouders hebben nog in die wereld geleefd.
En toch is er geen vergelijking meer mogelijk.
Alles is veranderd.
Onherkenbaar veranderd.
Nooit heeft de wereld op zo korte tijd zo’n ingrijpende verandering ondergaan.
Rudolf Steiner spreekt dan ook van het grootste keerpunt uit de geschiedenis.
En het is nog niet afgelopen.
Alles is in beweging, tot zelfs het klimaat.

20140424-113516.jpg

De grote vraag is natuurlijk: wat verandert er nu eigenlijk, en waardoor verandert het?
Of zoals Steiner zei: ‘we kunnen wel zeggen dat we in een overgangstijd leven, maar zolang we niet weten wat precies waarin overgaat, heeft dat begrip geen inhoud.’
Om een antwoord te vinden op die vraag wil ik te rade gaan bij de kunst, in de overtuiging dat zij spiegelt wat in de werkelijkheid gaande is.
Ik wil de blik richten op de kunstrichting waarmee de revolutie begon die de kunst – en dus ook de wereld – onherkenbaar veranderd heeft: het impressionisme.

Tot pakweg de helft van de 19de eeuw had de kunst zich gezapig ontwikkeld: wat er in die eeuw werd geschilderd, verschilde niet zo veel van wat er in de 18de eeuw werd geschilderd, en hoe verder we in het verleden teruggaan, hoe trager de ontwikkeling verloopt.
Van zodra het impressionisme echter op het toneel verschijnt, gaat het vlug, heel vlug.
Er begint een cascade van kunstrichtingen die allemaal anders zijn en die steeds buitenissiger worden. Tot Marcel Duchamp uiteindelijk zijn pispot tentoonstelt en de Hedendaagse Kunst geboren wordt.
Daarmee komt er eind aan de ‘overgang’ want ofschoon de kunstrichtingen steeds talrijker worden, verandert er niets wezenlijks meer. De kunstenaars van vandaag doen in feite nog altijd hetzelfde als Duchamp en zijn voorgangers.
Alles speelt zich dus af in een periode van nog geen 50 jaar, want het eerste impressionistische schilderij (‘Impression du soleil levant’ van Monet) wordt in 1872 tentoongesteld, de pispot van Duchamp in 1917.

20140424-113922.jpg

Het is alsof de schilderkunst in die periode van haar piedestal valt en in de goot belandt.
Dat is natuurlijk een interpretatie van de gebeurtenissen, en als we enig houvast willen vinden in deze turbulente periode dan moeten we interpretaties zoveel mogelijk terughouden.
Dat betekent dat we terug moeten keren naar het impressionisme, want interpretaties gaan nadien zo’n grote rol spelen in de kunst dat ze de plaats van het kunstwerk innemen.
Dat is reeds het geval met Duchamps pispot: zonder interpretatie is er helemaal geen kunstwerk.
Vanaf nu is de kunstgeschiedenis niet meer gebaseerd op de (objectieve) kwaliteit van het kunstwerk maar op de (subjectieve) interpretatie ervan.
Feiten maken plaats voor (een consensus van) meningen, en dat maakt van de moderne kunstgeschiedenis, die begint in de 20ste eeuw, een fable convenue.
Als we dus vaste grond onder de voeten willen krijgen, dan moeten we terug naar het begin van de Grote Revolutie, naar het impressionisme.

We hebben geen interpretatie nodig om van een impressionistisch schilderij te kunnen genieten. Het behoort nog tot de tijd toen de kunst voor zichzelf sprak en geen uitleg behoefde.
Maar tegelijk staat het al in de nieuwe tijd, want het is geschilderd op een manier die zo anders was dat ze het publiek choqueerde.
Monets ‘Impression du soleil levant’ is daar een goed voorbeeld van: zo ruw en ‘wild’ had tot dan toe niemand geschilderd.
Als we het vergelijken met de ‘afgelikte’ manier waarop de ‘academisten’ schilderden, valt te begrijpen waarom de kijkers geschokt waren: het verschil is enorm.
Maar wat had dat verschil veroorzaakt?
Waarom waren de impressionisten opeens zo anders gaan schilderen?

20140424-114105.jpg

Het antwoord op die vraag is eigenlijk heel eenvoudig: omdat ze buiten schilderden.
Daar komt de revolutie van de impressionisten eigenlijk op neer: ze verlieten hun atelier en installeerden hun ezel onder de blote hemel.
Daardoor moesten ze wel anders gaan schilderen, want ze kregen af te rekenen met omstandigheden die je in een atelier niet aantreft: veranderend licht, bewegende wolken, regen, wind, kou, insecten en – last but not least – pottenkijkers.
Het bedachtzame laag voor laag opbouwen van een schilderij was er niet meer bij. Het moest vlug gaan en het moest ook in één keer gebeuren, want de weersomstandigheden blijven zelden zo stabiel dat je dagen na elkaar aan hetzelfde schilderij kunt werken.

De impressionisten waren natuurlijk niet de eersten die buiten gingen schilderen.
Turner en Constable bijvoorbeeld hadden hen dat voorgedaan.
Maar Turner werkte met waterverf en Constable schilderde kleine paneeltjes.
De impressionisten waren de eersten die buiten op groot formaat werkten.
En daar moet je eigenlijk half gek voor zijn.
Want hoe houd je een doek van 60×70 stabiel als het een beetje waait?
Hoe vervoer je zo’n doek als het vol natte verf zit?
Wat doe je als het begint te regenen?
Daar lees je nooit wat over in de boeken.
Men blijft liever op veilige afstand van het concrete kunstenaarsbestaan.
Maar daardoor dringt men ook niet door tot het wezen van het impressionisme, laat staan van de Grote Revolutie die erdoor ontketend werd.

20140424-114321.jpg

Volgens Rudolf Steiner drukt het Ik, de geestelijke kern van de mens, zich het duidelijkst af in het fysieke lichaam. Dus niet in de gedachten of de gevoelens, maar in het meest materiële aspect van de mens.
Om dat te begrijpen, moeten we onderscheid maken tussen materie en vorm.
De materie heeft van zichzelf geen vorm. Een louter materiële aarde ziet eruit als de maan: een bol bedekt met stof.
Alles wat leeft, is uitdrukking van de geest, tot in de kleinste details.
Het menselijk lichaam – dat louter materieel gezien bestaat uit een paar honderd gram stof – is een onvoorstelbaar complexe vorm die, bij wijze van spreken, uit al zijn poriën geest ademt.
Maar niet alleen de mens heeft een lichaam, ook andere geestelijke wezens hebben een ‘lichaam’, een concrete vorm waarin ze zich uitdrukken. Bijvoorbeeld de geest van een kunstrichting, de geest van het impressionisme, de geest van de revolutie in de kunst. En hoeveel beschouwingen en interpretaties er ook worden gewijd aan zo’n kunstrichting of -revolutie, de kern ervan komen we maar op het spoor als we ons baseren op het ‘lichaam’, op de zeer concrete uitingsvormen.

Dat zijn natuurlijk in de eerste plaats de kunstwerken zelf, die juist in onze tijd beginnen te verdwijnen achter een rookgordijn van wetenswaardigheden, interpretaties en theorieën. Maar als we de overkoepelende geest willen leren kennen, dan moeten we de concrete blik verruimen en ook de manier waarop die kunstwerken in de werkelijkheid wortelen erbij betrekken.
En dan komen we terecht in een wereld die in ‘de boeken’ zeer stiefmoederlijk behandeld wordt.
Er wordt onbewust een grens getrokken tussen het kunstwerk en de kunstenaar. Of juister misschien: de kunstenaar wordt in twee gedeeld. Hij wordt ‘vergeestelijkt’, net als het kunstwerk: hij wordt opgenomen in een mythische wereld van verhalen, beschouwingen en ideeën waar iedereen kan in wegdromen. De ‘fysieke’ kunstenaar daarentegen, een mens zoals iedereen, die moeten eten, geld verdienen en belastingen betalen, wordt gewoon genegeerd.
Hoe kunstenaars hun dagelijks brood verdienen, daar wordt doorgaans zedig over gezwegen, want het zou de droom wel eens kunnen verstoren.
Hoe kunstenaars praktisch te werk gaan, daar verneem je al evenmin iets over. Het interesseert de schrijvers, de denkers, de critici gewoonweg niet. Zij willen alleen maar dromen creëren, mythen.

20140424-114652.jpg

Maar juist daardoor worden zij niet wakker voor de eigenlijke geest van de kunst.
Zij sluiten de kunst – en zichzelf – als het ware op in een droomwereld, een wereld tussen materie en geest, een schijnwereld. En zij weigeren de grens tussen tussen schijn en werkelijkheid te overschrijden.
Het gevolg is dat kunst meer en meer tot een hersenschim wordt en geen enkel raakpunt meer heeft met de werkelijkheid, noch met de materiële werkelijkheid, noch met de geestelijke werkelijkheid. Ze zweeft als het ware in het luchtledige.
Maar zweven doet ze alleen in ons bewustzijn. In werkelijkheid wortelt ze zeer diep zowel in de materie als in de geest. We weten echter niet in welke materie en in welke geest.
In ons bewustzijn gaat bijvoorbeeld de kunst van onze tijd door voor vernieuwend, maatschappijkritisch en ongebonden. In werkelijkheid is ze een marionet in handen van de rijken en de machtigen.
In ons bewustzijn heeft die kunst ook een zeer spiritueel gehalte. In werkelijkheid is ze de spreekbuis van de geest van het materialisme.

Juist doordat we geen aandacht besteden aan de concrete aspecten van de kunst en haar mythologiseren tot ze nog slechts een hersenschim is, kan haar (oorspronkelijke) geest vervangen worden door een geheel andere geest zonder dat we het merken.
En dat is precies wat gebeurd is tijdens de zogenaamde revolutie in de kunst, tijdens die turbulente periode rond 1900: de geest van de kunst is vervangen door zijn tegendeel en iedereen doet alsof er niets aan de hand is.
De geest die zich aankondigt in het impressionisme, en die eigenlijk de hele omwenteling op gang heeft gebracht, is een totaal andere dan de geest die spreekt uit de pispot van Marcel Duchamp. En dat verschil wordt genegeerd omdat de concrete werkelijkheid genegeerd wordt.

20140424-115017.jpg

Toen de impressionisten hun atelier verlieten om buiten te gaan schilderen, verlieten ze een droomwereld, een wereld die veilig afgesloten was van de dagelijkse werkelijkheid en waar ze ongestoord (droom)beelden konden creëren.
Door naar buiten te trekken, kwamen ze terecht in de gewone werkelijkheid, de werkelijkheid van alle mensen. In plaats van zich terug te trekken en zich af te zonderen, gingen ze midden tussen de mensen staan, letterlijk en figuurlijk.
Ze overschreden een grens, ze trokken het volle leven in.
En juist daardoor kwam hun kunst (weer) tot leven, kreeg ze kleur, werd ze populair.
De lente brak aan in de kunst.

We moeten er echter voor opletten ons niet te verliezen in dit soort lyrische, abstracte formuleringen die zo gemakkelijk ontspruiten aan een brein dat veilig in zijn kamer zit te schrijven en te denken.
We moeten de impressionisten volgen, we moeten mee ‘naar buiten’, naar de levendige, drukke, concrete wereld. We moeten ons denken ontdoen van zijn dromerige, mythologiserende karakter, we moeten het wakker maken en richten op de concrete, fysieke werkelijkheid.
Want dat was ook wat de impressionisten deden in hun kunst. Ze maakten geen grote atelierschilderijen meer waarmee ze de heroïsche strijd van de Grieken evoceerden, of de vaart der volkeren in beeld brachten of de lof zongen van de vaderlandsliefde. Nee, ze stelden hun ezel buiten op en schilderden een dorpsstraat, of een rivier, of een landschap, of een bundel asperges. De meest alledaagse dingen dus, zonder enige ‘hogere’ betekenis of ideële inhoud.
Ze waren de voorlopers van de fotograaf die zijn toestel opstelt in een dorp en al de bewoners uit hun woning lokt.

20140424-120232.jpg

In plaats van in hun atelier een wereld te ‘dromen’ trokken de impressionisten naar buiten om de werkelijke wereld te bekijken, en één van de onmiddellijke gevolgen daarvan was dat ze … zelf bekeken werden.
Ze zullen wel al het mogelijke gedaan hebben om pottenkijkers te ontlopen, maar als je buiten gaat schilderen, kun je ze toch niet ontlopen.
Wie zijn atelier verlaat, krijgt niet alleen te maken met de natuurelementen, hij krijgt ook te maken met de blik van andere mensen, en dat is onvermijdelijk een oordelende blik.
Dit is het beeld dat we vast moeten houden als we erachter willen komen wat de revolutie in de kunst ontketend heeft en wat de wereld onherkenbaar heeft doen veranderen.
Het is het beeld van de mens die over de drempel gaat, die zijn oude, veilige wereld verlaat waar hij rustig kon dromen en werken, en terechtkomt in een wereld die niet alleen veel levendiger is, maar ook veel bewuster.
In die nieuwe wereld kijkt de mens niet alleen, hij wordt ook bekeken.
In de impressionist herkennen we de mens die meer dan ooit een oog wordt, maar dan wel een oog dat zich bewust wordt van zichzelf. Want hij kijkt naar een wereld die … terugkijkt.

Voor de materialistische mens van de 19de eeuw moet dat een enorme schok zijn geweest, want hij leefde juist in de overtuiging dat de wereld een verzameling dode voorwerpen was. Die overtuiging (die tegelijk een beleving was) gaf hem een gevoel van vrijheid en onbeperkte macht over de wereld. Hij kon met die dode wereld doen wat hij wilde, ze was het materiaal in zijn handen. Hij kon nu een geheel nieuwe wereld scheppen. Hij verkeerde in een scheppingsroes.
Maar toen ging er in die dode wereld een oog open waarin een blik lag die duidelijk maakte dat de wereld niet alleen leefde maar ook bewustzijn bezat. En dat bewustzijn wekte in de mens het oordelende bewustzijn dat de scheppende mens eigen is.
Het gevolg was een frontale botsing tussen de blinde scheppingsdrift en het scherp oordelende bewustzijn.

20140424-120958.jpg
(Leuven in 1914)

Het is niet moeilijk om die twee polen te herkennen in de hedendaagse wereld.
Enerzijds heerst daar een blinde, aan waanzin grenzende scheppingsdrift.
Anderzijds heerst er een scherp, vernietigend oordelen.
Maar van een botsing is allang geen sprake meer. Beide ‘driften’ ontwikkelen zich helemaal los van elkaar en gaan hun eigen gang zonder dat de mens er nog enige controle over heeft. Integendeel, hij wordt erdoor uit elkaar gescheurd, verlamd, herleid tot een lijdend voorwerp, een machteloze speelbal.
Hij kan alleen nog met weemoed kijken naar de postkaartwereld van 1900, toen de moderne waanzin nog niet losgebroken was en alles nog naar mensenmaat was.

En toch is alles toen begonnen.
Het aandoenlijke tafereeltje van eenvoudige dorpsmensen die op straat komen om naar een fotograaf te kijken die hen ‘vereeuwigt’, is tegelijk een beeld van de enorme botsing die op dat moment onder de oppervlakte plaatsvindt, in de wereld van de geest.
We hebben van die geestelijke wereld geen rechtstreekse waarneming, maar we hebben wel beelden, sprekende beelden, beelden die ons gevoel vertellen dat ze een betekenis hebben.
De impressionist die zijn atelier verlaat en zijn ezel buiten opstelt, is zo’n beeld.
Het is een buitengewoon sprekend beeld, maar om het te begrijpen, moeten we het heel aandachtig bekijken, veel aandachtiger dan we gewoon zijn.
We moeten het bekijken zoals we een schilder zouden bekijken die we in de natuur of op straat aantreffen.
Wat doet hij?
Hoe ziet hij eruit?
Welke kleuren gebruikt hij?
Wat zit er in dat potje?
Wat gaan hij doen als het begint te regenen?
Enzovoort.
Eenvoudige, voor de hand liggende vragen zoals een kind ze zou stellen.
Maar tegelijk moeten we ons inleven in de schilder en ons afvragen hoe het is om te staan werken als mensen staan te kijken. Of hoe het is om zo aandachtig naar de dagelijkse werkelijkheid te kijken dat je ze kunt schilderen.
Dat zijn geen vragen die een kind zou stellen, het zijn volwassen vragen, vragen die alleen in een zelfstandig Ik opkomen dat in staat is zowel van buitenaf als van binnenuit te kijken.

20140424-122020.jpg

Als we het goed nagaan, dan denk ik dat we tot de constatatie komen dat we geen van beide vragen nog stellen, noch de kinderlijke noch de volwassen vragen.
En omdat we ze niet stellen, worden we ook niet wakker, noch voor de materiële werkelijkheid noch voor de geestelijke.
We slapen, we leven in een soort droomwereld waaruit we vroeg of laat zullen ontwaken.
En de vraag is alleen: zullen we dat vrijwillig doen of zullen we gedwongen worden?

De mensen op de postkaart, de dorpsmensen in hun droomwereld, werden in 1914 op een brutale manier wakker geschud. Een paar jaar later was hun oude wereld verdwenen om nooit meer terug te komen.
Die eenvoudige mensen hadden nog niet de mogelijkheid om vrijwillig wakker te worden.
Wij hebben dat wel. Wij hebben namelijk de kunst, de kunst die ons een beeld toont van wat er onder de oppervlakte sluimert en vroeg of laat zichtbaar zal worden.
Maar we moeten wel willen kijken naar dat beeld.
En vragen stellen.

Levendige beelden en dode schema’s

We kunnen nooit te veel doen wanneer het erom gaat de waarheden over de hogere werelden van de meest verschillende kanten te beschouwen. Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat men vanuit een enkel gezichtspunt alleen maar een armzalige schets kan geven. En slechts langzamerhand, wanneer men dezelfde zaak vanuit veel verschillende invalshoeken bekeken heeft, komen al die indrukken samen tot een geheel, tot een beeld dat steeds levendiger wordt.
Alleen dergelijke beelden helpen de mens die in de hogere werelden wil geraken, niet de droge, schematische begrippen.
Hoe levendiger en kleurrijker de beelden, des te meer mag men hopen dat men de hogere werelden dichterbij komt.
Het lijdt geen twijfel dat het juist die beelden zijn, die tegenwoordig bij vele tijdgenoten wantrouwen oproepen. Wanneer de mens overstelpt wordt met begripsschema’s, met indelingen – liefst met vele lijstjes van namen – over het devachaan, over de planetenontwikkeling enz., dan laat hij zich dat graag welgevallen. Maar hij begint moeilijk te doen wanneer iemand het waagt om de bovenzinnelijke werelden te beschrijven zoals een reiziger landschappen in Zuid-Amerika zou beschrijven.
Toch moet men zich voor ogen houden dat men alleen door frisse, levensechte beelden werkelijk iets nuttigs verkrijgt, niet door dode schema’s en namen.

(Rudolf Steiner)

GA 11 – Uit de Akasha-kroniek.

20140423-132220.jpg

Struikelen over een drempeltje

Ik ben nu al voor de derde opeenvolgende week ziek.
Niet echt ziek-ziek, u weet wel: met koorts en ellendig in bed liggen en niks meer kunnen doen. Nee, ik voel me meer als een ballon die half leeggelopen is.
Dat ik desondanks echt ziek ben, blijkt uit het feit dat ik – ondanks het prachtige lenteweer – niet de minste zin heb om buiten te komen.
Ik kán het nochtans, want verleden week ben ik met de auto (hij was ook ziek) naar de garage geweest en daarna naar de Aldi.
Dat ging prima. In de Aldi heb ik zelfs een handig (want licht) klapstoeltje gekocht dat ik kan gebruiken op de markt in Brugge.
Maar toen ik weer thuis kwam, was het alsof ik Dixie Dansercoeur vergezeld had op z’n zoveelste Noordpoolexpeditie: ik was compleet uitgeput.

20140423-122700.jpg

En ik had er nog zo op gerekend tijdens het Paasweekend in Brugge te kunnen staan en schilderijtjes te verkopen en wat geld te verdienen zodat ik nieuw materiaal kon kopen, enzovoort, enzovoort.
Het viel echter allemaal in het water.
Maar geen nood, na dat weekend zou ik wel weer verrijzen. Het was tenslotte Pasen.
Niet dus.
Het onbedwingbare hoesten is nu wel min of meer onder controle, maar er is nu weer wat anders: als ik ’s avonds in bed kruip, keert dat bed gewoon om, en als ik ’s morgens weer opsta, keert de hele wereld om.
Ik grabbel dan telkens verschrikt naar houvast, maar dat is er niet, want alles tolt rond.
Dat is best een bangelijk gevoel want één van de fundamenten van het menselijk bestaan is toch dat de wereld stilstaat, en dat de hemel boven is en de aarde beneden.
Als die twee van plaats verwisselen, weet je even niet meer waar je ’t hebt.
Overdag is het niet zo erg.
Als ik in mijn vertrouwde zetel zit, dan lijkt het zelfs alsof alles in orde is, maar van zodra ik in beweging kom, lijkt de wereld méé in beweging te komen.
Ik weet wel dat het niet zo is, maar mijn gevoel vertelt me iets heel anders.
Ik zal dus naar de dokter moeten, want ik kan het me niet permitteren om nóg een weekend thuis te blijven.

20140423-123731.jpg

Terwijl ik dat laatste zinnetje schrijf, voel ik dat er iets niet klopt.
Zeker, ik heb nu al een paar keer op de markt in Brugge gestaan, en ik heb al een paar honderd euro verdiend met m’n schilderijtjes, en dat is voor mij al heel wat.
Maar eigenlijk stelt het allemaal (nog) niks voor.
Veel verschil met iemand die wat afgedankte spullen in een doos steekt en ermee op een rommelmarkt gaat staan, is er niet.
En toch klaag ik als een volleerd zelfstandige dat ‘ik het me niet kan permitteren om’.

In feite spéél ik voor zelfstandige: ik doe wat je als zelfstandige hoort te doen (het klagen incluis), maar ik bén helemaal geen zelfstandige, nog lang niet.
Ik doe maar alsof.
Ik maak de bewegingen, maar ik ben er niet echt bij.
Ik voel me als een marionet die aan zijn eigen touwtjes trekt.
Ik ben eigenlijk mezelf niet.
Ik ben mezelf én iemand anders, iemand die ik niet ken: een zelfstandige ondernemer.
Twintig jaar lang ben ik m’n stoel niet uitgekomen.
Nu ik eindelijk ben opgestaan om aan de slag te gaan, blijft een deel van me zitten.
Of beter, het is ook opgestaan maar het is daar zo duizelig en misselijk van geworden dat het meteen weer is gaan zitten.

20140423-124055.jpg

Ik kan me inderdaad niet van de indruk ontdoen dat mijn ziekte een gevolg is van mijn ‘stap over de drempel’, mijn stap van denken naar doen, van afhankelijke naar zelfstandige.
Het is (althans onder antroposofen) bekend dat een mens die over de drempel gaat, innerlijk uit elkaar valt: denken, voelen en willen gaan ieder hun eigen weg.
Hoe waar dat is, ondervind ik nu zelf, ook al is het maar een klein drempeltje waar ik overheen ben gestapt.
Wat ik echter niet begrijp, is het volgende.
Volgens Rudolf Steiner gaat de hele mensheid over de drempel. Maar zo te zien lijkt die mensheid nauwelijks last te hebben van dat innerlijke ‘uiteenvallen’.
Integendeel. In plaats van machteloos in hun stoel neer te zinken, hollen ze van hot naar her en leiden een leven dat honderd keer ondernemender, zelfstandiger en gecompliceerder is dan het mijne.
Ben ik dan zo’n kluns dat één klein drempeltje me al uiteen doet vallen?
Zijn al die anderen dan volleerde drempeloverschrijders?

Die vraag roept een herinnering in me op.
Ooit, lang geleden, heb ik eens drie lessen euritmie gevolgd.
Eén les kostte 100 frank, twee lessen 50 frank, en wie alledrie de lessen volgde moest niks betalen.
Dat vond ik zo’n origineel idee dat het me over de drempel haalde. En die drempel was hoog, niet alleen voor mij trouwens. Want de antroposofische bewegingsleer is niet de populairste van de familie.
Eén reden voor die hoge drempel werd me al tijdens de eerste les duidelijk: ik voelde me een ongelooflijke kluns.
Zelfs de meest elementaire oefeningen kostten me de grootste moeite.
Ik ondervond op niets ontziende wijze hoe weinig thuis ik was in m’n eigen lichaam.
Het leek wel andermans lichaam, er was niks ‘eigens’ aan.
Ik bestond uit een hoofd en een lichaam die niet bij elkaar hoorden.
En dat lichaam begreep niets van de bevelen van dat vreemde hoofd.
Gelukkig was ik niet de enige die stuntelde.
Ik heb nog nooit zoveel stuntels bij elkaar gezien als tijdens die euritmielessen.

20140423-124546.jpg

Maar op een bepaald moment kwam er op wonderbaarlijke wijze een eind aan mijn gestuntel: ik bewoog me gezwind over het parket alsof ik al m’n hele leven euritmie deed.
De anderen stonden er met open mond naar te kijken. Een natuurtalent!
Ik vertrouwde het zaakje echter niet.
Is dit werkelijk hoe het moet? vroeg ik aan de euritmiste.
Ze lachte en schudde het hoofd.
Ze zag wel dat ik automatisch bewoog, dat ik er helemaal niet bij was.
In plaats van in mijn lichaam te kruipen (zoals eigenlijk de bedoeling was), was ik eruit gekropen.
Ik had mezelf onbewust in twee gedeeld, en vanaf dat moment ging alles veel beter.
Ja, het leek zelfs of ik voor euritmie in de wieg was gelegd.
Maar het was natuurlijk allemaal schijn.
Ik deed maar alsof.
En ik wist het niet.
De overgang van (werkelijk) gestuntel naar (schijn)euritmie had zich in een oogwenk voltrokken, zonder dat ik erbij was.
Ik had de drempel tussen werkelijkheid en schijn overschreden zonder het gewaar te worden.
Ik merkte alleen dat alles nu veel beter ging.
As er geen ervaren euritmiste was geweest om me uit de droom te helpen, was ik me van geen kwaad bewust geweest.
Ik had me dan verheugd over mijn kunnen en over de bewondering van de anderen, en ik had dat kleine, wantrouwige stemmetje in mezelf het zwijgen opgelegd.
Wie gaat nu denken dat het niet goed gaat als het juist beter gaat!
Er is een ontwikkeld bewustzijn nodig om door die schijn heen te kijken.
De lesgeefster had zo’n bewustzijn en zag dat ik slechts in schijn euritmie deed.
En schijn-euritmie is minder dan stuntelende euritmie, want de stuntel weet tenminste dat hij uit twee rammelende stukken bestaat. En omdat hij dat weet, probeert hij die stukken weer in elkaar te passen.
De schijn-euritmist daarentegen voelt zich ‘vollediger’ dan ooit en beseft niet dat hij steeds verder uit elkaar valt: zijn handelen wordt steeds automatischer, zijn gevoel steeds zelfingenomener, en zijn denken slaat nergens meer op.

20140423-125051.jpg

Toen ik half maart voor het eerst met m’n schilderijtjes naar Brugge trok, ging dat wonderlijk vlot. Het zou overdreven zijn te zeggen dat ik handelde als een volleerde marktkramer, maar ik stond toch verbaasd van mezelf.
Ik dacht: dit gaat goed!
Ook de anderen dachten: dit gaat goed!
En wat doet een mens dan?
Hij is blij omdat het goed gaat.
Maar als er iemand was geweest aan wie ik had kunnen vragen ‘is dit werkelijk zoals het moet?’ dan zou hij of zij hoogstwaarschijnlijk geglimlacht hebben en het hoofd geschud.
Hij of zij zou gezien hebben dat er maar een deel van me naar Brugge was gegaan en dat het andere deel gewoon thuis was blijven zitten.
Ik was zo vlot over de drempel gegaan omdat ik mezelf – zonder het te beseffen – in twee gedeeld had.

Het duurde echter niet lang voor die schijnmarktkramer ontmaskerd werd.
Echte marktkramers worden namelijk niet ziek na een teleurstellend weekend.
Ze bijten op hun tanden en denken: volgende keer beter!
Precies wat ikzelf ook dacht.
Maar dat denkende ‘zelf’ was slechts een half zelf, een schijnzelf.
De andere helft, mijn ‘handelende zelf’, dacht er heel anders over: hij zag het niet meer zitten.
En dus werd ik ziek.
Ik hoestte me de ziel uit het lijf alsof ik iets uit mijn systeem wilde krijgen.
Vervolgens ging ik aan het duizelen alsof de wereld in een draaimolen veranderd was.
En ik vloekte: verdorie, waarom juist nu, bij dat mooie lenteweer? Waarom steken ze me – weeral – stokken in de wielen? Het is alsof de duivel ermee gemoeid is!

20140423-125455.jpg

Maar zoals er tijdens die euritmie-les een stemmetje was dat zei: ‘het lijkt wel goed, maar is dat ook zo?’, zo is er nu een stemmetje dat zegt: ‘het lijkt wel slecht, maar is het dat ook?
Is dat duizelen niet juist een gevolg van het feit dat ik mijn hoofd mee wil nemen over de drempel, waardoor het terechtkomt in een wereld die veel beweeglijker en veel complexer is?
Is mijn ziekte met andere woorden geen teken dat ik probeer mijn uiteenvallende zelven bij elkaar te houden? En zou ik misschien niet (zo vlug) ziek worden als ik deed wat zoveel andere mensen doen als ze over een drempel gaan: gewoon uiteenvallen en er slechts half, dat wil zeggen onbewust, over gaan?

Misschien ben ik dus zo’n kluns omdat ik probeer helemaal over de drempel te gaan, en niet half.
Toen ik zo vlot overschakelde naar het marktkramersbestaan viel ik eigenlijk uit elkaar: het was maar één stuk van me dat over de drempel ging.
Toen ik probeerde mijn hoofd weer bij mijn lichaam te voegen, raakten beide slaags: het laatste vertoonde ‘afstotingsverschijnselen’ (het hoestte zich te pletter) en het eerste begon te duizelen.

20140423-130118.jpg

Tot zover mijn poging om te begrijpen wat er met me aan de hand is.

Ik besef dat dit een zeer amateuristische interpretatie van de feiten is, die de toets van de ‘antroposofische methode’ zeker niet zou kunnen doorstaan, zoals meneer Steffen dat destijds eiste. Maar was het niet diezelfde meneer Steffen die een cruciale rol speelde in het uit elkaar vallen van de antroposofische beweging?
Je redt het denken niet door het veilig op te sluiten binnen de muren van het hoofd, met zijn vaste methoden.
Je redt het door het over de drempel te loodsen, zodat het terechtkomt in de roetsjbaan van het handelende lichaam.
En ja, daar gaat het zodanig van duizelen dat een mens er ziek van wordt.
Maar beter ziek worden en proberen te genezen, dan denken dat je gezond bent en op een dag moeten vaststellen dat je de kloof met jezelf niet meer kunt overbruggen.

Dat is voorlopig de les die ik uit m’n ziekte trek.
Enerzijds is ze een teken dat ik probeer m’n uiteenvallende innerlijk weer bij elkaar te voegen.
Anderzijds vertelt ze me dat er nog veel werk aan de winkel is en dat er nog altijd een diepe kloof gaapt tussen mijn denken en m’n doen.
Maar dat laatste is geen nieuws.
Het eerste wel.

20140423-130339.jpg

Fictie en werkelijkheid

Marianne, onze jongste, zit nog altijd in Ghana.
Ghana is zwart, heel zwart, en Marianne is blond, heel blond.
Het is een vreemd gezicht om haar op foto’s te zien poseren tussen allemaal fondant-gezichten waarvan je, bij wijze van spreken, alleen maar de ogen en tanden ziet.
Ik blijf het een verwarrend mysterie vinden dat mensen bijna wit en bijna zwart kunnen zijn.
Maar we worden verondersteld dat mysterie te negeren, te doen alsof het niet bestaat.
Het is trouwens niet de enige tegenstelling waar we onze ogen moeten voor sluiten.
Ook de tegenstelling tussen man en vrouw bijvoorbeeld wordt met alle mogelijke middelen – tot zelfs chirurgische – verdoezeld.
Het lijkt wel het eerste gebod van onze tijd te zijn: gij zult geen tegenstellingen zien!

20140419-145149.jpg

Wie zich het hoofd niet op hol laat jagen door deze ‘mode’ vraagt zich af: waarom?
Waarom mogen we geen tegenstellingen meer zien?
Het obligate antwoord luidt: om de ongelijkheid tussen mensen weg te werken.
Er wordt met andere woorden gespeculeerd op christelijke, geestelijke waarden: alle mensen zijn gelijk, alle mensen zijn kinderen van God.
En het werkt!
Er wordt verontwaardigd gereageerd als iemand beweert dat zwarten anders zijn dan blanken, of dat mannen anders zijn dan vrouwen. Hoe kan een modern mens zo denken! Wat een achterlijk conservatisme!

Dat is één conclusie die we moeten trekken: de christelijke waarden zijn alive and kicking.
Een tweede conclusie die we moeten trekken: het verbod op het zien van (en denken in) tegenstellingen, doet die tegenstellingen niet verdwijnen, maar maakt ze juist groter.
Zwart Afrika bijvoorbeeld zakt weg in een poel van geweld en corruptie.
De kloof met de blanke wereld wordt niet gedicht, maar juist vergroot.
Idem voor de tegenstelling tussen man en vrouw.
Nadat we op korte tijd moesten wennen aan het begrip holebi is er nu het nieuwe begrip transgender: mensen die van geslacht veranderen.
Men doet er met andere woorden alles aan om de scheiding tussen de geslachten ongedaan te maken.
Maar tegelijk lijkt er een soort oorlog tussen de geslachten uitgebroken te zijn.
In de Westerse wereld worden mannen voorgesteld als het ‘slechte’ geslacht, en vrouwen als de onschuldige slachtoffers van die onverbeterlijke mannen.
In de moslimwereld zijn het dan weer de vrouwen die vernederd worden en ‘hun plaats moeten kennen’.
En aangezien die twee werelden zich in toenemende mate vermengen, zien we naast elkaar twee totaal verschillende soorten vrouwen leven: vrouwen die mannen op de knieën willen dwingen en vrouwen die zelf op de knieën gaan voor mannen.

20140419-145559.jpg

Het is wellicht wat karikaturaal gesteld, maar wie kan de tegenstelling nog ontkennen?
En zo duikt er een nog wezenlijker tegenstelling op: de tegenstelling tussen hoe de wereld werkelijk is en de wereld zoals we verondersteld worden hem te zien.
Dat er grondige verschillen zijn tussen de rassen en de geslachten, daarvan zijn we ons nog min of meer bewust, ondanks alle propaganda.
Maar dat er een steeds grotere kloof ontstaat tussen de werkelijkheid en onze kijk op die werkelijkheid, dat is iets wat langzaam uit ons bewustzijn wegsijpelt.
Onze visie op de wereld sluit steeds minder aan op die wereld zelf.
Anders gezegd: we verliezen langzaam maar zeker het contact met de werkelijkheid en leven – zonder het te beseffen – steeds meer in een fictieve, virtuele werkelijkheid.

Iedereen denkt hierbij natuurlijk aan het internet, het worldwideweb waarop de moderne mensheid zo lustig surft. En inderdaad, dit digitale ‘web’ dat de wereld omspant, is een kunstmatige werkelijkheid die als een dunne sluier over de reële werkelijkheid wordt gelegd en er niet meer van onderscheiden wordt.
Maar is deze technologie werkelijk de oorzaak van ons tanende werkelijkheidsbesef, of is ze er slechts een gevolg van?
Er wordt, bijvoorbeeld in antroposofische kringen, vaak alarm geslagen over de nefaste invloed van de digitale media op de ontwikkeling van het kind.
Volkomen terecht natuurlijk.
Maar is dat het echte probleem?

20140419-150431.jpg

Ik herinner me nog dat ik ooit moest gaan tekenen op een soort speelgoedbeurs.
Het bleek maar een schrale bedoening te zijn en achteraf vermoedde ik dat het slechts een alibi was om computergames te promoten.
In het midden van de zaal stond namelijk een batterij beeldschermen waarop kinderen computerspelletjes konden spelen.
Het was nog in de begintijd van die dingen en ik had de gelegenheid om de zaak uitgebreid gade te slaan, want veel werk had ik niet.
De speelcomputers waren natuurlijk voortdurend bezet, een beeld dat we tegenwoordig overal kunnen waarnemen.
Maar er was één jongetje dat mijn aandacht trok.
Het stond, net als de anderen, op knopjes te drukken en aan de joy stick te draaien, maar regelmatig wendde het zijn blik af van het beeldscherm en keek om zich heen alsof het iets zocht.
Op dat moment meende ik het wezen van de aantrekkingskracht van die computergames te begrijpen. Het was niet de virtuele wereld van die games die zo boeiend was, het was de reële wereld die zo vervelend geworden was.
Dat jongetje wilde veel liever iets anders doen dan naar zo’n scherm te staan staren en op knopjes drukken, maar … er was niets.
Het keek om zich heen en zag alleen maar verveling en banaliteit.
Het zag een wereld die reeds in hoge mate doods en kunstmatig was geworden, en het wilde niet wegvluchten in een wereld die nóg doodser en kunstmatiger was, maar het had geen andere keuze.
Het speelde computerspelletjes bij gebrek aan beter.

Mensen die klagen – en terecht klagen – over de computerverslaafdheid van hun kinderen, stellen zelden de vraag: en wat geven we hen in de plaats? Wat geven we hen in de plaats dat hen de computer doet vergeten? Welke werkelijkheid kunnen we hen bieden die levend genoeg is om de dode te kunnen vergeten? Of nog: met welke werkelijkheid kunnen kinderen zich nog zodanig verbinden dat ze geen virtuele werkelijkheid meer nodig hebben?

20140419-150738.jpg

Ik heb als kind veel op straat gespeeld.
Maar vijftig jaar geleden was een straat nog iets heel anders dan een straat nu.
De straat was een speelterrein.
We voetbalden op die straat, zaten er te knikkeren of te tekenen.
Het was een gebeurtenis als er een auto opdook.
En aan het eind van de straat begon een andere wereld, een wereld met poelen die vol kikkers zaten, met struiken waarin je je kon verbergen, een wereld vol geheimen, een wereld zonder volwassenen.
Indien we niet knikkerden of verstoppertje speelden of tekenden of met stenen naar de kikkers gooiden of verdoken hoekjes opzochten, dan was er nog het keerdok in de buurt, waar boten aanmeerden met bouwmaterialen. Daar was allemachtig veel te zien en te beleven.
Kortom, de wereld was groot en je kon overal spelen.

Als ik dat vergelijk met de wereld vandaag, dan kan ik alleen maar vaststellen dat er in die wereld geen plaats meer is voor spelende kinderen.
Wie kan vandaag als ouder nog zeggen: ga maar wat op straat spelen?
Het idee alleen al.
En dus ben je als ouder blij dat er computers bestaan, want anders zouden de kinderen (en jij erbij) gewoon knettergek worden.
Nee, die computers zijn geen oorzaak, ze zijn een gevolg, een gevolg van een wereld die steeds doder, steeds kunstmatiger wordt en waarin steeds minder ruimte voor de spelende mens is.
En de spelende mens, dat is, zoals Schiller wist, de echte mens, de werkelijke mens.

20140419-151604.jpg

De moderne mens trekt zich al van jongs af aan terug in een fictieve, virtuele, onwerkelijke wereld want alleen daar kan hij nog spelen.
Als hij volwassen wordt, speelt hij nog altijd zijn virtuele spel, en hij weet niet beter of het is de werkelijkheid.
De beursjongens en geldspeculanten van Wall Street – de ‘wolven’ zoals Martin Scorsese ze onlangs portretteerde – spelen de hele dag met cijfers, met fictieve bedragen die letterlijk niks voorstellen, en toch regeren ze de wereld.
Want de hele wereld gaat mee in hun fictieve spel, het spel met abstracties, met cijfers en nummers, het digitale spel.
Deze ‘spelers’ kunnen zo’n enorme macht over ons uitoefenen omdat we hetzelfde spel spelen, omdat we opgesloten zitten in dezelfde fictieve werkelijkheid, omdat we het contact met de echte werkelijkheid verloren hebben.
En we weten het niet.
We zien geen verschil meer tussen de echte en de valse werkelijkheid.
Ze lopen in ons bewustzijn door elkaar.

Daar, in dat gebrek aan onderscheidingsvermogen tussen fictie en werkelijkheid, ligt de oorzaak van onze onvrijheid, van de enorme macht die andere ‘spelers’ over ons uitoefenen.

Ik las de afgelopen dagen enkele teksten van Terry Boardman, een antroposoof die de Nieuwe Wereldorde als onderzoeksthema heeft uitgekozen.
Volgens hem kadert alles wat er sinds de eerste wereldoorlog is gebeurd (en hij gaat zelfs nog verder terug) in een plan van Amerikaanse en Engelse elites om de hele wereld in hun macht te krijgen.
De wereldoorlogen, het communisme, het moslimterrorisme, de nieuwe wereldmacht China: het kadert volgens hem allemaal in ‘het plan’, een geniaal, demonisch plan om de wereld te verdelen in heersers (de Angelsaksische wereld) en slaven (de rest van de wereld).
En dat plan wordt niet eens geheim gehouden, overtuigd als de machtselite is dat niemand het zal geloven.
Boardman haalt allerlei publieke teksten aan waaruit ‘het plan’ duidelijk kan gedistilleerd worden.
Bovendien kloppen zijn bevindingen met wat Rudolf Steiner daarover verteld heeft.

20140419-152518.jpg
(Brzezinsky, een van de Grote Spelers)

Het is bepaald geen opwekkende lectuur.
Bij het lezen ervan vraagt een mens zich af: en is daar dan niks tegen te doen?
Kan ik daar dan niks aan doen?
Op de een of andere manier vergroten dit soort teksten alleen maar het gevoel van machteloosheid en de neiging om de ogen te sluiten voor de werkelijkheid.
Want wat moet een mens met het besef dat kleine kringen van onwaarschijnlijk machtige en intelligente mensen zonder verpinken miljoenen mensen de dood injagen of tot slavernij veroordelen?
Ikzelf heb dan de neiging diep te zuchten en me te verdiepen in de lotgevallen van Club Brugge of Tom Boonen die zijn nieuwe Ferrari in de prak heeft gereden.
Hoe belangrijk en (waarschijnlijk) juist de onderzoekingen van mensen als Terry Boardman ook zijn, ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze de zaken nog erger maken, dat ze ongewild in de kaart spelen van de ‘wolven’ of de ‘haviken’ die ze aanklagen.

Dit soort teksten maakt mij niet vrij, integendeel.
Ze brengen mij ook niet dichter bij de werkelijkheid van mijn tijd, integendeel.
Als ik ze niet kan verbinden met mezelf, met mijn gewone dagelijkse leven, dan sluiten ze mij (nog meer) op in de virtuele wereld waarin ik mij – als ieder modern mens – terugtrek als het me allemaal teveel wordt.
Het is in dat gewone dagelijkse leven dat ik de dingen moet kunnen herkennen die ik lees in ‘esoterische’ teksten, of ze nu gaan over de geestelijke wereld of over de materiële wereld.
Anders worden ze tot fictie en maken ze de kloof met de werkelijkheid alleen maar groter.

20140419-153259.jpg
(Terry Boardman)

Wat mij tot deze gedachten inspireerde, was juist het beleven van die kloof, en wel op vrij banaal niveau.
Ik ben namelijk al twee weken ziek.
Ik hoest me de ziel uit het lijf en het wil maar niet beteren.
Het begon nadat ik in Brugge twee dagen in de kou had zitten koekeloeren zonder iets te verkopen.
Daar moet een marktkramer tegen kunnen, maar dat is het nu net: ik ben geen marktkramer.
Ik ben een hoofdmens-in-omschakeling.
Mijn wereld is de wereld van de fictie: de kunst, de gedachten, beeld en woord.
De werkelijke wereld, daar heb ik me altijd verre van gehouden.

Ik wist dat ik, door op de (folklore)markt in Brugge te gaan staan, een stap zette van het fictieve bestaan in mijn hoofd naar het concrete bestaan van armen en benen zeg maar.
Maar dat ‘weten’ was zeer abstract.
Nu het werd ingevuld, ondervond ik wat het werkelijk betekende om de grens tussen fictie en werkelijkheid te overschrijden.
Ik verdronk.
Ik verdonk in de werkelijkheid.

Het is maar wanneer je die grens bewust overschrijdt, zoals ik nu doe, dat je ondervindt hoe immens het verschil is.
Ik kan bijna navoelen wat kinderen meemaken die verslaafd zijn aan computergames.
Ik vermoed dat ze hetzelfde voelen als ik wanneer ze gedwongen worden om uit hun virtuele wereld te komen: ze verdrinken, de werkelijkheid overspoelt hen.
En ze willen maar één ding: weer kunnen ademen, weer onderduiken in hun veilige, virtuele wereld.

Die nood voel ik nu ook, tot in m’n lichaam.
Zeker, ik ben het niet gewoon om fysiek werk te leveren, om te sleuren met paraplu’s en zware gewichten en metalen tafels. Ik ben het ook niet gewoon om een hele dag buiten in de gure wind te zitten.
Maar toch denk ik niet dat mijn ziek-zijn alleen maar een fysieke reactie is.
Mijn hele wezen spartelt tegen.
Het verzet zich tegen de grensoverschrijding, of beter: tegen de bewustwording van die grensoverschrijding.
Want dat is niet hetzelfde.

20140420-134150.jpg

De moderne mens overschrijdt voortdurend de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Hij overschrijdt die grens zelfs zo vaak en zo snel dat fictie en werkelijkheid in zijn bewustzijn één geheel vormen en hij geen besef meer heeft van een grens.
Juist het gebrek aan bewustzijn van die grens maakt van hem een gespleten mens, een mens die uit twee ‘personen’ bestaat die van elkaars bestaan niet afweten.
Ik heb het daar al meer dan eens over gehad.

Wel, ik ben zelf zo’n gespleten mens. Ik ben zelfs veel meer gespleten dan de meeste mensen.
Maar ik ben me bewust van die gespletenheid en ik probeer ze te overwinnen.
Ik ben inmiddels oud genoeg geworden om te weten dat het me nooit zal lukken.
De kloof is veel te groot.
Maar ik weet ook dat ik het moet proberen, want als de kloof nog groter zou worden, als ik uiteen zou vallen in twee delen die elkaar niet meer kunnen bereiken, dat zou … een verschrikking zijn.
Ik zou dan geen greep meer hebben op m’n leven, ik zou de machteloze gevangene zijn van anderen.

Het komt me voor dat de moderne mens voor een keuze staat: ofwel wordt hij zich bewust van zijn gespletenheid en probeert hij ze te overwinnen, ofwel valt hij verder uiteen en wordt de speelbal van andere mensen.
Maar dat is nog het ergste niet, het ergste is dat hij het niet zal weten. En omdat hij het niet weet, zal hij er zich ook niet tegen verzetten.
Hij zal dat niet eens willen, want de bewustwording van zijn gespletenheid zal zoveel pijn doen dat hij instinctief weer in gevangenschap en slavernij zal vluchten.

20140420-134546.jpg

Wat ik nu ondervind, is de prijs die ik betaal voor mijn streven naar vrijheid.
Die vrijheid heb ik als een ‘eeuwige lente’ leren kennen in de kunst.
Maar hoe stralend ze ook was, het was een schijnvrijheid, want tussen kunst en werkelijkheid gaapt een diepe kloof.
Die kloof was noodzakelijk opdat de vrijheid zich zou kunnen ontwikkelen, net zoals een baarmoeder noodzakelijk is opdat een kind vorm zou kunnen krijgen.
In de veilige afgeslotenheid van de kunstwereld heeft de vrijheid zich ongestoord kunnen ontwikkelen – maar enkel als een beeld.
Maar nu moet die vrijheid geboren worden, ze moet van beeld tot werkelijkheid worden.

Als kind zette ik iedere week de stap van schijn (de kunstacademie) naar werkelijkheid (de gewone school) en terug.
Ik pendelde heen en weer tussen twee tegengestelde werelden: een vrije schijnwereld en een onvrije werkelijkheid.
Eigenlijk ben ik dat mijn hele leven blijven doen, en ik doe het nog steeds.
Het verschil is alleen dat ik het steeds bewuster doe.
En naarmate ik bewuster pendel tussen schijn en werkelijkheid, zie ik ook dat iederéén dat in feite doet.
Het is typisch voor de moderne mens dat hij voortdurend heen en weer pendelt tussen schijn en werkelijkheid.
Het verschil is alleen dat hij het niet weet.
Hij overschrijdt voortdurend de grens tussen twee tegengestelde werelden en … hij weet het niet.
Fictie en werkelijkheid vloeien in zijn beleving samen tot één geheel.

In feite is de grens tussen kunst en werkelijkheid het toneel waarop zich het drama van onze moderne tijd afspeelt.
Het is een zeer intens drama: de geboorte van een nieuwe wereld, een vrije wereld.
Maar tragisch genoeg verslapen we dat drama.
We beleven het wel, maar als in een droom.
We zijn niet wakker, we ‘verdrinken’ in het drama, we houden het hoofd niet boven water.
We zijn als vissen, die geen weet hebben van het water waarin ze rondzwemmen.
En dat ‘water’ is de grens tussen kunst en werkelijkheid.

20140420-134938.jpg

Over die grens bewegen we ons zeer snel en onbewust heen en weer.
Fictie en werkelijkheid worden daardoor tot één geheel.
We denken dat we vrij zijn omdat de kunst de werkelijkheid helemaal doordringt.
Maar zonder dat we het beseffen, worden we steeds onvrijer omdat de ook de werkelijkheid steeds meer in de kunst doordringt.
Door middel van de alomtegenwoordige kunst in al zijn vormen, worden we langzaam maar zeker tot slaven gemaakt die denken dat ze vrij zijn en die zich uit alle macht verzetten tegen alles wat hen werkelijk vrij zou kunnen maken.
En dat laatste is in de eerste plaats: bewustzijn van de grens waarop we leven.

Dat bewustzijn begint met het onderscheiden van de tegengestelde werelden aan beide kanten van de grens.
Maar juist dat onderscheiden is vandaag taboe geworden: de moderne mens wordt verondersteld geen verschillen en tegenstellingen meer te zien. Hij wordt zelfs verondersteld ze niet meer te voelen.
En zo wordt hij ‘onder narcose’ gebracht: hij glijdt weg in een slaap waaruit hij op eigen kracht niet meer kan ontwaken.

Het is pas wanneer je je verzet tegen die ‘slaap’ dat je ondervindt hoe sterk de de anestheserende krachten zijn.
En ze zijn overal, zowel buiten als binnen jezelf.
Door in Brugge op de markt te gaan staan, overschrijd ik de grens tussen kunst en werkelijkheid.
Ik doe wat ik al m’n hele leven doe, alleen telkens weer een beetje bewuster.
En hoe bewuster ik die grens overschrijd, des te groter worden de weerstanden.
Het heeft véél voeten in de aarde gehad voor ik daadwerkelijk op de Dijver kon gaan staan.
Ik had er eigenlijk al niet meer op gerekend.
De Grote Stap zelf verliep dan weer wonderlijk gesmeerd, zelfs in die mate dat ik het gevoel kreeg: ik word geholpen.
Maar nu de spits is afgebeten, lijkt het alsof ik opnieuw op mezelf word teruggeworpen.
Ik word geconfronteerd met een menigte praktische problemen die me compleet boven het hoofd groeien: ik verdrink erin.
Tot overmaat van ramp word ik ook nog eens ziek.
En An ligt al weken plat met een hernia.

Nee, ’t is beslist geen lachtertje om ‘wakker’ te worden en bewust over de grens te gaan.
Misschien had Godfried Bomans gelijk toen hij zei: ‘wanneer je zegt ‘dit is geen leven meer’, pas dán leef je echt.’
Maar zoiets kan je pas achteraf zeggen, niet op het moment zelf.

20140420-133512.jpg

Goede Vrijdag

Vandaag is het Goede Vrijdag, en dat is best een vreemde naam voor een dag waarop de gruwelijke terechtstelling wordt herdacht van een volmaakt onschuldig mens.
Veel juister zou zijn om van Slechte Vrijdag te spreken, want op deze noodlotsdag, tweeduizend jaar geleden, concentreerde alles wat slecht is zich op één enkel mens.
Het was de hoogdag der Slechtheid, de slechtste aller vrijdagen.
En toch wordt hij Goede Vrijdag genoemd.
Waarom?

20140418-125642.jpg

Een modern antwoord is natuurlijk dat het hele christendom geschift is en dat die religieuzen niet goed bij hun hoofd zijn.
Maar aangezien onze moderne cultuur zonder het christendom niet denkbaar is, klinkt zo’n antwoord tamelijk … geschift.
Alles waar we vandaag zoveel waarde aan hechten – vrijheid, gelijkheid, solidariteit, verdraagzaamheid, mensenrechten, enzovoort – is in wezen christelijk.
Het is dus onzin om te zeggen dat dat de grondleggers van het christendom halve garen waren.
Als ze de dag van de vernederende terechtstelling van Christus goed noemen, dan moet dat een diepe betekenis hebben.

Die betekenis moet natuurlijk gezocht worden in de zondag die volgt op Goede Vrijdag, want dan wordt de Verrijzenis van Christus herdacht, het centrale mysterie van het christendom.
Qua onzin klopt Pasen de naamgeving van Goede Vrijdag met grote voorsprong.
Een dode mens die weer levend wordt?
Dát is pas geschift!
Eigenlijk zou Pasen in naam van de mensenrechten verboden moeten worden.
Eerst wordt een marteldood ‘goed’ genoemd en vervolgens wordt beweerd dat hij tot het eeuwige leven leidt: zoiets zou vandaag kunnen doorgaan voor ‘aanzetten tot terrorisme’.
Moderne christelijke priesters en geestelijken haasten zich dan ook om het sterven en verrijzen van Christus een mythe te noemen, een symbool.
Het moet vooral niet letterlijk worden genomen.
Het wil alleen maar zeggen, zo las ik onlangs nog, dat we ‘altijd opnieuw kunnen beginnen’.

En met dit soort halfzachtheden zou het christendom de wereld veroverd hebben?
Ja, ook moderne mensen geloven in sprookjes.

20140418-124954.jpg

Het is goed eraan te denken dat het christendom zijn plaats in de wereld op volkomen geweldloze wijze veroverd heeft.
Pas in de 4de eeuw werd ze staatsgodsdienst en vermengde ze zich met het allesbehalve Romeinse Rijk.
Maar dat gebeurde pas nadat het christendom incontournable was geworden en qua levenskracht de oude ‘heidense’ godsdiensten overtrof.
Die levenskracht was merkwaardig genoeg geheel en al gebaseerd op één enkele overtuiging: dat Christus was verrezen.

Het christendom heeft zich tijdens de eerste eeuwen van haar bestaan verspreid door het verkondigen van de ‘blijde boodschap’: de heer is waarlijk opgestaan!
De evangelies waren nog niet geschreven, een theologie bestond nog niet, een georganiseerde kerk evenmin. Er waren alleen alleen mensen wier hart vervuld was van het grote wonder: Christus was verrezen.
Meer stelde het christendom in die tijd niet voor: een verzameling mensen die aan iedereen die het wilde horen, verkondigden dat Christus uit de doden was opgestaan.
Meer was er niet nodig om de wereld – geweldloos – te veroveren: een gerucht.
Zeg, heb je ’t al gehoord? Hij is verrezen!

Moderne atheïsten stellen het natuurlijk zo voor als waren Paulus en co gehaaide figuren die een manier hadden gevonden om mensen in hun macht te krijgen.
Zo’n stelling is alleen houdbaar als de mensen in die tijd on-voor-stel-baar dom waren.
Iemand vertelde hen ‘Christus is verrezen’ en hop, ze geloofden het.
Ze geloofden het zo zeer dat zelfs de zwaarste martelingen hen niet meer op andere gedachten konden brengen.
Hoe dom kan een mens zijn!
Tenminste, dat geloven de moderne atheïsten.

20140418-125056.jpg

De vraag is natuurlijk welk ‘geloof’ het zwaarst weegt: het geloof van christenen die bereid zijn de marteldood te sterven, of het geloof van moderne atheïsten die denken dat mensen zoiets uit domheid doen.
Eén ding is zeker: moderne atheïsten zijn nergens voor bereid te sterven. Als een moslim wat grimmig kijkt, slaan ze meteen aan het relativeren.
Nee, het geloof van de christenen uit de eerste eeuwen was van een heel ander gehalte.
Het was een geloof dat sterker was dan de dood.

Dat doet de vraag rijzen: hoe kan een dergelijk onverwoestbaar geloof ontstaan, louter door het vernemen van de boodschap ‘de Heer is verrezen’?

Daar kan volgens mij maar één verklaring voor zijn: die boodschap was de bevestiging van iets wat reeds in de harten van de mensen uit die tijd leefde.
Anders gezegd: de boodschap werd verwacht.
Hij was het antwoord op een intens beleefde vraag.
En het feit dat dit antwoord zo hevig werd bestreden door de machthebbers, wijst erop dat ook bij hen die vraag leefde, anders zouden ze niet zo bang geweest zijn voor het christelijke antwoord.
Welke vraag zou dat kunnen geweest zijn?

Ik denk dat het de vraag was: hoe moet het nu verder?
Het Romeinse Rijk beheerste een groot deel van de toen bekende wereld, maar het was innerlijk leeg geworden. De oude godsdiensten hadden hun bezieling verloren, de keizers waren krankzinnig geworden, de dekadentie greep om zich heen, de barbaren drongen op.
Er was een grens bereikt, en men wist dat er iets moest gebeuren.
Maar wat?
De christelijke boodschap leek een antwoord te zijn dat intuïtief aansloeg bij veel mensen, maar het was niet de boodschap die de machthebbers wilden horen.
Daarom probeerden ze hem het zwijgen op te leggen, en toen dat niet lukte, maakten ze een deal onder het motto if you can’t beat them, join them.
Ze maakten het christendom tot hun staatsgodsdienst en de rest is geschiedenis.

20140418-125144.jpg

Op een vreemde manier komt het allemaal bekend voor.
Leven we vandaag niet opnieuw in een tijd die aan een grens gekomen is en niet weet hoe het verder moet?
Leeft er op de bodem van de moderne ziel geen diepe radeloosheid?
Is het verlangen naar een ‘blijde boodschap’ niet veel groter dan we zelf beseffen?
We worden dagelijks gebombardeerd met onheilsberichten: natuurrampen, economische rampen, financiële rampen, sociale rampen, ziekten en epidemieën, er komt geen eind aan.
Iedere ramp afzonderlijk doet ons hart in elkaar krimpen, en als we ze allemaal bij elkaar optellen, staat ons verstand stil.
We zijn eigenlijk niet langer in staat om de werkelijkheid onder ogen te zien.
En dus sluiten we ze, steeds meer, zonder het te beseffen.
Maar zonder dat we het beseffen, groeit in ons ook steeds meer een enorm, wanhopig verlangen naar een ‘blijde boodschap’.

Volgens Rudolf Steiner beleven we vandaag de ‘wederkomst van Christus’.
Ik denk dat we daar mogen uit afleiden dat de geschiedenis van tweeduizend jaar geleden zich herhaalt.
Opnieuw is er dat diepe en grotendeels onbewuste verlangen naar een ‘blijde boodschap’, als gevolg van een wereld die aan een grens is gekomen en niet weet hoe het verder moet.
Opnieuw is er de mogelijkheid dat die blijde boodschap in mensen een zo diep geloof wekt dat ze bereid zijn voor hun overtuiging te sterven en op die manier de wereld te veroveren.
Helaas zien we dat die boodschap vandaag niet door christenen wordt verspreid en al evenmin op een geweldloze manier.
Nee, het is echt geen Goede Vrijdag die we beleven.
Het is de herhaling – op grote schaal – van wat tweeduizend jaar in Palestina gebeurde: het wezen van de mens wordt triomfantelijk aan het kruis genageld, gefolterd en ter dood gebracht.

Er waren – afgezien van de triomfators – destijds maar weinig mensen die in staat waren deze gruwelijke terechtstelling van ‘de mens’ onder ogen te zien.
Vandaag is het niet anders.
Er is geen groter nood dan de nood aan mensen die in staat zijn doorheen de Slechte Vrijdag de Goede Vrijdag te zien.
Ik vraag me soms af of die mensen bestaan.
Op een dag als vandaag zou ik er heel graag een willen ontmoeten.

20140418-125710.jpg

Signalen

20140416-100202.jpg

Jan Peumans, de voorzitter van het Vlaams parlement, gaat zich op 22 april namens de hele Vlaamse samenleving excuseren voor het historische seksuele misbruik.

‘Ik zal me verontschuldigen tegenover al wie misbruikt is, of wie dat nog zal worden’, aldus Peumans. “Dat is een duidelijk signaal namens de bredere samenleving, en een steunbetuiging aan al wie het slachtoffer van seksueel misbruik is geworden. Wij nemen het engagement om dat te vermijden, al draagt iedereen daar een verantwoordelijkheid voor.”

Kinderpsychiater Peter Adriaenssens, die had aangestuurd op de excuses, spreekt van een ‘heel belangrijk signaal’.
De slachtoffers sturen zelf aan op een erkenning van hun lijden, aldus de kinderpsychiater. ‘Die mensen willen dat hun verhaal niet vergeten wordt en vragen tegelijkertijd om excuses. Voor hen maakt dat een groot verschil uit in het helingsproces. Niet dat ze daardoor zullen herstellen, maar het verzacht de pijn wel. Bovendien willen ze garanties dat het in de toekomst niet meer gebeurt.’

Ter herinnering: Peter Adriaenssens is de Bekende Vlaming die een tijdje geleden verontwaardigd reageerde toen de politie een jongen die was aangevallen door een straatbende adviseerde om in het vervolg zijn smartfoon vlugger af te geven.
Hij vond dat een ‘totaal verkeerd signaal’.
De psychiater hecht blijkbaar veel belang aan signalen.
Hij is trouwens de enige niet.
Signalen zijn heel belangrijk in de hedendaagse samenleving.

Langs de autostrade bijvoorbeeld staat het vol met signalen.
Sommige daarvan hebben de vorm van grote affiches waarop een vrouw een man vasthoudt.
Haar mascara is uitgelopen, wat erop wijst dat ze huilt.
Op de achtergrond zien we een autowrak.
Bovenaan de affiche lezen we in grote letters: ‘Hij is te snel gegaan.’
Onderaan staat in kleinere letters: ‘Go for Zero.’
Peter Adriaenssens zou dit waarschijnlijk een ‘heel belangrijk signaal’ vinden.
De Vlaamse overheid vindt dat ook, want ze poot de autostradebermen vol met dit soort signalen.

Wat zeggen die signalen?
Dat we niet zo snel mogen rijden, dat we onze autogordel moeten vastmaken, dat we niet mogen telefoneren aan het stuur, enzovoort.
Allemaal dingen die we allang weten.
Onlangs hadden de signalenmakers er iets nieuws op gevonden: ze hadden de begrafenis van enkele snelheidsduivels in scène gezet en op Youtube geplaatst.
Een héél belangrijk signaal, vonden ze zelf.

20140416-123924.jpg

Het is duidelijk: er zijn in dit land heel wat mensen die hun brood verdienen met het geven van signalen.
Soms heb ik zelfs de indruk dat de bevolking langzaam opgesplitst wordt in mensen die signalen geven en mensen die signalen (moeten) ontvangen.
Wel, ik heb stilaan mijn buik vol van al die signalen, want ze komen eigenlijk allemaal neer op één groot signaal: DE MENSEN WILLEN MAAR NIET LUISTEREN!
En inderdaad: als ik dag in dag uit gebombardeerd wordt met het signaal dat ik moet luisteren, dan WIL ik ten slotte helemaal niet meer luisteren.
Dat is dan ook het resultaat van al die signalen: ze worden niet alleen steeds krachtelozer, ze worden zelfs contraproductief.

Neem nu dat signaal van Jan Pneumans.
Hij verontschuldigt zich voor het sexuele misbruik van kinderen.
Heeft hij dan zelf ooit kinderen misbruikt?
Neen, natuurlijk niet. Hij spreekt in naam van de hele Vlaamse samenleving.
Heeft de hele Vlaamse samenleving dan kinderen misbruikt?
Neen, natuurlijk niet.
Maar waar slaat die verontschuldiging dan op?

Peter Adriaenssens geeft het antwoord: het verzacht het lijden van de slachtoffers. Zij willen dat hun verhaal niet vergeten wordt, zij willen excuses.
Dat doet me verdacht veel denken aan de ouders die een nieuw onderzoek willen naar het busongeval in Sierre.
Ook zij willen dat hun verhaal niet vergeten wordt, ook zij willen excuses, ook zij willen dat hun lijden verzacht wordt.
En zij zien daarvoor geen andere manier dan anderen te doen lijden.
Zij zoeken een zondebok, iemand die in hun plaats moet lijden.

20140416-124351.jpg

Ook de slachtoffers van kindermisbruik willen anderen doen lijden om hun eigen lijden te verzachten.
Traditioneel deden ze dat door zelf kinderen te gaan misbruiken: de bekende kettingreactie.
Maar vandaag dreigt die ketting verbroken te worden doordat kindermisbruik veel strenger veroordeeld wordt.
Dat is een onverdeeld goede zaak natuurlijk, maar het doet de vraag rijzen hoe de slachtoffers nu hun lijden moeten verwerken.
Door excuses te vragen, suggereert psychiater Adriaenssens.
Ik kan me voorstellen dat het helpt, maar ik betwijfel of het echt genezing brengt.
Want uiteindelijk is het nog altijd een variatie op het oude zondebokthema: anderen doen lijden om het eigen lijden te verzachten.

Wie lijdt er onder die excuses van Jan Pneumans, Jo Vandeurzen en andere vertegenwoordigers van de overheid?
De overheid zelf?
Laat me niet lachen.
Onze federale overheid wordt aangevoerd door een … kindermisbruiker.
Di Rupo geeft ongegeneerd toe dat hij een voorkeur heeft voor jonge jongens, kinderen dus.
Klachten die men daarvoor in het verleden tegen hem indiende, werden allemaal in de doofpot gestopt. De man is zelfs zonder problemen premier kunnen worden, en als iemand hem vandaag in het parlement openlijk een pedofiel noemt, dan kent de verontwaardiging van de regeringsleden geen grenzen.
Met andere woorden, de overheid geeft het voorbeeld inzake het goedpraten van kindermisbruik.
En diezelfde overheid excuseert zich nu publiekelijk voor kindermisbruik?
Wat een misselijkmakende farce!

20140416-124636.jpg

Door zich te verontschuldigen in naam van de hele Vlaamse samenleving, laadt de overheid haar eigen schuld op de hele bevolking.
Haar ‘signaal’ is: jullie zijn allemaal schuldig aan het kindermisbruik!
The same old song dus: overheid beschuldigt bevolking.

Zou dit werkelijk het signaal zijn dat de slachtoffers van kindermisbruik verwachten?
Willen zij werkelijk van de regering horen dat iederéén verantwoordelijk is voor hun lijden?
In abstracto is dat natuurlijk heel mooi: we zijn allemaal medeverantwoordelijk voor het lijden van onze medemensen.
De mensheid als één lichaam dat lijdt als haar kleinste onderdeel onrecht wordt aangedaan.
Voorwaar een zeer christelijke gedachte!
Maar als deze gedachte gebruikt wordt om de kloof tussen de signaalgevers (de goede mensen) en de signaalontvangers (de slechte mensen, die maar niet willen luisteren naar de goede mensen) groter te maken en dus een soort burgeroorlog te veroorzaken in het ‘mensheidslichaam’ dan is er sprake van een pervertering.
En de zaak wordt alleen maar perverser als je eraan denkt dat deze excuses uitgerekend in de christelijke lijdensweek opduiken.

Een echt belangrijk signaal zou bijvoorbeeld zijn als Karel De Gucht zijn excuses aanbod voor het ontduiken van de belastingen en het misbruiken van zijn macht om dat in de doofpot te stoppen.
Dát zou pas een signaal zijn!
Maar daar kunnen we natuurlijk op wachten tot sint juttemis.
De machthebbers beperken zich liever tot signalen waar ze zelf beter van worden.

20140416-123705.jpg

Tony the Fridge

20140415-104537.jpg

Zondag heeft een Britse vijftiger twee keer de marathon van Londen gelopen met … een koelkast op zijn rug.
Kan de Ondraaglijke Leegheid van het Moderne Bestaan treffender geïllustreerd worden?
En maakt het enig verschil dat de man het deed ‘voor het goede doel’: geld inzamelen voor kankeronderzoek?
Heiligt het doel werkelijk de middelen?
Doen die middelen er niet toe als het doel maar goed is?
Het doet me een beetje denken aan Hedendaagse Kunst.
Ook daar gaat het allemaal om de goede bedoelingen: de middelen (de concrete kunstwerken) doen er niet toe.

Zou het daarom zijn, vraag ik me af, dat de wereld in toenemende mate verdeeld wordt in mensen-met-goede-bedoelingen en mensen-met-slechte-bedoelingen?
Als er niet meer mag geoordeeld worden over wat mensen doen, dan moet er maar geoordeeld worden over wat mensen zijn.

Wel, ik vind het straalbelachelijk om met een ijskast op je rug rond te lopen.
Ik zou, als ik de kans had gekregen en wat jonger was geweest, de draak hebben gestoken met ‘Tony the Fridge’.
En dat zou natuurlijk een Slecht Mens van mij hebben gemaakt, want Tony draagt het aureool van het Goede Doel, en dat maakt hem immuun voor iedere kritiek.

20140415-112728.jpg

De zondebok van Sierre

20140413-103455.jpg

Twee jaar geleden verongelukte in het Zwitserse Sierre een schoolbus.
Daarbij kwamen 28 mensen om, waaronder 22 kinderen.
Men is er nooit achter gekomen wat nu precies de oorzaak van het ongeval was.
Dat zit een aantal ouders van de verongelukte kinderen zo hoog dat ze nu een Nederlands forensisch onderzoeksbureau hebben ingeschakeld dat het onderzoek naar de oorzaak van de ramp moet overdoen. Concreet moeten de experts nagaan of er sprake is van een wanhoopsdaad door de buschauffeur.

Ik herinner me nog altijd op welke ronduit degoutante manier de media destijds ‘verslag’ deden over dit ongeluk.
De kranten trokken alle registers open.
De politie moest uitrukken en radarhekkens plaatsen om de horden journalisten en fotografen op een afstand te houden.
Het was alsof een tweede ramp de ouders en nabestaanden trof.
De begrafenisplechtigheid werd een massaspektakel dat plaatsvond in een evenementenhal en bijgewoond werd door een leger ‘hoogwaardigheidsbekleders’ waaronder koningen en koninginnen, premiers, ministers en staatssecretarissen.
Zelfs het echte leger was present: de doodskisten werden geflankeerd door militairen in uniform, alsof het om een staatsbegrafenis ging.

20140413-105201.jpg

Wat kwamen die politici daar doen?
Waarom moesten de kinderen door militairen bewaakt worden?
Wat hadden al die mensen daar in godsnaam te maken?
Medeleven?
Laat me niet lachen.
Ze gebruikten de dode kinderen om zichzelf in het zonnetje te zetten.

Hadden al die officiële instanties de ouders gevraagd of hun aanwezigheid op prijs werd gesteld?
Konden de ouders wel weigeren?
Het gedrag van de media laat daar weinig twijfel over bestaan.
In plaats van het leed van de nabestaanden te respecteren, wierpen ze er zich als uitgehongerde wolven op.
Terwijl overlijdens en begrafenissen bij uitstek gelegenheden zijn waarop mensen zich naar binnen keren en het verlies op hun manier verwerken, werden de ouders van de verongelukte kinderen als het ware naar buiten getrokken en op het publieke toneel geworpen.

Ligt daar de reden voor de wel zeer vreemde stap die een aantal onder hen vandaag gezet heeft?
Werd de persoonlijke rouwverwerking hen destijds uit handen genomen door de media, de officiële instanties, het leger, de experts, en zijn ze er tot op heden niet in geslaagd om het hele ongeluk zelf te verwerken?
Het ziet er in ieder geval naar uit dat ze nog altijd op zoek zijn naar een schuldige, en zolang ze die niet vinden, kunnen ze de dood van hun kind niet verwerken.

Zijn er werkelijk onregelmatigheden gebeurd tijdens het onderzoek?
Dat is natuurlijk mogelijk, want de schuldvraag is vandaag zo nadrukkelijk dat zelfs het kleinste ongeval grote (financiële) gevolgen kan hebben voor degene die schuldig wordt bevonden.
En er moet altijd iemand de schuld dragen, gelijk wie.

20140413-111945.jpg

Het doet me denken aan de film ‘Ordinary People’ van Robert Redford.
Het leven van een doordeweeks gezin wordt op zijn kop gezet wanneer één van beide zoons verdrinkt tijdens een zeiltochtje.
De overlevende zoon was niet in staat zijn broer te redden en hij gaat nu langzaam ten gronde aan zijn schuldgevoel en sleurt daarbij het hele gezin mee.
Ik herinner me uit die film nog altijd één scène die me bijzonder trof.
Tijdens een gesprek met zijn vader roept de zoon op een gegeven moment wanhopig uit: maar als ik geen schuld heb aan de dood van mijn broer, wat voor zin had zijn dood dan!
In die ene zin kwam de oorzaak van de neergang van het hele gezin aan het licht.
De zoon leed niet onder zijn schuld aan de dood van zijn broer (want die schuld bestond niet), hij leed onder de zinloosheid van die dood.
Hij leed onder de zinloosheid van het bestaan tout court, en zijn schuldgevoel was slechts een poging om dat lijden draaglijk te maken.

Ik vermoed dat het voor de veertien ouders die nu een (ongetwijfeld peperduur) forensisch onderzoeksbureau hebben ingeschakeld, niet anders is.
Zij kunnen de zinloosheid van de dood van hun kind niet verteren, en dus blijven ze zoeken naar een zondebok.
Ze wijzen daarbij naar de buschauffeur, die mogelijk zelfmoord zou gepleegd hebben, een suggestie die ook geopperd werd bij het onlangs verdwenen Boeingtoestel.
Liever dan te accepteren dat ongelukken nu eenmaal gebeuren, beschuldigen ze andere mensen ervan zelfmoordterroristen te zijn.
Een groteske beschuldiging.
Maar helaas niet uniek.

Dezelfde media en politici die zich op het ongeval in Sierre stortten en zich als vampieren volzogen met andermans verdriet, worden het maar niet moe om ‘ordinary people’ ervan te beschuldigen racistisch, haatdragend, islamofoob, bekrompen en verzuurd te zijn, alsof ze kwaadaardige wezens zijn die niet genoeg aan de schandpaal genageld kunnen worden.
Is het toeval dat men dit jagen op schuldigen en zondebokken vooral aantreft bij de intellectuele klasse, de klasse dus die meer dan wie ook overtuigd is van de zinloosheid van het bestaan?
Is dat onophoudelijke aan de schandpaal nagelen van onschuldige mensen niet een manier om die zinloosheid te kunnen verdragen?
Is het geen verdovingsmiddel tegen de pijn die de zinloosheid diep in de ziel van deze ongelovige, materialistische intellectuelen veroorzaakt?

En werkt dat verdovingsmiddel niet besmettelijk?
Zijn die ouders van de verongelukte kinderen niet misbruikt door de media en de politici, en misbruiken ze nu niet op hun beurt andere onschuldige mensen?
Ligt aan de basis van dit zich als een epidemie verspreidende wantrouwen dat in iedere medemens een potentiële zelfmoordterrorist ziet, niet de zinloosheid van het bestaan, die op zijn beurt een gevolg is van de reducering van dat bestaan tot een louter materiële aangelegenheid?

Tot nog toe was het materialisme vooral een overtuiging die beperkt bleef tot het denken.
Het was prima mogelijk om het leven volkomen zinloos te vinden en toch te leven alsof het wél zin had.
Je kon heel goed een rabiaat atheïst zijn en toch leven volgens christelijke waarden.
Die tijd is nu voorbij.
Daarvan getuigt het fanatieke, tegen alle redelijkheid ingaande zoeken naar een zondebok.
De moderne mens kan het zinloze leven niet meer verdragen als hij niet iemand aan het kruis kan nagelen.

20140413-123324.jpg