Fictie en werkelijkheid

door lievendebrouwere

Marianne, onze jongste, zit nog altijd in Ghana.
Ghana is zwart, heel zwart, en Marianne is blond, heel blond.
Het is een vreemd gezicht om haar op foto’s te zien poseren tussen allemaal fondant-gezichten waarvan je, bij wijze van spreken, alleen maar de ogen en tanden ziet.
Ik blijf het een verwarrend mysterie vinden dat mensen bijna wit en bijna zwart kunnen zijn.
Maar we worden verondersteld dat mysterie te negeren, te doen alsof het niet bestaat.
Het is trouwens niet de enige tegenstelling waar we onze ogen moeten voor sluiten.
Ook de tegenstelling tussen man en vrouw bijvoorbeeld wordt met alle mogelijke middelen – tot zelfs chirurgische – verdoezeld.
Het lijkt wel het eerste gebod van onze tijd te zijn: gij zult geen tegenstellingen zien!

20140419-145149.jpg

Wie zich het hoofd niet op hol laat jagen door deze ‘mode’ vraagt zich af: waarom?
Waarom mogen we geen tegenstellingen meer zien?
Het obligate antwoord luidt: om de ongelijkheid tussen mensen weg te werken.
Er wordt met andere woorden gespeculeerd op christelijke, geestelijke waarden: alle mensen zijn gelijk, alle mensen zijn kinderen van God.
En het werkt!
Er wordt verontwaardigd gereageerd als iemand beweert dat zwarten anders zijn dan blanken, of dat mannen anders zijn dan vrouwen. Hoe kan een modern mens zo denken! Wat een achterlijk conservatisme!

Dat is één conclusie die we moeten trekken: de christelijke waarden zijn alive and kicking.
Een tweede conclusie die we moeten trekken: het verbod op het zien van (en denken in) tegenstellingen, doet die tegenstellingen niet verdwijnen, maar maakt ze juist groter.
Zwart Afrika bijvoorbeeld zakt weg in een poel van geweld en corruptie.
De kloof met de blanke wereld wordt niet gedicht, maar juist vergroot.
Idem voor de tegenstelling tussen man en vrouw.
Nadat we op korte tijd moesten wennen aan het begrip holebi is er nu het nieuwe begrip transgender: mensen die van geslacht veranderen.
Men doet er met andere woorden alles aan om de scheiding tussen de geslachten ongedaan te maken.
Maar tegelijk lijkt er een soort oorlog tussen de geslachten uitgebroken te zijn.
In de Westerse wereld worden mannen voorgesteld als het ‘slechte’ geslacht, en vrouwen als de onschuldige slachtoffers van die onverbeterlijke mannen.
In de moslimwereld zijn het dan weer de vrouwen die vernederd worden en ‘hun plaats moeten kennen’.
En aangezien die twee werelden zich in toenemende mate vermengen, zien we naast elkaar twee totaal verschillende soorten vrouwen leven: vrouwen die mannen op de knieën willen dwingen en vrouwen die zelf op de knieën gaan voor mannen.

20140419-145559.jpg

Het is wellicht wat karikaturaal gesteld, maar wie kan de tegenstelling nog ontkennen?
En zo duikt er een nog wezenlijker tegenstelling op: de tegenstelling tussen hoe de wereld werkelijk is en de wereld zoals we verondersteld worden hem te zien.
Dat er grondige verschillen zijn tussen de rassen en de geslachten, daarvan zijn we ons nog min of meer bewust, ondanks alle propaganda.
Maar dat er een steeds grotere kloof ontstaat tussen de werkelijkheid en onze kijk op die werkelijkheid, dat is iets wat langzaam uit ons bewustzijn wegsijpelt.
Onze visie op de wereld sluit steeds minder aan op die wereld zelf.
Anders gezegd: we verliezen langzaam maar zeker het contact met de werkelijkheid en leven – zonder het te beseffen – steeds meer in een fictieve, virtuele werkelijkheid.

Iedereen denkt hierbij natuurlijk aan het internet, het worldwideweb waarop de moderne mensheid zo lustig surft. En inderdaad, dit digitale ‘web’ dat de wereld omspant, is een kunstmatige werkelijkheid die als een dunne sluier over de reële werkelijkheid wordt gelegd en er niet meer van onderscheiden wordt.
Maar is deze technologie werkelijk de oorzaak van ons tanende werkelijkheidsbesef, of is ze er slechts een gevolg van?
Er wordt, bijvoorbeeld in antroposofische kringen, vaak alarm geslagen over de nefaste invloed van de digitale media op de ontwikkeling van het kind.
Volkomen terecht natuurlijk.
Maar is dat het echte probleem?

20140419-150431.jpg

Ik herinner me nog dat ik ooit moest gaan tekenen op een soort speelgoedbeurs.
Het bleek maar een schrale bedoening te zijn en achteraf vermoedde ik dat het slechts een alibi was om computergames te promoten.
In het midden van de zaal stond namelijk een batterij beeldschermen waarop kinderen computerspelletjes konden spelen.
Het was nog in de begintijd van die dingen en ik had de gelegenheid om de zaak uitgebreid gade te slaan, want veel werk had ik niet.
De speelcomputers waren natuurlijk voortdurend bezet, een beeld dat we tegenwoordig overal kunnen waarnemen.
Maar er was één jongetje dat mijn aandacht trok.
Het stond, net als de anderen, op knopjes te drukken en aan de joy stick te draaien, maar regelmatig wendde het zijn blik af van het beeldscherm en keek om zich heen alsof het iets zocht.
Op dat moment meende ik het wezen van de aantrekkingskracht van die computergames te begrijpen. Het was niet de virtuele wereld van die games die zo boeiend was, het was de reële wereld die zo vervelend geworden was.
Dat jongetje wilde veel liever iets anders doen dan naar zo’n scherm te staan staren en op knopjes drukken, maar … er was niets.
Het keek om zich heen en zag alleen maar verveling en banaliteit.
Het zag een wereld die reeds in hoge mate doods en kunstmatig was geworden, en het wilde niet wegvluchten in een wereld die nóg doodser en kunstmatiger was, maar het had geen andere keuze.
Het speelde computerspelletjes bij gebrek aan beter.

Mensen die klagen – en terecht klagen – over de computerverslaafdheid van hun kinderen, stellen zelden de vraag: en wat geven we hen in de plaats? Wat geven we hen in de plaats dat hen de computer doet vergeten? Welke werkelijkheid kunnen we hen bieden die levend genoeg is om de dode te kunnen vergeten? Of nog: met welke werkelijkheid kunnen kinderen zich nog zodanig verbinden dat ze geen virtuele werkelijkheid meer nodig hebben?

20140419-150738.jpg

Ik heb als kind veel op straat gespeeld.
Maar vijftig jaar geleden was een straat nog iets heel anders dan een straat nu.
De straat was een speelterrein.
We voetbalden op die straat, zaten er te knikkeren of te tekenen.
Het was een gebeurtenis als er een auto opdook.
En aan het eind van de straat begon een andere wereld, een wereld met poelen die vol kikkers zaten, met struiken waarin je je kon verbergen, een wereld vol geheimen, een wereld zonder volwassenen.
Indien we niet knikkerden of verstoppertje speelden of tekenden of met stenen naar de kikkers gooiden of verdoken hoekjes opzochten, dan was er nog het keerdok in de buurt, waar boten aanmeerden met bouwmaterialen. Daar was allemachtig veel te zien en te beleven.
Kortom, de wereld was groot en je kon overal spelen.

Als ik dat vergelijk met de wereld vandaag, dan kan ik alleen maar vaststellen dat er in die wereld geen plaats meer is voor spelende kinderen.
Wie kan vandaag als ouder nog zeggen: ga maar wat op straat spelen?
Het idee alleen al.
En dus ben je als ouder blij dat er computers bestaan, want anders zouden de kinderen (en jij erbij) gewoon knettergek worden.
Nee, die computers zijn geen oorzaak, ze zijn een gevolg, een gevolg van een wereld die steeds doder, steeds kunstmatiger wordt en waarin steeds minder ruimte voor de spelende mens is.
En de spelende mens, dat is, zoals Schiller wist, de echte mens, de werkelijke mens.

20140419-151604.jpg

De moderne mens trekt zich al van jongs af aan terug in een fictieve, virtuele, onwerkelijke wereld want alleen daar kan hij nog spelen.
Als hij volwassen wordt, speelt hij nog altijd zijn virtuele spel, en hij weet niet beter of het is de werkelijkheid.
De beursjongens en geldspeculanten van Wall Street – de ‘wolven’ zoals Martin Scorsese ze onlangs portretteerde – spelen de hele dag met cijfers, met fictieve bedragen die letterlijk niks voorstellen, en toch regeren ze de wereld.
Want de hele wereld gaat mee in hun fictieve spel, het spel met abstracties, met cijfers en nummers, het digitale spel.
Deze ‘spelers’ kunnen zo’n enorme macht over ons uitoefenen omdat we hetzelfde spel spelen, omdat we opgesloten zitten in dezelfde fictieve werkelijkheid, omdat we het contact met de echte werkelijkheid verloren hebben.
En we weten het niet.
We zien geen verschil meer tussen de echte en de valse werkelijkheid.
Ze lopen in ons bewustzijn door elkaar.

Daar, in dat gebrek aan onderscheidingsvermogen tussen fictie en werkelijkheid, ligt de oorzaak van onze onvrijheid, van de enorme macht die andere ‘spelers’ over ons uitoefenen.

Ik las de afgelopen dagen enkele teksten van Terry Boardman, een antroposoof die de Nieuwe Wereldorde als onderzoeksthema heeft uitgekozen.
Volgens hem kadert alles wat er sinds de eerste wereldoorlog is gebeurd (en hij gaat zelfs nog verder terug) in een plan van Amerikaanse en Engelse elites om de hele wereld in hun macht te krijgen.
De wereldoorlogen, het communisme, het moslimterrorisme, de nieuwe wereldmacht China: het kadert volgens hem allemaal in ‘het plan’, een geniaal, demonisch plan om de wereld te verdelen in heersers (de Angelsaksische wereld) en slaven (de rest van de wereld).
En dat plan wordt niet eens geheim gehouden, overtuigd als de machtselite is dat niemand het zal geloven.
Boardman haalt allerlei publieke teksten aan waaruit ‘het plan’ duidelijk kan gedistilleerd worden.
Bovendien kloppen zijn bevindingen met wat Rudolf Steiner daarover verteld heeft.

20140419-152518.jpg
(Brzezinsky, een van de Grote Spelers)

Het is bepaald geen opwekkende lectuur.
Bij het lezen ervan vraagt een mens zich af: en is daar dan niks tegen te doen?
Kan ik daar dan niks aan doen?
Op de een of andere manier vergroten dit soort teksten alleen maar het gevoel van machteloosheid en de neiging om de ogen te sluiten voor de werkelijkheid.
Want wat moet een mens met het besef dat kleine kringen van onwaarschijnlijk machtige en intelligente mensen zonder verpinken miljoenen mensen de dood injagen of tot slavernij veroordelen?
Ikzelf heb dan de neiging diep te zuchten en me te verdiepen in de lotgevallen van Club Brugge of Tom Boonen die zijn nieuwe Ferrari in de prak heeft gereden.
Hoe belangrijk en (waarschijnlijk) juist de onderzoekingen van mensen als Terry Boardman ook zijn, ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze de zaken nog erger maken, dat ze ongewild in de kaart spelen van de ‘wolven’ of de ‘haviken’ die ze aanklagen.

Dit soort teksten maakt mij niet vrij, integendeel.
Ze brengen mij ook niet dichter bij de werkelijkheid van mijn tijd, integendeel.
Als ik ze niet kan verbinden met mezelf, met mijn gewone dagelijkse leven, dan sluiten ze mij (nog meer) op in de virtuele wereld waarin ik mij – als ieder modern mens – terugtrek als het me allemaal teveel wordt.
Het is in dat gewone dagelijkse leven dat ik de dingen moet kunnen herkennen die ik lees in ‘esoterische’ teksten, of ze nu gaan over de geestelijke wereld of over de materiële wereld.
Anders worden ze tot fictie en maken ze de kloof met de werkelijkheid alleen maar groter.

20140419-153259.jpg
(Terry Boardman)

Wat mij tot deze gedachten inspireerde, was juist het beleven van die kloof, en wel op vrij banaal niveau.
Ik ben namelijk al twee weken ziek.
Ik hoest me de ziel uit het lijf en het wil maar niet beteren.
Het begon nadat ik in Brugge twee dagen in de kou had zitten koekeloeren zonder iets te verkopen.
Daar moet een marktkramer tegen kunnen, maar dat is het nu net: ik ben geen marktkramer.
Ik ben een hoofdmens-in-omschakeling.
Mijn wereld is de wereld van de fictie: de kunst, de gedachten, beeld en woord.
De werkelijke wereld, daar heb ik me altijd verre van gehouden.

Ik wist dat ik, door op de (folklore)markt in Brugge te gaan staan, een stap zette van het fictieve bestaan in mijn hoofd naar het concrete bestaan van armen en benen zeg maar.
Maar dat ‘weten’ was zeer abstract.
Nu het werd ingevuld, ondervond ik wat het werkelijk betekende om de grens tussen fictie en werkelijkheid te overschrijden.
Ik verdronk.
Ik verdonk in de werkelijkheid.

Het is maar wanneer je die grens bewust overschrijdt, zoals ik nu doe, dat je ondervindt hoe immens het verschil is.
Ik kan bijna navoelen wat kinderen meemaken die verslaafd zijn aan computergames.
Ik vermoed dat ze hetzelfde voelen als ik wanneer ze gedwongen worden om uit hun virtuele wereld te komen: ze verdrinken, de werkelijkheid overspoelt hen.
En ze willen maar één ding: weer kunnen ademen, weer onderduiken in hun veilige, virtuele wereld.

Die nood voel ik nu ook, tot in m’n lichaam.
Zeker, ik ben het niet gewoon om fysiek werk te leveren, om te sleuren met paraplu’s en zware gewichten en metalen tafels. Ik ben het ook niet gewoon om een hele dag buiten in de gure wind te zitten.
Maar toch denk ik niet dat mijn ziek-zijn alleen maar een fysieke reactie is.
Mijn hele wezen spartelt tegen.
Het verzet zich tegen de grensoverschrijding, of beter: tegen de bewustwording van die grensoverschrijding.
Want dat is niet hetzelfde.

20140420-134150.jpg

De moderne mens overschrijdt voortdurend de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Hij overschrijdt die grens zelfs zo vaak en zo snel dat fictie en werkelijkheid in zijn bewustzijn één geheel vormen en hij geen besef meer heeft van een grens.
Juist het gebrek aan bewustzijn van die grens maakt van hem een gespleten mens, een mens die uit twee ‘personen’ bestaat die van elkaars bestaan niet afweten.
Ik heb het daar al meer dan eens over gehad.

Wel, ik ben zelf zo’n gespleten mens. Ik ben zelfs veel meer gespleten dan de meeste mensen.
Maar ik ben me bewust van die gespletenheid en ik probeer ze te overwinnen.
Ik ben inmiddels oud genoeg geworden om te weten dat het me nooit zal lukken.
De kloof is veel te groot.
Maar ik weet ook dat ik het moet proberen, want als de kloof nog groter zou worden, als ik uiteen zou vallen in twee delen die elkaar niet meer kunnen bereiken, dat zou … een verschrikking zijn.
Ik zou dan geen greep meer hebben op m’n leven, ik zou de machteloze gevangene zijn van anderen.

Het komt me voor dat de moderne mens voor een keuze staat: ofwel wordt hij zich bewust van zijn gespletenheid en probeert hij ze te overwinnen, ofwel valt hij verder uiteen en wordt de speelbal van andere mensen.
Maar dat is nog het ergste niet, het ergste is dat hij het niet zal weten. En omdat hij het niet weet, zal hij er zich ook niet tegen verzetten.
Hij zal dat niet eens willen, want de bewustwording van zijn gespletenheid zal zoveel pijn doen dat hij instinctief weer in gevangenschap en slavernij zal vluchten.

20140420-134546.jpg

Wat ik nu ondervind, is de prijs die ik betaal voor mijn streven naar vrijheid.
Die vrijheid heb ik als een ‘eeuwige lente’ leren kennen in de kunst.
Maar hoe stralend ze ook was, het was een schijnvrijheid, want tussen kunst en werkelijkheid gaapt een diepe kloof.
Die kloof was noodzakelijk opdat de vrijheid zich zou kunnen ontwikkelen, net zoals een baarmoeder noodzakelijk is opdat een kind vorm zou kunnen krijgen.
In de veilige afgeslotenheid van de kunstwereld heeft de vrijheid zich ongestoord kunnen ontwikkelen – maar enkel als een beeld.
Maar nu moet die vrijheid geboren worden, ze moet van beeld tot werkelijkheid worden.

Als kind zette ik iedere week de stap van schijn (de kunstacademie) naar werkelijkheid (de gewone school) en terug.
Ik pendelde heen en weer tussen twee tegengestelde werelden: een vrije schijnwereld en een onvrije werkelijkheid.
Eigenlijk ben ik dat mijn hele leven blijven doen, en ik doe het nog steeds.
Het verschil is alleen dat ik het steeds bewuster doe.
En naarmate ik bewuster pendel tussen schijn en werkelijkheid, zie ik ook dat iederéén dat in feite doet.
Het is typisch voor de moderne mens dat hij voortdurend heen en weer pendelt tussen schijn en werkelijkheid.
Het verschil is alleen dat hij het niet weet.
Hij overschrijdt voortdurend de grens tussen twee tegengestelde werelden en … hij weet het niet.
Fictie en werkelijkheid vloeien in zijn beleving samen tot één geheel.

In feite is de grens tussen kunst en werkelijkheid het toneel waarop zich het drama van onze moderne tijd afspeelt.
Het is een zeer intens drama: de geboorte van een nieuwe wereld, een vrije wereld.
Maar tragisch genoeg verslapen we dat drama.
We beleven het wel, maar als in een droom.
We zijn niet wakker, we ‘verdrinken’ in het drama, we houden het hoofd niet boven water.
We zijn als vissen, die geen weet hebben van het water waarin ze rondzwemmen.
En dat ‘water’ is de grens tussen kunst en werkelijkheid.

20140420-134938.jpg

Over die grens bewegen we ons zeer snel en onbewust heen en weer.
Fictie en werkelijkheid worden daardoor tot één geheel.
We denken dat we vrij zijn omdat de kunst de werkelijkheid helemaal doordringt.
Maar zonder dat we het beseffen, worden we steeds onvrijer omdat de ook de werkelijkheid steeds meer in de kunst doordringt.
Door middel van de alomtegenwoordige kunst in al zijn vormen, worden we langzaam maar zeker tot slaven gemaakt die denken dat ze vrij zijn en die zich uit alle macht verzetten tegen alles wat hen werkelijk vrij zou kunnen maken.
En dat laatste is in de eerste plaats: bewustzijn van de grens waarop we leven.

Dat bewustzijn begint met het onderscheiden van de tegengestelde werelden aan beide kanten van de grens.
Maar juist dat onderscheiden is vandaag taboe geworden: de moderne mens wordt verondersteld geen verschillen en tegenstellingen meer te zien. Hij wordt zelfs verondersteld ze niet meer te voelen.
En zo wordt hij ‘onder narcose’ gebracht: hij glijdt weg in een slaap waaruit hij op eigen kracht niet meer kan ontwaken.

Het is pas wanneer je je verzet tegen die ‘slaap’ dat je ondervindt hoe sterk de de anestheserende krachten zijn.
En ze zijn overal, zowel buiten als binnen jezelf.
Door in Brugge op de markt te gaan staan, overschrijd ik de grens tussen kunst en werkelijkheid.
Ik doe wat ik al m’n hele leven doe, alleen telkens weer een beetje bewuster.
En hoe bewuster ik die grens overschrijd, des te groter worden de weerstanden.
Het heeft véél voeten in de aarde gehad voor ik daadwerkelijk op de Dijver kon gaan staan.
Ik had er eigenlijk al niet meer op gerekend.
De Grote Stap zelf verliep dan weer wonderlijk gesmeerd, zelfs in die mate dat ik het gevoel kreeg: ik word geholpen.
Maar nu de spits is afgebeten, lijkt het alsof ik opnieuw op mezelf word teruggeworpen.
Ik word geconfronteerd met een menigte praktische problemen die me compleet boven het hoofd groeien: ik verdrink erin.
Tot overmaat van ramp word ik ook nog eens ziek.
En An ligt al weken plat met een hernia.

Nee, ’t is beslist geen lachtertje om ‘wakker’ te worden en bewust over de grens te gaan.
Misschien had Godfried Bomans gelijk toen hij zei: ‘wanneer je zegt ‘dit is geen leven meer’, pas dán leef je echt.’
Maar zoiets kan je pas achteraf zeggen, niet op het moment zelf.

20140420-133512.jpg

Advertenties