Struikelen over een drempeltje

door lievendebrouwere

Ik ben nu al voor de derde opeenvolgende week ziek.
Niet echt ziek-ziek, u weet wel: met koorts en ellendig in bed liggen en niks meer kunnen doen. Nee, ik voel me meer als een ballon die half leeggelopen is.
Dat ik desondanks echt ziek ben, blijkt uit het feit dat ik – ondanks het prachtige lenteweer – niet de minste zin heb om buiten te komen.
Ik kán het nochtans, want verleden week ben ik met de auto (hij was ook ziek) naar de garage geweest en daarna naar de Aldi.
Dat ging prima. In de Aldi heb ik zelfs een handig (want licht) klapstoeltje gekocht dat ik kan gebruiken op de markt in Brugge.
Maar toen ik weer thuis kwam, was het alsof ik Dixie Dansercoeur vergezeld had op z’n zoveelste Noordpoolexpeditie: ik was compleet uitgeput.

20140423-122700.jpg

En ik had er nog zo op gerekend tijdens het Paasweekend in Brugge te kunnen staan en schilderijtjes te verkopen en wat geld te verdienen zodat ik nieuw materiaal kon kopen, enzovoort, enzovoort.
Het viel echter allemaal in het water.
Maar geen nood, na dat weekend zou ik wel weer verrijzen. Het was tenslotte Pasen.
Niet dus.
Het onbedwingbare hoesten is nu wel min of meer onder controle, maar er is nu weer wat anders: als ik ’s avonds in bed kruip, keert dat bed gewoon om, en als ik ’s morgens weer opsta, keert de hele wereld om.
Ik grabbel dan telkens verschrikt naar houvast, maar dat is er niet, want alles tolt rond.
Dat is best een bangelijk gevoel want één van de fundamenten van het menselijk bestaan is toch dat de wereld stilstaat, en dat de hemel boven is en de aarde beneden.
Als die twee van plaats verwisselen, weet je even niet meer waar je ’t hebt.
Overdag is het niet zo erg.
Als ik in mijn vertrouwde zetel zit, dan lijkt het zelfs alsof alles in orde is, maar van zodra ik in beweging kom, lijkt de wereld méé in beweging te komen.
Ik weet wel dat het niet zo is, maar mijn gevoel vertelt me iets heel anders.
Ik zal dus naar de dokter moeten, want ik kan het me niet permitteren om nóg een weekend thuis te blijven.

20140423-123731.jpg

Terwijl ik dat laatste zinnetje schrijf, voel ik dat er iets niet klopt.
Zeker, ik heb nu al een paar keer op de markt in Brugge gestaan, en ik heb al een paar honderd euro verdiend met m’n schilderijtjes, en dat is voor mij al heel wat.
Maar eigenlijk stelt het allemaal (nog) niks voor.
Veel verschil met iemand die wat afgedankte spullen in een doos steekt en ermee op een rommelmarkt gaat staan, is er niet.
En toch klaag ik als een volleerd zelfstandige dat ‘ik het me niet kan permitteren om’.

In feite spéél ik voor zelfstandige: ik doe wat je als zelfstandige hoort te doen (het klagen incluis), maar ik bén helemaal geen zelfstandige, nog lang niet.
Ik doe maar alsof.
Ik maak de bewegingen, maar ik ben er niet echt bij.
Ik voel me als een marionet die aan zijn eigen touwtjes trekt.
Ik ben eigenlijk mezelf niet.
Ik ben mezelf én iemand anders, iemand die ik niet ken: een zelfstandige ondernemer.
Twintig jaar lang ben ik m’n stoel niet uitgekomen.
Nu ik eindelijk ben opgestaan om aan de slag te gaan, blijft een deel van me zitten.
Of beter, het is ook opgestaan maar het is daar zo duizelig en misselijk van geworden dat het meteen weer is gaan zitten.

20140423-124055.jpg

Ik kan me inderdaad niet van de indruk ontdoen dat mijn ziekte een gevolg is van mijn ‘stap over de drempel’, mijn stap van denken naar doen, van afhankelijke naar zelfstandige.
Het is (althans onder antroposofen) bekend dat een mens die over de drempel gaat, innerlijk uit elkaar valt: denken, voelen en willen gaan ieder hun eigen weg.
Hoe waar dat is, ondervind ik nu zelf, ook al is het maar een klein drempeltje waar ik overheen ben gestapt.
Wat ik echter niet begrijp, is het volgende.
Volgens Rudolf Steiner gaat de hele mensheid over de drempel. Maar zo te zien lijkt die mensheid nauwelijks last te hebben van dat innerlijke ‘uiteenvallen’.
Integendeel. In plaats van machteloos in hun stoel neer te zinken, hollen ze van hot naar her en leiden een leven dat honderd keer ondernemender, zelfstandiger en gecompliceerder is dan het mijne.
Ben ik dan zo’n kluns dat één klein drempeltje me al uiteen doet vallen?
Zijn al die anderen dan volleerde drempeloverschrijders?

Die vraag roept een herinnering in me op.
Ooit, lang geleden, heb ik eens drie lessen euritmie gevolgd.
Eén les kostte 100 frank, twee lessen 50 frank, en wie alledrie de lessen volgde moest niks betalen.
Dat vond ik zo’n origineel idee dat het me over de drempel haalde. En die drempel was hoog, niet alleen voor mij trouwens. Want de antroposofische bewegingsleer is niet de populairste van de familie.
Eén reden voor die hoge drempel werd me al tijdens de eerste les duidelijk: ik voelde me een ongelooflijke kluns.
Zelfs de meest elementaire oefeningen kostten me de grootste moeite.
Ik ondervond op niets ontziende wijze hoe weinig thuis ik was in m’n eigen lichaam.
Het leek wel andermans lichaam, er was niks ‘eigens’ aan.
Ik bestond uit een hoofd en een lichaam die niet bij elkaar hoorden.
En dat lichaam begreep niets van de bevelen van dat vreemde hoofd.
Gelukkig was ik niet de enige die stuntelde.
Ik heb nog nooit zoveel stuntels bij elkaar gezien als tijdens die euritmielessen.

20140423-124546.jpg

Maar op een bepaald moment kwam er op wonderbaarlijke wijze een eind aan mijn gestuntel: ik bewoog me gezwind over het parket alsof ik al m’n hele leven euritmie deed.
De anderen stonden er met open mond naar te kijken. Een natuurtalent!
Ik vertrouwde het zaakje echter niet.
Is dit werkelijk hoe het moet? vroeg ik aan de euritmiste.
Ze lachte en schudde het hoofd.
Ze zag wel dat ik automatisch bewoog, dat ik er helemaal niet bij was.
In plaats van in mijn lichaam te kruipen (zoals eigenlijk de bedoeling was), was ik eruit gekropen.
Ik had mezelf onbewust in twee gedeeld, en vanaf dat moment ging alles veel beter.
Ja, het leek zelfs of ik voor euritmie in de wieg was gelegd.
Maar het was natuurlijk allemaal schijn.
Ik deed maar alsof.
En ik wist het niet.
De overgang van (werkelijk) gestuntel naar (schijn)euritmie had zich in een oogwenk voltrokken, zonder dat ik erbij was.
Ik had de drempel tussen werkelijkheid en schijn overschreden zonder het gewaar te worden.
Ik merkte alleen dat alles nu veel beter ging.
As er geen ervaren euritmiste was geweest om me uit de droom te helpen, was ik me van geen kwaad bewust geweest.
Ik had me dan verheugd over mijn kunnen en over de bewondering van de anderen, en ik had dat kleine, wantrouwige stemmetje in mezelf het zwijgen opgelegd.
Wie gaat nu denken dat het niet goed gaat als het juist beter gaat!
Er is een ontwikkeld bewustzijn nodig om door die schijn heen te kijken.
De lesgeefster had zo’n bewustzijn en zag dat ik slechts in schijn euritmie deed.
En schijn-euritmie is minder dan stuntelende euritmie, want de stuntel weet tenminste dat hij uit twee rammelende stukken bestaat. En omdat hij dat weet, probeert hij die stukken weer in elkaar te passen.
De schijn-euritmist daarentegen voelt zich ‘vollediger’ dan ooit en beseft niet dat hij steeds verder uit elkaar valt: zijn handelen wordt steeds automatischer, zijn gevoel steeds zelfingenomener, en zijn denken slaat nergens meer op.

20140423-125051.jpg

Toen ik half maart voor het eerst met m’n schilderijtjes naar Brugge trok, ging dat wonderlijk vlot. Het zou overdreven zijn te zeggen dat ik handelde als een volleerde marktkramer, maar ik stond toch verbaasd van mezelf.
Ik dacht: dit gaat goed!
Ook de anderen dachten: dit gaat goed!
En wat doet een mens dan?
Hij is blij omdat het goed gaat.
Maar als er iemand was geweest aan wie ik had kunnen vragen ‘is dit werkelijk zoals het moet?’ dan zou hij of zij hoogstwaarschijnlijk geglimlacht hebben en het hoofd geschud.
Hij of zij zou gezien hebben dat er maar een deel van me naar Brugge was gegaan en dat het andere deel gewoon thuis was blijven zitten.
Ik was zo vlot over de drempel gegaan omdat ik mezelf – zonder het te beseffen – in twee gedeeld had.

Het duurde echter niet lang voor die schijnmarktkramer ontmaskerd werd.
Echte marktkramers worden namelijk niet ziek na een teleurstellend weekend.
Ze bijten op hun tanden en denken: volgende keer beter!
Precies wat ikzelf ook dacht.
Maar dat denkende ‘zelf’ was slechts een half zelf, een schijnzelf.
De andere helft, mijn ‘handelende zelf’, dacht er heel anders over: hij zag het niet meer zitten.
En dus werd ik ziek.
Ik hoestte me de ziel uit het lijf alsof ik iets uit mijn systeem wilde krijgen.
Vervolgens ging ik aan het duizelen alsof de wereld in een draaimolen veranderd was.
En ik vloekte: verdorie, waarom juist nu, bij dat mooie lenteweer? Waarom steken ze me – weeral – stokken in de wielen? Het is alsof de duivel ermee gemoeid is!

20140423-125455.jpg

Maar zoals er tijdens die euritmie-les een stemmetje was dat zei: ‘het lijkt wel goed, maar is dat ook zo?’, zo is er nu een stemmetje dat zegt: ‘het lijkt wel slecht, maar is het dat ook?
Is dat duizelen niet juist een gevolg van het feit dat ik mijn hoofd mee wil nemen over de drempel, waardoor het terechtkomt in een wereld die veel beweeglijker en veel complexer is?
Is mijn ziekte met andere woorden geen teken dat ik probeer mijn uiteenvallende zelven bij elkaar te houden? En zou ik misschien niet (zo vlug) ziek worden als ik deed wat zoveel andere mensen doen als ze over een drempel gaan: gewoon uiteenvallen en er slechts half, dat wil zeggen onbewust, over gaan?

Misschien ben ik dus zo’n kluns omdat ik probeer helemaal over de drempel te gaan, en niet half.
Toen ik zo vlot overschakelde naar het marktkramersbestaan viel ik eigenlijk uit elkaar: het was maar één stuk van me dat over de drempel ging.
Toen ik probeerde mijn hoofd weer bij mijn lichaam te voegen, raakten beide slaags: het laatste vertoonde ‘afstotingsverschijnselen’ (het hoestte zich te pletter) en het eerste begon te duizelen.

20140423-130118.jpg

Tot zover mijn poging om te begrijpen wat er met me aan de hand is.

Ik besef dat dit een zeer amateuristische interpretatie van de feiten is, die de toets van de ‘antroposofische methode’ zeker niet zou kunnen doorstaan, zoals meneer Steffen dat destijds eiste. Maar was het niet diezelfde meneer Steffen die een cruciale rol speelde in het uit elkaar vallen van de antroposofische beweging?
Je redt het denken niet door het veilig op te sluiten binnen de muren van het hoofd, met zijn vaste methoden.
Je redt het door het over de drempel te loodsen, zodat het terechtkomt in de roetsjbaan van het handelende lichaam.
En ja, daar gaat het zodanig van duizelen dat een mens er ziek van wordt.
Maar beter ziek worden en proberen te genezen, dan denken dat je gezond bent en op een dag moeten vaststellen dat je de kloof met jezelf niet meer kunt overbruggen.

Dat is voorlopig de les die ik uit m’n ziekte trek.
Enerzijds is ze een teken dat ik probeer m’n uiteenvallende innerlijk weer bij elkaar te voegen.
Anderzijds vertelt ze me dat er nog veel werk aan de winkel is en dat er nog altijd een diepe kloof gaapt tussen mijn denken en m’n doen.
Maar dat laatste is geen nieuws.
Het eerste wel.

20140423-130339.jpg

Advertenties