Denken in beelden

door lievendebrouwere

Kleindochter Anna is gek op dansen.
Van zodra ze muziek hoort, is ze vertrokken: euritmie, ballet, breakdance, hedendaagse dans, alles door elkaar.
Maar ook zonder muziek danst ze.
Zo stond ze verleden week in het midden van de woonkamer met uitgestrekte armen rond haar as te draaien.
Liefhebber van de kunsten als ik ben, spoorde ik haar aan: sneller Anna, sneller!
Ik verheugde me al op het voorspelbare.
Maar ik had zonder de waard gerekend.
Toen Anna ophield met draaien en ondervond dat de wereld begon te draaien, liet ze zich vlug als tellen plat op haar buik vallen.
Het was een instinctieve, katachtige reactie, alsof ze zich in een reflex aan de aarde vastklampte.
Geen dronken Anna dus.
Ik had me te vroeg verheugd.

20140427-175342.jpg

Het onverwachte beeld van Anna-die-zich-op-de-grond-laat-ploffen, deed me denken aan – u raad het nooit – Copernicus.
Copernicus is de astronoom die halverwege de 16de eeuw een geestelijke revolutie ontketende door aan te tonen dat de zon niet om de aarde draait maar de aarde om de zon. De aarde – en tegenlijk ook de mens – verloor daardoor zijn status van middelpunt van de wereld.
Het was een degradatie met verstrekkende gevolgen.

Wat heeft de Copernicaanse revolutie nu te maken met Anna?

Wel, als je de zaken ietwat kinderlijk bekijkt, stond de aarde tot aan die revolutie stil.
Alleen de hemel bewoog: hij draaide rond de onbeweeglijke as van de aarde.
De mens – die zich toen nog als vanzelfsprekend liet leiden door ‘hemelse’ aangelegenheden – volgde de omloop van de zon, de maan en de sterren.
Hij draaide dus bij wijze van spreken rond zijn as, zoals Anna.
Dat was eeuwenlang zijn normale (geestelijke) beweging geweest.
Tot Copernicus kwam.
Toen bleef de mens opeens stilstaan.
Bleek immers dat de hemel helemaal niet draaide en dat hij dus niet om zijn as hoefde te draaien om in overeenstemming te zijn met de goddelijke beschikkingen die hij aan het uitspansel aflas.
Omdat de mens bleef stilstaan, begon de aarde te ‘draaien’.
En de mens verloor zijn evenwicht.

Maar hij viel niet om, zoals een volwassen mens dat zou doen.
Volwassen mensen proberen namelijk kost wat kost overeind te blijven als ze hun evenwicht verliezen. Als dat niet lukt, vallen ze om.
De pre-Copernicaanse mens was echter nog niet volwassen.
Hj probeerde niet wanhopig zijn evenwicht te bewaren, maar liet zich, net als Anna, op de grond vallen en klampte zich aan de aarde vast.

20140427-175544.jpg

Tot aan de Copernicaanse revolutie had de mens zich – als een kind – ‘vastgeklampt’ aan de hemel. Hij vond zijn houvast en leiding in ‘hemelse’ zaken, in religie en spiritualiteit en goden en engelen.
Na Copernicus veranderde dat en zocht de mens in toenemende mate zijn houvast in ‘aardse’ zaken.
De wetenschap bijvoorbeeld richtte de blik van boven naar beneden.
Ze begon niet alleen meer en meer het ondermaanse te onderzoeken, maar ze ging de wereld ook steeds meer in louter materiële zin interpreteren.

Het materialisme is dus eigenlijk een onbewuste reactie van de mens: hij klampt zich in een reflex aan de aarde vast om niet om te vallen.
Vandaag doet hij het omgekeerde: hij klampt zich opnieuw vast aan ‘de hemel’.
Vanaf het begin van de 20ste eeuw zien we – zeer tegen de materialistische gang van zaken in – een toenemende belangstelling voor spirituele zaken, en in de 21ste eeuw doet de religie zelfs weer helemaal mee.
Het is alsof de Copernicaanse revolutie teruggedraaid wordt: de hemel weer begint te draaien, de aarde blijft stilstaan, en de moderne mens reageert opnieuw instinctmatig.
Het is immers maar al te duidelijk dat hij zich ‘vastklampt’ aan religie, geest en spiritualiteit.
Het is geen vrije en bewuste keuze, maar een onbewuste, emotionele reflex.

De nieuwe revolutie maakt de oude echter niet ongedaan.
Dat de moderne mens weer begint te geloven in spirituele en religieuze zaken doet niets af aan zijn materialisme.
Spiritualisme en materialisme bestaan gewoon naast elkaar.
En verre van elkaar te verzwakken, maken ze elkaar alleen maar sterker.
Hoe materialistischer de moderne mens wordt, des te ‘spiritueler’ wordt hij ook.
En omgekeerd: hoe ‘spiritueler’ hij wordt, des te meer neemt zijn materialisme nog toe.
Ik zet ‘spiritueel’ bewust tussen haakjes omdat de spiritualiteit van de moderne mens niet te vergelijken is met de spiritualiteit van de pre-Copernicaanse mens.
Een kind wordt als vanzelfsprekend volwassen.
Maar een volwassene wordt niet als vanzelfsprekend weer kind.
Het is voor hem zelfs ontzettend moeilijk om weer de onschuld van een kind te verwerven.
Zijn nieuw verworven spiritualiteit is in de meeste gevallen dan ook louter schijn.
Ze is een laagje vernis dat een alsmaar groeiend materialisme verbergt.
Ja, dankzij die schijn-spiritualiteit kan het materialisme zich ongestoord vermenigvuldigen.
Denken we maar aan de ‘spiritualiteit’ van de moslimfundamentalisten.
Of aan de ‘religiositeit’ van de met bommen strooiende Amerikanen.

20140427-175840.jpg

Het reflexmatige materialisme dat na de Copernicaanse revolutie baan brak, heeft de mens van de hemel beroofd maar hem de aarde in de plaats gegeven.
Het reflexmatige spiritualisme dat vandaag baan breekt, geeft de mens de hemel echter niet terug, integendeel.
Het berooft hem van hemel én aarde.
De twee tegengestelde reflexen dreigen hem zodanig het evenwicht te doen verliezen dat hij terechtkomt in een wereld die hem geen enkel houvast meer biedt, noch materieel noch geestelijk.

Het is duidelijk dat de moderne mens behoefte heeft aan geestelijk houvast, want op de aarde vindt hij dat niet meer.
De aarde is al lang niet meer de vertrouwenwekkende plek die ze was voor de inferno’s van de 20ste eeuw losbraken.
En die apocalyptische toestanden waren een gevolg van een dubbele reflex: materialisme en spiritualisme traden tegelijk op en … explodeerden.
Dat exploderen is sindsdien niet opgehouden, het gaat nog steeds door.

We leven als het ware op een kruitvat.
Er is dus dringend nood aan een spiritualiteit die in combinatie met het materialisme géén ontploffingsgevaar oplevert.
We hebben een spiritualiteit nodig die zich met het materialisme verzoent, of beter: die de verworvenheden van het materialisme niet ongedaan maakt. Want ik denk niet dat de moderne atheïsten en materialisten gekant zijn tegen spiritualiteit op zich. Ze zijn gekant tegen het gevaar dat spiritualiteit oplevert voor de vrijheid en zelfstandigheid van de mens.
Ze kennen namelijk geen andere spiritualiteit dan de kinderlijke (en dus afhankelijke) religiositeit van de pre-Copernicaanse mens.

20140427-180135.jpg

Als antroposoof kun je natuurlijk zeggen: zo’n spiritualiteit bestaat!
De antroposofie biedt de moderne mens een wereldbeeld dat door en door spiritueel is, maar dat toch de menselijke vrijheid erkent en ze zelfs tot grondslag neemt.
Maar dan word je tegelijk ook geconfronteerd met de vraag: waarom overtuigt de antroposofie dan niet méér mensen?
We kunnen er niet omheen: de antroposofie speelt geen rol van betekenis in de moderne wereld. Beweren dat ze ertoe bijdraagt het ontploffingsgevaar te bezweren, is pure speculatie.
We moeten zelfs rekening houden met de mogelijkheid dat de antroposofie bijdraagt tot dat ontploffingsgevaar, omdat ze zich vermeit in geestelijke werelden die nauwelijks te verzoenen zijn met de concrete, zichtbare werkelijkheid.

Ik ondervind ook zelf telkens weer hoe groot de kloof is tussen mijn ‘antroposofische spiritualiteit’ en de materialistische wereld waarin ik leef.
Ik kan die spiritualiteit meestal alleen maar tegenover die wereld plaatsen, en het is al heel wat als ik erin slaag dat op een respectvolle, niet-veroordelende manier te doen.
Maar beweren dat ik mijn ‘spirituele zelf’ weet te verzoenen met de materialistische wereld van vandaag is … lachwekkend.
Het volstaat dat die wereld een norse blik op me werpt of mijn antroposofische zelf gaat onderuit.

Nee, een nieuwe spiritualiteit die werkelijk de lont uit het kruitvat kan halen, is nog niet voor morgen. En ze zal er ook niet komen zolang we ons niet bewust worden van de diepe kloof die gaapt tussen spiritualiteit en materialisme.

20140427-180553.jpg

Om duidelijk te maken hoe diep die kloof nog altijd (of zelfs meer dan ooit) is, keer ik terug naar Copernicus.
Deze sterrenkundige, die met zijn De revolutionibus orbium coelestium aan de grondslag lag van de moderne wetenschap, leefde in een tijd toen het huidige onderscheid tussen astronomie en astrologie nog niet bestond.
Voor de pre-Copernicaanse mens was het heelal met al zijn sterren en planeten een beeld van God.
Aan dat beeld las hij (via astrologen) af wat God van hem verwachtte.
Toen dat beeld een fictie bleek te zijn, volgde daar logischer wijze uit dat ook God een fictie was. En de mens hield – weliswaar heel langzaam – op te geloven in zowel God als de astrologie.

Vandaag weten we dat de dierenriemtekens waarop de astrologie zich baseert, niet bestaan.
Er is geen enkel verband tussen de sterren waaruit ze samengesteld zijn.
Die sterren bevinden zich zelfs vele lichtjaren van elkaar verwijderd.
Wat van op de aarde gezien dus een veelzeggend beeld lijkt, is in werkelijkheid een chaotische verzameling sterren zonder enig verband of betekenis.
Astrologische beelden zijn schijnbeelden. Ze bestaan alleen in de geest van de astroloog.
Geen groter tegenstelling dan tussen de astrologie en de astronomie.
Het pre-Copernicaanse wereldbeeld van de astrologie verhoudt zich tot het moderne wereldbeeld van de wetenschap als schijn tot werkelijkheid.

20140427-180828.jpg

Alleen al de idee dat die twee met elkaar verzoend zouden kunnen worden, is in de ogen van een moderne wetenschapper een godslastering (sic).
Het is een poging om de verworvenheden van de wetenschap ongedaan te maken en terug te keren naar de tijd toen de mensen nog geloofden in goden en engelen.
Hierover een gesprek voeren met een wetenschappelijke geest is nagenoeg onmogelijk.
Je kunt wel in de astrologie geloven, en je kunt in de wetenschap geloven, maar beide samen?
No way! Onmogelijk!

En toch is deze reactie niet … wetenschappelijk.
Iedereen die de astrologie ernstig en onbevooroordeeld onderzoekt – en dat is toch wat wetenschap inhoudt – zal tot de conclusie komen dat ze werkt.
Johannes Kepler, een beroemd astronoom die 100 jaar na Copernicus leefde en een grote naam is in de wetenschap, was een praktiserend astroloog.
Als collega’s hem daarop aanspraken, antwoordde hij: ‘mijne heren, ik heb de zaak bestudeerd en u niet!
Hij wist wat iedereen weet die de astrologie praktiseert: wie haar afdoet als onzin, heeft haar niet bestudeerd.
Al die wetenschappers die de astrologie verketteren als bijgeloof, reageren emotioneel en instinctief.
Ze zijn niet rationeel, laat staan wetenschappelijk.

Hun materialistische reflex is echter heel begrijpelijk.
Het is voor een wetenschappelijke geest ronduit verbijsterend te moeten vaststellen dat de astrologie werkt.
Want het betekent dat het pre-Copernicaanse wereldbeeld nog altijd geldig is.
De dierenriemtekens, die in het moderne wereldbeeld louter fictie zijn, zijn dus tegelijk werkelijkheid.
En het menselijk bestaan, dat in onze ogen uit louter toevalligheden en wilsbesluiten bestaat, is tegelijk gepredestineerd.
Je hoeft geen wetenschapper te zijn om de te voelen hoe deze twee wereldbeelden frontaal tegen elkaar botsen: het Westerse ‘yes, we can!’ dat gebaseerd is op de vrijheid van de mens, en het Oosterse ‘inch’ allah‘ dat gelooft dat alles in Gods hand ligt.

20140427-181033.jpg

Ik heb ooit nog eens en paar dagen chauffeur gespeeld voor iemand die zijn rijbewijs was kwijtgespeeld en zijn auto niet kon missen voor zijn werk.
En zeggen dat ik het wist, zuchtte hij, want mijn astroloog had me ervoor gewaarschuwd!
Hij geloofde dus wel degelijk in de astrologie (anders zoek je geen astroloog op), maar tegelijk wilde hij er niet echt rekening mee houden, ook al bracht hem dat in de problemen.
Ik herken die dubbelheid heel goed.
Ik heb in mijn jonge jaren genoeg van de astrologie gezien om te weten dat ze werkt.
Maar ik wist niet hoe ik ze moest verzoenen met mijn geloof in de menselijke vrijheid, en dus liet ik ze voor wat ze was.
Het enige wat ik ervan heb overgehouden (en wat me ook in haar aantrok, meer dan de praktische kant) is het denken in beelden.

Een astroloog denkt in beelden.
Als hij bijvoorbeeld wil weten wat de planeet Mars uitricht in het teken Kreeft, dan vormt hij zich een beeld van zowel Mars als Kreeft en laat die twee in interactie komen.
Het verband tussen de rode planeet uit ons zonnestelsel en de mythische oorlogsgod Mars heeft geen enkele wetenschappelijke grondslag. Het is puur verbeelding, net als de relatie tussen een (schijn)verzameling sterren aan de hemel en het waterdier kreeft.
En toch kan een (goede) astroloog op grond van die verbeelding zeer concrete voorspellingen doen.
Er is dus wel degelijk een verband tussen de menselijke verbeelding en de werkelijkheid. Dat kan iedereen ervaren die het wil.

20140427-181306.jpg

Het is dan ook geen toeval (sic) dat mijn weg van het materialisme naar de antroposofie begonnen is met de astrologie.
Toen ik er veertig jaar geleden voor het eerst een boek over las, trof ik daarin een manier van denken aan die me vreemd vertrouwd voorkwam: een kunstzinnig denken, een denken-in-beelden.
Dat zo’n beelddenken enig verband hield met de concrete werkelijkheid kon ik niet geloven, maar het intrigeerde me genoeg om de proef op de som te nemen.
Als het allemaal onzin was, dan wilde ik dat weten, niet geloven.
En dus kocht ik een goedkope handleiding en een (ietwat duurder) boekje met efemeriden, en ik trok mijn eerste horoscoop: die van mezelf, uiteraard.
Het was meteen de spijker op de kop: dat was ik, geen twijfel mogelijk!
Alles wat ik over mezelf wist (en meer), trof ik in die horoscoop aan.
In de jaren die volgden, zou ik ettelijke horoscopen trekken van medestudenten, en telkens bleek ik ze er meteen in te herkennen.
Tot ik op zekere dag een horoscoop trok die er niet op leek.
Ik had toen echter al zoveel vertrouwen in de astrologie dat ik zei: het geboorteuur dat je me hebt gegeven, kan niet kloppen!
Bij navraag bleken de ouders het inderdaad niet eens te zijn over het geboortemoment van hun dochter.
Dit keer trok ik de horoscoop op basis van de gegevens van de vader en ik zag meteen dat hij het bij het rechte eind had.
Ik moet dan ook eens lachen als kritikasters beweren dat astrologie louter verbeelding is.
Verbeelding is ze inderdaad, maar dan wel een verbeelding die onmiskenbaar verband houdt met de werkelijkheid.

20140427-181451.jpg

Als ik, zoals hierboven, allerlei gevolgtrekkingen maak louter op basis van beelden, dan besef ik dat veel mensen dat misschien wel leuk vinden, maar het niet echt ernstig nemen.
Kleine Anna vergelijken met de pre-Copernicaanse mens die duizelig wordt als de hemel stilstaat en de aarde begint te draaien?
Dat is allemaal maar bij-wijze-van-spreken, denken ze onwillekeurig, het is een kunstzinnig beeld, geen werkelijkheid.
Het idee dat ik met dit soort beelddenken iets te weten zou kunnen komen over de werkelijkheid, is in materialistische ogen gewoon lachwekkend.
Maar ook in antroposofische kringen wordt het denken-in-beelden met veel wantrouwen bekeken.
Fictie is fictie en werkelijkheid is werkelijkheid, and the twin shall never meet.
Deze, in wezen materialistische, overtuiging is zo diep geworteld in het bewustzijn van de moderne mens dat geen spiritualiteit er vooralsnog tegen opgewassen is.

Zonder beelddenken is geen echte spiritualiteit mogelijk, daar ben ik van overtuigd.
De moderne mens zal dit pre-Copernicaanse denken hoe dan ook moeten verbinden met het post-Copernicaanse denken, en hij zal dat bewust moeten doen.
De nieuwe spiritualiteit zal kunstzinnig zijn of ze zal vernietigend zijn.
Ze zal het materialistische denken tot een kunst verheffen of ze zal er zich onbewust mee vermengen en het tot een vernietigende kracht maken.
De kloof tussen verbeeldingskracht en rationaliteit, tussen kunst en wetenschap moet overbrugd worden, anders zal de moderne mens zijn evenwicht verliezen.
En hij zal vallen, want noch in de oude hemel noch op de oude aarde zal hij enig houvast vinden.

20140427-182441.jpg

Advertenties