Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: mei, 2014

Steiner over kunst (1)

Na Tolstoj wil een mens wel eens een echte denker aan het woord horen over kunst.
Om geen tijd te verliezen, kies ik meteen de allergrootste: Rudolf Steiner.
Op 9 november 1888 hield hij in Wenen een voordracht die nadien werd uitgegeven onder de titel ‘Goethe als vader van een nieuwe esthetica‘. (GA 271)
De bijna 28-jarige Steiner vat in deze voordracht zijn ideeën over kunst op zeer gebalde wijze samen.
Twintig jaar later schrijft hij in het voorwoord bij de tweede druk dat hij niet één zin heeft hoeven te veranderen en dat de inhoud alleen maar actueler geworden is.
In hetzelfde voorwoord noemt hij zijn ideeën over kunst een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en de antroposofie noemt hij ‘de aangewezen manier om deze ideeën te begrijpen’.

20140529-115957.jpg
(Dit is geen reclame voor het boek, het gaat alleen om de foto)

Het doet onwillekeurig denken aan ‘De Filosofie der Vrijheid’, een werk dat in 1893 verschijnt en eveneens geldt als een grondslag van de antroposofie.
Steiner noemt dus zowel zijn ideeën over kunst als zijn ideeën over denken en vrijheid fundamenten waar de antroposofie op rust.
Hij spreekt daarbij over ‘gezonde’ fundamenten, wat impliceert dat er ook ‘ongezonde’ bestaan.
En inderdaad, zowel Steiners esthetica als zijn vrijheidsfilosofie zijn gericht tegen een misvatting die het hele moderne denken beheerst.
Op het vlak van de wetenschap is dat de Kantiaanse opvatting van das Ding an sich als een werkelijkheid die niet te kennen valt.
Op het vlak van de kunst is het de opvatting van Schelling die de kunst ziet als de zintuiglijke verschijningsvorm van de idee.

Als Steiner twintig jaar na het verschijnen van zijn voordracht schrijft dat zijn ideeën over kunst alleen maar actueler zijn geworden, doelt hij op een evolutie die tot op de huidige dag voortduurt.
Schellings misvatting beheerst de hedendaagse kunstwereld namelijk als nooit tevoren.
En eigenlijk geldt hetzelfde voor Kants misvatting, want de bottomline van de hedendaagse esthetica is dat kunst een poging is om ‘das Ding an sich’ zichtbaar te maken.
De twee fundamentele misvattingen die Steiner bestrijdt – die van Kant en die van Schelling – komen dus samen in de Hedendaagse Kunst.
Tot wat voor ziekelijke toestanden dat leidt, is inmiddels bekend.

20140529-120558.jpg
(Friedrich Schelling)

Genezing is volgens Steiner alleen mogelijk wanneer we onze opvattingen over kunst (en wetenschap) baseren op Goethe.
Goethe moet het uitgangspunt zijn van de moderne cultuur, vindt hij.

‘Alleen wie in staat is, op welk punt dan ook, aansluiting te vinden bij Goethe en zijn tijd, kan tot helderheid komen over de weg die onze cultuur inslaat en zich bewust worden van de doelen waar de moderne mensheid op af moet gaan. Wie zo’n relatie tot de grootste geest van de jongste tijd niet vindt, wordt eenvoudigweg meegetrokken door zijn medemensen en als een blinde geleid. Alle dingen verschijnen voor ons in een nieuwe samenhang als we ze bekijken met de blik die zich gescherpt heeft aan deze bron van onze cultuur.’

Het is niet niks wat Steiner hier in een paar zinnen zegt.
Het komt erop neer dat onze gehele moderne cultuur op het verkeerde spoor zit, want het leidt geen twijfel dat de moderne mensheid geen aansluiting heeft gevonden bij Goethe.
De gevolgen van deze ‘ontsporing’ zijn precies wat Steiner aangeeft.
Met name op het gebied van de kunst is de grootste bekommernis van de moderne mens om ‘erbij te horen’, om te doen en te denken zoals de anderen.
Een eigen oordeel vormen, is er niet meer bij.

Hoe meer ik Steiner lees (en dat doe ik helaas veel te weinig) des te meer valt het me op hoe zorgvuldig hij zijn woorden kiest.
Steiner zegt nooit ‘zomaar’ iets.
Zijn woorden zijn doordrongen van bewustzijn en betekenis.
Hij spreekt niet zoals wij spreken.
Ons taalgebruik is in hoge mate abstract: we bedienen ons van woorden en begrippen die grotendeels los staan van de werkelijkheid en daardoor hun eigen (schijn)leven leiden.
Steiners woorden en begrippen daarentegen – hoewel uiterlijk op de onze lijkend – zitten innerlijk boordevol werkelijkheid, een werkelijkheid die we vaak niet zien omdat we opgesloten zitten in de schijnwereld van ons hoofddenken.
We staan niet stil bij de woorden ‘meegetrokken door onze medemensen’ en ‘als blinden geleid’ omdat we ze als een abstracte formulering opvatten, een manier-van-zeggen.
Maar ze zijn heel concreet bedoeld.
Steiner beschreef er een werkelijkheid mee die in zijn tijd al in de kiem aanwezig was, maar pas vandaag in al haar ziekelijkheid aan het licht komt.

20140529-121140.jpg

Als er in dat ene, bijna terloopse zinnetje al zoveel waarheid en werkelijkheid schuilgaat, hoeveel te meer moet dat dan niet het geval zijn met wat Steiner in deze voordracht over Goethe zegt!
Hij noemt Goethe de grootste geest van onze tijd, de geest die de moderne mens de weg naar de toekomst wijst.
Hij verheugt zich dan ook over de grote belangstelling die deze wegbereider geniet, maar hij is verre van gelukkig met de aard van die belangstelling.
Volgens Steiner wordt er te veel gekeken naar de resultaten van Goethes onderzoekingen, en te weinig naar zijn manier van onderzoeken.
De resultaten mogen dan wel achterhaald zijn, de onderzoeksmethode is dat allerminst.
Het komt er eigenlijk op neer dat we Goethe niet kunstzinnig genoeg benaderen.
We kijken te veel naar het wat, en te weinig naar het hoe.
We bezondigen ons met andere woorden aan Schellings misvatting en daardoor blijven we blind voor wat Goethe zo groot maakt: zijn kunstzinnige wetenschap.
En precies die wetenschap, die tegelijk een kunst is, vormt de grondslag van de antroposofie.

Het is dankzij Goethes ‘wetenschappelijke methode’ dat Rudolf Steiner erin slaagde een brug te slaan tussen de twee werelden die hij allebei zo goed kende, maar die in zijn beleving naast elkaar bleven staan: de zintuiglijke (of materiële) wereld en de bovenzintuiglijke (of geestelijke) wereld.
De antroposofie is dus in feite een verdere uitwerking van Goethes ‘methode’, en aangezien dat een kunstzinnige methode is, zouden we de antroposofie een esthetica kunnen noemen, een wetenschap van de kunst in de ruimste zin van het woord.
Dat maakt begrijpelijk waarom Steiner zijn ideeën over kunst een ‘gezond fundament van de antroposofie’ noemt: ze zijn reeds een vorm van antroposofie.
De antroposofie in wezen een denken over kunst.
Zij denkt immers na over mens en wereld, beide scheppingen van de geest, beide kunstwerken dus.

20140529-121521.jpg

In zijn voordracht wil Steiner Goethes ideeën toepassen op de esthetica, ‘een van de jongste en tegelijk meest omstreden wetenschappen’.
Die wetenschap neemt een aanvang wanneer de Duitse filosoof Alexander Baumgarten in 1750 zijn Aesthetica publiceert.
Alles wat daarvóór over kunst werd geschreven, verdient volgens Steiner de naam wetenschap niet.
Zelfs de grote Aristoteles had ‘helemaal geen verstand van kunst’.
Het is geen toeval, zegt Steiner, dat de wetenschap van het schone pas zo laat is ontstaan.
Zolang de mens nog één was met de natuur, zoals in het oude Griekenland, kon er geen kunstwetenschap ontstaan.
Daar is immers afstand voor nodig, en die was er toen niet.
In de Middeleeuwen was die afstand er wel, maar ook toen kon er geen kunstwetenschap ontstaan, want de natuur – met wier middelen de kunstenaar werkt – werd gezien als een onverzoenlijke tegenstelling met de geest.
Pas toen de mens erin slaagde (opnieuw) een brug te slaan tussen natuur en geest, kon er een wetenschap van de kunst ontstaan.

Voor Goethe was er geen principiële scheiding tussen geest en natuur.
De natuur was voor hem één groot geheel waar ook de mens, met zijn bewustzijn, deel van uitmaakt. Wanneer die mens tot inzicht komt in dat omvattende geheel, juicht het heelal en bewondert het zichzelf.
Met die opvatting stijgt Goethe volgens Steiner ver boven de directe natuur uit, zonder er zich evenwel ook maar in het minst van te verwijderen.
Hij vindt, zou je kunnen zeggen, een synthese tussen de Griekse en de Middeleeuwse mens.

20140529-122149.jpg

Goethe trekt zich niet terug uit de werkelijkheid om in zichzelf een ‘geestelijke’ wereld te vormen.
Nee, hij verdiept zich juist in de werkelijkheid om in haar veranderlijkheid het onveranderlijke te ontdekken.
Dat onveranderlijke noemt hij: het oerbeeld.
Het oerbeeld van de plant bijvoorbeeld – de ‘oerplant’ – is niets anders dan de ‘idee’ van de plant.
Deze idee mag echter niet begrepen worden als een abstract begrip dat deel uitmaakt van een kleurloze theorie.
Voor Goethe is ze de wezenlijke grondslag van de concrete plant en derhalve boordevol leven en aanschouwelijke rijkdom.
Deze oerplant is weliswaar niet zichtbaar voor de uiterlijke zintuigen, maar ze is dat wel voor een ‘hoger’ zintuig dat de mens verwerft door middel van wat Goethe ‘Anschauende Urteilskraft‘ noemt.
Wie deze ‘aanschouwelijke oordeelskracht’ ontwikkelt, ziet de ideeën of oerbeelden van de dingen even objectief als hun kleuren en vormen.
Wie deze oordeelskracht niet ontwikkelt en alleen met zijn gewone zintuigen waarneemt, ziet deze oerbeelden evenmin als een blinde kleuren of vormen ziet.

Goethe verwerft dit hogere zintuig door de natuur in gedachten ‘na te scheppen’.
Hij blijft dus niet staan bij de natuur zoals ze zich aan onze gewone zintuigen voordoet, maar dringt door in haar ontstaan.
Hij ‘beluistert de natuur in haar scheppen’, zoals Steiner het uitdrukt.
Op die manier stijgt hij op tot datgene wat we als het ‘goddelijke’ vereren en wat we in de wetenschap kennen als de ‘idee’.

20140529-122535.jpg

Maar ‘terwijl de pure ervaring niet kan leiden tot verzoening van de tegenstellingen omdat ze wel de werkelijkheid heeft maar nog niet de idee, kan de wetenschap evenmin tot die verzoening leiden omdat ze wel de idee heeft maar niet meer de werkelijkheid.’
Tussen deze twee in, zegt Steiner, heeft de mens een nieuw gebied nodig, een noodzakelijk derde rijk tussen dat van de zintuigen en dat van het denken: de wereld van de kunst.
‘Het goddelijke dat de dingen van de natuur missen, moet daarin door de mens zelf worden geplant en daarin ligt de grote opgave voor de kunstenaars: zij moeten om zo te zeggen het Rijk Gods op aarde brengen.’

Deze ‘religieuze missie’ van de kunst spreekt Goethe als volgt uit:

‘Doordat de mens aan de top van de natuur is geplaatst, ziet hij er op zijn beurt uit als een totale natuur die in zichzelf weer een top moet voortbrengen. Daartoe klimt hij op doordat hij zich met alle volmaaktheden en deugden doordringt, bij zichzelf ordeningen, keuzes, harmonie en betekenis oproept, en zich ten slotte verheft tot het vervaardigen van het kunstwerk, iets dat naast zijn andere daden en werkstukken een schitterende plaats inneemt. Is het kunstwerk eenmaal ontstaan, staat het in zijn ideale werkelijkheid in de wereld, dan heeft het een duurzame, verheven uitwerking. Want doordat het zich geestelijk ontwikkelt uit de gezamenlijke krachten, neemt het al het prachtige, respectabele en liefdevolle in zich op. En doordat het de menselijke gestalte bezielt, heft het de mens boven zichzelf uit, sluit het zijn levens- en werkgebied af en vergoddelijkt het hem voor de tegenwoordige tijd waarbij verleden en toekomst zijn inbegrepen. Door zulke gevoelens – zo kunnen wij opmaken uit de beschrijvingen, berichten en getuigenissen van de Grieken en de Romeinen – werden de mensen getroffen die de olympische Jupiter aanschouwden. De god was tot mens geworden om de mens tot god te verheffen. Men aanschouwde de hoogste waardigheid en werd geestdriftig voor de verhevenste schoonheid.’

20140529-123329.jpg

‘Daarmee, zegt Steiner, werd aan de kunst het grote belang toegekend die ze heeft voor de vooruitgang van de menselijke cultuur. En het is typerend voor het machtige ethos van het Duitse volk dat juist bij haar als eerste dit inzicht opkwam. Het is ook typerend dat alle Duitse filosofen al een eeuw lang worstelen om een wetenschappelijke vorm te vinden voor de unieke wijze waarop in het kunstwerk het geestelijke en het natuurlijke, het ideële en het reële met elkaar versmelten. De taak van de esthetica is immers geen andere dan de aard van deze wederzijdse doordringing te begrijpen, en dit uit te werken voor de afzonderlijke vormen waarin die doordringing zich op de verschillende gebieden van de kunst manifesteert.’

Wanneer we deze woorden lezen, begrijpen we waarom Steiner de esthetica een grondslag van de antroposofie noemt.
Want ook in de antroposofie gaat het om het begrijpen van de ‘wederzijdse doordringing’ van geest en materie, van zintuiglijk en bovenzintuiglijk, van idee en werkelijkheid.
De geestelijke wereld waar Steiner over spreekt, staat immers niet los van de materiële wereld.
Hij doordringt die wereld, zoals de geest van de kunstenaar de materie doordringt wanneer hij schept.
Een geestelijke wereld die dat niet doet en los van de materie wordt waargenomen, is in feite een schijnwereld, een luciferische wereld.
Hetzelfde geldt voor een wereld die louter met de zintuigen en dus los van enige geest wordt waargenomen: dat is een ahrimanische schijnwereld.
De wereld waar de antroposofie over spreekt, is de echte werkelijkheid: een werkelijkheid die zowel materieel als geestelijk is, een wereld die dus in wezen een kunstwerk is.
Het is de wederzijdse doordringing van materie en geest die de antroposofie wil begrijpen, en daarom is ze in wezen een esthetica, een wetenschap van de kunst.
Nadenken over kunst (in de allerruimste zin) is dan ook de core business van de antroposoof.

(Wordt vervolgd)

20140529-124547.jpg

Advertenties

Groen en rood

De ecologisten zijn, met het Vlaams Belang, ongetwijfeld de verliezers van deze stembusgang.
In het Franstalige landsgedeelte is dat overduidelijk, met een tuimeling op Waals niveau van veertien naar vier zetels, en federaal een daling van acht naar zes.
In Vlaanderen is dat minder opvallend, zij lijken er te zijn vooruitgegaan, maar dat was zo marginaal dat het eigenlijk een nederlaag is.
In beide gevallen kan evenwel dezelfde analyse worden gemaakt: het zijn niet de ecologisten als dusdanig die zijn afgestraft, maar de gauchisten die zich sinds ongeveer vijftien jaar als ecologisten voordoen en zichzelf eerder positioneren als een radicaler alternatief voor de socialistische partij dan als een milieupartij.

In de rivaliteit tussen Groen en PVDA in Vlaanderen, speelt feitelijk de oude rivaliteit door tussen RAL en AMADA, tussen trotskisten en maoïsten.
Onder het bewind van Mieke Vogels en Jos Geysels werd het toenmalige Agalev, via de introductie van Patsy Sörensen op bevel van Tom Lanoye in diens columns in Humo, een filiaal van de Vierde Internationale.
Agalev heeft zich daar nooit meer van kunnen herstellen.
Dat Groen nu niet is doorgebroken, mag voor een groot deel op het conto geschreven worden van haar krampachtige poging om socialistischer te zijn dan de socialisten.

(Eddy Daniëls op de-bron.org)

20140528-095347.jpg

Paard en kar

Als ik de commentaren lees, dan ziet het er niet goed uit voor Bart De Wever.
Sommigen noemen hem een geniaal politicus, maar om een regering te kunnen vormen met partijen die geen van alle met hem willen regeren, zal hij wel buitengewoon geniaal moeten zijn.
Een zekere Mercury Traveller schrijft op Facebook:

‘OK, opdracht volbracht.
Vlaamse onafhankelijkheid moet wachten tot de totale economische crash van Vlaanderen.
België gered tot de totale crash van België en Vlaanderen.
De Vlaamse schapen worden tot in het oneindige geschoren.
Proficiat, Vlaamse idioten, jullie hebben het allemaal zelf gedaan.’

Ik ben bang dat het daar wel zo’n beetje op neerkomt.

Winston Churchill schreef ooit (maar niet op Facebook):
‘Sommige mensen zien de ondernemer als een op buit beluste wolf, die men dood moet slaan.
Anderen zien hem als een koe, die men zonder ophouden kan melken.
Maar slechts weinigen zien hem als wat hij werkelijk is: het paard dat de kar moet trekken.’

Wel, na 200 jaar de Belgische kar getrokken te hebben, is het Vlaamse paard afgepeigerd.
Het ziet er een beetje uit als Bart De Wever.
En de vraag blijft: hoelang houdt dat paard het nog vol?

20140528-093805.jpg

En nu?

Wat iedereen gevreesd had, is uitgekomen: Bart De Wever heeft de verkiezingen gewonnen.
Waar alle partijen en media jarenlang onverdroten hebben tegen gevochten, is werkelijkheid geworden: de N-VA is met meer dan 30% van de stemmen verreweg de grootste partij in Vlaanderen.
Maar wat zien we?
Overal lachende gezichten.
Behalve bij de winnaar.
Als ik de partijvoorzitters mag geloven dan heeft de CD&V gewonnen, dan heeft de SP.a gewonnen, dan heeft de VLD gewonnen, dan heeft Groen gewonnen, dan heeft de PVDA gewonnen.
Ze hebben allemaal gewonnen.
Behalve het Vlaams Belang dan, want dat gaat de dieperik in.

20140527-172650.jpg

Hoe valt dat te verklaren: een verkiezing met alleen maar winnaars?
Kijk, dat is nu democratie op z’n Belgisch: hoe het volk stemt, doet er niet toe.
Al zeker 10 jaar geeft het Vlaamse volk in toenemende mate te kennen dat het nu eindelijk eens ernstig genomen wil worden, dat het niet langer bakzeil wil halen tegenover de Franstalige eisen, dat het zijn rechten opeist, dat het democratie wil.
Wat doen de politici met die volkswil?
Ze trekken er zich niks van aan.
Meer zelfs, ze gaan er dwars tegen in.

Dát is de betekenis van al die lachende gezichten, van al die ‘overwinnaars’.
De Verenigde Politici hebben de strijd tegen het volk weer eens gewonnen.
30% van de stemmen is in België immers niet genoeg om gehoord te worden.
Bart De Wever beseft dat maar al te goed.
Daarom was hij zowat de enige die zondag niet kon lachen.
Daarom zag hij er ook tien jaar ouder uit.
De man heeft de verkiezingen dan wel gewonnen, maar die doen er niet toe.
De echte strijd vindt achter de schermen plaats, en die strijd zal hij waarschijnlijk verliezen.
Er zal ook nu niks veranderen.

De Verenigde Partijen zullen zodanig manoeuvreren dat de N-VA buitenspel wordt geplaatst of monddood gemaakt.
Dat hebben ze al met het Vlaams Belang gedaan.
Dat hebben ze na de vorige verkiezingen met de N-VA gedaan.
En dat zullen ze ook nu weer doen.
Ik twijfel er niet aan dat ze nu reeds weten hoe ze dat zullen doen.
Ze hebben tijd genoeg gehad om in hun achterkamertjes een strategie op te stellen, en die zal nu in werking treden.
Daar verheugen ze zich al op.
Want het is een ongelijke strijd.
Een strijd van één tegen allen.
Dat kan die ene, hoe zwaar hij ook weegt of hoeveel hij ook is afgevallen, nooit winnen.

20140527-172820.jpg

Juist dát wekt mijn bewondering: Bart De Wever vecht een strijd die hij niet kan winnen.
Maar het is een strijd die moet gestreden worden, want in de grond is het een geestelijke strijd: een strijd om Vlaamse bewustwording, een strijd om de bewustwording van de – zo verketterde en ontkende – Vlaamse volksziel.
En op geestelijk vlak gaat het niet om winnen of verliezen, het gaat om de strijd zelf, het gaat om het bewustzijn dat daaruit ontstaat.
De verkiezingsoverwinning van Bart De Wever is belangrijk, niet omdat hij gewonnen heeft, maar omdat de strijd wordt voortgezet.
Een verkiezingsnederlaag was rampzalig geweest, niet omdat de N-VA zou verloren hebben, maar omdat er dan waarschijnlijk een eind was gekomen aan de strijd.
Moreel zou Bart De Wever dan gebroken zijn geweest, en mét hem misschien ook de Vlaamse ziel, want politici van dit formaat duiken maar één keer in 100 jaar (of meer) op.
En met ‘formaat’ bedoel ik hier: politici die standhouden, die niet bezwijken onder de druk.

Ik herinner me nog dat ik tijdens de vorige regeringsonderhandelingen – toen Bart De Wever als enige het been stijf hield tegenover de Franstalige eisen – voorspelde: vroeg of laat kraakt die man.
Hij zal toegeven, net zoals Yves Leterme heeft toegegeven, net zoals al zijn voorgangers hebben toegegeven.
Want dát is het diep ingebakken ‘vrouwelijke’ instinct van de Vlamingen: toegeven omwille van de lieve vrede.
Ik was dan ook zeer verbaasd toen Bart De Wever niet toegaf en niet kraakte.
Ik dacht: chapeau!
Die vent is taai!
Maar eigenlijk denk ik er vandaag nog altijd net zo over: vroeg of laat zal BDW kraken.
Niemand houdt zo’n stijd van één tegen allen vol.
Want laten we wel wezen: de N-VA, dat is Bart De Wever.
Zonder hem blijft er van die partij even weinig over als van de Lijst Pim Fortuyn zonder Pim Fortuyn.
Alles rust op zijn schouders, en dat is de man ook aan te zien.
De vraag is: hoelang houdt hij dat nog vol?

20140527-173005.jpg

Er staan nu slopende regeringsonderhandelingen op het programma.
In Vlaanderen zullen die misschien nog lukken.
Maar op federaal niveau?
Bart De Wever zal met zijn Vlaamse eisen tegenover een Franstalig blok komen te staan dat hechter is dan ooit.
Want er staat veel op het spel voor de Franstaligen.
Alleen als Vlaanderen eveneens een blok vormt, zal het de Franstalige muur kunnen doorbreken.
Maar een eensgezind Vlaanderen, dat is zoiets als katholieken en protestanten die in Ierland samen naar de kerk gaan.
Hoe Bart De Wever deze strijd zou kunnen winnen, die – laten we dat niet vergeten – een strijd om gelijkberechtiging is, blijft een raadsel.

Maar in de grond is zo’n overwinning niet het belangrijkste.
Het belangrijkste is dat de strijd gestreden wordt en dat het bewustzijn blijft groeien.
Het Vlaamse bewustzijn in de eerste plaats, want het is zoals in de relatie tussen man en vrouw: het is niet de man die de vrouw gelijke rechten moet toekennen, het is de vrouw die ze moet opeisen.
Hetzelfde geldt voor de relatie tussen de machthebbers en het volk: het is het volk dat zijn democratische rechten moet opeisen, want een democratie berust op het bewustzijn van dat volk, niet op het bewustzijn van een elite.
Dat is ook de reden waarom de politieke situatie in België is wat ze is: er heerst onder de Vlamingen onvoldoende democratisch bewustzijn.
Als dat bewustzijn er wél zou zijn, dan was België al lang een federale unie, of hoe het ook moge heten. De twee gemeenschappen zouden, zoals in een modern huwelijk, ieder hun eigen leven leiden én in vrijheid samenwerken.
Maar dat moderne, democratische bewustzijn is er niet.
De Vlaming kan na eeuwen onderdrukking en vernedering nog altijd niet geloven dat hij de gelijke is van de Franstaligen of van gelijk wie.
Het Vlaamse volk heeft zolang aan de ketting gelegen dat het nog altijd niet aan de vrijheid kan wennen.
Het verlangt onbewust naar de oude zekerheden, de zekerheden van een leven in loondienst zeg maar: hard werken en het denken aan anderen overlaten.
Om een bekende uitdrukking te parafraseren: je kunt de Vlaming wel uit de onderdrukking halen, maar de onderdrukking niet uit de Vlaming.

20140527-175004.jpg

Fysiek en materieel gaat het de Vlaming voor de wind, zeker vergeleken met 100 jaar geleden.
Maar op geestelijk vlak is het nog altijd armoe troef.
Men mag het mij vergeven als ik er de Hedendaagse Kunst weer eens bijsleur, maar de reden waarom Vlaanderen het op dit gebied zo goed doet, is juist zijn ‘slavenmentaliteit’: het onderwerpt zich met hart en ziel aan de machthebbers van het moment.
Het bezit geen culturele traditie meer die weerstand zou kunnen bieden aan de pletwals van de internationale markt.
Achter de ontstellende politieke correctheid van cultureel Vlaanderen gaat een grote geestelijke leegte schuil.

De Vlamingen zijn een volk zonder ‘hoofd’.
Ze hebben zich een schijnhoofd aangemeten dat zich op een puberachtige manier afzet tegen alles wat Vlaams is (of was), maar een echt, volwassen hoofd is nog lang niet in zicht.
Daarvoor moet er eerst een nieuw Vlaams zelfbewustzijn ontstaan.

20140527-175853.jpg

Daarom is de eenzame strijd die Bart De Wever voert zo belangrijk, want hij is de uitdrukking van een volk dat worstelt om een nieuw bewustzijn.
Die bewustwordingsstrijd is des te belangrijker omdat in Vlaanderen de mogelijkheid bestaat om een echt nieuw bewustzijn te creëren, een bewustzijn dat geen face-lift is van het oude, maar dat werkelijk uit het niets ontstaat: uit de (zo pijnlijke) geestelijke leegte die in Vlaanderen heerst.
In die zin is het wellicht beter dat Bart De Wever de komende regeringsonderhandelingen niet wint en dat hij opnieuw op een zijspoor gezet wordt.
Want deze Antwerpenaar belichaamt wel als geen ander de bewustzijnsstrijd van de Vlamingen, maar hij belichaamt nog lang niet het nieuwe bewustzijn dat als mogelijkheid in de Vlaamse ziel leeft.
Als dat bewustzijn nu reeds een vaste vorm kreeg, zou dat de vernietiging van die mogelijkheid zijn.

Het is een veeg teken dat er uitgerekend op de dag vóór de verkiezingen een aanslag wordt gepleegd in een joods museum in Brussel.
Het roept onwillekeurig herinneringen op aan de jaren ’30 in Duitsland.
Die onheilsjaren zijn al ten overvloede in verband gebracht met Bart De Wever.
Sommigen hadden zelfs visioenen van fakkeltochten en bruinhemden.
Gloeiende onzin natuurlijk.
Maar toch hadden die waanbeelden wel degelijk een grond.
Want op geestelijk vlak is de huidige situatie in Vlaanderen vergelijkbaar met de situatie in Duitsland 100 jaar geleden.
Volgens Rudolf Steiner was Duitsland geroepen om een nieuw bewustzijn te ontwikkelen, een Ik-bewustzijn. Via hun Duitse volksziel (die tot uitdrukking kwam in buitengewoon grote geesten als Goethe, Bach en Steiner) hadden de Duitsers contact kunnen maken met de ‘wereldziel’.
Ze hadden zich kunnen verheffen tot een ‘wereldbewustzijn’ en in die zin een führerworden voor alle andere volkeren.
In plaats daarvan tuimelden ze diep naar beneden en kwamen terecht in het tegenovergestelde: het in zuiver materialistische en nationalistische zin gedachte Deutschland über Alles.

20140527-180104.jpg

Het idee dat een dergelijk nationalisme zou kunnen ontstaan in Vlaanderen, waardoor het een bedreiging zou worden voor de wereldvrede, is te gek voor woorden.
Maar het gevaar dat Vlaanderen er, net als Duitsland, niet in slaagt een nieuw bewustzijn te veroveren en in plaats daarvan een materialistische karikatuur ontwikkelt, is des te reëler.

Waarom heeft de N-VA de verkiezingen gewonnen?
In oorsprong was dat de bewustwording van de vernederende ‘dienstbaarheid’ waarin de Vlamingen nu al zolang gevangen zitten.
De N-VA is groot geworden door zijn Vlaamse karakter, doordat het zich opwierp als de spreekbuis van de naar bevrijding en erkenning hunkerende Vlaamse volksziel.
Maar daarover werd de laatste maanden met geen woord meer gerept.
Het ging nog slechts over één ding: geld.
Mijn trieste vermoeden is dan ook dat de Vlamingen niet voor verandering gestemd hebben vanuit hun heroplevend zelfbewustzijn, maar omdat hun portemonnee in gevaar was.
Geld, materie: dat lijkt nog het enige te zijn wat de Vlamingen in beweging kan krijgen.

Het doet me denken aan mijn verkiezingszondag.
Ik twijfel er niet aan dat Henk ‘verklikt’ werd bij de arbeidsinspectie, hoogstwaarschijnlijk door één van zijn ‘collega’s’.
Gebeurde dat om principiële redenen?
Omdat het niet juist is om illegalen tewerk te stellen?
Omdat de wet nu eenmaal gerespecteerd moet worden?
De vraag stellen, is ze beantwoorden.
Nee, tien tegen één ging het om geld.
Henk verkoopt goed en dat is sommigen een doorn in het oog.
Maar toch gaat het niet alleen om geld.
Van al degenen die daar in Brugge op de markt staan, is hij degene die het hardst werkt en waarschijnlijk ook het eenvoudigst leeft.
Wat hij verkoopt, maakt hij zelf.
Zijn handel is dus eerlijk, wat niet gezegd kan worden van degenen die hun spullen/prullen uit China betrekken.
Door zijn fair trade is Henk een spiegel van hun eigen unfair trade.
En dat steekt.
In feite belazeren zij de kluit en ze kunnen niet verdragen dat er iemand is die niet met hen meedoet en hen aldus verhindert om hun slechte geweten te vergeten.
En dus hebben ze Henk verraden.
Voor een handvol zilverlingen.

20140527-180506.jpg

Die ‘zilverlingen’ zijn geld, materie.
Maar tegelijk zijn ze een spiegel van geestelijke zaken, morele zaken.
En uiteindelijk gaat het altijd om een combinatie van die twee.
De oorzaak van de verkiezingsoverwinning van de N-VA was niet alleen geld (de Vlaamse portemonnee is in gevaar) maar ook Vlaams bewustzijn (de Vlaamse ziel is in gevaar).
Die twee gaan samen.
Vlaanderen heeft zijn materiële rijkdom te danken aan de (wonderbaarlijke) heropleving van zijn zelfbewustzijn.
Dat geldt trouwens niet alleen voor Vlaanderen, het geldt voor de hele moderne wereld: haar macht en rijkdom zijn een gevolg van het zelfbewustzijn dat het ontwikkeld heeft.
Maar nu heeft die bewustzijnsontwikkeling een grens bereikt en dreigen de zaken omgekeerd te worden: het moderne zelfbewustzijn bezwijkt onder de macht en rijkdom die het zelf voortgebracht heeft.
En dus staat het nu voor de keuze.
Ofwel raakt het helemaal verslaafd aan die macht en rijkdom: de vader onderwerpt zich aan de zoon, en beiden gaan ten onder.
Ofwel gebruikt het die macht en rijkdom als een spiegel om zichzelf (als bron ervan) te leren kennen. De zoon erkent zijn vader dan als zijn reden van bestaan en beiden werken samen aan een macht en rijkdom die niet langer louter materieel zijn, maar de uitdrukking van een geestelijke kracht.

Voor die keuze staat ook Vlaanderen vandaag.
Als het enkel denkt aan macht en rijkdom, dan zal het ten gronde gaan. Het zal tot slaaf worden van zijn eigen materialisme, en die slavenmentaliteit zal de Franstaligen in staat stellen de zweep te blijven hanteren. Wat hen overigens zelf ook duur te staan zal komen als hun slaaf niet meer overeind raakt.
Als Vlaanderen daarentegen de weg van de zelfbewustwording kiest en doordringt tot zijn volksziel, tot zijn scheppende wezen, dan kan het van België het eerste driegelede land ter wereld maken.
Wat nu een kwaad is, kan het dan ten goede keren.
Een waarlijk manicheïstisch ideaal!

20140527-180744.jpg

Het is bekend dat Rudolf Steiner nooit gesproken heeft over de Vlaamse volksziel.
Het is ook bekend dat hij weigerde het woord ‘België’ uit te spreken.
Hij had het over ‘dat landje tussen Nederland en Frankrijk’ of iets van die strekking.
Dat kan twee dingen betekenen.
Ofwel vond Steiner Vlaanderen en België zo onbelangrijk dat hij er geen woorden aan wenste vuil te maken.
Ofwel was er met beide een geheim verbonden waarover hij niet wilde of kon spreken.
Ik ben geneigd het tweede te denken.
Dat kan men natuurlijk toeschrijven aan mijn ‘Vlaams nationalisme’ (een tamelijk contradictoir begrip overigens), maar dat verwijt kreeg Steiner (no comparison intended) ook toen hij over de ‘missie van de Duitse geest’ sprak.
Het lijkt me alleszins een antroposofische opgave van formaat om deze kwestie eens te onderzoeken.
Bruno Skerath heeft daar in zijn allerlaatste boek een belangrijke aanzet toe gegeven.

Wat er ook van zij, ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het verre van onbelangrijk is wat er momenteel in Belgenland gebeurt.
Dat wordt onbewust ook aangevoeld, doordat men uitdrukkingen gebruikt als ‘de moeder aller verkiezingen’.
En straks worden de Rode Duivels – what’s in a name wereldkampioen!
Dat wil ook wat zeggen.
De kunst bestaat er natuurlijk in om erachter te komen wát het precies wil zeggen.
Materialistische interpretaties zijn er volop.
Maar geestelijke?

Er is nog veel werk aan de winkel voor de Vlamingen.
En alleen zij kunnen dat werk doen.
Niemand zal het immers in hun plaats doen.

20140527-181604.jpg

Een memorabele dag

Human kind cannot bear much reality, schrijft de dichter, de mens kan niet veel werkelijkheid verdragen.
Dat heb ik afgelopen weekend weer eens ondervonden.
Eigenlijk ondervind ik dat al sinds ik marktkramer ben geworden.
Een wereld waar ik me vroeger als buitenstaander een beeld van vormde, leer ik nu van binnenuit kennen.
En die stap van beeld naar werkelijkheid is een behoorlijk grote schok.
Ik dacht dat ik een vrij realistische voorstelling had van de wereld waar ik nu ben ingestapt, want tenslotte vergezel ik An al meer dan tien jaar naar de folkloremarkt in Brugge.
Maar nu ik er zelf actief deel van uitmaak, beleef ik die markt heel anders, en besef ik hoe oppervlakkig en misleidend mijn beeld ervan wel was.

Het is alsof een lege vorm nu opeens gevuld wordt met inhoud.
En dat creëert een intense spanning tussen beide.
Zal de vorm het houden of zal hij bezwijken onder druk van de groeiende inhoud?
Of zal het omgekeerd de inhoud zijn die geen plaats krijgt in de vorm?

20140526-233415.jpg

Eén aspect van die ‘inhoud’ is: het werk.
Ik had geen idee hoeveel werk er komt kijken bij het marktkramersbestaan.
Ik zag mensen die ’s ochtends hun kraam opstelden en dan de rest van de dag doorbrachten met in de zon zitten, de krant lezen, een kopje koffie drinken, een praatje slaan met de collega’s, naar de passerende toeristen kijken, af en toe iets verkopen. En dat alles in een prachtige omgeving, in een aangename en ontspannen sfeer.
Er zijn slechtere manieren om je geld te verdienen!
Weliswaar is de markt voor de meesten slechts een bijverdienste, maar er zijn er ook die ervan leven, zoals mijn buurman Henk!

Eigenlijk heb ik daar altijd van gedroomd: werken in het weekend en de rest van de week doen wat je wilt. Weekendwerk betaalt immers dubbel en dus werk je in feite vier dagen per week.
Dat leek me een ‘modern’ werkritme.
Althans in mijn voorstelling.
Waar ik – om de mooie droom niet te verstoren – geen rekening mee hield, was dat je de rest van de week óók moet werken.
Dat geldt natuurlijk niet voor de marktkramers die hun spullen voor een prikje in China kopen en ze met veel winst weer verkopen aan de (soms Chinese) toeristen in Brugge.
Maar het geldt wel voor iemand als Henk, die zijn speelgoed zelf maakt.
En het geldt ook voor mij.

20140526-233505.jpg

Ik stel tot mijn verbazing vast, dat ik sinds half maart – het begin van het marktseizoen – met niks anders meer bezig ben dan met die markt.
Zeker, ik begin nog maar en het is allemaal nog nieuw en ik moet alles nog op poten zetten.
Maar toch.
Ik heb geen vrij moment meer.
Ik kom soms van de hele week niet buiten.
Verleden week vrijdag ben ik zelfs 14 uur non-stop in het getouw geweest.
Ik was opgelucht dat het zaterdag regende en ik niet naar Brugge hoefde.
Een onverwachte vrije dag!
Die ik vervolgens weer vulde met schilderen en inlijsten en inpakken…

Zondag was ik blij dat ik naar Brugge kon: even niet schilderen, niet inlijsten, niet inpakken.
Om stress te vermijden, was ik al om 6 uur opgestaan.
Ontbeten in alle rust en stilte. Ik kon zelfs de vogeltjes horen fluiten!
Toen ik vertrok, scheen de zon me verblindend in het gezicht, precies zoals ik het graag heb.
Zalig!
De wereld was voor mij alleen.
Zelfs de werken aan de autostrade waren voltooid: drie nagelnieuwe baanvakken strekten zich voor me uit.
En nauwelijks een auto te zien.

Het viel me op dat de bomen er lang niet meer zo weelderig bij stonden als een week geleden.
Voor de zoveelste keer werd ik getroffen door de overgang van het ene sterrenbeeld naar het andere. Als modern mens heb je natuurlijk geen enkele voorstelling van die overgang. Je gelooft er niet eens in. Allemaal bijgeloof en inbeelding!
Maar als er één gebied is waarop de werkelijkheid mijn voorstelling steeds weer te vlug af is, dan is het wel die maandelijkse wisseling van de ‘sterrenwacht’.
Ook nu weer.
Ik keek lichtjes verbijsterd naar het groen, niet begrijpend hoe het er in één week zo geheel anders kon uitzien.
Tot ik me realiseerde dat Stier plaatsgemaakt had voor Tweelingen, en dat is een totaal andere sfeer.
Je kunt daar desgeval wel over lezen in de boeken, maar het is pas in de levende werkelijkheid dat je beseft hoe anders al die tekens zijn, en hoe reëel de verschillen.
Zoals ik al zei: onze beelden en voorstellingen steken ongelooflijk schraal af tegen de rijkdom van de werkelijkheid, zeker onze beelden en voorstellingen van de natuur.

Na de natuur langs de autostrade, de cultuur van Brugge.
Er is doorgaans weinig beweging in de stad als ik er rond achten binnenrijd.
Soms een enkele Japanner (de vroegste vogels), of iemand die zijn winkel opent.
Maar nu leek de stad wel uitgestorven.
Ik reed door louter lege straten.
Alleen dát al maakte het de moeite om zo vroeg op te staan.
Zou ik de eerste zijn, vroeg ik me af toe ik de helling aan het Gruuthuuse-museum opreed.
Nee, zag ik, er was een nóg vroegere vogel.

20140526-233655.jpg

Van alle momenten van de dag hou ik het meest van de ochtend en de avond, zij het wel op voorwaarde dat ik ze in alle rust en stilte kan beleven.
Dat sluit de avonden al uit, want zeker hier in Destelbergen zijn ze een verschrikking.
Maar door marktkramer te worden, smaak ik nu weer de geneugten van de morgenstond.
En in Brugge, op de oeroude plek die de Dijver is, onder de jonge lindebomen, langs het roerloze water van de rei, heeft die morgenstond een bijzonder aroma.

De dag begon dus veelbelovend.
Ik had er zin in.
Toen ik de auto ging parkeren (op een ‘geheim’ plekje waar geen parkeermeter staat) moest ik stoppen voor twee eenden die midden op straat stonden en geen aanstalten maakten om weg te gaan.
Ik wilde al uitstappen toen er een politieagent met een walkie talkie de hoek om kwam en de beesten naar de kant dreef.
Even later zag door een poort hoe mensen op een speelplaats stonden aan te schuiven.
Ach ja, verkiezingen!
Ik was het bijna vergeten.

Op de terugweg zag ik overal mensen lopen met een witte kiesbrief in de hand.
Hoeveel daarvan zouden er nog uit hun bed komen als de stemming niet verplicht was?
Niet veel, denk ik.
Wie zou er überhaupt nog zo vroeg uit zijn bed komen als het niet van moeten was?
Mensen zoals ik wellicht, mensen die iets doen wat ze echt willen, die met andere woorden handelen uit vrije wil.
Je doet dan dingen die je van jezelf niet verwacht had …

20140526-234451.jpg

Als ik naar Brugge rijd, er mijn kraam opstel en dan zit te wachten op kopers, vergezelt me altijd een vaag gevoel van verbazing.
Zie me hier zitten, denk ik dan, zie me hier bezig!
Ben ik dat nog wel?
Ik heb moeite om het te geloven.
Blijkbaar is dat wat vrijheid met mensen doet: het verandert de voorstelling die ze van zichzelf hebben, het vult hun zelfbeeld met een nieuwe inhoud.
En dan wordt het spannend.
Wie zal het halen: de vorm of de inhoud, het beeld of de werkelijkheid?

Ik ben er nog lang niet uit.
Wat betekent marktkramen voor mij?
Welke plaats moet ik het geven in het beeld dat ik van mezelf heb?
Ik kan het vooralsnog niet rijmen met wie (ik denk dat) ik ben.
Als uitgesproken melancholicus heb ik niet het minste commercieel talent.
Ik heb er een ontzettende hekel aan om prijzen te plakken op tekeningen en schilderijen.
Eigenlijk wil ik met dat soort dingen niks te maken hebben.
Ik vind het in wezen vernederend om schilderijen als koopwaar op een markt aan te bieden.
Het is in feite precies datgene wat ik nooit gewild heb.
Ik heb me nooit ingelaten met tentoonstellingen of galerieën of het op een andere manier aan-de-man-brengen van mijn werk.
Het hele gedoe stootte me tegen de borst en ik was dan ook opgelucht bij Steiner te lezen dat die weerzin geheel normaal is voor een kunstenaar.

En toch doe ik nu al die dingen waar ik als kunstenaar zo’n hekel aan heb.
Ik doe ze omdat het moet.
Maar het is geen moeten dat me van buitenaf wordt opgelegd.
Het is een moeten dat ik mezelf opleg, omdat ik wil kunnen blijven schilderen.
En ik schilder niet omdat ik het niet kan laten.
Ik heb het zowat m’n hele leven ‘gelaten’.
Ik ben van nature helemaal geen schilder.
Maar op mijn oude dag heb ik besloten om ermee te beginnen.
Waarom?
Tja, wie zal het zeggen.
Eén reden is zeker mijn grote liefde voor schilderijen.
Was ik rijk geweest, dan zou ik ongetwijfeld collectionneur zijn geworden.
Ik kan me niks heerlijkers voorstellen dan een huis gevuld met kunst.
Maar omdat ik geen geld heb om schilderijen te kopen, moet ik ze dan maar zelf maken.
Daar komt het op neer.
Het is mijn liefde als kijker, en dus als buitenstaander, die me ertoe gebracht heeft zelf te gaan schilderen en het voorwerp van mijn liefde dus van binnenuit te leren kennen.

20140526-234701.jpg

En ik moet – opnieuw – zeggen: het verschil tussen buiten en binnen is enorm.
Had ik geen ‘hulp’ gekregen dan zou het me niet gelukt zijn de kloof te overbruggen.
Ik kon toevallig een reeks goedkope doeken kopen.
Ik ontdekte toevallig dat er olieverf bestond die je met water kon aanlengen, wat me in staat stelde om in de huiskamer te schilderen.
Ik ontdekte op een dag ook prima papier waarop je kon schilderen, en dat een stuk goedkoper was dan doek.
En zo gebeurden er regelmatig kleine dingen die me moed gaven en het gevoel wekten dat ik de goede richting uitging.
De mogelijkheid om in Brugge op de markt te gaan staan, lag helemaal in dezelfde richting.
Ook dat werd weer een hele worsteling (niet in het minst met de wanhoop), maar ik leek ze opnieuw te winnen.

Met dat gevoel reed ik gisterochtend in alle vroegte over die splinternieuwe, vrijwel lege E40.
Ik zou er mijn schouders eens onder zetten, zie!
Hoeveel werk het ook was, ik was blij dat ik kón werken.
Want ik wist maar al te goed wat het was om niet te kunnen werken.
Het was dus een dankbaar mens die zondag naar Brugge reed en daar zijn kraam opzette.
Het was niet waar hij als jongmens van gedroomd had, zelf niet bij benadering.
Maar het was véél beter dan helemaal niks te kunnen doen.

Dingen veranderen echter niet zomaar.
Dat zal Bart De Wever ook nog wel ondervinden.
Hoewel het stralend weer was en de toeristen zich niet door de verkiezingen hadden laten tegenhouden, verkocht ik vrijwel niets.
Tegen drieën had ik 20 euro verdiend.
Niet meteen een riant loon voor een week hard werken.
Maar ook elders was het kalm.
Naast me, in het kraam van Henk, zat Faysal met zijn duimen te draaien.
Faysal is een vriendelijke Marokkaanse jongen die ik de vorige week ook al gezien had en die voor Henk insprong bij het verkopen.
Want na 30 jaar marktkramen is Henk het een beetje zat.
Hij maakt zijn houten speelgoed nog zelf, in zijn eentje in zijn atelier hier in Destelbergen.
Rijk wordt hij er zeker niet van, maar het is hem veel waard te doen wat hij graag doet, en dat is: met hout werken.
Maar hij moet met lede ogen toezien hoe de markt (en niet alleen die van Brugge) overspoeld wordt met dingen die in lageloonlanden worden geproduceerd en verkocht tegen prijzen waarmee hij niet kan concurreren.
Hij kan nochtans niet klagen over de verkoop, maar hij moet alsmaar harder werken, en hij wordt ook al een dagje ouder.
Als kleine zelfstandige hoeft hij niet te rekenen op zijn pensioen, want dat is lachwekkend klein.
Dus zit hij behoorlijk klem.

20140526-234923.jpg

Tot voor kort verkocht An voor hem, één dag in de week.
Dat gaf hem een beetje ademruimte.
Weet je wel wat dat is, zei hij me onlangs, dertig jaar lang geen enkel weekend thuis zijn?
Een vrije zondag is voor hem een ongekende luxe.
En omdat luxe heel snel went, had hij An, die uitgevallen was met een hernia, vervangen door Faysal.
Ik had geen idee waar hij de jongen opgeduikeld had, maar dat waren zijn zaken.
En Faysal deed zijn werk met de glimlach.

Een glimlach kon ik zelf niet meer opbrengen nadat ik vijf uur aan een stuk toeristen had zien passeren zonder iets te verkopen (behalve dan één klein dingetje).
Mijn hoop werd dan ook gewekt toen er een vrouw naar me toekwam om iets te vragen.
Maar het ging niet over schilderen.
Ze wilde mijn identiteitskaart zien.
Was ik zelfstandige?
In bijberoep, antwoordde ik.
En wat is uw hoofdberoep?
Ik ben werkloos.
Meteen veranderde de toon van het gesprek.
Ik werd op slag een ‘verdachte’.
Ieder antwoord dat ik gaf, werd beschouwd als een poging tot leugen.
Ik was, voor zover ik wist, met alles in orde, maar net zo goed sloeg de schrik me rond het hart.
Ik vind het altijd akelig om in aanraking te komen met ‘het systeem’.
En de aanvankelijk vriendelijke mevrouw liet nu duidelijk doorschemeren dat Big Brother zijn oog op me had laten vallen.

20140526-235304.jpg

Maar dat was nog niets vergeleken met wat Faysal overkwam.
Hij werd ondervraagd door een man die zich gedroeg als was hij de Rijksdienst voor Arbeidsinspectie in hoogsteigen persoon en die Faysals antwoorden als een persoonlijke belediging opvatte.
De Marokkaanse jongen bleef glimlachen, het hoofd schudden en de schouders ophalen.
De inspecteur gaf allerlei gegevens door via zijn gsm en keek fel vanachter zijn zwarte bril.
Aha, deed hij triomfantelijk, Faysal bleek een … illegaal te zijn.
Meteen riep hij zijn collega’s erbij (drie vrouwen) en ze begonnen opgewonden te praten.
Hadden ze ’t niet gedacht!
Die marktkramers zijn voor geen haar te vertrouwen!
Een illegaal tewerkstellen, kun je dat nu geloven!
Het was alsof ze zoiets grofs nog nooit hadden meegemaakt.

Een akelig gevoel bekroop me.
Wat gebeurde er met die mensen?
Konden ze niet gewoon hun werk doen en zeggen: het spijt me, maar u hebt de wet overtreden?
Ze leken die wet niet toe te passen, ze leken die wet te zijn.
Ze gedroegen zich alsof ze persoonlijk beledigd waren.
Ze verloren alle verhoudingen uit het oog.

Het werd nog erger toen ze er de politie bijhaalden.
Faysal had dat gehoord en hij nam de benen.
Het waren nog jonge benen en ze gingen er als de weerlicht vandoor.
Toen werd het pas echt lachwekkend.
De inspecteurs schreeuwden naar elkaar en repten zich achter Faysal aan.
Maar hun benen waren lang zo jong niet meer.
Het leek een scène uit een goedkope Vlaamse politieserie.
Eén van de marktkramers kwam ook aangerend.
Hij greep onderweg een fiets, sprong erop en zette de achtervolging in.
Ik begreep er niks van.
Waar moeide hij zich mee?
Voelde hij zich ook al persoonlijk beledigd omdat er een illegaal op ‘zijn’ markt had gestaan?
Meteen kwam de gedachte in mij op: heeft hij misschien de arbeidsinspectie getipt?
Henk had me verteld dat er op de Dijver nog nooit inspectie was geweest.
En uitgerekend nu – het was de tweede keer dat ik Faysal in zijn kraam zag staan – strijkt de RVA met vier inspecteurs op de folkloremarkt neer?
Dat was wel héél toevallig!
Ze hadden overigens lang niet iedereen gecontroleerd.
Ze waren, zo leek het, meteen naar Henks kraam gegaan.
En naar het mijne …

20140527-001051.jpg

De gedachten tolden door m’n hoofd.
Hadden ze het misschien op mij voorzien en was Faysal een toevalstreffer?
Was ik een doorn in het oog van sommige ‘collega’s’?
Voelden ze dat ik niet één van hen was, dat ik een buitenstaander was, en wilden ze die ‘vreemdeling’ uit hun nest hebben?
Ik kon het moeilijk geloven, maar de gedachte kwam toch in me op.
Was ik besmet door het belachelijk emotionele gedrag van die arbeidsinspecteurs?
Begon ik, net als zij, overal leugenaars en achterbakse figuren te vermoeden?

Het was afgelopen met de gezelligheid op de Dijver.
Het was alsof er grauwe sluier over was neergedaald.

Een toerist stak een houten schild en zwaard uit naar de inspecteur en zei: ‘I would like to buy these!’
De ambtenaar barstte los: pak het maar allemaal mee voor mijn part! Er wordt hier vandaag niks meer verkocht!
De toerist keek hem verbouwereerd aan.
Was de man gek geworden?
Ik dacht net hetzelfde.
Wat scheelde er met die vent?
Kon hij zich verdorie niet als een volwassene gedragen?
De gedachte dat we gecontroleerd worden door dit soort figuren maakte me niet vrolijk.
Een combi van de politie arriveerde.
Twee geuniformeerde wetsdienaars stapten uit.
Ze waren nu al met z’n zessen en het peil bleef dalen.
Een van de agenten trok alle laden en dozen van Henks kraam open.
Wat dacht hij te vinden?
Wapens?
Bezwarende documenten?
Drugs?

20140527-001337.jpg

Een tijdje later arriveerde Henk.
Men had hem opgebeld en gesommeerd: ‘als u hier binnen het half uur niet staat …’
Ik was net bezig bonen te planten, vertelde Henk me achteraf.
Ik had met hem te doen.
Had hij eindelijk eens een vrije zondag en nu moest hij vierklauwens naar Brugge rijden.
Hopelijk kreeg hij onderweg geen ongeluk.
Of een hartaanval.
Je zou voor minder.
Want het is niet niks als je betrapt wordt op het tewerkstellen van een illegaal.
Je mag een illegaal huisvesten, dat is niet strafbaar, maar hem tewerk stellen, kan je naar verluidt een boete van 3.000 tot 75.000 euro opleveren.
Drieduizend euro, dat zijn heel wat weekends op de markt.
En vijfenzeventigduizend euro, dat zijn helemaal géén weekends meer op de markt.
Dan is het afgelopen met Henk.

Meteen toen hij arriveerde begonnen ze hem af te blaffen.
Hij bleef er wonderlijk rustig onder.
Hij moest nochtans weten wat er hem boven het hoofd hing.
Toen zijn ondervraging afgelopen was en de arm der wet zich had teruggetrokken, zei hij: ’t is weer eens iets nieuws! Atijd hetzelfde op de Dijver, dat begint ook te vervelen.
Ik moest erom lachen.
Als een mens op zo’n moment zijn gevoel voor humor kan bewaren, dan is hij nog niet verloren.
Dat zou ik in zijn plaats wél zijn geweest.
Je eerste aarzelende passen op onbekend gebied en dan zo’n klap?
Nee, dat zou me meteen rechtsomkeer hebben doen maken.

20140527-001445.jpg

Het is eigenlijk merkwaardig dat we naast elkaar op de Dijver staan, want terwijl ik de stap van buiten naar binnen probeer te zetten, probeert Henk het tegenovergestelde.
Hij wil juist afstand nemen van het marktkramen, want voor hem is het een gevangenis geworden.
Hij wil de vrijheid van de buitenstaander leren kennen.
Maar de stap van binnen naar buiten is niet minder groot dan omgekeerd.
Zoals ik de stap naar binnen (naar de innerlijke werkelijkheid van het marktkramen) niet had kunnen zetten zonder ‘karmische’ hulp, zo heeft ook Henk die hulp nodig om de omgekeerde stap te zetten.
Het hele voorval – dat het einde kan betekenen van zijn 30-jarige marktloopbaan – zou niet gebeurd zijn als An niet opeens out of the blue een hernia had gekregen, precies op het moment dat ik met mijn marktloopbaan(tje) begon.
Dat is toch wel heel merkwaardig.
Ook degene die de RVA getipt heeft – en daarover waren alle marktkramers het eens: Henk is verklikt – maakt waarschijnlijk deel uit van die ‘karmische hulp’.
Het doet denken aan de ‘dakpanoefening’ van Rudolf Steiner.
Als je een dakpan op je hoofd krijgt, zegt hij, dan moet je je voorstellen dat je voor het buitengaan eerst snel op het dak bent gekropen om die dakpan los te wrikken, zodat ze op je hoofd kon vallen als je de deur uitging.
Volgens deze karmische denkwijze zou Henk dus zichzelf aangegeven hebben bij de RVA.
Hij zou hun hulp ingeroepen hebben om iets te doen waar hij in z’n eentje niet toe in staat is: uit het marktkramersbestaan stappen.

Die uitstap hoeft geen fysieke stap te zijn.
Het gaat wellicht in de eerste plaats om een geestelijke stap, om het veroveren van de blik van de buitenstaander.
Want zowel de voorstellingen en beelden van de buitenstaander als de werkelijkheid van de ‘binnenstaander’ zijn slechts het halve werk.
Het hele werk is de combinatie van beide: tegelijk binnen én buiten staan.
En dat betekent: bewust handelen en handelend bewust zijn.
Het is wat vrijheid inhoudt.

20140527-001647.jpg

Henk is verknocht aan zijn vrijheid.
Daarom is hij marktkramer geworden.
Hij heeft overal ter wereld op markten gestaan, vrij als een vogel.
Maar als je niet tegenover dat vrijheidsstreven kunt gaan staan en het bekijken als een buitenstaander, dan blijft het een onvrije impuls, iets wat je doet zonder te weten waarom.
Ikzelf weet heel goed waarom ik op de markt in Brugge ga staan.
Iedere stap die ik zet is heel bewust en ik word niet gedreven door natuurlijke neigingen of uitwendige verplichtingen.
Ik doe het omdat ik het wil en alleen daarom.
Maar aan dit bewuste en vrije willen ontbreekt vooralsnog de werkelijkheid.
Stap voor kleine stap groei ik in die werkelijkheid in, en dat gaat gepaard met heel wat groeipijnen.

Het gevaar blijft dat ik mijn stap van buiten naar binnen, mijn ‘stap over de drempel’, niet tot een goed einde breng.
Ik ben er bijvoorbeeld allesbehalve gerust in dat ik op dit moment zelf onder de loep word genomen door de RVA.
Ik heb namelijk een loopbaan achter de rug waar ambtenaren van het soort dat ik in Brugge aan het werk heb gezien, wel eens heel emotioneel zouden kunnen van worden.
Ze zouden me ook wel eens als een illegaal kunnen beschouwen, want eigenlijk bén ik dat.
Ik probeer weliswaar uit alle macht om me aan te passen aan deze wereld, maar de stap naar binnen is heel, heel groot voor me.
Ik blijf vooralsnog aan de buitenkant staan, en voor Ahriman is dat ‘illegaal’.
Hij wil dat we helemaal van deze wereld zijn, zonder daar ook maar één moment tegenover te gaan staan.

20140527-002112.jpg

Terwijl Henk weer zelf de (legale) honneurs waarnam achter zijn speelgoedkraam, kwam er oude vrouw naar me toe.
Ze plantte een oud olieverfschilderij op mijn tafel en vroeg: Zeejje van Bruhhu, meneer?
Nenk madam, antwoordde ik.
Zoejje weetn woa dattadier gesgeldert es?
Ze klopte met haar wijsvinger op het schilderij als om me bij de les te houden.
Madamptje, wilde ik zeggen, e betje voorzegteg me joen sgelderie!
Maar iets zei me dat het boter aan de galg zou zijn.
Ik keek, en de naam ‘Speelmansrei’ kwam in me op.
Ergens in de buurt van ’t Zand.
Kzoet ni durvn zegn, antwoordde ik.
Ze vertelde waar het was, en ik bleek het bij het rechte eind te hebben gehad.
Niet slecht voor een buitenstaander, leek me.

Ik vroeg waar ze dat schilderij gevonden had.
Daar over ’t bruggetje, in een brocantewinkel, antwoordde ze, ik heb er 75 euro voor betaald.
Verdorie, dacht ik, als ik dát geweten had!
En hebben ze ’t niet een beetje ingepakt, vroeg ik.
O, zei ze, daar heb ik niet om gevraagd.
Ze leek het heel normaal te vinden om met een olieverfschilderij open en bloot over straat te lopen.
Ik heb thuis veel schilderijen, knikte ze.
Sommige heb ik niet eens uitgepakt!
Dat vond ze zelf een geweldige grap.
Vier weken geleden heb ik er nog een gekocht: het zit nog altijd in het bubbeltjesplastic.
Wul je te keer ziên?

20140527-002406.jpg
(Alfred Baertsoen, Speelmansrei Brugge)

Ik keek enigszins verbluft naar de ene tand van de oude vrouw.
Maar ik kan hier niet weg, antwoordde ik opgelucht.
Ze leek niet te horen wat ik zei.
Tes non-fihuratief, ziejje da gèren?
Ba nenk, antwoordde ik vol overtuiging.
Oelange stoa jier nog?
Het was vier uur.
Nog een eure, pijzzek.
Kgoa ’t e kiê goan oaln, zei de vrouw beslist.
Jaja, dacht ik.
En weg was ze.

Henk kwam naar me toe.
Die vrouw is steenrijk, fluisterde hij me toe.
Ze heeft ge-orven, of hoe zeg je dat?
Hij vertelde dat ze een bekende figuur was op de Dijver en dat ze soms een ring droeg met een robijn waarvan je achterover viel.
Een echte, volgens Dirk, en hij kan het weten, want hij weet alles over juwelen en rijke vrouwen.
Ik moest lachen.
Ik dacht niet aan het geld of de juwelen van de oude vrouw, maar aan al haar schilderijen.
Wie weet wat dáár allemaal niet tussen zat!
Maar ik vergat het meteen, want de toeristen wilden mijn schilderijen maar niet kopen.
De hele week werken, een hele dag in Brugge zitten, de bloeddorstige arbeidsinspectie op je dak krijgen, en dan ook nog eens niks verdienen?
Nee, ik had me deze zondag anders voorgesteld (sic).

Een half uur later hoorde ik Henk psst! roepen en zag hem met zijn hoofd gebaren.
Waarempel, daar was ze weer, en ze zeulde een schilderij mee van één op twee meter.
Verpakt in bubbeltjesplastic.
Ze plantte het schilderij voor me op de grond.
Oeveel peizdje dak ier vo betoald èn?
2800 euro!
Ze vertelde het er zelf bij.
Ik wist niet wat ik het krankzinnigst vond: de prijs of het schilderij zelf.
Het leek nog het meest op het resultaat van een partijtje paintball.
Vin je ’t scoone?
Ba nenk gi, barstte ik in lachen uit.
Het leek haar allemaal niet te deren.
Ze leefde in haar eigen wereld, een wereld met veel geld, veel schilderijen en weinig mensen.
Kein der nog e vee dierder, zei ze.
Weetje oevele dak er vo betold èn?
Ik schudde het hoofd.
Tiendeust euro, lachtte ze kakelend.
Tes van Valerejus De Zadeleer, daddes wèl fihuratief.
Tangd in Ostende, e min appartement.

20140527-002708.jpg
(Valerius De Saedeleer)

Ik kon er kop noch staart aan krijgen.
Waarom kocht die vrouw al die schilderijen?
Ze had er waarschijnlijk geen verstand van.
Voor haar was Valerius De Saedeleer gewoon een andere schilder dan Didier de Paris, of hoe die paintballer ook mocht heten.
Vin je techt ni scoone?
Ze schopte met haar voet tegen het spuuglelijke schilderij.
Ek ein nog nojet a zo iets leleks gezien, antwoordde ik.
Het ging haar ene oor in en het andere weer uit.

Uiteindelijk wierp ze ook een blik op mijn schilderijtjes.
A ja, zei ze, alsof het een quiz was, dat daar is de Meebrug, en dat daar de Groenerei, en het begijnhof, en de Rozenhoedkaai.
Dat hebben we al honderd keer gezien!
Ze tuurde naar m’n kleinste prints, die ik voor 20 euro verkoop.
A zo entje zoek wè koopn, voe kado te doê. Mo ken hiên hel mee.
Jaja, dacht ik, zo kennen we ze wel, de rijkelui!
Ik was opgetogen dat ze niets kocht.
Het zou een belediging zijn geweest.

Ik had ze op één dag alletwee gehad: de rijksambtenaren en de rijkelui.
Ze waren allebei even beledigend en onbeschaafd.
De enen ahrimanisch, de anderen luciferisch.
Zou ik nu zelf Steiners karma-oefening moeten doen en me voorstellen dat ik die twee zelf op me af had gestuurd?
Maar waarvoor dan wel?
Ik vermoed dat het dezelfde vraag is waarmee Henk op dit moment worstelt.
Wat heeft het allemaal te betekenen?
Want dat het iets te betekenen heeft, lijdt weinig twijfel.
Maar het is zo moeilijk om je de juiste voorstellingen te maken van de werkelijkheid …

20140527-003229.jpg

Op de valreep wilde een jong Japans gezin nog een klein schilderijtje kopen.
Do you take creditcards?
Nee, zei ik, het leven was zo al ingewikkeld genoeg.
How long before you leave?
Ik keek om me heen. De helft van de marktkramers was al vertrokken.
Soon, antwoordde ik.
I come back, zei de Japanner.
Tja, dat had ik er al meer horen zeggen.
Maar wat kon ik doen?
Misschien werd m’n dag nog een klein beetje gered.
En dus verdiepte ik me in Prokofieffs karmische biografie van Novalis terwijl het om me heen alsmaar rustiger en leger werd.
Het was al over zevenen toen ik het schilderijtje eindelijk kon inpakken, niet in bubbeltjesplastic – de vissen vreten al genoeg plastic – maar in soepel Onduwell-karton.

Zucht. Eindelijk kon ik beginnen opkramen.
Naast me was Christophe bezig met de laatste loodjes en verder was er niemand meer te zien.
Af en toe passeerden er nog wat luidruchtige toeristen.
De sfeer verandert als de zon ondergaat.
Ik verlangde naar huis.
Maar eerst moest Christophe nog zijn hart luchten.
Heb je dát nu gezien, zei hij verontwaardigd.
Nee, ik had het niet gezien.
Ik had vandaag al genoeg gezien.
Bleek dat een passerende toeriste een koperen ketel die hij gebruikte om water te putten uit de rei, gewoon had leeggegoten en meegenomen.
Alsof het een gevonden voorwerp was.
Ik vond het best wel grappig, maar Christophe zag er de humor niet van in.
Waar gaat het naartoe als zoiets al kan!
In wat voor wereld leven wij!
Ik dacht bij mezelf: jongen, als dát het enige is waar je je druk om maakt …
Het gesprek kwam op Henk.
Hij is verklikt, dat kan niet anders, zei hij, maar ik kan me niet voorstellen dat het één van ons is geweest.
Wie kan het dan wél geweest zijn, vroeg ik.
O, er zijn hier in Brugge winkeliers die hetzelfde soort dingen verkopen als Henk, en reken maar dat we een doorn in hun oog zijn! Mocht de VLD hier aan de macht komen dan is het meteen afgelopen met deze markt.

20140527-003652.jpg

Tjonge, alweer een nieuw en weinig opbeurend perspectief!
Mijn stap van voorstelling naar werkelijkheid leek hoe langer hoe meer een hachelijke onderneming.
Ik mocht er niet aan denken wat er allemaal nóg kon gebeuren.
Heeft een mens die ‘over de drempel’ gaat eigenlijk wel een andere keuze dan de zaken karmisch te bekijken?
Kun je überhaupt wel over die drempel raken zonder vertrouwen in het karma?
En is dat vertrouwen geen hogere vorm van zelfvertrouwen, dat wil zeggen: vertrouwen in de onbekende kunstenaar in jezelf, de auteur van je eigen leven?

Het is alleszins een intense oefening in vertrouwen, op de markt gaan staan.
En dan nog met dingen die je zelf maakt, enkel en alleen omdat je dat wilt.
Geen wonder dat Ahriman de RVA op me afstuurde.
Was ik veertig jaar jonger geweest, ik zou er waarschijnlijk, net als Faysal, vandoor zijn gegaan.
Maar waarnaartoe?
Vluchten kan niet meer.
Er is maar één uitweg meer.
Voor de buitenstaanders: de weg naar binnen.
Voor de binnenstaanders: de weg naar buiten.
En onderweg komen we elkaar misschien tegen.
Als we wakker genoeg zijn.

’t Had erger kunnen zijn …

Verleden nacht is de campagnewagen van N-VA-er Ben Weyts in brand gestoken.
Gisteren zag ik zelf nog iemand die een zwart-gele affiche aan het afscheuren was.
Gelukkig is de verkiezingsstrijd bijna afgelopen en zal het – waarschijnlijk, hopelijk – niet tot ergere incidenten komen.
Dat vind ik ondanks alles toch een hele opluchting, want ik heb een tijdlang gevreesd dat Bart De Wever dezelfde weg opging als Pim Fortuyn.
Die was destijds het slachtoffer van een zelfde smeur- en lastercampagne.
Die campagne leverde uiteindelijk ‘resultaat’ op: het gevaar Fortuyn werd bezworen.
Nu moet ik wel zeggen dat ik niet meer weet of Pim Fortuyn vermoord werd vóór of na zijn verkiezingsoverwinning.
Bart De Wever is waarschijnlijk nog niet buiten gevaar.
Als hij straks een klinkende overwinning behaalt, zou de Belgische politiek wel eens met andere middelen kunnen voortgezet worden.
Het zou trouwens niet de eerste keer zijn, men denke aan André Cools.
Links mag zichzelf dan wel vredelievend, humaan en verdraagzaam vinden, als het erop aan komt, is het agressiever, gewelddadiger en niets ontziender dan rechts.
Van beide monsters waar Odysseus, de oud-Griekse politieke leider, destijds mee te maken kreeg, bevond Charybdis zich onmiskenbaar ter linkerzijde …

20140524-140123.jpg

Doen alsof

Overmorgen is het de Grote Dag.
Dan vinden de verkiezingen plaats die zullen beslissen over de toekomst van België.
Tenminste, dat worden we verondersteld te geloven.
Maar hoe meer ik erover nadenk, des te meer overvalt me het gevoel dat het allemaal schijn is.
Het zou mooi zijn als het niet zo was, en als we inderdaad onze stem konden uitbrengen.
Maar zondag zullen we (weer) doen alsof.
We zullen doen alsof we bepalen hoe het land bestuurd wordt.
We zullen doen alsof de politici echt luisteren naar onze stem.
We zullen doen alsof de verkiezingen een Feest der Democratie zijn.
Maar we zullen er met ons hart niet bij zijn.
We zullen met spanning luisteren naar de kiesresultaten.
We zullen gretig kijken naar hoe politici reageren op die resultaten.
We zullen onze commentaar niet onder stoelen of banken steken.
Maar eigenlijk zal het er niet toe doen.
Er is geen wezenlijk verschil meer tussen de verkiezingen en een voetbalwedstrijd.
Iedereen leeft er met mee, maar in de grond kan het niemand wat schelen.
Als onze partij verliest, ach wat – over een paar jaar zijn er weer verkiezingen.
En zo gaan de jaren voorbij, en zo worden we oud, en er verandert nooit wat.
Het zijn nog altijd dezelfde voetbalploegen en dezelfde politieke partijen die het volk vermaken en daar veel geld mee verdienen.
Brood en spelen, daar komt het op neer.
Er is niks tegen brood, en er is niks tegen spelen.
Maar we zijn zover verwijderd geraakt van het wezen van die twee dat ze ons niet meer voeden noch amuseren.
Ze vullen alleen maar een leegte die alsmaar groter wordt.
En omdat de leegte alsmaar groter wordt, moeten we het vulsel alsmaar meer opblazen.

20140523-120212.jpg

Ik lees in De Morgen een opiniestuk van Stijn Meuris, een man die weet wat opblazen is.
Bij de vorige verkiezingen had hij verklaard niet meer te zullen gaan stemmen, wegens te gedegouteerd.
Dat had een (media)storm van verontwaardiging verwekt.
Vandaag heeft Meuris het geweer van schouder veranderd: hij gaat wél stemmen.
En waarom?
Om de verrechtsing van Vlaanderen tegen te gaan.
Alsof die ‘verrechtsing’ er vier jaar geleden nog niet was …
Het gaat natuurlijk weer eens om Bart De Wever, want die is in zijn eentje verantwoordelijk voor de ‘ruk naar rechts’.
Zou Meuris eigenlijk kunnen zeggen wat hij bedoelt met die ‘verrechtsing’?
Het zal er wel op neerkomen dat de slechterikken in opmars zijn en dreigen de goeden opzij te schuiven.
Die slechterikken zijn natuurlijk altijd de anderen.
Dat spreekt.
Ook Meuris durft niet naar de leegte in zijn ziel te kijken.
Hij heeft daar waarschijnlijk geen tijd voor, druk als hij het heeft met het opvullen van die leegte.
Dat is namelijk wat de moderne mens doet: alsmaar vullen, vullen, vullen.
Om de leegte niet te moeten zien en voelen.
Want die leegte zuigt.

20140523-120335.jpg

Een oud spreekwoord zegt: ledigheid is des duivels oorkussen.
Waar leegte is, is de duivel niet ver.
Hij is het die erdoor wordt aangezogen.
Hij is het ook die Stijn Meuris naar de stembus drijft.
Meuris is bang voor de duivel die aangetrokken wordt door een moderne wereld die één grote mooi verpakte leegte is.
Maar uiteindelijk is ook die angst vulsel.
Meuris jaagt zichzelf angst aan voor de zogenaamde ‘verrechtsing’, omdat hij dan een potje kan griezelen, want in de grond weet hij wel dat Bart De Wever de duivel niet is.
Hij doet maar alsof.
Al die zogenaamde ‘linksen’ doen alsof De Wever de baarlijke duivel is, omdat ze de echte duivel niet onder ogen willen/kunnen/durven zien.
Want die duivel is – o gruwel – een geest!

Nee, zolang we niet ‘over de drempel’ raken, zal de leegte niet gevuld raken.
Zolang we we geen contact maken met een geestelijke wereld die even levendig, concreet en kleurrijk is als de zintuiglijke wereld zullen we blijven doen alsof.
We zullen in een schijnwereld leven en denken dat het de echte wereld is.
Maar voelen zullen we dat niet.
En zolang ons verstand niet luistert naar ons gevoel, zal er niets veranderen.
Net zoals er niets zal veranderen zolang politici niet luisteren naar de bevolking, maar doen alsof.

20140523-120643.jpg

Een juweeltje

20140522-152914.jpg
(een Adriaen Brouwer, ongeveer 10x12cm)

Verkiezingen?

In reactie op mijn eerste beschouwing over ‘de’ verkiezingen, schrijft een lezer: ik vrees dat u zich lichtelijk verkijkt op de N-VA.
Nochtans had ik over die partij niets anders gezegd dan dat ze de enige is die – mogelijk – iets zou kunnen veranderen, en dat verandering hoognodig is.
Maar het volstaat tegenwoordig om de N-VA niet te verketteren om zelf verketterd te worden.
‘Verketteren’ is nu niet meteen het woord dat ik wil gebruiken om deze lezersreactie te benoemen, maar ze lijkt me toch een homeopatische verdunning van de obligate wijze waarop de N-VA en Bart De Wever aangevallen worden.
Eigenlijk zijn die aanvallen de voornaamste reden van mijn sympathie voor de man.
Iemand die op zo’n nietsontziende manier verketterd wordt door zij-die-het-voor-zeggen-hebben, moet – om het neutraal uit te drukken – een bijzonder iemand zijn.

Het doet me denken aan die andere ketter, de zwaar verguisde Joseph Ratzinger alias de vorige paus.
Onvoorstelbaar wat voor bakken kritiek (en hier zou ik ook een ander woord kunnen gebruiken) die man over zich heen kreeg!
Ik moet bekennen dat ik me aanvankelijk liet misleiden door die kritiek, maar gelukkig gaf iemand me de raad: lees eens iets van die Ratzinger, hij is niet de degene waarvoor men hem verslijt!
Omdat ik altijd bereid ben mijn mening te herzien, volgde ik zijn raad op en stelde vast dat hij gelijk had.
Ratzinger bleek precies het tegenovergestelde te zijn van wat zijn kwalijke reputatie deed vermoeden: een zeldzaam intelligent en mild man, een echt christenmens zeg maar.
Dat was iets dat ik echt niet kon zeggen van zijn voorganger, noch van zijn opvolger.
En toch was het Ratzinger die verketterd werd, terwijl de andere twee de hemel werden ingeprezen.

20140522-115456.jpg

Als jongeman was ik er al van overtuigd dat wie vandaag de waarheid wil kennen, moet kijken naar de consensus over een onderwerp, en ze vervolgens omkeren.
Ik heb dat altijd een probaat middel gevonden en ik pas het ook nu weer toe op Bart De Wever.
De consensus over de man laat aan duidelijkheid niets te wensen over: Bart De Wever is slecht, Bart De Wever is de nieuwe Hitler, Bart De Wever is een gevaarlijke man die het land naar de afgrond zal leiden, Bart De Wever zal de mensen in armoede dompelen, enzovoort, enzovoort.
Als ik dat omkeer, krijg ik iemand op wie ik meteen zou stemmen.
Als ik zou stemmen.

Bart De Wever neemt mij voor zich in om de eenvoudige reden dat – excusez le mot – iedereen op zijn kop schijt.
Was hij een standbeeld, dan zou er al lang niets meer van hem te zien zijn.
Ik vind het werkelijk onvoorstelbaar hoe men nu al jarenlang dagelijks op hem inhakt in de media.
Vandaag stond er alweer een artikel in de krant dat moet aantonen hoe fout en verkeerd Bart De Wever wel is.
Dat moet zo ongeveer het 978ste in de rij zijn.
Het is alsof men na de vorige verkiezingen een beurtrol heeft opgesteld: vandaag gooi jij met str… naar De Wever, morgen jij, overmorgen iemand anders, en zo verder, tot iedereen aan de beurt is geweest. En daarna beginnen we opnieuw.
In hun gooi- en smijtenthousiasme konden de Bart-bashers vaak hun beurt niet eens afwachten. Ik heb in De Standaard – altijd kwaliteit troef – ooit zes artikels op één dag gelezen (zes!) die met elkaar wedijverden om Bart De Wever naar beneden te halen.
Ik denk niet dat er de afgelopen twee jaar één krant in België is verschenen waarin niet minstens één anti-De Wever artikel stond.

20140522-115910.jpg

Zoals wijlen VDB zei: trop is teveel, en teveel is trop.
Een dergelijke overkill aan kritiek is in onze vaderlandse geschiedenis nooit gezien.
En ze worden het maar niet moe: dag in dag uit hetzelfde liedje, zonder ophouden.
Bart is slecht!
Pas op voor Bart!
Stem zeker niet voor Bart!
Bart gaat je centen pakken!
Bart is een rechtse, fascistische nazi!
Bart gaat de mensen doen afzien als nooit tevoren!
(deze laatste is van Elio di Rupo)

Ik snap werkelijk niet hoe je in dergelijke omstandigheden Bart De Wever niét sympathiek kunt vinden.
Niemand kan zó slecht en zó gevaarlijk zijn dat hij het verdient om jaren aan een stuk iedere dag aan de schandpaal te worden genageld.
Als je bovendien ziet dat deze Verschrikkelijke Onmens in feite heel intelligent, heel ad rem, heel geestig en heel cool is, dat er in zijn programma geen dingen staan als ‘steek al de werklozen in kampen’ of ‘stuur alle vrouwen weer naar de keuken’, dat er tijdens zijn burgemeesterschap in Antwerpen geen wraakroepende dingen zijn gebeurd, dan kun je toch niet anders dan je solidair voelen met een man die het in zijn eentje moet opnemen tegen het hele politieke en intellectuele establishment!
Eigenlijk is het niet meer dan menselijk dat je voor zo’n man stemt, al was het maar om een eind te maken aan die mentale gang-rape.

20140522-120159.jpg

Nee, als er iets is dat mij voor Bart De Wever zou doen stemmen (als ik zou stemmen), dan is het wel dat onophoudelijke spervuur van iedereen die meent de menselijkheid, de democratie, de gelijkheid, de verdraagzaamheid, het gezonde verstand, de solidariteit en wat weet ik al niet meer, aan zijn kant te hebben.
Alleen al dat stuitende spektakel van collectieve zelfingenomenheid is genoeg om mij partij te doen kiezen voor de eenling die er het slachtoffer van is, ongeacht wie dat is of wat hij denkt.
Ja, eigenlijk vind ik dat iedereen die het hart op de rechte plaats heeft, moreel verplicht is dit beschamende gedrag af te straffen.
Ofwel door op Bart De Wever te stemmen, ofwel door helemaal niet te stemmen.
Wie duldt dat er op deze manier aan politiek wordt gedaan, is er medeplichtig aan.
Ik hoop dan ook dat zondag iedereen thuis blijft, ofwel – als de show dan toch must go on – dat Bart De Wever een klinkende overwinning behaalt.
Niet omdat ik instem met zijn programma of denk dat het met hem allemaal beter zal worden, maar gewoon omdat de anderen een ouderwets pak slaag verdienen.

Ja maar, ja maar, hoor ik de ernstigen onder mijn lezers zeggen, zo maak je toch geen politieke keuze!
O nee, antwoord ik dan, hoe dan wel?
Door mee te doen aan een stemtest en op die manier het programma van de verschillende partijen te leren kennen zodat ik een bewuste en weloverwogen keuze kan maken?
En dat zou wél ernstig zijn?
Ten eerste zijn die stemtests onbetrouwbaar en ten tweede zijn de partijprogramma’s nog veel onbetrouwbaarder.
Trouwens, het gaat zondag niet om programma’s.
Je kan zelfs niet zeggen dat het om verkiezingen gaat.
In feite wordt er op 25 mei een referendum gehouden.
Er moet gewoon ja of neen gestemd worden.
Ja, ik kies voor Bart De Wever.
Nee, ik kies niet voor Bart De Wever.
Daar komt het op neer, en dat weet iedereen.
Deze ‘verkiezingen’ draaien helemaal rond één persoon, en men is voor hem of men is tegen hem.
Zo simpel is het, alle pogingen om het ingewikkeld te maken ten spijt.

20140522-120246.jpg

Aan de ene kant is dat een goede zaak, want eindelijk gáán de verkiezingen eens ergens over. Eindelijk wordt er eens een referendum gehouden, wat toch een kenmerk van echte democratie is. De kans is natuurlijk groot dat men, zoals gewoonlijk, geen rekening zal houden met de uitslag van dat referendum. Maar in deze tijd van stagnatie en stilstand is zelfs de kleinste mogelijkheid van verandering een heuglijk feit.
Aan de andere kant is dit referendum over één persoon de uitdrukking van een zorgwekkende polarisatie: het land, en meer bepaald Vlaanderen, is verdeeld in twee kampen die elkaar rauw lusten.
Als ik de kranten mag geloven dan is Bart De Wever de aanstichter van die polarisatie.
Tja, in een huwelijk wordt degene die er uitstapt ook vaak als de slechterik gezien.
Maar om ruzie te maken, moet je nog altijd met twee zijn.
Het is naïef, en zelfs belachelijk, om te denken dat één enkele man in staat is om een allesbehalve licht ontvlambaar volk als de Vlamingen in een oogwenk te veranderen in een hoop felle ruziemakers.
Nee, Bart De Wever heeft niets anders gedaan dan een diepe tegenstelling aan het licht brengen die al heel lang onder de oppervlakte smeulde.
Er is zelfs veel voor te zeggen dat het in feite omgekeerd was: het is de groeiende tegenstelling die een figuur als Bart De Wever omhoog heeft gestuwd.

20140522-120406.jpg

Als we willen begrijpen waar het op 25 mei eigenlijk om gaat, dan moeten we Bart De Wever even vergeten en op zoek gaan naar de wortels van de tegenstelling die zich nu rond zijn persoon kristalliseert.
De kunst bestaat er daarbij in om zorgvuldig te werk te gaan en geen stappen over te slaan, want het is donker onder de grond.

Wat ik hierboven beschreven heb, lijkt me een betrouwbaar uitgangspunt.
Het kan niet ontkend worden dat de verkiezingen van 25 mei in feite een referendum zijn.
Het kan ook niet ontkend worden dat ze rond één persoon draaien.
En het kan evenmin ontkend worden dat die persoon nu al jaren het doelwit is van een beschieting die op een mentale remake van 14-18 lijkt.
Dat zijn feiten en iedereen kent ze.
Of men het ook wil erkennen, is een andere zaak.

20140522-120757.jpg

Wat men nog veel minder kan ontkennen, is de politieke polarisatie.
Vergeet de socialisten, de christen-democraten, de liberalen, de groenen, de communisten, en de partij van de ouden-van-dagen.
Ze doen er niet meer toe.
Er zijn nog slechts twee partijen: de N-VA en de rest.
Of: rechts en links.
Dat is waar het vandaag om gaat: de frontale botsing tussen twee onverzoenlijke tegenpolen.
Eigenlijk zou dat een belletje moeten doen rinkelen, want niet alleen lijkt het een herhaling van 14-18 (gelukkig nog zonder wapens), het roept nog een veel oudere herinnering op: die aan de allereerste ruzie, de ruzie tussen Adam en Eva over de appel.
Is de vraag niet net als toen: zullen we de (rijks)appel laten hangen of zullen we er een stuk uit bijten?
De volgende ruzie, die tussen Kaïn en Abel, was een variatie op hetzelfde thema: Kaïn zag dat Abel zich kon verheugen in de gunst van God (nu: van het volk) en dus sloeg hij zijn broer dood.
Ik wil maar zeggen: de politieke polarisatie die vandaag in België aan de oppervlakte is gekomen, is zo oud als de mensheid.
Het is de condition humaine vertaald in politieke termen.
Anders gezegd: het gaat om een oer-probleem.
Hoe vaak horen we niet zeggen dat we het zo goed hebben in ons landje aan de zee, dat we niet mogen klagen, dat we eigenlijk in een paradijs leven.
Welnu, in dat paradijs is er opnieuw een slang opgedoken.
En opnieuw wordt die slang niet opgemerkt.
Opnieuw wordt één van de echtelieden als zondebok gebrandmerkt.

20140522-121040.jpg

Wat we in politiek België zien gebeuren, is wat we overal en op elk gebied zien gebeuren: de fundamentele tegenstelling wordt ontkend.
Men doet alsof ze niet bestaat.
Men weigert ze onder ogen te zien.
Neem bijvoorbeeld de situatie in de kunstwereld.
Die wordt fundamenteel gekenmerkt door de tegenstelling tussen (pakweg) klassieke en moderne kunst.
De hedendaagse kunstwereld bestaat uit twee tegengestelde werelden die met elkaar niets te maken hebben en die elkaars bestaan zonder meer ontkennen.
Maar dat basale feit wordt compleet genegeerd.
Men weigert gewoon deze polariteit onder ogen te zien en men is zich zelfs niet bewust van die weigering.
Het is een instinctieve ontkenning.
De situatie in de antroposofische wereld toont precies hetzelfde beeld.
Die wereld wordt fundamenteel gekenmerkt door de tegenstelling tussen oude en jonge zielen.
Wie die twee groepen eenmaal onderscheidt, merkt dat er (afgezien van de ruzies) nauwelijks contact is tussen beide.
Ze gaan ieder hun eigen gang alsof de anderen niet bestonden.
Hoewel Rudolf Steiner op het hoogtepunt van zijn kunnen met de grootste nadruk gewezen heeft op de noodzaak van samenwerking tussen beide groepen, doet de antroposofische wereld alsof ze nog nooit gehoord heeft van oude en jonge zielen.
Hun polariteit wordt straal genegeerd en men beseft het niet eens.
Ik zou daar nog het voorbeeld kunnen aan toevoegen van de manier waarop vandaag de fundamentele tegenstelling tussen man en vrouw wordt verdoezeld.
Men vervangt ze door een waaier van ‘gender-types‘: mannen die op mannen vallen, vrouwen die op vrouwen vallen, mannen en vrouwen die op mannen én vrouwen vallen, mannen die vrouw worden en vrouwen die man worden, mannen en vrouwen die zowel man áls vrouw zijn, vrouwen met baarden die zingen, mannen met …
Afijn, er zijn vandaag zoveel mogelijkheden van ‘gender-expressie’ dat de tegenstelling man-vrouw compleet achterhaald lijkt.

20140522-121230.jpg

Ik maak me sterk dat dit rijtje van voorbeelden nog veel langer kan worden gemaakt.
De hele wereld is vandaag in de greep van een diepe en fundamentele polarisatie én van de ontkenning ervan.
Dat zien we duidelijk weerspiegeld in de politieke situatie in Belgenland.
Het verschijnen van Bart De Wever wordt niet gezien als het zichtbaar worden van een fundamentele tegenstelling in de Belgische politiek, nee de man wordt gezien als de slang die het paradijs is binnengedrongen en die met vereende krachten moeten worden uitgedreven.
Nog nooit is de Belgische politiek zo eensgezind geweest: als één hecht blok staan ze tegenover de vijand.
Dat leidt tot hilarische taferelen, zoals de Vlaamse socialisten die massaal ‘Elio, Elio, Elio’ staan te skanderen op de Gentse Vrijdagmarkt.
Maar door Bart De Wever als de vijand af te schilderen, blijft de echte vijand uit het vizier.
De fundamentele tegenstelling wordt genegeerd door één van beide tegenpolen te identificeren als de oorzaak van de polarisatie.
Als men die tegenpool uitschakelt, denkt men ook een eind te maken aan de tegenstelling.
In werkelijkheid maakt men ze natuurlijk alleen maar groter.

20140522-121554.jpg

Het Belgische establishment keert zich als één man tegen Bart De Wever.
Op alle mogelijke manieren (ik vrees dat we ze nog niet allemaal gezien hebben) probeert men hem uit te schakelen. Maar juist daardoor maakt men hem – en de polarisatie – alsmaar sterker. En de hevige strijd die daaruit volgt, onttrekt de echte strijd aan het oog.
Want men vecht niet tegen Bart De Wever, men vecht tegen de bewustwording van de oer-tegenstelling.
Men probeert dat menselijke grondprobleem – het feit dat de wereld in twee gedeeld is – op alle mogelijke manieren te vermijden, en de meest effectieve manier is een hevige strijd tussen beide ‘delen’.
Die strijd wordt in België momenteel politiek gevoerd, maar politieke strijd pleegt verder gezet te worden met andere middelen.
Ik maak me sterk dat de werkelijke oorzaak van de Grote Oorlog precies het niet onder ogen willen of kunnen zien was van een fundamentele tegenstelling.
Wat die tegenstelling precies was, weet ik niet, maar ik stel wel vast dat toen – net als nu – hetzelfde beeld verschijnt: dat van één tegen allen.
In beide wereldoorlogen vocht Duitsland tegen de rest van de wereld.
Althans, zo wordt het voorgesteld.
In werkelijkheid vocht men tegen iets anders.
Men vocht tegen de bewustwording van iets.
Men vocht tegen een bewustzijn dat moest ontstaan uit de (doorleefde) spanning tussen de tegenpolen, een ‘Steigerungsbewustzijn’, een bewustzijn met een hoger trillingsgetal, zeg maar.
Door de spanning te laten exploderen in strijd en geweld, werd het ontstaan van dat ‘hogere’ bewustzijn onmogelijk gemaakt.
Maar de tegenstelling die tot die spanning leidde, verdween niet.
Integendeel, zij dook opnieuw op.
Na de eerste wereldoorlog volgde de tweede wereldoorlog.
Na de tweede wereldoorlog volgde de Koude Oorlog.
En sindsdien is er eigenlijk geen eind meer gekomen aan de oorlogen.

20140522-121735.jpg

Het mag gevreesd worden dat er ook geen eind zál aan komen, zolang de spanning tussen de tegenpolen niet leidt tot een ander, hoger bewustzijn.
Zolang dat bewustzijn er niet komt, zullen de spanningen telkens weer exploderen in geweld en vernietiging.

Om de een of andere reden – en antroposofen weten waarom – lopen de spanningen tussen de tegenpolen hoog op in onze tijd.
Daar kunnen we echt niet meer naast kijken: de hele wereld raakt verdeeld in strijdende kampen.
En toch is dat precies wat we doen: ernaast kijken, het negeren, de ogen ervoor sluiten.
De werkelijke strijd gaat niet tussen de tegenpolen, hij gaat tussen het oude en het nieuwe bewustzijn.
De werkelijke strijd gaat tegen bewustwording en hij wordt gevoerd door een bewustzijn dat niet meer van deze tijd is en daardoor kwaadaardig wordt.

Dat bewustzijn zien we aan het werk in de hetze tegen Bart De Wever en het biedt een beschamend schouwspel.
Ik kan me uit de afgelopen jaren niet één krantenartikel of politieke beschouwing herinneren die de huidige polarisatie op een objectieve, onpartijdige manier in beeld bracht.
Het is alsof men daar eenvoudig niet meer toe in staat is.
Dat zulks uitgerekend het geval is in België, het land van het compromis en het eindeloze communautaire gepraat, geeft te denken.

20140522-121936.jpg

België, en meer bepaald Vlaanderen, wordt wel eens het slagveld van Europa genoemd.
Er is waarschijnlijk geen bodem die zo doordrenkt is met bloed als de Vlaamse bodem.
Er is geen volk dat zoveel bloed heeft zien vloeien als het Vlaamse.
Er is wellicht ook geen (modern) volk dat vreedzamer is en meer geneigd tot compromis.
Het bestaan van België is maar mogelijk dankzij de grote toegeeflijkheid van de Vlamingen: ze zijn tot alles bereid omwille van de lieve vrede.
In die zin kunnen ze model staan voor heel Europa: de Europese mens is oorlogsmoe.
Hij heeft de afgelopen eeuw zoveel geweld en zoveel gruwelen gezien dat diep in zijn ziel een onverzettelijke vredeswil is ontstaan.
‘Nooit meer oorlog!’: dat is wat leeft in de onbewuste wil van de moderne Europeaan.
Maar dat is niet wat leeft in zijn wakkere bewustzijn.
Dat bewustzijn is een … oorlogsbewustzijn.
Het denkt in tegenstellingen, het zoekt de confrontatie.
Daar is op zich niks mis mee, want ‘du choc des idées jaillit la lumière’.
Het is aan dit strijdlustige bewustzijn dat we onze vrijheid en zelfstandigheid te danken hebben.
Het enige probleem is dat we ons niet bewust zijn van dat bewustzijn.
We realiseren ons niet dat we in gedachten altijd ruzie zoeken, en daardoor wordt dat ruzie-zoeken een automatisme, een gewoonte die met ons aan de haal gaat en die tot een tweede (kwaadaardige) natuur wordt.

20140522-122145.jpg

We kunnen dat heel goed waarnemen in de kranten.
Als Bart De Wever in een interview zegt dat hij niet akkoord is met de standpunten van de socialisten, dan wordt dat: Bart De Wever haalt snoeihard uit naar de SP.a.
Als iemand met zijn auto tegen een boom botst, heet het: man sterft na klap tegen boom.
Alsof hij die boom een oplawaai verkocht heeft en de boom heeft teruggeslagen.
Een simpel ongeval wordt op die manier een daad van agressie.
En zo wordt alles vertaald in ‘oorlogstermen’.
We weten allemaal wat de reden is van dit agressieve, opruiende, sensationele taalgebruik: het is een wapen in de concurrentiestrijd tussen de kranten.
Maar die concurrentiestrijd is op zijn beurt een gevolg van hoe we de wereld zien: als het toneel van een gigantische struggle for life.
Ook hier zijn we weer niet in staat om de twee polen tegenover elkaar te plaatsen: de struggle for life en de vreedzame samenwerking.
Eén van beide moet wijken omdat we de spanning tussen beide niet kunnen uithouden.
Dat wil zeggen: ons bewustzijn kan ze niet uithouden.
In ons dagelijkse doen combineren we beide als vanzelfsprekend.
Maar met ons verstand kunnen we ze alleen maar als vijanden zien en proberen we één van de twee uit te schakelen.

20140522-122601.jpg

De oorzaak van het oplopen en exploderen van de spanningen tussen de tegenpolen ligt dus niet in ons doen maar in ons denken.
In ons doen komt onze vredeswil tot uiting, en met name de Vlamingen zijn tot veel bereid om de lieve vrede te bewaren.
Maar ons denken gaat zijn eigen oorlogszuchtige gang zonder zich iets aan te trekken van wat we diep van binnen eigenlijk willen, en dat is: vrede.

De Belgische politieke situatie is niets anders dan een uitdrukking van de innerlijke gespletenheid van de Belg, en vooral dan van de Vlaming. Want terwijl de Franstaligen als vanouds één blok vormen in communautaire zaken, zijn de Vlamingen hopeloos verdeeld.
We kijken dus als in een spiegel, maar we weten het niet.
We verwensen (vooral) Bart De Wever, we verwensen (soms) de andere partijen, we verwensen (algemeen) de politiek, we verwensen de polarisatie, het geruzie, het hele communautaire ‘gedoe’, maar één ding verwensen we zelden of nooit, en dat is onze eigen innerlijke gespletenheid.
We komen er maar niet toe een bewustzijn te ontwikkelen dat zich verheft boven deze gespletenheid en in staat is de tegenpolen te zien als delen van een groter – driegeleed – geheel.
Dat is de drempel waar we niet overheen raken.
Dat is de Grote Verandering die nodig is.
Van Bart De Wever zal ze niet komen.
Van de andere partijen nog veel minder.
Maar het feit dat ze vandaag zo onverzoenlijk tegenover elkaar staan, spoort ons aan om ‘in het eigen hart te kijken’.
Want daar ligt de oplossing.
Niet in de stembureaus.

20140522-122831.jpg

20140521-231409.jpg