Een memorabele dag

door lievendebrouwere

Human kind cannot bear much reality, schrijft de dichter, de mens kan niet veel werkelijkheid verdragen.
Dat heb ik afgelopen weekend weer eens ondervonden.
Eigenlijk ondervind ik dat al sinds ik marktkramer ben geworden.
Een wereld waar ik me vroeger als buitenstaander een beeld van vormde, leer ik nu van binnenuit kennen.
En die stap van beeld naar werkelijkheid is een behoorlijk grote schok.
Ik dacht dat ik een vrij realistische voorstelling had van de wereld waar ik nu ben ingestapt, want tenslotte vergezel ik An al meer dan tien jaar naar de folkloremarkt in Brugge.
Maar nu ik er zelf actief deel van uitmaak, beleef ik die markt heel anders, en besef ik hoe oppervlakkig en misleidend mijn beeld ervan wel was.

Het is alsof een lege vorm nu opeens gevuld wordt met inhoud.
En dat creëert een intense spanning tussen beide.
Zal de vorm het houden of zal hij bezwijken onder druk van de groeiende inhoud?
Of zal het omgekeerd de inhoud zijn die geen plaats krijgt in de vorm?

20140526-233415.jpg

Eén aspect van die ‘inhoud’ is: het werk.
Ik had geen idee hoeveel werk er komt kijken bij het marktkramersbestaan.
Ik zag mensen die ’s ochtends hun kraam opstelden en dan de rest van de dag doorbrachten met in de zon zitten, de krant lezen, een kopje koffie drinken, een praatje slaan met de collega’s, naar de passerende toeristen kijken, af en toe iets verkopen. En dat alles in een prachtige omgeving, in een aangename en ontspannen sfeer.
Er zijn slechtere manieren om je geld te verdienen!
Weliswaar is de markt voor de meesten slechts een bijverdienste, maar er zijn er ook die ervan leven, zoals mijn buurman Henk!

Eigenlijk heb ik daar altijd van gedroomd: werken in het weekend en de rest van de week doen wat je wilt. Weekendwerk betaalt immers dubbel en dus werk je in feite vier dagen per week.
Dat leek me een ‘modern’ werkritme.
Althans in mijn voorstelling.
Waar ik – om de mooie droom niet te verstoren – geen rekening mee hield, was dat je de rest van de week óók moet werken.
Dat geldt natuurlijk niet voor de marktkramers die hun spullen voor een prikje in China kopen en ze met veel winst weer verkopen aan de (soms Chinese) toeristen in Brugge.
Maar het geldt wel voor iemand als Henk, die zijn speelgoed zelf maakt.
En het geldt ook voor mij.

20140526-233505.jpg

Ik stel tot mijn verbazing vast, dat ik sinds half maart – het begin van het marktseizoen – met niks anders meer bezig ben dan met die markt.
Zeker, ik begin nog maar en het is allemaal nog nieuw en ik moet alles nog op poten zetten.
Maar toch.
Ik heb geen vrij moment meer.
Ik kom soms van de hele week niet buiten.
Verleden week vrijdag ben ik zelfs 14 uur non-stop in het getouw geweest.
Ik was opgelucht dat het zaterdag regende en ik niet naar Brugge hoefde.
Een onverwachte vrije dag!
Die ik vervolgens weer vulde met schilderen en inlijsten en inpakken…

Zondag was ik blij dat ik naar Brugge kon: even niet schilderen, niet inlijsten, niet inpakken.
Om stress te vermijden, was ik al om 6 uur opgestaan.
Ontbeten in alle rust en stilte. Ik kon zelfs de vogeltjes horen fluiten!
Toen ik vertrok, scheen de zon me verblindend in het gezicht, precies zoals ik het graag heb.
Zalig!
De wereld was voor mij alleen.
Zelfs de werken aan de autostrade waren voltooid: drie nagelnieuwe baanvakken strekten zich voor me uit.
En nauwelijks een auto te zien.

Het viel me op dat de bomen er lang niet meer zo weelderig bij stonden als een week geleden.
Voor de zoveelste keer werd ik getroffen door de overgang van het ene sterrenbeeld naar het andere. Als modern mens heb je natuurlijk geen enkele voorstelling van die overgang. Je gelooft er niet eens in. Allemaal bijgeloof en inbeelding!
Maar als er één gebied is waarop de werkelijkheid mijn voorstelling steeds weer te vlug af is, dan is het wel die maandelijkse wisseling van de ‘sterrenwacht’.
Ook nu weer.
Ik keek lichtjes verbijsterd naar het groen, niet begrijpend hoe het er in één week zo geheel anders kon uitzien.
Tot ik me realiseerde dat Stier plaatsgemaakt had voor Tweelingen, en dat is een totaal andere sfeer.
Je kunt daar desgeval wel over lezen in de boeken, maar het is pas in de levende werkelijkheid dat je beseft hoe anders al die tekens zijn, en hoe reëel de verschillen.
Zoals ik al zei: onze beelden en voorstellingen steken ongelooflijk schraal af tegen de rijkdom van de werkelijkheid, zeker onze beelden en voorstellingen van de natuur.

Na de natuur langs de autostrade, de cultuur van Brugge.
Er is doorgaans weinig beweging in de stad als ik er rond achten binnenrijd.
Soms een enkele Japanner (de vroegste vogels), of iemand die zijn winkel opent.
Maar nu leek de stad wel uitgestorven.
Ik reed door louter lege straten.
Alleen dát al maakte het de moeite om zo vroeg op te staan.
Zou ik de eerste zijn, vroeg ik me af toe ik de helling aan het Gruuthuuse-museum opreed.
Nee, zag ik, er was een nóg vroegere vogel.

20140526-233655.jpg

Van alle momenten van de dag hou ik het meest van de ochtend en de avond, zij het wel op voorwaarde dat ik ze in alle rust en stilte kan beleven.
Dat sluit de avonden al uit, want zeker hier in Destelbergen zijn ze een verschrikking.
Maar door marktkramer te worden, smaak ik nu weer de geneugten van de morgenstond.
En in Brugge, op de oeroude plek die de Dijver is, onder de jonge lindebomen, langs het roerloze water van de rei, heeft die morgenstond een bijzonder aroma.

De dag begon dus veelbelovend.
Ik had er zin in.
Toen ik de auto ging parkeren (op een ‘geheim’ plekje waar geen parkeermeter staat) moest ik stoppen voor twee eenden die midden op straat stonden en geen aanstalten maakten om weg te gaan.
Ik wilde al uitstappen toen er een politieagent met een walkie talkie de hoek om kwam en de beesten naar de kant dreef.
Even later zag door een poort hoe mensen op een speelplaats stonden aan te schuiven.
Ach ja, verkiezingen!
Ik was het bijna vergeten.

Op de terugweg zag ik overal mensen lopen met een witte kiesbrief in de hand.
Hoeveel daarvan zouden er nog uit hun bed komen als de stemming niet verplicht was?
Niet veel, denk ik.
Wie zou er überhaupt nog zo vroeg uit zijn bed komen als het niet van moeten was?
Mensen zoals ik wellicht, mensen die iets doen wat ze echt willen, die met andere woorden handelen uit vrije wil.
Je doet dan dingen die je van jezelf niet verwacht had …

20140526-234451.jpg

Als ik naar Brugge rijd, er mijn kraam opstel en dan zit te wachten op kopers, vergezelt me altijd een vaag gevoel van verbazing.
Zie me hier zitten, denk ik dan, zie me hier bezig!
Ben ik dat nog wel?
Ik heb moeite om het te geloven.
Blijkbaar is dat wat vrijheid met mensen doet: het verandert de voorstelling die ze van zichzelf hebben, het vult hun zelfbeeld met een nieuwe inhoud.
En dan wordt het spannend.
Wie zal het halen: de vorm of de inhoud, het beeld of de werkelijkheid?

Ik ben er nog lang niet uit.
Wat betekent marktkramen voor mij?
Welke plaats moet ik het geven in het beeld dat ik van mezelf heb?
Ik kan het vooralsnog niet rijmen met wie (ik denk dat) ik ben.
Als uitgesproken melancholicus heb ik niet het minste commercieel talent.
Ik heb er een ontzettende hekel aan om prijzen te plakken op tekeningen en schilderijen.
Eigenlijk wil ik met dat soort dingen niks te maken hebben.
Ik vind het in wezen vernederend om schilderijen als koopwaar op een markt aan te bieden.
Het is in feite precies datgene wat ik nooit gewild heb.
Ik heb me nooit ingelaten met tentoonstellingen of galerieën of het op een andere manier aan-de-man-brengen van mijn werk.
Het hele gedoe stootte me tegen de borst en ik was dan ook opgelucht bij Steiner te lezen dat die weerzin geheel normaal is voor een kunstenaar.

En toch doe ik nu al die dingen waar ik als kunstenaar zo’n hekel aan heb.
Ik doe ze omdat het moet.
Maar het is geen moeten dat me van buitenaf wordt opgelegd.
Het is een moeten dat ik mezelf opleg, omdat ik wil kunnen blijven schilderen.
En ik schilder niet omdat ik het niet kan laten.
Ik heb het zowat m’n hele leven ‘gelaten’.
Ik ben van nature helemaal geen schilder.
Maar op mijn oude dag heb ik besloten om ermee te beginnen.
Waarom?
Tja, wie zal het zeggen.
Eén reden is zeker mijn grote liefde voor schilderijen.
Was ik rijk geweest, dan zou ik ongetwijfeld collectionneur zijn geworden.
Ik kan me niks heerlijkers voorstellen dan een huis gevuld met kunst.
Maar omdat ik geen geld heb om schilderijen te kopen, moet ik ze dan maar zelf maken.
Daar komt het op neer.
Het is mijn liefde als kijker, en dus als buitenstaander, die me ertoe gebracht heeft zelf te gaan schilderen en het voorwerp van mijn liefde dus van binnenuit te leren kennen.

20140526-234701.jpg

En ik moet – opnieuw – zeggen: het verschil tussen buiten en binnen is enorm.
Had ik geen ‘hulp’ gekregen dan zou het me niet gelukt zijn de kloof te overbruggen.
Ik kon toevallig een reeks goedkope doeken kopen.
Ik ontdekte toevallig dat er olieverf bestond die je met water kon aanlengen, wat me in staat stelde om in de huiskamer te schilderen.
Ik ontdekte op een dag ook prima papier waarop je kon schilderen, en dat een stuk goedkoper was dan doek.
En zo gebeurden er regelmatig kleine dingen die me moed gaven en het gevoel wekten dat ik de goede richting uitging.
De mogelijkheid om in Brugge op de markt te gaan staan, lag helemaal in dezelfde richting.
Ook dat werd weer een hele worsteling (niet in het minst met de wanhoop), maar ik leek ze opnieuw te winnen.

Met dat gevoel reed ik gisterochtend in alle vroegte over die splinternieuwe, vrijwel lege E40.
Ik zou er mijn schouders eens onder zetten, zie!
Hoeveel werk het ook was, ik was blij dat ik kón werken.
Want ik wist maar al te goed wat het was om niet te kunnen werken.
Het was dus een dankbaar mens die zondag naar Brugge reed en daar zijn kraam opzette.
Het was niet waar hij als jongmens van gedroomd had, zelf niet bij benadering.
Maar het was véél beter dan helemaal niks te kunnen doen.

Dingen veranderen echter niet zomaar.
Dat zal Bart De Wever ook nog wel ondervinden.
Hoewel het stralend weer was en de toeristen zich niet door de verkiezingen hadden laten tegenhouden, verkocht ik vrijwel niets.
Tegen drieën had ik 20 euro verdiend.
Niet meteen een riant loon voor een week hard werken.
Maar ook elders was het kalm.
Naast me, in het kraam van Henk, zat Faysal met zijn duimen te draaien.
Faysal is een vriendelijke Marokkaanse jongen die ik de vorige week ook al gezien had en die voor Henk insprong bij het verkopen.
Want na 30 jaar marktkramen is Henk het een beetje zat.
Hij maakt zijn houten speelgoed nog zelf, in zijn eentje in zijn atelier hier in Destelbergen.
Rijk wordt hij er zeker niet van, maar het is hem veel waard te doen wat hij graag doet, en dat is: met hout werken.
Maar hij moet met lede ogen toezien hoe de markt (en niet alleen die van Brugge) overspoeld wordt met dingen die in lageloonlanden worden geproduceerd en verkocht tegen prijzen waarmee hij niet kan concurreren.
Hij kan nochtans niet klagen over de verkoop, maar hij moet alsmaar harder werken, en hij wordt ook al een dagje ouder.
Als kleine zelfstandige hoeft hij niet te rekenen op zijn pensioen, want dat is lachwekkend klein.
Dus zit hij behoorlijk klem.

20140526-234923.jpg

Tot voor kort verkocht An voor hem, één dag in de week.
Dat gaf hem een beetje ademruimte.
Weet je wel wat dat is, zei hij me onlangs, dertig jaar lang geen enkel weekend thuis zijn?
Een vrije zondag is voor hem een ongekende luxe.
En omdat luxe heel snel went, had hij An, die uitgevallen was met een hernia, vervangen door Faysal.
Ik had geen idee waar hij de jongen opgeduikeld had, maar dat waren zijn zaken.
En Faysal deed zijn werk met de glimlach.

Een glimlach kon ik zelf niet meer opbrengen nadat ik vijf uur aan een stuk toeristen had zien passeren zonder iets te verkopen (behalve dan één klein dingetje).
Mijn hoop werd dan ook gewekt toen er een vrouw naar me toekwam om iets te vragen.
Maar het ging niet over schilderen.
Ze wilde mijn identiteitskaart zien.
Was ik zelfstandige?
In bijberoep, antwoordde ik.
En wat is uw hoofdberoep?
Ik ben werkloos.
Meteen veranderde de toon van het gesprek.
Ik werd op slag een ‘verdachte’.
Ieder antwoord dat ik gaf, werd beschouwd als een poging tot leugen.
Ik was, voor zover ik wist, met alles in orde, maar net zo goed sloeg de schrik me rond het hart.
Ik vind het altijd akelig om in aanraking te komen met ‘het systeem’.
En de aanvankelijk vriendelijke mevrouw liet nu duidelijk doorschemeren dat Big Brother zijn oog op me had laten vallen.

20140526-235304.jpg

Maar dat was nog niets vergeleken met wat Faysal overkwam.
Hij werd ondervraagd door een man die zich gedroeg als was hij de Rijksdienst voor Arbeidsinspectie in hoogsteigen persoon en die Faysals antwoorden als een persoonlijke belediging opvatte.
De Marokkaanse jongen bleef glimlachen, het hoofd schudden en de schouders ophalen.
De inspecteur gaf allerlei gegevens door via zijn gsm en keek fel vanachter zijn zwarte bril.
Aha, deed hij triomfantelijk, Faysal bleek een … illegaal te zijn.
Meteen riep hij zijn collega’s erbij (drie vrouwen) en ze begonnen opgewonden te praten.
Hadden ze ’t niet gedacht!
Die marktkramers zijn voor geen haar te vertrouwen!
Een illegaal tewerkstellen, kun je dat nu geloven!
Het was alsof ze zoiets grofs nog nooit hadden meegemaakt.

Een akelig gevoel bekroop me.
Wat gebeurde er met die mensen?
Konden ze niet gewoon hun werk doen en zeggen: het spijt me, maar u hebt de wet overtreden?
Ze leken die wet niet toe te passen, ze leken die wet te zijn.
Ze gedroegen zich alsof ze persoonlijk beledigd waren.
Ze verloren alle verhoudingen uit het oog.

Het werd nog erger toen ze er de politie bijhaalden.
Faysal had dat gehoord en hij nam de benen.
Het waren nog jonge benen en ze gingen er als de weerlicht vandoor.
Toen werd het pas echt lachwekkend.
De inspecteurs schreeuwden naar elkaar en repten zich achter Faysal aan.
Maar hun benen waren lang zo jong niet meer.
Het leek een scène uit een goedkope Vlaamse politieserie.
Eén van de marktkramers kwam ook aangerend.
Hij greep onderweg een fiets, sprong erop en zette de achtervolging in.
Ik begreep er niks van.
Waar moeide hij zich mee?
Voelde hij zich ook al persoonlijk beledigd omdat er een illegaal op ‘zijn’ markt had gestaan?
Meteen kwam de gedachte in mij op: heeft hij misschien de arbeidsinspectie getipt?
Henk had me verteld dat er op de Dijver nog nooit inspectie was geweest.
En uitgerekend nu – het was de tweede keer dat ik Faysal in zijn kraam zag staan – strijkt de RVA met vier inspecteurs op de folkloremarkt neer?
Dat was wel héél toevallig!
Ze hadden overigens lang niet iedereen gecontroleerd.
Ze waren, zo leek het, meteen naar Henks kraam gegaan.
En naar het mijne …

20140527-001051.jpg

De gedachten tolden door m’n hoofd.
Hadden ze het misschien op mij voorzien en was Faysal een toevalstreffer?
Was ik een doorn in het oog van sommige ‘collega’s’?
Voelden ze dat ik niet één van hen was, dat ik een buitenstaander was, en wilden ze die ‘vreemdeling’ uit hun nest hebben?
Ik kon het moeilijk geloven, maar de gedachte kwam toch in me op.
Was ik besmet door het belachelijk emotionele gedrag van die arbeidsinspecteurs?
Begon ik, net als zij, overal leugenaars en achterbakse figuren te vermoeden?

Het was afgelopen met de gezelligheid op de Dijver.
Het was alsof er grauwe sluier over was neergedaald.

Een toerist stak een houten schild en zwaard uit naar de inspecteur en zei: ‘I would like to buy these!’
De ambtenaar barstte los: pak het maar allemaal mee voor mijn part! Er wordt hier vandaag niks meer verkocht!
De toerist keek hem verbouwereerd aan.
Was de man gek geworden?
Ik dacht net hetzelfde.
Wat scheelde er met die vent?
Kon hij zich verdorie niet als een volwassene gedragen?
De gedachte dat we gecontroleerd worden door dit soort figuren maakte me niet vrolijk.
Een combi van de politie arriveerde.
Twee geuniformeerde wetsdienaars stapten uit.
Ze waren nu al met z’n zessen en het peil bleef dalen.
Een van de agenten trok alle laden en dozen van Henks kraam open.
Wat dacht hij te vinden?
Wapens?
Bezwarende documenten?
Drugs?

20140527-001337.jpg

Een tijdje later arriveerde Henk.
Men had hem opgebeld en gesommeerd: ‘als u hier binnen het half uur niet staat …’
Ik was net bezig bonen te planten, vertelde Henk me achteraf.
Ik had met hem te doen.
Had hij eindelijk eens een vrije zondag en nu moest hij vierklauwens naar Brugge rijden.
Hopelijk kreeg hij onderweg geen ongeluk.
Of een hartaanval.
Je zou voor minder.
Want het is niet niks als je betrapt wordt op het tewerkstellen van een illegaal.
Je mag een illegaal huisvesten, dat is niet strafbaar, maar hem tewerk stellen, kan je naar verluidt een boete van 3.000 tot 75.000 euro opleveren.
Drieduizend euro, dat zijn heel wat weekends op de markt.
En vijfenzeventigduizend euro, dat zijn helemaal géén weekends meer op de markt.
Dan is het afgelopen met Henk.

Meteen toen hij arriveerde begonnen ze hem af te blaffen.
Hij bleef er wonderlijk rustig onder.
Hij moest nochtans weten wat er hem boven het hoofd hing.
Toen zijn ondervraging afgelopen was en de arm der wet zich had teruggetrokken, zei hij: ’t is weer eens iets nieuws! Atijd hetzelfde op de Dijver, dat begint ook te vervelen.
Ik moest erom lachen.
Als een mens op zo’n moment zijn gevoel voor humor kan bewaren, dan is hij nog niet verloren.
Dat zou ik in zijn plaats wél zijn geweest.
Je eerste aarzelende passen op onbekend gebied en dan zo’n klap?
Nee, dat zou me meteen rechtsomkeer hebben doen maken.

20140527-001445.jpg

Het is eigenlijk merkwaardig dat we naast elkaar op de Dijver staan, want terwijl ik de stap van buiten naar binnen probeer te zetten, probeert Henk het tegenovergestelde.
Hij wil juist afstand nemen van het marktkramen, want voor hem is het een gevangenis geworden.
Hij wil de vrijheid van de buitenstaander leren kennen.
Maar de stap van binnen naar buiten is niet minder groot dan omgekeerd.
Zoals ik de stap naar binnen (naar de innerlijke werkelijkheid van het marktkramen) niet had kunnen zetten zonder ‘karmische’ hulp, zo heeft ook Henk die hulp nodig om de omgekeerde stap te zetten.
Het hele voorval – dat het einde kan betekenen van zijn 30-jarige marktloopbaan – zou niet gebeurd zijn als An niet opeens out of the blue een hernia had gekregen, precies op het moment dat ik met mijn marktloopbaan(tje) begon.
Dat is toch wel heel merkwaardig.
Ook degene die de RVA getipt heeft – en daarover waren alle marktkramers het eens: Henk is verklikt – maakt waarschijnlijk deel uit van die ‘karmische hulp’.
Het doet denken aan de ‘dakpanoefening’ van Rudolf Steiner.
Als je een dakpan op je hoofd krijgt, zegt hij, dan moet je je voorstellen dat je voor het buitengaan eerst snel op het dak bent gekropen om die dakpan los te wrikken, zodat ze op je hoofd kon vallen als je de deur uitging.
Volgens deze karmische denkwijze zou Henk dus zichzelf aangegeven hebben bij de RVA.
Hij zou hun hulp ingeroepen hebben om iets te doen waar hij in z’n eentje niet toe in staat is: uit het marktkramersbestaan stappen.

Die uitstap hoeft geen fysieke stap te zijn.
Het gaat wellicht in de eerste plaats om een geestelijke stap, om het veroveren van de blik van de buitenstaander.
Want zowel de voorstellingen en beelden van de buitenstaander als de werkelijkheid van de ‘binnenstaander’ zijn slechts het halve werk.
Het hele werk is de combinatie van beide: tegelijk binnen én buiten staan.
En dat betekent: bewust handelen en handelend bewust zijn.
Het is wat vrijheid inhoudt.

20140527-001647.jpg

Henk is verknocht aan zijn vrijheid.
Daarom is hij marktkramer geworden.
Hij heeft overal ter wereld op markten gestaan, vrij als een vogel.
Maar als je niet tegenover dat vrijheidsstreven kunt gaan staan en het bekijken als een buitenstaander, dan blijft het een onvrije impuls, iets wat je doet zonder te weten waarom.
Ikzelf weet heel goed waarom ik op de markt in Brugge ga staan.
Iedere stap die ik zet is heel bewust en ik word niet gedreven door natuurlijke neigingen of uitwendige verplichtingen.
Ik doe het omdat ik het wil en alleen daarom.
Maar aan dit bewuste en vrije willen ontbreekt vooralsnog de werkelijkheid.
Stap voor kleine stap groei ik in die werkelijkheid in, en dat gaat gepaard met heel wat groeipijnen.

Het gevaar blijft dat ik mijn stap van buiten naar binnen, mijn ‘stap over de drempel’, niet tot een goed einde breng.
Ik ben er bijvoorbeeld allesbehalve gerust in dat ik op dit moment zelf onder de loep word genomen door de RVA.
Ik heb namelijk een loopbaan achter de rug waar ambtenaren van het soort dat ik in Brugge aan het werk heb gezien, wel eens heel emotioneel zouden kunnen van worden.
Ze zouden me ook wel eens als een illegaal kunnen beschouwen, want eigenlijk bén ik dat.
Ik probeer weliswaar uit alle macht om me aan te passen aan deze wereld, maar de stap naar binnen is heel, heel groot voor me.
Ik blijf vooralsnog aan de buitenkant staan, en voor Ahriman is dat ‘illegaal’.
Hij wil dat we helemaal van deze wereld zijn, zonder daar ook maar één moment tegenover te gaan staan.

20140527-002112.jpg

Terwijl Henk weer zelf de (legale) honneurs waarnam achter zijn speelgoedkraam, kwam er oude vrouw naar me toe.
Ze plantte een oud olieverfschilderij op mijn tafel en vroeg: Zeejje van Bruhhu, meneer?
Nenk madam, antwoordde ik.
Zoejje weetn woa dattadier gesgeldert es?
Ze klopte met haar wijsvinger op het schilderij als om me bij de les te houden.
Madamptje, wilde ik zeggen, e betje voorzegteg me joen sgelderie!
Maar iets zei me dat het boter aan de galg zou zijn.
Ik keek, en de naam ‘Speelmansrei’ kwam in me op.
Ergens in de buurt van ’t Zand.
Kzoet ni durvn zegn, antwoordde ik.
Ze vertelde waar het was, en ik bleek het bij het rechte eind te hebben gehad.
Niet slecht voor een buitenstaander, leek me.

Ik vroeg waar ze dat schilderij gevonden had.
Daar over ’t bruggetje, in een brocantewinkel, antwoordde ze, ik heb er 75 euro voor betaald.
Verdorie, dacht ik, als ik dát geweten had!
En hebben ze ’t niet een beetje ingepakt, vroeg ik.
O, zei ze, daar heb ik niet om gevraagd.
Ze leek het heel normaal te vinden om met een olieverfschilderij open en bloot over straat te lopen.
Ik heb thuis veel schilderijen, knikte ze.
Sommige heb ik niet eens uitgepakt!
Dat vond ze zelf een geweldige grap.
Vier weken geleden heb ik er nog een gekocht: het zit nog altijd in het bubbeltjesplastic.
Wul je te keer ziên?

20140527-002406.jpg
(Alfred Baertsoen, Speelmansrei Brugge)

Ik keek enigszins verbluft naar de ene tand van de oude vrouw.
Maar ik kan hier niet weg, antwoordde ik opgelucht.
Ze leek niet te horen wat ik zei.
Tes non-fihuratief, ziejje da gèren?
Ba nenk, antwoordde ik vol overtuiging.
Oelange stoa jier nog?
Het was vier uur.
Nog een eure, pijzzek.
Kgoa ’t e kiê goan oaln, zei de vrouw beslist.
Jaja, dacht ik.
En weg was ze.

Henk kwam naar me toe.
Die vrouw is steenrijk, fluisterde hij me toe.
Ze heeft ge-orven, of hoe zeg je dat?
Hij vertelde dat ze een bekende figuur was op de Dijver en dat ze soms een ring droeg met een robijn waarvan je achterover viel.
Een echte, volgens Dirk, en hij kan het weten, want hij weet alles over juwelen en rijke vrouwen.
Ik moest lachen.
Ik dacht niet aan het geld of de juwelen van de oude vrouw, maar aan al haar schilderijen.
Wie weet wat dáár allemaal niet tussen zat!
Maar ik vergat het meteen, want de toeristen wilden mijn schilderijen maar niet kopen.
De hele week werken, een hele dag in Brugge zitten, de bloeddorstige arbeidsinspectie op je dak krijgen, en dan ook nog eens niks verdienen?
Nee, ik had me deze zondag anders voorgesteld (sic).

Een half uur later hoorde ik Henk psst! roepen en zag hem met zijn hoofd gebaren.
Waarempel, daar was ze weer, en ze zeulde een schilderij mee van één op twee meter.
Verpakt in bubbeltjesplastic.
Ze plantte het schilderij voor me op de grond.
Oeveel peizdje dak ier vo betoald èn?
2800 euro!
Ze vertelde het er zelf bij.
Ik wist niet wat ik het krankzinnigst vond: de prijs of het schilderij zelf.
Het leek nog het meest op het resultaat van een partijtje paintball.
Vin je ’t scoone?
Ba nenk gi, barstte ik in lachen uit.
Het leek haar allemaal niet te deren.
Ze leefde in haar eigen wereld, een wereld met veel geld, veel schilderijen en weinig mensen.
Kein der nog e vee dierder, zei ze.
Weetje oevele dak er vo betold èn?
Ik schudde het hoofd.
Tiendeust euro, lachtte ze kakelend.
Tes van Valerejus De Zadeleer, daddes wèl fihuratief.
Tangd in Ostende, e min appartement.

20140527-002708.jpg
(Valerius De Saedeleer)

Ik kon er kop noch staart aan krijgen.
Waarom kocht die vrouw al die schilderijen?
Ze had er waarschijnlijk geen verstand van.
Voor haar was Valerius De Saedeleer gewoon een andere schilder dan Didier de Paris, of hoe die paintballer ook mocht heten.
Vin je techt ni scoone?
Ze schopte met haar voet tegen het spuuglelijke schilderij.
Ek ein nog nojet a zo iets leleks gezien, antwoordde ik.
Het ging haar ene oor in en het andere weer uit.

Uiteindelijk wierp ze ook een blik op mijn schilderijtjes.
A ja, zei ze, alsof het een quiz was, dat daar is de Meebrug, en dat daar de Groenerei, en het begijnhof, en de Rozenhoedkaai.
Dat hebben we al honderd keer gezien!
Ze tuurde naar m’n kleinste prints, die ik voor 20 euro verkoop.
A zo entje zoek wè koopn, voe kado te doê. Mo ken hiên hel mee.
Jaja, dacht ik, zo kennen we ze wel, de rijkelui!
Ik was opgetogen dat ze niets kocht.
Het zou een belediging zijn geweest.

Ik had ze op één dag alletwee gehad: de rijksambtenaren en de rijkelui.
Ze waren allebei even beledigend en onbeschaafd.
De enen ahrimanisch, de anderen luciferisch.
Zou ik nu zelf Steiners karma-oefening moeten doen en me voorstellen dat ik die twee zelf op me af had gestuurd?
Maar waarvoor dan wel?
Ik vermoed dat het dezelfde vraag is waarmee Henk op dit moment worstelt.
Wat heeft het allemaal te betekenen?
Want dat het iets te betekenen heeft, lijdt weinig twijfel.
Maar het is zo moeilijk om je de juiste voorstellingen te maken van de werkelijkheid …

20140527-003229.jpg

Op de valreep wilde een jong Japans gezin nog een klein schilderijtje kopen.
Do you take creditcards?
Nee, zei ik, het leven was zo al ingewikkeld genoeg.
How long before you leave?
Ik keek om me heen. De helft van de marktkramers was al vertrokken.
Soon, antwoordde ik.
I come back, zei de Japanner.
Tja, dat had ik er al meer horen zeggen.
Maar wat kon ik doen?
Misschien werd m’n dag nog een klein beetje gered.
En dus verdiepte ik me in Prokofieffs karmische biografie van Novalis terwijl het om me heen alsmaar rustiger en leger werd.
Het was al over zevenen toen ik het schilderijtje eindelijk kon inpakken, niet in bubbeltjesplastic – de vissen vreten al genoeg plastic – maar in soepel Onduwell-karton.

Zucht. Eindelijk kon ik beginnen opkramen.
Naast me was Christophe bezig met de laatste loodjes en verder was er niemand meer te zien.
Af en toe passeerden er nog wat luidruchtige toeristen.
De sfeer verandert als de zon ondergaat.
Ik verlangde naar huis.
Maar eerst moest Christophe nog zijn hart luchten.
Heb je dát nu gezien, zei hij verontwaardigd.
Nee, ik had het niet gezien.
Ik had vandaag al genoeg gezien.
Bleek dat een passerende toeriste een koperen ketel die hij gebruikte om water te putten uit de rei, gewoon had leeggegoten en meegenomen.
Alsof het een gevonden voorwerp was.
Ik vond het best wel grappig, maar Christophe zag er de humor niet van in.
Waar gaat het naartoe als zoiets al kan!
In wat voor wereld leven wij!
Ik dacht bij mezelf: jongen, als dát het enige is waar je je druk om maakt …
Het gesprek kwam op Henk.
Hij is verklikt, dat kan niet anders, zei hij, maar ik kan me niet voorstellen dat het één van ons is geweest.
Wie kan het dan wél geweest zijn, vroeg ik.
O, er zijn hier in Brugge winkeliers die hetzelfde soort dingen verkopen als Henk, en reken maar dat we een doorn in hun oog zijn! Mocht de VLD hier aan de macht komen dan is het meteen afgelopen met deze markt.

20140527-003652.jpg

Tjonge, alweer een nieuw en weinig opbeurend perspectief!
Mijn stap van voorstelling naar werkelijkheid leek hoe langer hoe meer een hachelijke onderneming.
Ik mocht er niet aan denken wat er allemaal nóg kon gebeuren.
Heeft een mens die ‘over de drempel’ gaat eigenlijk wel een andere keuze dan de zaken karmisch te bekijken?
Kun je überhaupt wel over die drempel raken zonder vertrouwen in het karma?
En is dat vertrouwen geen hogere vorm van zelfvertrouwen, dat wil zeggen: vertrouwen in de onbekende kunstenaar in jezelf, de auteur van je eigen leven?

Het is alleszins een intense oefening in vertrouwen, op de markt gaan staan.
En dan nog met dingen die je zelf maakt, enkel en alleen omdat je dat wilt.
Geen wonder dat Ahriman de RVA op me afstuurde.
Was ik veertig jaar jonger geweest, ik zou er waarschijnlijk, net als Faysal, vandoor zijn gegaan.
Maar waarnaartoe?
Vluchten kan niet meer.
Er is maar één uitweg meer.
Voor de buitenstaanders: de weg naar binnen.
Voor de binnenstaanders: de weg naar buiten.
En onderweg komen we elkaar misschien tegen.
Als we wakker genoeg zijn.

Advertenties