Steiner over kunst (1)

door lievendebrouwere

Na Tolstoj wil een mens wel eens een echte denker aan het woord horen over kunst.
Om geen tijd te verliezen, kies ik meteen de allergrootste: Rudolf Steiner.
Op 9 november 1888 hield hij in Wenen een voordracht die nadien werd uitgegeven onder de titel ‘Goethe als vader van een nieuwe esthetica‘. (GA 271)
De bijna 28-jarige Steiner vat in deze voordracht zijn ideeën over kunst op zeer gebalde wijze samen.
Twintig jaar later schrijft hij in het voorwoord bij de tweede druk dat hij niet één zin heeft hoeven te veranderen en dat de inhoud alleen maar actueler geworden is.
In hetzelfde voorwoord noemt hij zijn ideeën over kunst een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en de antroposofie noemt hij ‘de aangewezen manier om deze ideeën te begrijpen’.

20140529-115957.jpg
(Dit is geen reclame voor het boek, het gaat alleen om de foto)

Het doet onwillekeurig denken aan ‘De Filosofie der Vrijheid’, een werk dat in 1893 verschijnt en eveneens geldt als een grondslag van de antroposofie.
Steiner noemt dus zowel zijn ideeën over kunst als zijn ideeën over denken en vrijheid fundamenten waar de antroposofie op rust.
Hij spreekt daarbij over ‘gezonde’ fundamenten, wat impliceert dat er ook ‘ongezonde’ bestaan.
En inderdaad, zowel Steiners esthetica als zijn vrijheidsfilosofie zijn gericht tegen een misvatting die het hele moderne denken beheerst.
Op het vlak van de wetenschap is dat de Kantiaanse opvatting van das Ding an sich als een werkelijkheid die niet te kennen valt.
Op het vlak van de kunst is het de opvatting van Schelling die de kunst ziet als de zintuiglijke verschijningsvorm van de idee.

Als Steiner twintig jaar na het verschijnen van zijn voordracht schrijft dat zijn ideeën over kunst alleen maar actueler zijn geworden, doelt hij op een evolutie die tot op de huidige dag voortduurt.
Schellings misvatting beheerst de hedendaagse kunstwereld namelijk als nooit tevoren.
En eigenlijk geldt hetzelfde voor Kants misvatting, want de bottomline van de hedendaagse esthetica is dat kunst een poging is om ‘das Ding an sich’ zichtbaar te maken.
De twee fundamentele misvattingen die Steiner bestrijdt – die van Kant en die van Schelling – komen dus samen in de Hedendaagse Kunst.
Tot wat voor ziekelijke toestanden dat leidt, is inmiddels bekend.

20140529-120558.jpg
(Friedrich Schelling)

Genezing is volgens Steiner alleen mogelijk wanneer we onze opvattingen over kunst (en wetenschap) baseren op Goethe.
Goethe moet het uitgangspunt zijn van de moderne cultuur, vindt hij.

‘Alleen wie in staat is, op welk punt dan ook, aansluiting te vinden bij Goethe en zijn tijd, kan tot helderheid komen over de weg die onze cultuur inslaat en zich bewust worden van de doelen waar de moderne mensheid op af moet gaan. Wie zo’n relatie tot de grootste geest van de jongste tijd niet vindt, wordt eenvoudigweg meegetrokken door zijn medemensen en als een blinde geleid. Alle dingen verschijnen voor ons in een nieuwe samenhang als we ze bekijken met de blik die zich gescherpt heeft aan deze bron van onze cultuur.’

Het is niet niks wat Steiner hier in een paar zinnen zegt.
Het komt erop neer dat onze gehele moderne cultuur op het verkeerde spoor zit, want het leidt geen twijfel dat de moderne mensheid geen aansluiting heeft gevonden bij Goethe.
De gevolgen van deze ‘ontsporing’ zijn precies wat Steiner aangeeft.
Met name op het gebied van de kunst is de grootste bekommernis van de moderne mens om ‘erbij te horen’, om te doen en te denken zoals de anderen.
Een eigen oordeel vormen, is er niet meer bij.

Hoe meer ik Steiner lees (en dat doe ik helaas veel te weinig) des te meer valt het me op hoe zorgvuldig hij zijn woorden kiest.
Steiner zegt nooit ‘zomaar’ iets.
Zijn woorden zijn doordrongen van bewustzijn en betekenis.
Hij spreekt niet zoals wij spreken.
Ons taalgebruik is in hoge mate abstract: we bedienen ons van woorden en begrippen die grotendeels los staan van de werkelijkheid en daardoor hun eigen (schijn)leven leiden.
Steiners woorden en begrippen daarentegen – hoewel uiterlijk op de onze lijkend – zitten innerlijk boordevol werkelijkheid, een werkelijkheid die we vaak niet zien omdat we opgesloten zitten in de schijnwereld van ons hoofddenken.
We staan niet stil bij de woorden ‘meegetrokken door onze medemensen’ en ‘als blinden geleid’ omdat we ze als een abstracte formulering opvatten, een manier-van-zeggen.
Maar ze zijn heel concreet bedoeld.
Steiner beschreef er een werkelijkheid mee die in zijn tijd al in de kiem aanwezig was, maar pas vandaag in al haar ziekelijkheid aan het licht komt.

20140529-121140.jpg

Als er in dat ene, bijna terloopse zinnetje al zoveel waarheid en werkelijkheid schuilgaat, hoeveel te meer moet dat dan niet het geval zijn met wat Steiner in deze voordracht over Goethe zegt!
Hij noemt Goethe de grootste geest van onze tijd, de geest die de moderne mens de weg naar de toekomst wijst.
Hij verheugt zich dan ook over de grote belangstelling die deze wegbereider geniet, maar hij is verre van gelukkig met de aard van die belangstelling.
Volgens Steiner wordt er te veel gekeken naar de resultaten van Goethes onderzoekingen, en te weinig naar zijn manier van onderzoeken.
De resultaten mogen dan wel achterhaald zijn, de onderzoeksmethode is dat allerminst.
Het komt er eigenlijk op neer dat we Goethe niet kunstzinnig genoeg benaderen.
We kijken te veel naar het wat, en te weinig naar het hoe.
We bezondigen ons met andere woorden aan Schellings misvatting en daardoor blijven we blind voor wat Goethe zo groot maakt: zijn kunstzinnige wetenschap.
En precies die wetenschap, die tegelijk een kunst is, vormt de grondslag van de antroposofie.

Het is dankzij Goethes ‘wetenschappelijke methode’ dat Rudolf Steiner erin slaagde een brug te slaan tussen de twee werelden die hij allebei zo goed kende, maar die in zijn beleving naast elkaar bleven staan: de zintuiglijke (of materiële) wereld en de bovenzintuiglijke (of geestelijke) wereld.
De antroposofie is dus in feite een verdere uitwerking van Goethes ‘methode’, en aangezien dat een kunstzinnige methode is, zouden we de antroposofie een esthetica kunnen noemen, een wetenschap van de kunst in de ruimste zin van het woord.
Dat maakt begrijpelijk waarom Steiner zijn ideeën over kunst een ‘gezond fundament van de antroposofie’ noemt: ze zijn reeds een vorm van antroposofie.
De antroposofie in wezen een denken over kunst.
Zij denkt immers na over mens en wereld, beide scheppingen van de geest, beide kunstwerken dus.

20140529-121521.jpg

In zijn voordracht wil Steiner Goethes ideeën toepassen op de esthetica, ‘een van de jongste en tegelijk meest omstreden wetenschappen’.
Die wetenschap neemt een aanvang wanneer de Duitse filosoof Alexander Baumgarten in 1750 zijn Aesthetica publiceert.
Alles wat daarvóór over kunst werd geschreven, verdient volgens Steiner de naam wetenschap niet.
Zelfs de grote Aristoteles had ‘helemaal geen verstand van kunst’.
Het is geen toeval, zegt Steiner, dat de wetenschap van het schone pas zo laat is ontstaan.
Zolang de mens nog één was met de natuur, zoals in het oude Griekenland, kon er geen kunstwetenschap ontstaan.
Daar is immers afstand voor nodig, en die was er toen niet.
In de Middeleeuwen was die afstand er wel, maar ook toen kon er geen kunstwetenschap ontstaan, want de natuur – met wier middelen de kunstenaar werkt – werd gezien als een onverzoenlijke tegenstelling met de geest.
Pas toen de mens erin slaagde (opnieuw) een brug te slaan tussen natuur en geest, kon er een wetenschap van de kunst ontstaan.

Voor Goethe was er geen principiële scheiding tussen geest en natuur.
De natuur was voor hem één groot geheel waar ook de mens, met zijn bewustzijn, deel van uitmaakt. Wanneer die mens tot inzicht komt in dat omvattende geheel, juicht het heelal en bewondert het zichzelf.
Met die opvatting stijgt Goethe volgens Steiner ver boven de directe natuur uit, zonder er zich evenwel ook maar in het minst van te verwijderen.
Hij vindt, zou je kunnen zeggen, een synthese tussen de Griekse en de Middeleeuwse mens.

20140529-122149.jpg

Goethe trekt zich niet terug uit de werkelijkheid om in zichzelf een ‘geestelijke’ wereld te vormen.
Nee, hij verdiept zich juist in de werkelijkheid om in haar veranderlijkheid het onveranderlijke te ontdekken.
Dat onveranderlijke noemt hij: het oerbeeld.
Het oerbeeld van de plant bijvoorbeeld – de ‘oerplant’ – is niets anders dan de ‘idee’ van de plant.
Deze idee mag echter niet begrepen worden als een abstract begrip dat deel uitmaakt van een kleurloze theorie.
Voor Goethe is ze de wezenlijke grondslag van de concrete plant en derhalve boordevol leven en aanschouwelijke rijkdom.
Deze oerplant is weliswaar niet zichtbaar voor de uiterlijke zintuigen, maar ze is dat wel voor een ‘hoger’ zintuig dat de mens verwerft door middel van wat Goethe ‘Anschauende Urteilskraft‘ noemt.
Wie deze ‘aanschouwelijke oordeelskracht’ ontwikkelt, ziet de ideeën of oerbeelden van de dingen even objectief als hun kleuren en vormen.
Wie deze oordeelskracht niet ontwikkelt en alleen met zijn gewone zintuigen waarneemt, ziet deze oerbeelden evenmin als een blinde kleuren of vormen ziet.

Goethe verwerft dit hogere zintuig door de natuur in gedachten ‘na te scheppen’.
Hij blijft dus niet staan bij de natuur zoals ze zich aan onze gewone zintuigen voordoet, maar dringt door in haar ontstaan.
Hij ‘beluistert de natuur in haar scheppen’, zoals Steiner het uitdrukt.
Op die manier stijgt hij op tot datgene wat we als het ‘goddelijke’ vereren en wat we in de wetenschap kennen als de ‘idee’.

20140529-122535.jpg

Maar ‘terwijl de pure ervaring niet kan leiden tot verzoening van de tegenstellingen omdat ze wel de werkelijkheid heeft maar nog niet de idee, kan de wetenschap evenmin tot die verzoening leiden omdat ze wel de idee heeft maar niet meer de werkelijkheid.’
Tussen deze twee in, zegt Steiner, heeft de mens een nieuw gebied nodig, een noodzakelijk derde rijk tussen dat van de zintuigen en dat van het denken: de wereld van de kunst.
‘Het goddelijke dat de dingen van de natuur missen, moet daarin door de mens zelf worden geplant en daarin ligt de grote opgave voor de kunstenaars: zij moeten om zo te zeggen het Rijk Gods op aarde brengen.’

Deze ‘religieuze missie’ van de kunst spreekt Goethe als volgt uit:

‘Doordat de mens aan de top van de natuur is geplaatst, ziet hij er op zijn beurt uit als een totale natuur die in zichzelf weer een top moet voortbrengen. Daartoe klimt hij op doordat hij zich met alle volmaaktheden en deugden doordringt, bij zichzelf ordeningen, keuzes, harmonie en betekenis oproept, en zich ten slotte verheft tot het vervaardigen van het kunstwerk, iets dat naast zijn andere daden en werkstukken een schitterende plaats inneemt. Is het kunstwerk eenmaal ontstaan, staat het in zijn ideale werkelijkheid in de wereld, dan heeft het een duurzame, verheven uitwerking. Want doordat het zich geestelijk ontwikkelt uit de gezamenlijke krachten, neemt het al het prachtige, respectabele en liefdevolle in zich op. En doordat het de menselijke gestalte bezielt, heft het de mens boven zichzelf uit, sluit het zijn levens- en werkgebied af en vergoddelijkt het hem voor de tegenwoordige tijd waarbij verleden en toekomst zijn inbegrepen. Door zulke gevoelens – zo kunnen wij opmaken uit de beschrijvingen, berichten en getuigenissen van de Grieken en de Romeinen – werden de mensen getroffen die de olympische Jupiter aanschouwden. De god was tot mens geworden om de mens tot god te verheffen. Men aanschouwde de hoogste waardigheid en werd geestdriftig voor de verhevenste schoonheid.’

20140529-123329.jpg

‘Daarmee, zegt Steiner, werd aan de kunst het grote belang toegekend die ze heeft voor de vooruitgang van de menselijke cultuur. En het is typerend voor het machtige ethos van het Duitse volk dat juist bij haar als eerste dit inzicht opkwam. Het is ook typerend dat alle Duitse filosofen al een eeuw lang worstelen om een wetenschappelijke vorm te vinden voor de unieke wijze waarop in het kunstwerk het geestelijke en het natuurlijke, het ideële en het reële met elkaar versmelten. De taak van de esthetica is immers geen andere dan de aard van deze wederzijdse doordringing te begrijpen, en dit uit te werken voor de afzonderlijke vormen waarin die doordringing zich op de verschillende gebieden van de kunst manifesteert.’

Wanneer we deze woorden lezen, begrijpen we waarom Steiner de esthetica een grondslag van de antroposofie noemt.
Want ook in de antroposofie gaat het om het begrijpen van de ‘wederzijdse doordringing’ van geest en materie, van zintuiglijk en bovenzintuiglijk, van idee en werkelijkheid.
De geestelijke wereld waar Steiner over spreekt, staat immers niet los van de materiële wereld.
Hij doordringt die wereld, zoals de geest van de kunstenaar de materie doordringt wanneer hij schept.
Een geestelijke wereld die dat niet doet en los van de materie wordt waargenomen, is in feite een schijnwereld, een luciferische wereld.
Hetzelfde geldt voor een wereld die louter met de zintuigen en dus los van enige geest wordt waargenomen: dat is een ahrimanische schijnwereld.
De wereld waar de antroposofie over spreekt, is de echte werkelijkheid: een werkelijkheid die zowel materieel als geestelijk is, een wereld die dus in wezen een kunstwerk is.
Het is de wederzijdse doordringing van materie en geest die de antroposofie wil begrijpen, en daarom is ze in wezen een esthetica, een wetenschap van de kunst.
Nadenken over kunst (in de allerruimste zin) is dan ook de core business van de antroposoof.

(Wordt vervolgd)

20140529-124547.jpg

Advertenties