Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: mei, 2014

25 mei

Volgende zondag is het zover.
Dan vindt de langverwachte en veelbesproken ‘Moeder aller Verkiezingen’ plaats, de verkiezing die zal beslissen over het voortbestaan van dit land (nvdr: België).
Of het zo’n vaart zal lopen, is zeer de vraag.
Maar de gedachte alleen al brengt de gemoederen fel in beweging.
Ze splitst het land – op geestelijk vlak – in twee: de pro-Belgiërs en de contra-Belgiërs.
En hier komt al iets merkwaardigs aan het licht.
Die ‘geestelijke’ grens valt niet samen met de taalgrens.
De Franstaligen zijn pro België, dat spreekt vanzelf: ze hebben veel te verliezen bij een splitsing.
Zo’n 10 miljard euro, want zoveel krijgen ze jaarlijks van Vlaanderen.
Plus de macht, want de Franstaligen besturen België.
Dat is dan ook de reden waarom Vlaanderen zich verzet tegen de ‘Belgische constructie’.
Maar niet alle Vlamingen zijn contra België.
Nee, veel Vlamingen zijn pro België.
De grens tussen pro en contra loopt dus dwars door Vlaanderen.

20140519-131527.jpg

Dat is iets wat we goed in gedachten moeten houden: er heersen in België twee grote tegenstellingen.
Eerst is er natuurlijk de tegenstelling Vlaams (of Nederlandstalig) en Franstalig.
Dat is niet alleen een kwestie van taal, het is ook een kwestie van cultuur.
Franstalig België is helemaal georiënteerd op Frankrijk.
De boeken die ze daar lezen, de liedjes die ze daar beluisteren: daar heeft men in Vlaanderen nog nooit over gehoord. Het is een compleet andere wereld.
De grens tussen Noord- en Zuid-Europa loopt dwars door België.
Dat maakt de tegenstelling niet alleen cultureel maar ook economisch.
Het Noorden is (overal ter wereld) rijker en welvarender dan het Zuiden.
Dat is ook in België het geval.
Nog niet zolang geleden stond Wallonië (Franstalig België minus Brussel) te boek als een ‘ontwikkelingsland’ op hetzelfde niveau als Roemenië.
Naar verluidt gaat het intussen beter, maar in hoeverre dat waar is, valt moeilijk uit te maken.
Feit is alleszins dat Vlaanderen ieder jaar plusminus 10 miljard euro in Wallonië en Brussel pompt.
Als die ‘ontwikkelingshulp’ dezelfde resultaten heeft als elders in de wereld, dan zou het stopzetten van die geldtransfer wel eens desastreuze resultaten kunnen hebben voor de Waalse en Brusselse regio.
Geen wonder dus dat de Franstaligen één Belgicistisch blok vormen: ze hebben alles te verliezen.

20140519-131949.jpg

Er heerst dus een grote culturele en economische tegenstelling tussen Vlaanderen en Franstalig België.
Maar er heerst nog een andere grote tegenstelling in dit land, en dat is de tegenstelling tussen Vlaamsgezinde en Belgischgezinde Vlamingen.
Wat de aard van deze tegenstelling is, valt niet meteen te zeggen. Maar het is wel de tegenstelling waar het zondag om gaat.
Het is in Vlaanderen dat beslist wordt over het lot van België.
Dat is trouwens niet alleen op 25 mei het geval.
Er wordt al lang in Vlaanderen beslist over het lot van België.
Al sinds het economisch zwaartepunt van het land verhuisde van Wallonië naar Vlaanderen.
Anders gezegd: sinds Vlaanderen rijk werd en Wallonië verarmde.

Tot nog toe is die beslissing altijd in het voordeel van België uitgevallen.
Vlaamse politici kozen voor België, ook al viel dat in het nadeel van Vlaanderen uit.
Maar de laatste decennia is in Vlaanderen het bewustzijn gegroeid dat de zaken toch wel danig scheefgetrokken zijn.
De Vlamingen zijn niet alleen demografisch maar ook economisch duidelijk in de meerderheid, en toch worden ze in België als tweederangsburgers behandeld.
Daar zijn honderd-en-één voorbeelden van te geven, maar het sprekendst vind ik nog altijd het volgende voorval tijdens de vorige regeringsonderhandelingen.
Bart De Wever hield het been stijf en weigerde in te gaan op de eisen van de Franstaligen.
Dat was op zich al nooit vertoond: men was het gewend dat de Franstalige eisen altijd werden ingewilligd.
Maar de druppel die de emmer deed overlopen, was dat Bart De Wever op een gegeven moment … Nederlands begon te spreken.
Toen ontstaken de Franstaligen in heilige verontwaardiging.
Hoe waagde hij het!

20140519-132338.jpg

Op dat moment werd me duidelijk hoe groot de ongelijkheid wel is: Vlamingen hebben tijdens onderhandelingen met Franstaligen niet eens het recht om hun eigen taal te spreken.
De meest fundamentele democratisch rechten worden in België geschonden.
Meer zelfs, ze staan ingeschreven in de grondwet.
En daar is Vlaanderen zich langzaam bewust van geworden.
Daar begint het zich nu tegen te verzetten.
Dat is de echte inzet van de verkiezingen van 25 mei: de democratie.
Wil men van België een democratisch land maken, of wil men vasthouden aan de ongelijkheid (die ironisch genoeg in naam van de democratie in stand wordt gehouden)?

Het gaat dus helemaal niet om de splitsing van België.
Die splitsing is alleen een noodoplossing voor het geval men weigert de democratie in te voeren.
En die weigering vindt men niet alleen in Franstalig België, men vindt ze ook in Vlaanderen.
Vlaanderen is verdeeld in democraten en anti-democraten.
Daar komt het in de grond op neer.

Kunnen Vlamingen en Franstaligen niet samenleven in één land?
Natuurlijk wel.
Maar alleen op democratisch wijze, alleen op voet van gelijkheid.
Tot nog toe is dat niet zo geweest.
Er is altijd een goede verstandhouding geweest tussen Vlamingen en Franstaligen omdat de Vlamingen zich schikten in hun ondergeschikte rol.
Eigenlijk was België een klassiek huwelijk: de Vlamingen waren de ‘vrouw’ en zolang ze onderdanig waren aan hun ‘man’, de Franstaligen, was alles peis en vree.
Maar anno vandaag is dat natuurlijk een onhoudbare situatie.
De relatie tussen Vlamingen en Franstaligen zoals ze nu is, en zoals ze tot uitdrukking komt in het politieke bestel van dit land, is een anachronisme.
Het is niet meer van deze tijd.

20140519-132655.jpg

Dit beeld geeft aan dat beide partijen daar debet aan zijn, ook de Vlamingen, ja zelfs vooral de Vlamingen.
De gelijkberechtiging van man en vrouw is er niet gekomen doordat de man vond dat zijn vrouw evenveel rechten moest krijgen. Dat zou trouwens een contradictie zijn geweest die de vrouw bevestigde in haar ondergeschikte, lijdzame rol.
Nee, vrouwen moesten zelf hun rechten opeisen, en dat hebben ze ook gedaan.
De motor daarvan was een vrij stormachtige zelfbewustwording (die nu trouwens te ver door dreigt te slaan).
Ook de Vlamingen zijn in de 20ste eeuw ontwaakt uit een soort bewustzijnsslaap.
Ze zijn zich langzaam bewust geworden van zichzelf en hebben op grond daarvan dezelfde rechten geëist als de andere bewoners van België.

Deze bewustwording had het karakter van een wederopstanding, want tegen het eind van de 19de eeuw was Vlaanderen zogoed als dood.
Economisch gezien zat het compleet aan de grond.
In Europa bestond toen de uitdrukking ‘de Vlaamse ziekte’. Ze betekende: creperen van honger en ellende.
Ook cultureel bestond Vlaanderen nauwelijks nog. Het was volkomen verfranst.
Bestuur, administratie, gerecht, onderwijs, het openbare leven: het verliep allemaal in het Frans.
Alleen de gewone, vaak ongeletterde Vlaming, sprak thuis een ratjetoe van streekgebonden Vlaamse dialecten.
Maar toen verrees Vlaanderen op bijna wonderbaarlijke wijze uit de doden.
Het ‘herinnerde’ zich als het ware wie het was.

De stad Brugge is daar een mooi voorbeeld van.
Aan het begin van de 20ste eeuw was het één grote bouwval, rijp voor de sloop.
Maar om de een of andere reden begonnen enkele mensen te ijveren voor het behoud en de restauratie van die stokoude, halfvergane stad.
En zie, vandaag is Brugge wereldberoemd en stromen toeristen van de hele wereld er samen om zich te vergapen aan al die pracht.

20140519-133948.jpg

Diezelfde wederopstandings-impuls inspireerde een aantal Vlaamse schrijvers, waarvan sommige tot ver buiten de landsgrenzen bekend werden: Guido Gezelle, Felix Timmermans, Stijn Streuvels, Ernest Claes.
Niet toevallig waren al deze mensen van zeer eenvoudige komaf: ze werkten zich als het ware vanuit de modder omhoog. Op enige bestaande cultuur konden ze niet rekenen, en hun boeken werden dan ook meestal in Nederland uitgegeven.
Ze hadden allemaal één ding gemeen: een grote liefde voor het Vlaamse land, voor de eenvoudige Vlaamse mensen.

Maar toen kwam de tweede wereldoorlog en de nog prille Vlaamse bewustwording kreeg een knak.
In haar naïviteit maakte een deel van de Vlaamse Beweging ‘gemene zaak’ met de Duitse bezetter.
Ze zag in Duitsland een bondgenoot voor de Vlaamse zaak.
Tenslotte was Nederlands een Germaanse en geen Romaanse taal.
Het ging dus om een culturele collaboratie, een politieke keuze.
Vandaag wordt deze alliantie met nazi-Duitsland gezien als een onuitwisbare schandvlek op de Vlaamse Beweging en op iedereen die Vlaamsgezind is.
In hoeverre deze schandvlek terecht is, dan wel iets wat kunstmatig instand wordt gehouden door de (vooral Franstalige) Belgicisten, is nog maar de vraag.
Het is alleszins iets dat de gemoederen heftig in beweging brengt.

Wat er ook van zei, vandaag blijft er van de culturele wederopstanding van Vlaanderen, zoals ze ooit belichaamd werd door Gezelle, Timmermans, Streuvels en Claes, niets meer over.
Deze ooit zo populaire Vlaamse schrijvers zijn vandaag volkomen out. Men vindt hun boeken zelfs met moeite nog in de bibliotheek.
Moderne Vlaamse schrijvers zijn als vanzelfsprekend Belgischgezind, net als de gehele culturele wereld trouwens.
Wie als Vlaamsgezind te boek staat, krijgt geen voet meer aan de grond.

20140519-134401.jpg

De Vlaamse wederopstanding is dus in zijn tegendeel gekeerd.
De ‘culturele leiders’ die honderd jaar geleden de motor waren van de Vlaamse bewustwording hebben zich nu gekeerd tegen alles wat Vlaams is.
En het is precies die botsing die op 25 mei in kaart zal worden gebracht: de botsing tussen degenen die de Vlaamse bewustwording willen voortzetten en degenen die zich daar uit alle macht tegen verzetten.
Wat de zaken bijzonder verward maakt, is dat de ‘reactionairen’ zichzelf progressief noemen en dat de ‘progressieven’ afgeschilderd worden als reactionairen.

Maar die verwarring maakt deel uit van het bewustwordingsproces, want in ieder bewustwordingsproces komt er een moment waarop men zichzelf onder ogen moet zien, waarop men zijn dubbelganger ontmoet, en dat is het moment waarop men instinctief achteruitdeinst en rechtsomkeer wil maken.
Dat kritieke moment heeft Vlaanderen vandaag bereikt.
Als geen ander volk is het Vlaamse in staat tegenover zichzelf te gaan staan (waarschijnlijk als gevolg van zijn bijna-doodervaring).
De band tussen de Vlaming en zijn volksziel is losser dan bij wie ook.
Dat is een eigenschap waar de Vlaming trots kan op zijn.
Het is ook de eigenschap die hem in staat heeft gesteld bijna 200 jaar ‘getrouwd’ te blijven met een allesbehalve liefhebbende echtgenoot die zich liet (en laat) voorstaan op zijn hoge, Franse ‘afkomst’.
De Vlaming maalt niet om zijn afkomst, hij vindt dat niet belangrijk.
Maar deze goede eigenschap dreigt een slechte eigenschap te worden als ze niet gepaard gaat met echte zelfkennis.
Tegenover jezelf gaan staan, is één stap.
Maar de tweede stap is: je ogen open houden.

20140519-134745.jpg

De eerste generatie Vlaamse schrijvers sprak met grote liefde voor het Vlaamse volk.
De huidige generatie Vlaamse schrijvers spreekt met afschuw over alles wat Vlaams is.
De eersten ontmoetten de Vlaamse ziel.
De laatsten ontmoeten haar dubbelganger.
Om de Vlaamse ziel werkelijk te leren kennen, moeten ze allebei onderscheiden worden.
En dat kan niet als ze niet op gelijke voet, naast elkaar worden gezien.
Hoeveel moeite dat kost, blijkt uit de Belgische politiek, die in feite een afspiegeling van de Vlaamse politiek.
Tot nog toe was dat een grotendeels onbewuste politiek: de politiek van een onderdanige echtgenote die zich in alle bochten wringt om het huwelijk leefbaar te houden, en een paternalistische echtgenoot die alleen maar aan zichzelf denkt.
Maar nu wordt het een bewuste politiek: er dient gepraat te worden tussen de echtelieden.
De ‘man’ toont zich natuurlijk geschokt, want hij heeft het nooit anders geweten dan dat zijn wil wet was.
Maar hij moet nu wel praten, want hij is (ongemerkt en onbewust) heel afhankelijk geworden van zijn gedienstige vrouw.
Hij kan het zich niet permitteren ze kwijt te spelen en dus moet hij iets doen wat hij nog nooit gedaan heeft: met haar praten als met een gelijke.

Deze ‘echtgenoot’ herkennen we op bijna karikaturale wijze in de Franstalige politici, die bijvoorbeeld verontwaardigd zijn als een Vlaams politicus opeens zijn eigen taal begint te spreken.
Maar deze geborneerde paternalisten zijn niets anders dan een spiegelbeeld van de Vlaamse ‘echtgenoot’.
Die herkennen we dan weer in politici als Dehaene (what’s in a name!) en de Vlaamse intelligentsia met haar onverholen minachting voor de gewone Vlaming, dat wil zeggen voor de ‘echtgenote’.
Praten met de gewone man (en vrouw), luisteren naar zijn (en haar) verzuchtingen, hem (en haar) als gelijke zien?
Kom nou!

20140519-135549.jpg

Bart De Wever en zijn N-VA belichamen vandaag het streven van de Vlaamse ‘echtgenote’ om haar man te dwingen om te luisteren.
Maar een eventuele overwinning zal slechts één stap zijn.
De volgende stap wordt nog veel moeilijker, en dat is de wederzijdse herkenning van beide partners: inzien dat de ander in feite een spiegelbeeld is van dát deel van de eigen ziel dat men niet onder ogen wil zien en dat zich daardoor ook niet heeft kunnen ontwikkelen.

De twee ‘partijen’ die zondag tegenover elkaar staan – de N-VA aan de ene kant en de rest aan de andere kant – vertegenwoordigen in feite de zwei Seelen in de Vlaamse borst.
Pas als die twee zielen inzien dat ze eigenlijk één ziel zijn en dat ze dus samenhoren, kan er een oplossing komen voor het Belgische probleem.
Maar dat is op zijn beurt pas mogelijk als we inzien dat we allemaal die zwei Seelen in unser Brust hebben, en dat het Belgische probleem – dat in de eerste plaats het Vlaamse probleem is – het probleem van ieder modern mens is: de mens die over de drempel gaat en zijn dubbelganger ontmoet.

Het is vandaag bon ton geworden om de communautaire kwestie af te doen als een bijkomstig probleem, iets voor bekrompen luitjes die geen oog hebben voor de werkelijke problemen.
Het is een zoveelste projectie: niets is bekrompener dan de Belgische communautaire kwestie te minimaliseren.
Ze is een politiek beeld van iets wat zich vandaag in de ziel van ieder mens afspeelt, en als zodanig is 25 mei niet alleen een belangrijke dag voor België.
Niet toevallig ligt Brussel in België, en meer bepaald in Vlaanderen.
Wat zich hier in dit piepkleine landje afspeelt, is een beeld van wat zich overal in Europa en wellicht zelfs daarbuiten afspeelt.
Het loont meer dan de moeite om te proberen dat beeld te lezen, want het is lezen in de eigen ziel.

20140519-140849.jpg

Advertenties

20140515-193754.jpg

Kunst en geloof (3)

Hoe abstract en theoretisch de voorgaande beschouwingen ook klinken, ze zijn het resultaat van een zeer concrete ervaring.
Ik vertelde al dat mijn debuut als marktkramer weliswaar geen groot succes was, maar toch van dien aard dat ik dacht: het is mogelijk.
Wat me anders alleen tijdens het tekenen, schilderen of schrijven lukte, leek nu ook in de werkelijkheid te lukken: ik maakte contact met de ‘andere kant’.
Dat contact kwam nu niet in de vorm van inspiratie maar in de vorm van toeristen die een schilderijtje kochten.
Mijn stap over de drempel werd met andere woorden beantwoord door een ‘tegenstap’.
En dat beleefde ik als een genade, een geschenk uit de hemel.

20140515-122734.jpg

Maar opeens hield het op.
Ik verkocht niets meer.
Het was alsof de toeristen me niet eens meer opmerkten.
Ze passeerden onverschillig, zonder een teken van herkenning of belangstelling.
Ik had er net zo goed niet kunnen staan.
Bovendien was het koud.
Er waaide een gure wind die in scherpe tegenstelling stond met het frisse groen van de lindebomen en de lentezon die af en toe doorbrak.
Ik kon me niet verdiepen in een boek, want ik had al m’n energie nodig om tegen de kou te vechten.
Zo ging dat drie dagen na elkaar.
Drie dagen dat ik machteloos moest toekijken hoe iedereen rondom mij vrolijk zaken deed terwijl ik geen cent verdiende.

Ik liet m’n prijzen zakken.
Ik liet ze nog meer zakken.
Ik verhoogde ze weer.
Het baatte allemaal niets.
Niemand kocht wat.

Bij de kou kwamen nu ook sombere gedachten.
Waar was ik in godsnaam mee begonnen!
Wat had me bezield te denken dat ik geld kon verdienen met m’n werk!
Na wat beginnersgeluk kwam nu de waarheid aan het licht: schilderen was een doodlopende straat.
Als ik er niks kon mee verdienen, zou ik er moeten mee ophouden.
En als ik er moest mee ophouden, dan zouden al mijn inspanningen vergeefs zijn geweest. Niet alleen de artistieke, maar ook de intellectuele: alle gedachten die ik met het artistieke verbonden had, zouden hersenspinsels geweest zijn.
Ik voelde de grond onder mijn voeten verdwijnen.
De veer brak en ik werd ik ziek.

20140515-123216.jpg

Het volgende weekend bleef ik thuis.
Het weekend daarop eveneens.
En toen het derde weekend naderde voelde ik me nog altijd ellendig.
Opnieuw een hele dag in Brugge staan zonder iets te verkopen: dat zou de genadeslag zijn.
De drempel die ik meende overschreden te hebben, was opeens torenhoog geworden.
Tot overmaat van ramp was men op de E40 naar de kust beginnen werken: er waren over een hele afstand maar twee baanvakken meer vrij.
Dat leverde nu al lange files op. Wat zou dat worden als het echt lente werd en iedereen massaal naar zee trok!
Ik mocht er niet aan denken.

Maar dat was nog niet alles.
Uitgerekend nu lag An plat met een hernia.
Het had haar zelfs doen besluiten om niet langer naar Brugge te gaan om speelgoed te verkopen.
Het was dus belangrijk dat ik de fakkel overnam.
Het oorspronkelijke plan was geweest om samen in Brugge te staan: An met het kraam van Henk en ik met m’n eigen kraam.
Daarna zouden we wel zien.
Maar dat plan werd dus doorkruist: ik moest het alleen doen, vanaf de eerste dag.
Ik kon zelfs niet klagen tegen An want m’n smartfoon had het begeven.
Ook dat nog!
Alles leek samen te spannen tegen me.
Het was alsof ‘ze’ niet wilden dat ik over deze drempel raakte.

20140515-123305.jpg

Maar ik kon evenmin ontkennen dat alles me naar die drempel leek geleid te hebben.
Voor en tegen: ze waren even sterk.

En dat deed een lichtje in me opgaan.

Al m’n hele leven denk ik na over kunst en in de loop der jaren is de kunst in mijn wereldbeeld opgeschoven van de periferie naar het centrum.
Ik ben gaandeweg tot de conclusie gekomen dat niets belangrijker is dan kunst, kunst in de wezenlijke betekenis van het woord, als schepping van de mens.
Vanzelfsprekend is die conclusie zeker niet, want vandaag geloven zelfs kunstenaars niet meer in kunst.
Of beter: ze zijn zich niet meer bewust van hun geloof.
Want de moderne mens gelooft wel degelijk in kunst.
In zijn onbewuste wilsleven staat de kunst centraal: hij wil (op alle mogelijke manieren) zelf zijn leven en zijn wereld vorm geven.
In zijn bewuste denkleven daarentegen bevindt de kunst zich in de marge: ze doet niet mee, ze is er alleen om de boel een beetje op te fleuren.
Er gaapt dus een diepe kloof tussen wilsleven (kunst) en denkleven (wetenschap).
De moderne mens weet niet meer wat hij wil.
Meer zelfs, zijn weten staat haaks op zijn willen.
Beide werken elkaar tegen, en verlammen aldus de mens.

Met die wilsverlamming (die tegelijk een bewustzijnsverlamming is) worstel ik al heel m’n leven.
Het is voor mij een levensgroot, existentieel probleem: ik slaag er maar niet in toegang te krijgen tot de wereld. Ik leef aan de rand ervan, als een machteloze toeschouwer.
Dat is natuurlijk een persoonlijk probleem, maar tegelijk is het ook meer dan dat.
Vandaag bevindt iedere kunstenaar zich in die situatie, en uiteindelijk zelfs ieder mens.
De moderne mens slaagt er steeds minder in om door te dringen tot de werkelijkheid.
Zijn wilsleven mist penetratiekracht.
Hij schampt als het ware op de wereld af en komt in een baan om de aarde terecht.
Hij leeft in toenemende mate in een schijnwereld.

20140515-123401.jpg

De kunst is, zoals Rudolf Steiner zegt, een schijnwereld.
Ik heb het altijd een prachtige wereld gevonden, waarin ik me heel erg thuis voelde.
Maar tegelijk werd ik gekweld door de kloof tussen kunst en werkelijkheid.
Ik ondervond al heel vroeg aan den lijve hoe moeilijk het was die twee te combineren.
En toch was ik ervan overtuigd dat ze veel met elkaar te maken hadden, ja dat ze in wezen zelfs gelijk waren. Daar geloofde ik stellig in, al wist ik niet waarom.
Omdat het in de praktijk onmogelijk bleek om de kloof te overbruggen, besloot ik het dan maar in theorie te proberen.
Ik zocht naar een brug tussen kunst en werkelijkheid.
En zo kwamen beide – in gedachten – steeds dichter bij elkaar.

Hoe meer ik erover nadacht hoe duidelijker het voor me werd dat mijn onbewuste overtuiging – mijn geloof dus – juist was: kunst en werkelijkheid zijn wezensverwant.
Maar ik slaagde er niet in ook anderen daarvan te overtuigen.
Ik botste als op een muur.
Mijn laatste, bijna wanhopige poging mislukte en ik besloot ermee op te houden.
Gedaan met nadenken over kunst.
Ik keerde weer terug naar de praktijk.
Ik begon te schilderen, iets wat ik nog nooit gedaan had en wat ik ervoer als een veel ‘socialere’ vorm van kunst dan tekenen.
Het werd (alweer) een hevige worsteling, die ik slechts op het nippertje won.
Dat wil zeggen: ik gaf het niet op.

Van het een kwam het ander, en zo belandde ik uiteindelijk op de Dijver in Brugge.
Marktkramer worden: dat had ik echt niet zien komen.
Pas achteraf begreep ik dat deze stap reeds lang (karmisch) voorbereid werd.
En pas toen ik na drie vruchteloze marktdagen geconfronteerd werd met een overkill aan weerstanden, begreep ik dat mijn geloof beproefd werd.
Mijn besluit om in Brugge op de markt te gaan staan, was een logisch gevolg van mijn levenslange streven om kunst en werkelijkheid met elkaar te verbinden.
Tot nog toe had ik dat alleen in theorie gedaan.
Nu begon de praktijk.

20140515-123623.jpg

Als het werkelijk waar was wat ik dacht, namelijk dat kunst geen franje is maar de kern van het bestaan, dan moest de moderne mens, die zo ver verwijderd was geraakt van die kern, meer behoefte hebben aan kunst dan aan wat ook.
Nu zijn materiële behoeften vervuld zijn, is kunst zijn allergrootste en wezenlijkste behoefte geworden.
Hij beseft dat alleen nog niet, want zijn bewustzijn is niet op de hoogte (letterlijk en figuurlijk) van zijn wilsleven.
En dus richt zijn wil zich op de vervulling van een eindeloze reeks pseudo-behoeften.

Als ik dus in Brugge geld wilde verdienen, dan moest ik het onbewuste geloof in kunst wakker maken bij de toeristen.
Tenslotte was het toch dáárom dat ze van heinde en verre naar Brugge kwamen: om een stad te bezoeken die één groot kunstwerk is.
Maar dat beseften ze waarschijnlijk niet, en dus keken ze ook niet naar Brugge zoals je naar een kunstwerk kijkt.
Ze sjokten er rond, Belgian beer drinkend, Belgian chocolate etend en selfies makend.
En Brugge deed er, naar Vlaamse gewoonte, niets aan om daar verandering in te brengen, wel integendeel.
Tekeningen of schilderijen van de stad – die de toeristen zouden kunnen helpen om met een kunstzinnige blik naar Brugge te kijken (en dus bewust te doen waar ze onbewust voor gekomen waren) zijn vrijwel nergens te vinden.
Het maken ervan lijkt zelfs afgeraden te worden door het stadsbestuur.

20140515-123733.jpg

Ik realiseerde mij dat ik daar niet in Brugge stond om geld te verdienen.
Dat was slechts het middel, niet het doel.
Het doel was om het geloof in kunst te versterken, zowel het mijne als dat van andere mensen.
Dat was mijn reden van bestaan, dat was wat ik al m’n hele leven probeerde, en wat ik – zonder het aanvankelijk te beseffen – ook in Brugge deed.
Aan de buitenkant zag het er allemaal heel banaal en mercantiel uit. Materialisme ten top: dingen verkopen die niemand nodig heeft.
Maar onder dat bedrieglijke oppervlak ging het om een zuiver geestelijke zaak: het geloof in kunst, het geloof dat het meest onnutte het meest belangrijke is.

Ik werd geconfronteerd met mijn eigen materialisme, met mijn eigen ongeloof in de kunst.
In theorie geloofde ik er wel in, heel sterk zelfs, maar van zodra ik de stap naar de praktijk zette, dacht ik dat het om louter materiële dingen ging, om geld verdienen, om kunst als koopwaar.
De stap van theorie naar praktijk was een stap van geest naar materie, en op slag ‘vergat’ ik de geest.
Ik werd overrompeld door puur fysieke, materiële, concrete problemen: geen verkoop meer, mijn vrouw ziek, ik ziek, mijn smartfoon stuk, files op de autostrade, enzovoort.
En geen moment dacht ik eraan dat het (ook) wel eens om een geestelijk probleem kon gaan, een probleem dat ik geestelijk kon aanpakken.
Ik was verdoofd …

20140515-124050.jpg

Van zodra ik me dat realiseerde, besloot ik het geweer van schouder te veranderen.
Ik zou me niet meer bezighouden met verkopen en geld verdienen.
Ik zou me concentreren op de geestelijke kant van de zaak, op het geloof.
Als het waar was wat ik dacht over kunst, dan moest het mogelijk zijn het geloof erin wakker te maken bij de toeristen.
En hoe wek je geloof bij anderen?
Door zelf te geloven.
En dat besloot ik dus te doen.
Ik zou de volgende dag naar Brugge gaan, niet om te verkopen maar om te geloven.
Ik zou alle weerstanden en problemen zien als middelen om mijn geloof te versterken.
En als dat geloof dan sterk genoeg was, zou het ook overslaan naar de toeristen en hún geloof wakker maken.
En dat geloof zou op zijn beurt hun portemonnee bovenhalen.

Dat was de theorie, maar het was méér dan een theorie.
Niet alleen voelde ik dat het waar was wat ik dacht, maar ik schoot ook onmiddellijk in actie.
Het ene moment zat ik nog lusteloos in de zetel ten prooi aan de somberste gedachten, het volgende moment brak de zon door en was ik de auto aan het laden.
Ik voelde geen greintje twijfel meer.
Ook al zat ik een uur in de file, ook al zat ik weer een hele dag in Brugge zonder iets te verkopen, ook al raakte ik verkleumd tot op het bot, ik zou het niet meer aan mijn hart laten komen.
Ik zou het allemaal zien als middelen om mijn geloof in de kunst te versterken.
De gedachte alleen al maakte me vrolijk: ik kon eindelijk weer iets doén, ik was niet langer machteloos.

20140515-124145.jpg

De volgende dag stond ik om zes uur monter op.
Als ik een half uur zou verliezen door in de file te staan, dan moest ik gewoon een half uur vroeger vertrekken.
Zo simpel was dat.
De morgenstond had haar mond vol goud toen ik in alle vroegte vertrok.
Ik genoot met volle teugen van de rust.
Brugge sliep nog toen ik er arriveerde.
Op de Dijver was het leeg en stil.
Ik had alle tijd om uit te kramen en alles wat ik deed kreeg een meditatief karakter.
Wat een verschil met het gebruikelijke haastige uitstallen!
Het jonge groen van de lindebomen glansde in de zon, de zwanen zwommen statig voorbij.

Vreemd toch, hoe een beproeving die bewust als een beproeving wordt gezien, verandert in een genot!
Maar daar hield het niet mee op.
Tegen de middag had ik al genoeg verkocht om mijn benzine te betalen.
Veel was dat wel niet, maar de gedachte dat ik vandaag tenminste geen geld zou verliezen, was al … geld waard.
En mijn gedachten zouden nog meer opbrengen.
Het werd een goede dag.
Ik verkocht verschillende prints en zelfs twee schilderijtjes.
Het was weliswaar halftien toen ik weer thuis raakte – ik had zowat een uur in de file gestaan – maar dat kon de pret niet drukken.
En die pret was dubbel.
Enerzijds had ik geld verdiend waarmee ik weer materiaal kon kopen (een van m’n grootste vreugden) en anderzijds had mijn geloof ‘gewerkt’.
Ik had nooit verwacht dat het al zo vlug zou gebeuren.
Tenslotte was er niets veranderd behalve die ‘klik’ in mijn hoofd.

Ook de volgende dag was goed.
Wat een verschil met die werkloze dagen die ik achter de rug had!
Ik voelde me opeens niet ziek meer, en de gewichten leken minder zwaar toen ik ze weer in de auto laadde.

20140515-124515.jpg

De volgende maandag ging ik meteen papier kopen.
En passant trakteerde ik An op de nieuwe Donna Leon: ‘Het onbekende kind’.
De titel van het boek deed me eraan denken dat ik het afgelopen weekend opvallend veel vaders met kinderen op hun schouders had gezien.
Brugge leek vol te lopen met seculiere Christoforussen.

In feite is ieder mens een Christoforus, een drager van het ‘onbekende kind’.
Dat kind is de kunstenaar-in-ons, of de kunstenaar-op-onze-schouders.
Hij is degene die we dragen als we ‘over de drempel’ gaan, als we het water oversteken.
Maar naarmate we ons bewust worden van het kind op onze schouders, gaat het steeds zwaarder wegen.
Het wordt steeds moeilijker om te geloven dat het een geestelijk wezen is, want het weegt als lood.
Als we er niet in slagen dat ongeloof te overwinnen dan bezwijken we uiteindelijk onder problemen die we als louter materieel ervaren.
We halen dan de overkant niet.
Pas als we inzien wie het is die zo zwaar op onze schouders drukt, wordt alles anders.
Het kind wordt dan degene die ons veilig naar de overkant brengt, die ons over de drempel helpt.
En dat inzicht is een geloofsdaad.

Ik verheugde me al op het volgende weekend – geloven is een stuk minder zwaar als je er geld mee verdient – maar het regende, en het waaide.
Geen weer om op de markt te gaan staan.
Ik werd alweer gestuit in mijn geloof.

Maar niemand zei dat geloven gemakkelijk is …

20140515-124606.jpg

Kartonnen dozen

Als staatsambtenaar en werkloze (achtereenvolgens of gelijktijdig, dat maakt niet veel uit) heb ik nooit iets te maken gehad met het ‘zelfstandige’ deel van de bevolking, tenzij dan als consument.
Voor mij waren zelfstandigen mensen die je moest betalen.
Het waren ook mensen die geld ontvingen.
Zichtbaar en tastbaar.
Dat maakte hen in mijn ogen tot een heel andere categorie mensen, mensen met geld, veel geld soms.
Als ik op zondag bij de bakker stond aan te schuiven, rekende ik in gedachten wel eens uit hoeveel geld er op zo’n dag in zijn laatje terechtkwam. Het resultaat deed me duizelen: de man verdiende op één dag meer dan ik in een hele maand. En een maand telde 30 dagen!
Het was een totaal andere wereld dan de mijne, en als zodanig wantrouwde ik hem.
Zelfstandigen waren in mijn ogen mensen die geld verdienden op mijn kap.
Want moest het allemaal zoveel kosten?
En moesten ze nu echt zoveel geld verdienen?

20140514-151104.jpg

Al die gedachten en gevoelens bleven grotendeels onbewust, maar ze waren er wel en ze trokken een scherpe grens tussen mezelf en de wereld der ‘zelfstandigen’.

Vandaag heb ik die grens overschreden.
En het duizelt me opnieuw.
Niet omdat ik zoveel verdien op één dag (was het maar waar) maar omdat ik … zoveel moet uitgeven.
Dat had ik niet verwacht.
Ik dacht: ik maak schilderijtjes en ik verkoop ze op de markt. Kan het simpeler?
Juist die eenvoud sprak me aan: geen gedoe met kunstgalerieën, met tentoonstellingen, met vernissages, met uitnodigingen, met drank en muziek, met affiches, met krantenberichten, met toespraken, met kritieken, met catalogi.
Nee, gewoon een kraampje opstellen en wachten.

Gewoon: zo ziet het er aan de buitenkant wellicht uit, maar wat ik nu leer kennen, is de binnenkant van het zelfstandigenbestaan.
Ik leer het kennen in zijn meest eenvoudige en primaire vorm: die van de marktkramer.
En ik kan m’n ogen niet geloven.

Deze ochtend bijvoorbeeld heb ik helemaal besteed aan het bestellen van kartonnen verpakkingsmateriaal.
Ik was begonnen met m’n schilderijtjes in te pakken in bubbeltjesplastic, maar niet alleen bleek dat behoorlijk duur, het was ook onaangenaam materiaal.
Weg met dat plastic, besloot ik.
Karton zou het worden, een aangenaam materiaal en bovendien te recycleren.
Ik begon met m’n karretje bij de Aldi te vullen met lege kartonnen dozen, die ik thuis dan in stukken sneed.
Dat bleek een goede bescherming voor (het glas van) mijn lijsten.
Maar … het was geen zicht: noch het karton op zich, noch mijn gestuntel bij het inpakken.
Dus besloot ik een grote rol golfkarton te kopen.
Dat zou tenminste proper werk opleveren.
Zo’n rol bleek 30 euro te kosten. Voor 70 meter!
Daar zou ik wel een tijdje mee toekomen.

20140514-151246.jpg

Toen ik me echter probeerde voor te stellen hoe dat inpakken precies in zijn werk zou gaan, bekoelde m’n enthousiasme. Golfkarton plooit wel in één richting, maar in de andere richting moet je ’t bijna breken.
Dat zou gegarandeerd opnieuw gestuntel opleveren.
Gelukkig vond ik op de website van Rajapack ook karton dat in twee richtingen plooit.
Het was echter wel dubbel zo duur.
En dan kwam er ook nog eens btw bij.

Een website vol karton is heel verleidelijk.
Had ik niet ook iets nodig om mijn lijsten te beschermen tijdens het vervoer?
Ze bleken daar namelijk nogal onder te lijden, en als het zo doorging dan kon ik ze na twee maanden weggooien.
Kartonnen dozen dus.
Maar welke?
Dozen waar mijn lijsten juist in pasten, bleken er ondanks het grote aanbod niet te zijn.
Er moest dus gepuzzeld worden, want ik heb lijsten van 6 verschillende afmetingen.
Sommige dozen waren vrij goedkoop, maar je moest er wel minstens 250 van bestellen.
Andere kon je per 10 krijgen, maar die waren dan weer een heel stuk prijziger.
Was het een optie om de dozen die ik voor het vervoer gebruikte, ook als verpakkingsmateriaal te gebruiken?
En moest ik ze dan eerst nog in (dubbelplooiend) golfkarton wikkelen?
Of was gewoon kraftpapier voldoende?
Had ik ook geen papieren (in plaats van plastic) draagtassen nodig?
Maar waren die wel sterk genoeg voor de grotere formaten?

Enfin, daarover heb ik dus de hele ochtend zitten piekeren en puzzelen en rekenen.
Ten slotte bestelde ik 1 rol golfkarton te kopen, 3 formaten kartonnen dozen (telkens 10 stuks) en 1 pak papieren zakjes (100 stuks).
Zeg nu zelf: veel is dat toch niet?
Maar het kostte me wel meer dan 250 euro.
Voor wat karton verdorie!

20140514-151430.jpg

Kijk, dat zijn zaken waar je niet aan denkt als je zelfstandige wordt.
Ik toch niet.
En zo komen er nog iedere dag dingen-waar-ik-niet-aan-gedacht-had bij.
Zo heb ik bijvoorbeeld een leurderskaart nodig om op de markt te mogen staan (wat niet hetzelfde is als de marktvergunning, da’s weer iets anders). Maar om die leurderskaart te kunnen krijgen (lees: te kopen) moet eerst mijn statuut van zelfstandige-in-bijberoep veranderd worden.
En dat moet allemaal betaald worden.
En dat vereist het invullen en versturen van ettelijke formulieren.
En dat moet ook nog eens goedgekeurd worden.
En dan spreek ik niet eens van de duizend-en-een kleine kosten die samen één grote kost maken.

Nee, daar dacht ik helemaal niet aan als ik ’s zondags bij de bakker stond aan te schuiven.
Ik dacht niet aan de torenhoge kosten die zo’n man moest maken, ik dacht alleen aan het geld dat in zijn laatje kwam.
Want zo redeneert de loontrekkende (of werkloze).
Het geld dat in zijn laatje komt is immers netto geld.
Het geld van de zelfstandige is echter bruto geld.
Het is geld waar duizend-en-een dingen moeten van gekocht worden.
Maar het is ook – en vooral – geld waarvan het grootste deel in de zakken van vadertje staat verdwijnt, hetzelfde vadertje dat zich ook nog eens laat betalen voor alle vergunningen, toelatingen en goedkeuringen die het aflevert.

Ja, het leven is heel anders aan de andere kant van de grens, de grens tussen loontrekkenden en zelfstandigen.
Dat begin ik nu wel te beseffen.

20140514-151923.jpg

Doe een Verhofstadt

20140513-000058.jpg

20140513-000117.jpg

20140513-000131.jpg

20140513-000145.jpg

20140513-000157.jpg

Zelf proberen?

Kunst en geloof (2)

Het moet omstreeks mijn 14de geweest zijn dat ik van mijn geloof afviel, zoals dat heet.
Met vallen had het niet veel te maken, want het kostte me geen greintje pijn.
Het was veeleer een ontwaken.
Ik viel als een rijpe appel van de boom des geloofs.
Tegelijk vond ik een nieuw geloof, of beter: ik werd er mij gaandeweg van bewust dat ik altijd maar in één ding geloofd had: in de kunst.
In dezelfde tijd vond ik nog een ander nieuw geloof: dat in de rede.
Ik kan me zelfs nog het moment herinneren waarop ik verliefd werd op de rede, want zo beleefde ik het.
Wat ik geloof noem, zou je dus net zo goed liefde kunnen noemen.
Ik geloof niet in de oude God, want ik kan me niks bij hem voorstellen, laat staan dat ik hem zou kunnen liefhebben.
Maar van de kunst en de rede hou ik wel.
Daar hoef ik niet eens moeite voor te doen.

20140511-233825.jpg

In feite heb ik als kind alleen maar beleefd wat ieder modern mens beleeft: het oude religieuze geloof ontvalt hem en in plaats daarvan komt het nieuwe geloof in kunst en wetenschap.
Maar daar is hij zich niet van bewust.
Hij ziet die overgang niet als een geloofswisseling, maar als een ontwaken uit een droom.
Hij is ervan overtuigd dat de religieuze mens zich vroeger van alles inbeeldde, maar dat de niet-gelovige mens de werkelijkheid ziet zoals ze is.
Die overtuiging blijkt echter niet opgewassen tegen de heropleving van het oude geloof zoals we die momenteel meemaken.
De kunst heeft al langer bakzeil gehaald en de waarneming vervangen door blind geloof.
Maar nu geeft ook de rede stap voor stap haar verworvenheden op.
Het nieuwe geloof lijkt dus geen stand te kunnen houden.
Nadat het zich met veel moeite losgemaakt had van het oude geloof, wordt het er nu weer door opgepeuzeld.
En toch is het nieuwe geloof niet zwak. Het is zelfs heel sterk.
Maar het bewustzijn van dat geloof is heel zwak.
De moderne mens denkt namelijk dat hij niet meer gelooft.
Hij denkt dat kunst en wetenschap gewoon feiten zijn die hij vaststelt.
Hij realiseert zich niet dat aan beide een mysterie ten grondslag ligt, een mysterie dat hij niet onder ogen durft te zien.
Het is het gebrek aan bewustzijn van dat mysterie dat hem zo zwak maakt tegenover een oude religie wier tijd voorbij is.

20140511-233923.jpg

De moderne mens gelooft niet dat hij … gelooft.
Daar ligt het probleem.
Hij gelooft met hart en ziel in kunst en wetenschap, net zoals hij vroeger met hart en ziel geloofde in wat de religie hem vertelde.
Maar zijn bewustzijn heeft die stap nog niet gezet.
Het is nog niet tot het inzicht gekomen dat de mens (nog altijd) gelooft en aan dat geloof niet kan ontsnappen.
Het is namelijk de grondslag van alles: als de mens niet gelooft, dan kan hij niets.
Hij kan dan zelfs niet meer denken, want het denken steunt op geloof-in-het-denken.
Niemand kan bewijzen dat het denken waar is zonder te denken.
Ofwel gelooft men in de rede, ofwel houdt men op redelijk te zijn.
Dat laatste is wat vandaag gebeurt.
De moderne mens keert langzaam terug naar een pre-rationele, instinctieve staat van zijn.
En dat komt doordat hij niet doordringt tot de grondslag van de rede: het geloof (in de rede).
Hij gelooft wel in de rede, maar hij doet het op een onbewuste manier, zonder te beseffen dát hij gelooft.

De moderne mens bestaat in feite uit twee delen: een onbewust deel dat sterk gelooft in kunst en wetenschap, en een bewust deel dat niet gelooft dat het (nog steeds) gelooft.
Die combinatie van een gelovig en een ongelovig deel maakt van de moderne mens precies datgene wat hij de oude, religieuze mens altijd verwijt te zijn: een blinde gelovige.
Wie niet inziet dat de kern van kunst en wetenschap een geloof is, een overgave aan een grondeloos mysterie, ziet de zaken niet helder.
Hij leeft in een droom en laat zich blindelings leiden.
De moderne mens denkt wel dat hij ontwaakt is en dat hij de werkelijkheid (eindelijk) ziet zoals ze is, maar in feite is hij alleen in een andere droom terechtgekomen.
Hij slaapt weliswaar niet zo diep meer, maar wakker is hij nog lang niet.
Daarvoor moet hij nog een beslissende stap zetten: hij moet zich bewust worden van zijn geloof, van zijn fundamentele gelovig-zijn.
Pas dan wordt zijn geloof een weten.
Pas dan ontwaakt hij echt en gaat er een nieuwe wereld voor hem open.

20140511-234051.jpg

Toen ik als kind ontwaakte uit mijn religieuze droom (die reeds zijn kracht verloren had) dacht ik de werkelijkheid te zien zoals ze was.
Ik beschouwde gelovigen als mensen die nog sliepen.
Hoe kon je anders geloven in al die religieuze nonsens!
Maar ik ergerde me er niet aan.
Ik was te opgelucht wakker te zijn geworden en ik wilde m’n tijd niet langer verspelen aan religie: ik had immers de kunst en de rede!
Gaandeweg begon het me echter te dagen dat kunst en wetenschap me niet echt met de werkelijkheid verbonden.
Ik was bij wijze van spreken wel opgestaan, maar ik had het huis (of zelfs mijn slaapkamer) nog niet verlaten.
Dat verzwakte mijn (nieuwe) geloof echter niet, maar ik realiseerde me wel in toenemende mate dat er heel wat problemen waren en dat er bijvoorbeeld kunst en kunst was, zoals er ook wetenschap en wetenschap was.
De zaken waren met andere woorden lang niet helder en eenduidig, integendeel, ze liepen door elkaar, als in een droom.

Uit die nieuwe droom (die aanvankelijk zo ‘wakker’ had geleken) ontwaakte ik toen ik de antroposofie leerde kennen, wat overigens gepaard ging met een hevige worsteling.
Eindelijk had ik het gevoel dat er een brug werd geslagen tussen mijn innerlijke wereld en de werkelijkheid daarbuiten.
Die brug had ik in de reguliere wetenschap, zoals ik die op school in de maag kreeg gesplitst, nooit kunnen ontdekken.
Ik begreep niet wat al die getallen en formules die ik uit het hoofd moest leren met de werkelijkheid te maken hadden.
In de kunst had ik die brug wél gevonden, maar ik beleefde tegelijk hoe ik in het nauw werd gedreven door een ‘nieuwe’ kunst die zich radicaal tegen de werkelijkheid keerde.
Ik ontmoette in de kunst en de wetenschap dus hetzelfde probleem, zij het op een andere manier.

20140511-234745.jpg

Op rationeel, wetenschappelijk vlak werd dat probleem opgelost door de antroposofie.
Zij sloeg een brug tussen rede en werkelijkheid, en tegelijk ook tussen kunst en wetenschap.
Maar ik was er me zeer van bewust dat die brug op geloof berustte.
Ik werd antroposoof op het moment dat ik geloofde wat Rudolf Steiner schreef.
Dat geloof was een vorm van herkenning: Steiner drukte in woorden en begrippen uit wat er diep in mijn eigen ziel sluimerde.
Tegelijk was mijn geloof een daad van vertrouwen: op basis van wat ik van en over hem gelezen had, gaf ik de man mijn vertrouwen.
Van het een kwam het ander: ik vond ook weer de brug naar het (christelijke) geloof.
Ik dacht: als ik de man kan vertrouwen als het over wetenschap en kunst gaat, dan kan ik hem ook vertrouwen als het over religie gaat.

Dat klinkt waarschijnlijk kinderlijk en naïef, maar voor mij was het realistisch.
Ik kon niet oordelen over de waarachtigheid van wat Rudolf Steiner zei over de geestelijke wereld, want ik had geen benul van die wereld.
Nog minder kon ik zeggen dat ik hem begreep, want ik hoorde het vaak in Keulen donderen als ik zijn boeken las.
Mijn vertrouwen in de man (of mijn geloof in de antroposofie) was weliswaar niet gespeend van rationaliteit en kritische zin, maar het was toch voornamelijk een gevoelsmatige, intuïtieve kwestie.
Hoe weet je dat je iemand kunt vertrouwen?
Vertrouwen is geen exacte wetenschap.
Het is een daad van geloof.
Het is een uiting van liefde.

20140511-235554.jpg

Daar ben ik me altijd bewust van geweest: antroposofie was (en is) voor mij een geloof.
Ik herinner me nog mijn eerste gesprekken met antroposofen.
Ze praatten over engelen en kabouters en geestelijke wezens alsof het niks was.
Ik zat er verbaasd naar te luisteren.
Toen ik ten slotte vroeg: maar hebben jullie zelf wel eens zo’n kabouter gezien? viel er een ongemakkelijke stilte aan de tafel.
Ik begreep meteen: zoiets vraag je niet!
Antroposofen wilden blijkbaar niet geconfronteerd worden met het feit dat ze gewoon geloofden in kabouters en engelen.
En dat stoorde me.
Niet het feit dat ze dat geloofden stoorde me, maar het feit dat ze het niet wilden toegeven.
Hun geloof was misschien wel sterk, maar hun bewustzijn ervan was zeer zwak.
Ze wilden of konden hun geloof niet onder ogen zien, en juist daardoor bleef het een privé-aangelegenheid die voor mij nauwelijks betekenis had.
Als ze nu hadden toegegeven dat antroposofie voor hen een geloof was, dan hadden we daarover kunnen praten, dan was er misschien een boeiende discussie ontstaan.
Nu viel er alleen een stilte en voelde ik me buitengesloten.

20140511-235654.jpg

Het is niet het geloof zelf dat mensen van elkaar scheidt, het is het gebrek aan bewustzijn ervan, het niet willen erkennen dát men gelooft.
Dat is bijvoorbeeld ook het grote probleem met de islam: veel moslims beschouwen de islam niet als een geloof maar als een feit. Ze zijn niet bereid of in staat dat geloof kritisch te benaderen. Ze vrezen dan de grond onder hun voeten te verliezen. Dat is namelijk wat ze zien gebeuren bij de moderne Westerse mens.
Die heeft zijn geloof wél kritisch benaderd en het heeft van hem een zwalpend schip gemaakt.

Toch hoeft het geloof niet bang te zijn voor de kritische rede, want die rede berust zelf op een geloof.
Het probleem is dus niet dat moslims of christenen of antroposofen geloven wat ze geloven.
Het probleem is dat de moderne rationele mens gelooft dat hij niet gelooft.
Of niet gelooft dat hij gelooft.
Want dat is wat in zijn bewustzijn leeft: de overtuiging dat hij niet gelooft, dat hij een ongelovige is.

Dit ongeloof is echter niet bestand tegen een kritische, rationele benadering.
Dat ondervind ik telkens weer als ik in discussie ga met ‘ongelovigen’, met atheïsten of materialisten die menen de wereld te zien zoals hij werkelijk is.
Als ik hun overtuiging aanval (wat in een rationele context volkomen normaal is) reageren ze vaak emotioneel, verontwaardigd of zelfs agressief.
Hun redelijkheid, waar ze zelf hoog van opgeven, laat hen dan in de steek en het eindigt er steevast mee dat ze het gesprek afbreken.
Ze gedragen zich met andere woorden als ‘gelovigen’.
Hun ongeloof – de overtuiging dat ze niet geloven – is in feite een geloof dat ze niet ter discussie willen stellen.
Het komt er uiteindelijk op neer dat ze niet willen denken over het denken.
Ze willen de kritische rede niet op zichzelf richten.
Ze weigeren de laatste stap te zetten en het rationele denken helemaal tot het eind door te voeren.
Want aan dat eind staat … het geloof.

20140511-235904.jpg

Maar dit ‘ultieme’ geloof is niet hetzelfde als het oude religieuze geloof.
Het is een ontwaakt geloof, een bewust geloof, een geloof dat tegelijk een weten is.
En dat weten – het weten dat de mens gelooft en niet anders kan dán geloven – is het enige echte houvast dat hij heeft.
Alle weten dat niet beseft dat het berust op een geloofsdaad, kan onderuit worden gehaald.
Het is geen zeker weten.
Zeker is alleen het weten dat we in de grond gelovige mensen zijn, dat geloof in onze natuur ligt en dat we geen mens kunnen zijn zonder te geloven.

Kijken we maar naar een kind: het is één en al geloof in de wereld.
Het zou eenvoudig niet kunnen bestaan zonder het onvoorwaardelijke vertrouwen dat het uitstraalt en dat beantwoord wordt met louter liefde.
Naarmate het kind echter opgroeit, wordt zijn vertrouwen beschaamd.
Vuur bijvoorbeeld blijkt niet te vertrouwen te zijn.
Als je het streelt, spint het niet als een kat maar bijt het als een leeuw.
En zo blijkt de wereld in toenemende mate niét te vertrouwen.
Als gevolg daarvan wordt het kind wantrouwig, het trekt zich terug, het sluit de wereld niet langer in zijn armen.
Maar dankzij dat wantrouwen ontwikkelt het een ik en groeit het op tot een zelfstandig wezen.
De ‘zondeval’ die ieder mens ondergaat, is voorwaarde voor zijn vrijheid.

20140512-000225.jpg

Die vrijheid – waarvoor hij steeds meer banden met de wereld doorknipt tot hij helemaal alleen staat – maakt hem echter buitengewoon zwak en kwetsbaar.
Dat zien (en ervaren) we vandaag maar al te duidelijk: de moderne mens is een vrije, maar tegelijk ook machteloze mens.
Hij is eigenlijk een vogel voor de kat als hij er niet in slaagt zich weer te verbinden met de wereld waarin hij leeft, als hij niet opnieuw leert vertrouwen te hebben.
Maar juist dát lijkt vandaag een onmogelijke opgave te worden, want de moderne wereld is vergeven van wantrouwen, leugen en misleiding.
Zelfs de lucht die we inademen, valt niet meer te vertrouwen.
De moderne mens sluit zich dan ook steeds meer af voor de wereld: hij leeft in toenemende mate in een virtuele werkelijkheid die hem nóg zwakker maakt dan hij al is.

20140512-000319.jpg

Uit die machteloosheid is er maar één uitweg, en dat is de bewustwording van het feit dat de mens niet kan leven zonder te geloven, zonder te vertrouwen.
En dat is iets wat hij moet ondervinden.
Hij moet op de een of andere manier het punt bereiken waar hij voor de keuze staat: vertrouwen of niet vertrouwen, geloven of niet geloven.
Als hij dat punt bewust bereikt, zal de keuze niet moeilijk zijn: hij zal dan beseffen dat kiezen voor ongeloof en wantrouwen een doodlopende straat is.
Bereikt hij dat punt echter onbewust, dan zal hij gewoon de weg volgen die hij al gaat: de weg van het ongeloof.

20140512-001750.jpg

Kunst en geloof (1)

Beeldhouwer René Smits sprak tijdens een gesprek ooit zijn verbazing uit over het linkerbeen van een figuur op een schilderij van Rubens.
Bekijk je het van op een afstand, zei hij, dan staat dat been scherp afgetekend tegen de achtergrond.
Bekijk je het echter van dichtbij, dan zie je niet waar dat been eindigt en de achtergrond begint.
Hoe doét die vent dat toch, schudde hij ongelovig het hoofd.

Ik herkende dat ongeloof meteen.
Ik had het ooit één keer heel sterk beleefd bij het bekijken van een schilderij van dezelfde Rubens.
Ik voelde toen werkelijk de aandrang om met m’n hoofd tegen de muur te bonken en te zeggen: dit kan niet, dit kan niet, dit kan niet!
Het is niet mogelijk dat een mens zo kan schilderen!
Ik kon letterlijk m’n ogen niet geloven.
In mijn geest vond een botsing plaats tussen wat ik geloofde dat mogelijk was en de realiteit die ik waarnam.
Het schilderij dat daar vlak voor mij aan de muur van het museum hing, was geen droom, geen visoen.
Het was heel reëel, geen twijfel mogelijk.
Maar ik kon het niet rijmen met mijn beeld van waartoe een mens in staat is.
Wat Rubens deed in dat schilderij was bovenmenselijk.
Het was niet van deze wereld.
En dat was geen frase, geen manier van spreken.
Ik verliet het museum half verdoofd en was de rest van de dag van slag.

20140510-112507.jpg

Rubens is natuurlijk één van de allergrootsten.
Maar het ongeloof dat hij in me opwekt, voel ik ook wanneer ik mindere goden gadesla, zij het niet in die overweldigende mate.
Eigenlijk is het er altijd wanneer ik kunst zie.
Kunst wekt mijn ongeloof.
Het bevat iets dat mijn verstand niet kan bevatten en mijn verbeelding tart.
Het veroorzaakt een kortsluiting in mijn bewustzijn: het doet een vonk ontstaan.
En die vonk veroorzaakt vreugde: mijn hart springt op.
Is die vonk echter krachtig, zoals bij het zien van een echt meesterwerk, dan geeft hij me een schok die me doet duizelen.
M’n wereld wankelt: ik sta tegenover iets dat ik niet kan geloven.

Dat ongeloof is voor mij zo onlosmakelijk verbonden met kunst dat ik ervan overtuigd ben dat mensen die het niet kennen, nog nooit kunst hebben gezien.
Ze hebben misschien wel veel kunstwerken gezien, maar ze zijn zich nooit bewust geworden van wat die kunstwerken tot kunst maakt.
Het ongeloof neemt inderdaad toe naarmate men kunst bewuster benadert.
Bij de gewone gevoelsmatige benadering treedt het niet op.
Maar ontwaakt men uit die dromerige waarneming en gaat het verstand er zich mee moeien, dan ontstaat ook het ongeloof.
Behalve natuurlijk wanneer het verstand de plaats inneemt van het gevoel.
Dan sluit men zich van het kunstwerk af en verdwijnt het mysterie.
Het is de bewustwording van het mysterie van de kunst, die het ongeloof veroorzaakt.
Het ontstaat uit de discrepantie tussen gevoel en verstand, tussen waarneming en denken.

20140510-112835.jpg

De paradox is dus dat naarmate het bewustzijn van de kunst sterker wordt, het onder steeds grotere spanning komt te staan, alsof er een krachtmeting plaatsvindt tussen kunst en bewustzijn.
En die krachtmeting eindigt altijd met een nederlaag van het bewustzijn.
Ze begint er trouwens ook mee.
Men kan kunst niet benaderen zonder er zich aan over te geven.
Het is pas in en door die overgave dat ze tot ons begint te spreken.
Doorgaans vindt deze overgave onbewust plaats en is ze even vanzelfsprekend als het meeneuriën van een liedje dat men hoort.
Maar naarmate het bewustzijn groeit en helderder wordt, krijgt de overgave het karakter van een strijd: het wordt een worsteling met het ongeloof.
Die worsteling moet er ook zijn, anders verandert de vreugde die we aan de kunst beleven in een kwelling, denn das Schöne ist nichts als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen.

In ieder kunstwerk schuilt een mysterie dat ons met ongeloof en verbijstering vervult wanneer we het bewust benaderen.
Om welk mysterie gaat het hier?
We komen het op het spoor wanneer we uitgaan van de bekende formule die kunst definieert als ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’.
Zoals alle definities van kunst schiet ook deze te kort, maar ze belicht wel een essentiële eigenschap van kunst: haar persoonlijke, individuele karakter.
Niemand zal een schilderij van Rubens verwarren met een werk van Rembrandt.
Ze dragen beide het stempel van een unieke en onvervangbare geest.
Dat geldt niet alleen voor deze genieën, het geldt ook voor mindere grootheden.
Eigenlijk voor iedere kunstenaar.
Vraag honderd kunstenaars om met hetzelfde materiaal dezelfde appel te schilderen, en je krijgt honderd verschillende appels.
Hoe beter die appel geschilderd is, des te individueler zal het schilderij zijn.
De grootste schilders zijn altijd ook de meest individuele.

20140510-113034.jpg

Het mysterie van de kunst bestaat er nu juist in dat de meest individuele kunstenaars ook de meest bewonderde zijn.
Hun werk vormt een wereld op zich die met geen andere te vergelijken is, en toch is het universeel: het bereikt ontelbare mensen over alle grenzen heen, zowel van tijd als ruimte.
Hoe individueel het ook is, het is tegelijk ook in hoge mate gemeenschappelijk.
De kunst is dus een coïncidentia oppositorum: individualisme en universalisme vallen er samen zonder elkaar op te heffen.
En dat is een mysterie dat alle wetten van de logica tart.

We staan er nooit bij stil, maar de kunst bevat de oplossing voor het grootste probleem van onze tijd: de tegenstelling tussen individualisme en gemeenschap.
In de negentiende eeuw was het individualisme zo nietsontziend geworden dat het grote delen van de bevolking tot een slavenbestaan veroordeelde.
De ‘linkse’ reactie daartegen verplaatste de klemtoon naar de gemeenschap, maar schoot door naar het andere uiterste: het communisme veroordeelde de bevolking eveneens tot een slavenbestaan.
En vandaag staan de linkse en rechtse uitersten opnieuw onverzoenlijk tegenover elkaar, zonder dat er een oplossing in zicht is.

20140510-113355.jpg

Nochtans is in het midden tussen beide de democratie ontstaan als een samenlevingsvorm die de tegenstellingen overbrugt.
Daarom is de democratie in wezen kunstzinnig van aard.
Maar vandaag staat ze onder grote druk.
Ze wordt als het ware verpletterd onder het gewicht van het alsmaar groeiende individualisme enerzijds (rechts) en de toenemende staatscontrole anderzijds (links).
De uitersten zijn zo extreem dat ze elkaar raken: de staat gedraagt zich als een individu dat zijn eigen zin doet, en de individualisten vormen gesloten, elitaire gemeenschappen.
Beide hebben één gemeenschappelijke vijand: de democratie.
En de oorzaak van hun vijandschap is: ongeloof.

De meest vreedzame en welvarende landen zijn niet toevallig de meest democratische.
Iedereen weet dat, iedereen ziet dat, en toch negeert men het.
Als ik met mensen praat over democratie stuit ik telkens weer op hun ongeloof.
Ze kunnen eenvoudig niet geloven dat de mens in staat zichzelf te besturen.
Zelf kunnen dat natuurlijk wel, maar de ‘anderen’ kunnen dat niet.
En dus moeten ze in het gareel worden gehouden.
Onbewust trekken mensen altijd een grens tussen zichzelf als individu en de anderen als gemeenschap.
Ze geloven niet dat die twee samen kunnen gaan, en dat ongeloof brengt hen ertoe zich vrijwillig te onderwerpen aan staatscontrole.

Het probleem van de democratie is dus niet dat ze niet werkt, het probleem is dat men het niet kan geloven.
Met de democratie is het net als met de kunst: hoe meer de mens er zich van bewust wordt, des te meer neemt zijn ongeloof toe.
De democratie bevat een mysterie waar de moderne mens geen blijf mee weet, een mysterie dat hem verbijstert en met ongeloof vervult.
En dat ongeloof verlamt de democratie.
Het is de grootste vijand van de vrije mens.

20140510-113839.jpg

Het is beslist geen toeval dat de kunst geen rol speelt bij het nadenken over maatschappelijke problemen.
Democratie en kunst delen hetzelfde mysterie.
De kunstenaar staat voor hetzelfde probleem als de mens die wil samenleven met anderen: hij moet zijn individualisme verzoenen met het gemeenschappelijke, het universele.
Daartoe moet hij ‘over de drempel’.
Ik ondervind dat zelf iedere keer als ik wil tekenen en schilderen: ik moet ‘erin’ komen.
Als je tekenen of schilderen (of wat dan ook) als een louter technische kwestie ziet, dan is er geen drempel. Dan ben je zeker van je kunnen, dan heb je alles onder controle.
Als je echter méér wilt, als je een kúnstwerk wilt maken, hoe bescheiden ook, dan moet je doordringen in een andere bewustzijnslaag, waar je géén controle meer hebt, waar je je moet overgeven.
En hoe bewuster je met kunst bezig bent, des te moeilijker wordt die overgave.
Soms wil het gewoon niet lukken.
Je zit dan te klooien met verf alsof je niet meer weet hoe je een schilderij moet maken.
Je bent dan de zekerheid en de controle van de ene kant kwijt, maar je vindt evenmin toegang tot de ‘inspiratie’ van de andere kant.
Je bevindt je dan als het ware op de drempel, tussen twee tegengestelde werelden in.
En dat is altijd een ontredderend moment: je hebt het gevoel niks meer te kunnen.
Je zit de hele dag te werken, maar niks lukt.
Je begrijpt niet hoe je met die primitieve spullen – verf, penselen, olie, doek, enzovoort – ooit iets hebt kunnen maken dat het bekijken waard was.

20140510-114652.jpg

Die onmacht maakt wezenlijk deel uit van het scheppingsproces en hoe bewuster je ze beleeft, des te kwellender wordt ze.
Maar tegelijk dringt ook het besef door dat je eigenlijk niks kunt zonder de inspiratie van ‘de andere kant’.
Als je aan deze kant van de drempel blijft en alle touwtjes in handen houdt, dan kun je eenvoudig geen kunst maken of iets kunstzinnigs tot stand brengen.
Iedere kunstenaar kent dan ook het gevoel dat hij zijn werk niet zelf gemaakt heeft.
Mijn leraar vertelde me ooit dat hij eens een aquarel had gemaakt die bijzonder goed gelukt was. Hij had ze verkocht aan een kennis, en telkens hij er op bezoek was, keek hij naar die aquarel en zuchtte: ‘ik wou dat ik dat kon.’
Wat een aquarel, een tekening of wat dan ook tot een kunstwerk maakt, is niet iets wat een kunstenaar kán, het is iets wat hij kríjgt, een geschenk, een genade.
Hij kan het niet afdwingen, hij kan het alleen maar ‘waardig’ worden door zich in te spannen, door zich immer strebend zu bemühen.
Hij kijkt dan ook met evenveel verbazing naar zijn eigen werk als een kijker die nog nooit een penseel heeft vastgehouden.

De meeste kunstenaars staan hier niet bij stil, enerzijds omdat ze er geen tijd voor hebben, anderzijds omdat ze de verlammende kracht van het bewustzijn vrezen.
Hoe groter immers het bewustzijn des te moeilijker ook de overgave.
Daarom geloven ze ook niet meer in inspiratie, niet omdat die niet zou bestaan, maar omdat ze niet geconfronteerd willen worden met hun onmacht.
Een kunstenaar is paradoxaal genoeg iemand die niks kan, althans niet in de gewone betekenis van het woord.
Zijn ‘kunnen’ is van een andere orde.
Als hij die ‘andere orde’ echter niet meer kan bereiken (omdat hij er niet meer in gelooft) dan wordt zijn onmacht bijzonder kwellend.
Als je precies op het moment dat je denkt de zaken onder controle te hebben, moet inzien dat je ze helemaal niet onder controle hebt, dan verlies je de grond onder je voeten.

20140510-115630.jpg

En is dat niet precies de situatie waarin de moderne mens zich vandaag bevindt?
Nog nooit heeft hij zoveel macht uitgeoefend over de wereld waarin hij leeft, en toch voelt hij zich machtelozer dan ooit.
Nog nooit is hij er zo van overtuigd geweest te weten hoe de wereld in elkaar zit, en toch begrijpt hij er steeds minder van.
Hij moet een nieuw kunnen en een nieuw begrijpen ontwikkelen door contact te maken met de ‘andere kant’, de geestelijke kant.
Maar hij slaagt daar niet in omdat hij niet kan geloven in die ‘andere’ wereld.
En dus veroordeelt zijn ongeloof hem tot een kwellende onmacht waaraan hij vruchteloos probeert te ontkomen.

Het beeld dat zich opdringt, is dat van een mensheid die aan een grens gekomen is, de grens tussen het vasteland en de zee.
Een eindeloze wereld vol nieuwe mogelijkheden strekt zich voor haar uit, maar ze durft die wereld niet betreden omdat ze niet gelooft dat het water haar zal dragen.
Ze heeft watervrees, vrees voor de geestelijke dimensie van het bestaan.
Maar terwijl de eersten stilstaan aan de rand van de zee, bereiken steeds meer mensen het strand, want de toestand op het vasteland wordt steeds ondraaglijker.
Daardoor ontstaat er een opeenhoping die de eerste rijen ‘over de rand’ duwt en in het water terecht doet komen.

Steeds meer mensen bewegen zich vandaag in een geestelijke sfeer, maar ze beseffen het niet.
Ze hebben bij het ‘vallen in het water’ hun tegenwoordigheid van geest verloren.
In paniek slaan ze wild om zich heen en beschouwen de opdringende massa als hun vijand.
En in een vergeefse poging om weer vaste grond onder de voeten te krijgen, gaan ze die vermeende vijand te lijf.

Het is een beeld van de mensheid die over de drempel gaat, maar het niet weet.
Een mensheid die alle oude zekerheden verliest en alleen nieuw houvast kan vinden in de geestelijke dimensie van het bestaan.
Maar omdat ze er niet in slaagt te geloven in de geest ontstaat er op het strand, op de grens tussen materie en geest dus, een gigantische strijd van allen tegen allen.
Ieder beschouwt de ander als de vijand, en beseft niet dat de echte vijand zijn eigen ongeloof is.

(Wordt vervolgd)

20140510-121108.jpg

Brieven schrijven

Rond die tijd (1914-1915) vertoefde er in Dornach een jonge vrouw die in zware onenigheid leefde met haar man en van hem wilde scheiden. Rudolf Steiner ontfermde zich over haar met oneindige goedheid en geduld. Langzaam kwam zij innerlijk weer tot evenwicht en ze schreef haar man dat ze bij hem wilde terugkeren. Hij wees haar echter op een koele, ongenaakbare manier af. Vertwijfeld kwam ze met zijn brief bij Rudolf Steiner. Ja ziet u, sprak deze, dat is het gevolg van al die boze, verwijtende en onvriendelijke brieven die ú hem geschreven hebt. – Maar Herr Doktor, riep ze uit, ik heb die brieven nooit verstuurd! Ik heb ze altijd vernietigd. Ik schreef ze alleen maar om mijn hart te luchten! – Ja, knikte Rudolf Steiner, maar zijn ziel heeft ze allemaal ontvangen.

(Adelheid Petersen)

Herinneringen aan Rudolf Steiner

20140508-173643.jpg

Landloperij

Omdat ik tot over mijn oren in het werk zit als gevolg van mijn ondoordrachte besluit om marktkramer te worden, iets waarvoor ik de benodigde commerciële talenten in hoge mate ontbeer, laat ik het woord aan iemand die het zelfstandige bestaan weet te combineren met het werken in loondienst.
Hoe hij dat doet, is mij een raadsel.
En dan nog iedere dag!

Dames en heren, hier is Kaaiman!

20140508-172141.jpg

MARKSPLES

Sodexo zal zijn best moeten doen om het pas geopende interneringscentrum in Gent nog slechter uit te baten dan de overheid dat in Merksplas.
Nochtans wensten velen het nieuwe centrum aan de zorgen van de staat toe te vertrouwen, dat zou beter zijn voor de kwaliteit van opvang en begeleiding van de veroordeelden.
Toen was er 9999, een documentaire van Ellen Vermeulen, en werd voor de zoveelste keer bewezen dat je niet op de overheid moet rekenen, zeker niet op de onze.

Tot voor kort leefden wij in de overtuiging dat de nieuwe gevangenis van Beveren de ergste detentie-instelling ter wereld was. Van kortbij gevolgd door Guantanamo, Sing Sing en het Sint- Jan Berchmanscollege.
De ontberingen die bijvoorbeeld de gezusters Libert in de Beverse bajes moesten ondergaan, schokten elk gevoel van menswaardigheid.
Koud, een harde stoel, soep met vezeltjes, geen Plopkoeken in de kantine, slechts één naaktfouille per week, en voor hun half uur in het intieme kamertje bood zich geen enkele geïnteresseerde aan, man noch vrouw.
En dan werd de slappe koffie nog rondgebracht door een rosse cipier!
Met onzedelijke gedachten.
Maar in Merksplas blijkt het nog erger.

Eigenlijk moet het ‘Marksplas’ zijn, want Merksplas is een plaats aan het riviertje de Mark, maar in de Kempen worden wel meer namen verbasterd.
Westel, Tongel, Everbuer en als top of the bill: Peujl, de plaatselijke uitspraak van Poederlee. Beverlo in het Kempens: Bjevel.
Merksplassers worden ‘de Spetsers’ genoemd, vanwege het spetsen in de Mark, of zoals ze zelf zeggen: het spatsen in de Merk.
In Merksplas valt niets te beleven, men zal nog eerder naar Hoogstraten afzakken waar tenminste een discotheek is en een rare kerktoren.
Merksplas is sinds jaar en dag alleen bekend vanwege zijn fameuze landloperskolonie.

Vroeger, voor Maggie De Block bestond, was landloperij nog geen door het ministerie van Cultuur gesubsidieerde hobby maar een misdrijf.
Wie op de openbare weg werd aangetroffen zonder geld voor op zijn minst een zevengranenbrood op zak, kon worden opgepakt.
Die vloog dan naar de gesloten instelling van Merksplas of de halfopen van Wortel, moest daar een beetje helpen op de boerderij, en kreeg in ruil een bed en eten.
Veel daklozen stalen bij de eerste winterkou opzettelijk een raap of een bloemkool op een veld, om dan wegens moeskopperij te worden veroordeeld tot enkele maanden warm binnen.

Die ‘Rijksweldadigheidskolonies’ zijn nog opgericht onder de Hollandse bezetting en functioneerden honderdzeventig jaar naar ieders tevredenheid.
Ze zijn ook werelderfgoed, door de unieke inrichting van het terrein met hoofdgebouwen, boerderij, schitterende kapel en omliggende personeelswoningen.
Tot de betweters in het Brussels Parlement een jaar of twintig geleden vonden dat landloperij en dakloosheid geen misdrijven meer waren, en dat de beoefenaars ervan niet meer mochten worden opgesloten.
Sindsdien zijn die mensen veel beter af, dat kan iedereen die via grote stations spoort met eigen ogen vaststellen.

De kolonie zelf bestaat nu uit een centrum voor uitgeprocedeerde asielzoekers en een gevangenis waar vooral kleine drugsdelinquenten en geestesgestoorden verblijven, dit onder het befaamde toezicht van het ministerie van Justitie.
Dat de gezusters Libert eens in Merksplas gaan zitten, al is het risico groot dat ze deze keer niet meer naar huis mogen.

Koen Meulenaere

20140508-172222.jpg

Vieze gedachten

20140506-053128.jpg

In het Amerikaanse stadje Adrian deed een beeldhouwwerk zoveel protest rijzen dat het verwijderd moest worden. Nochtans wilde kunstenaar Mark Chatterley de kijker alleen maar doen nadenken over “hoe de mens vandaag niet meer alleen kan leven en op andere mensen moet vertrouwen om te overleven”. Volgens de New York Times deed hij dat op een ‘elegante, contemplatieve manier’. De inwoners van Adrian zagen er echter een ‘orgie’ in en eisten dat het walgelijke ding verwijderd werd.

Mark Chatterley is verbaasd over de ophef en zegt dat hij zelf op geen enkele manier een sexueel verband heeft willen leggen. Volgens hem zijn de beschuldigingen enkel een uiting van “datgene waar mensen echt aan denken”.

Wat mij altijd weer verbaast, is het eenrichtingsverkeer tussen kunstenaar en kijker.
Volgens Chatterley (what’s in a name!) was er niks sexueels aan zijn beeld. Het werd er alleen maar op geprojecteerd door de kijker, die daarmee blijk gaf van zijn eigen geperverteerde gedachten.
Dat het net zo goed omgekeerd zou kunnen zijn, kwam blijkbaar niet in hem op.
Chatterley beweerde dat zijn beeld ging over ‘hoe mensen op andere mensen moeten vertrouwen om te overleven’, maar wie zegt dat hij er niet onbewust zijn eigen geperverteerde gedachten had in geprojecteerd?
Waarom zou de kunstenaar gelijk hebben en de kijker niet?
Een kunstwerk is toch geen kruiswoordraadsel waarvan de oplossing zich in het brein van de kunstenaar bevindt en door de kijker ontdekt moet worden.

Ik zie alleszins niet hoe dit beeld de kijker zou kunnen doen nadenken over ‘hoe de mens vandaag niet meer alleen kan leven, enzovoort.’ Als de kunstenaar dát heeft willen uitdrukken, dan heeft hij grandioos gefaald.
Ik zie daarentegen heel goed waarom de bewoners van Adrian dit beeld associeerden met sex.
Er zijn niet alleen de houdingen van de figuren, er is ook hun ‘worstachtige’ uiterlijk dat een onderbuiksfeer oproept.
Het is moeilijk om het beeld anders te interpreteren, en de gedachte dat de kunstenaar tijdens het maken aan heel andere dingen dacht dan ‘mensen die moeten samenwerken om te overleven’ ligt voor de hand.
Maar die gedachte is dus fout omdat … de kijker altijd fout is.
Ziet hij in een pispot gewoon een pispot en geen weergaloos kunstwerk, dan komt dat doordat hij vieze gedachten heeft.
Ziet hij vuiligheid in plaats van kunst, dan is dat omdat hij … zelf vuiligheid is.
Alles wat hij zegt over kunst is hij zelf.

Tja, zo is het natuurlijk gemakkelijk.
Het verklaart meteen ook waarom de overheid zo tuk is op Hedendaagse Kunst.
Als je de bevolking wil inpeperen dat ze altijd fout is en dat je zelf altijd gelijk hebt, dan kun je je geen betere bondgenoot indenken.

Het is dus volkomen toevallig dat het stadsbestuur van Adrian dit beeld onthulde op dezelfde dag dat ze een antidiscriminatiebesluit voor holebi’s stemde.
Wie enig verband ziet tussen deze twee feiten is gewoon een … pervers brein.

20140506-065539.jpg