Steiner over kunst (2)

door lievendebrouwere

Onze moderne cultuur moet uitgaan van Goethe. Doet ze dat niet, dan raakt ze op een dwaalspoor. Aldus Rudolf Steiner in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica (zie mijn blogbericht van 29 mei).
Alle denkers over kunst hebben Goethe links laten liggen omdat ze hem wetenschappelijk niet voor vol aanzagen.
Slechts één uitzondering: Friedrich Schiller.
Hij baseerde zijn ‘Brieven over de esthetische opvoeding van de mens’ op het genie van Goethe en Steiner rekent ze dan ook tot het belangrijkste wat de esthetica ooit heeft voortgebracht.

20140612-130032.jpg

Schiller vertrekt in zijn brieven van Kant, die in zijn Kritik der Urteilskraft alle belangrijke vraagstukken van de esthetica op de agenda heeft geplaatst.
Kant vraagt zich af waarom we genot beleven aan kunst.
Kunstgenot, zegt hij, is verschillend van ieder ander genot omdat het belangeloos is.
Als we kijken naar iets uit de natuur of iets dat door de mens is gemaakt, dan vraagt ons verstand altijd naar het nut ervan.
Het is niet tevreden vóór het weet waartoe iets dient.
Als we echter naar kunst kijken, dan vragen we niet naar het waartoe, want dat ligt in de kunstwerken zelf.
Het verstand hoeft daar niet aan te pas te komen.

In deze Kantiaanse redenering introduceert Schiller nu de idee van de vrijheid.
Eerst onderscheidt hij twee driften die in de mens voortdurend tegenover elkaar staan: de zintuiglijke waarnemingsdrift (de zogenaamde Stofftrieb) en de verstandelijke ordeningsdrift (de zogenaamde Formtrieb).
Deze Trieben worden vaak vertaald als ‘drijfveren’, maar Schiller koos bewust voor het woordje ‘drift’ omdat hij duidelijk wilde maken dat er noch in de waarneming noch in het verstand vrijheid heerst.
We moeten waarnemen en we moeten die waarnemingen ordenen.
Het zijn allebei driften die ons kluisteren.
Alleen in de kunst kunnen we er ons van bevrijden.
Alleen in de kunst heerst vrijheid.

Schiller vergelijkt de kunst met het spel van een kind.
Het spelende kind laat zich niets gelegen aan de wetten van de natuur noch aan die van het verstand.
Het drukt, in de woorden van Steiner, ‘het stempel van zijn subjectiviteit op de werkelijkheid, en aan die subjectiviteit geeft het dan weer objectieve waarde’.
In het spel vloeien beide driften – de Stofftrieb en de Formtrieb – in elkaar over en worden daardoor vrij: het natuurlijke wordt geestelijk en het geestelijke wordt natuurlijk.
Schiller ziet in de kunst dan ook een hogere vorm van spelen, en dat brengt hem tot zijn beroemde uitspraak: ‘De mens is pas helemaal mens wanneer hij speelt, en hij speelt pas wanneer hij helemaal mens is.’

20140612-130138.jpg

Tussen de Stofftrieb en de Formtrieb plaatst hij dan ook de Spieltrieb, de speldrift.
Deze doet in de kunstenaar werken ontstaan wier zintuiglijkheid ons verstand bevredigt en waarvan de verstandelijke inhoud direct in de zintuiglijkheid aanwezig is.
In kunstwerken wordt de natuur dus verheven tot de geest en de geest daalt af in de natuur.
De natuur wordt daardoor veredeld en de geest wordt zichtbaar.
Aangezien natuur en geest elkaar in de werkelijkheid nergens dekken, is kunst geen werkelijkheid maar schijn.
Ze moét dat echter zijn, anders kan ze geen waarachtige kunst zijn.
Met dit begrip ‘schijn’ staat Friedrich Schiller volgens Steiner helemaal alleen als estheticus, onovertroffen en ongeëvenaard.
En daarop, voegt hij eraan toe, had men moeten voortbouwen.
In plaats daarvan heeft men voortgebouwd op Friedrich Schelling die ‘een dwaling introduceert die de Duitse esthetica nooit meer te boven is gekomen.’

20140612-130232.jpg
(Schelling)

Waaruit bestaat nu deze dwaling, deze ‘fundamentele mening die volkomen fout is’ en die het denken over kunst de verkeerde richting heeft uitgestuurd?

Net als de hele moderne filosofie, aldus Steiner, beschouwt Schelling het vatten van de eeuwige oerbeelden der dingen als het hoogste streven van de mens.
Alles wat waarheid en schoonheid is, bevindt zich in hogere sferen waar het goddelijke troont.
Echte schoonheid kan volgens Schelling alleen worden waargenomen door degene die zich verheft tot de hoogste waarheid, want die twee zijn één en hetzelfde.
Zintuiglijke schoonheid is slechts een zwakke weerschijn van de oneindige schoonheid die we niet met de zintuigen kunnen waarnemen.
We zien, zegt Steiner, waar dat op neerkomt: het kunstwerk is niet schoon omwille van zichzelf, maar omwille van de idee van de schoonheid die het afbeeldt.
De consequentie van deze opvatting kan alleen maar zijn dat kunst dezelfde inhoud heeft als de wetenschap, te weten de eeuwige waarheid van de ideeën.
Voor Schelling is kunst slechts geobjectiveerde wetenschap.

Waar het nu op aankomt, vervolgt Steiner, is de vraag: wat verschaft ons genot in de kunst?
Volgens Schelling is dat niets anders dan de idee.
Het zintuiglijke beeld is slechts een uitdrukkingsmiddel, een vorm waarin zich een bovenzinnelijke inhoud uitdrukt.
Hierin volgen alle esthetici Schelling.
Ook Hegel.
Voor hem is het schone ‘het zintuiglijke schijnen van de idee’.
‘De harde schors van de natuur en van de gewone wereld maken het voor de geest moeilijker om door te dringen tot de idee dan de werken van de kunst.’
Het doel van de kunst is voor Hegel dus hetzelfde als dat van de wetenschap, namelijk: doordringen tot de idee.
Ook Friedrich Theodor Vischer noemt de schoonheid ‘de verschijning van de idee’ en maakt de inhoud van de kunst identiek aan de waarheid.
Welke zelfstandige taak de kunst dan nog zou hebben, is niet duidelijk.
Wat zij ons biedt, vinden we in de wetenschap immers in een zuiverder, helderder vorm.
Uitgaande van het standpunt van deze esthetica kan men alleen nog maar door middel van drogredeneringen uitkomen onder de in feite compromitterende gevolgtrekking dat de hoogste vorm van beeldende kunst de allegorie zou zijn, en de hoogste vorm van dichtkunst de didactische poëzie.
Deze esthetica kan het zelfstandige belang van de kunst niet begrijpen.
Zij is dan ook onvruchtbaar gebleken.

20140612-130329.jpg
(Hegel)

20140612-130358.jpg

Steiner maakt hier brandhout van de hele kunstwetenschap.
Alleen Friedrich Schiller vindt genade in zijn ogen.
Steiner hield zijn voordracht echter in 1888, dat wil zeggen meer dan 125 jaar geleden.
De vraag rijst dus of zijn woorden nog altijd geldig zijn.
Op het eerste gezicht lijkt dat weinig waarschijnlijk, want welke filosoof spreekt vandaag nog over de ideeënwereld als ‘een bovenzinnelijke werkelijkheid waar de goddelijke waarheid troont’?
In het postmoderne denken bestaat de waarheid eenvoudig niet meer.
Al het bovenzinnelijke is afgeschaft, alleen het zintuiglijke is overgebleven.
Men zou dus verwachten dat niemand nog de idealistische opvattingen van Schelling over kunst deelt.

Maar niets is minder waar.

Iederéén deelt vandaag de opvattingen van Schelling.
Meer dan ooit wordt kunst beschouwd als ‘de zintuiglijke verschijning van de idee’.
Het verschil is alleen dat de ideeën niet langer gesitueerd worden in bovenzinnelijke en zelfs goddelijke hoogten, maar gewoon in de hersenen van de mens.
Werden ze vroeger een geestelijke aard toegedicht, dan worden ze nu beschouwd als producten van de materie, de grijze materie in ons hoofd.
De ideeën zijn dus als het ware uit de hemel neergedaald en op aarde gekomen.
Ze zijn bij wijze van spreken ‘geïncarneerd’.
Wie vandaag naar kunst kijkt, dient zich dan ook niet langer te verheffen tot de geest.
Het volstaat dat hij kijkt in het hoofd van de kunstenaar en zoekt naar de gedachten die hij heeft willen uitdrukken in zijn kunst.

20140612-130517.jpg

De Hedendaagse Kunst is dan ook één grote toepassing van de (verkeerde) ideeën van Schelling.
Eén blik volstaat om te weten dat het in deze kunst niet langer gaat om zintuiglijke schoonheid.
Ze is vaak lelijk, soms zelfs weerzinwekkend.
De kunstliefhebber vindt geen enkel genot in het kijken naar Hedendaagse kunst, wel integendeel.
Zijn Stofftrieb wordt de weg versperd en zijn aandacht wordt omgeleid naar de Formtrieb.
Hij wordt verplicht om na te denken, om door te dringen tot de ideeën die ten grondslag liggen aan het kunstwerk, anders beleeft hij er niks meer aan.
Zijn esthetisch genot is vervangen door intellectueel genot.

Deze ‘omleiding’ van Stofftrieb naar Formtrieb, of van waarneming naar denken, bestaat nu al zolang dat we niet beter weten of het is de rechte weg, de weg van de kunst.
Bij het kijken naar kunst, stellen we vandaag als vanzelfsprekend de vraag: wat heeft de kunstenaar bedoeld, welke ideeën heeft hij in zijn werk tot uitdrukking willen brengen?
We zoeken het wezen van de kunst dus niet in de zintuiglijke verschijning (die we kunnen zien), maar in een daarachter liggende ideeënwereld (die we alleen denkend kunnen betreden).
Als blijkt dat er geen ideeën zijn en dat de kunstenaar alleen maar iets moois heeft willen maken, dan is onze minachting zijn deel.
We beschouwen hem dan niet als een echte kunstenaar.
Echte kunstenaars gaan immers uit van ideeën.
Geen ideeën, geen kunst.
Zo wordt het ons al 100 jaar voorgehouden door de Hedendaagse Kunst.
Zo peperen filosofen en kunsttheoretici het ons al 200 jaar in.

20140612-130916.jpg

Als gevolg van deze eeuwenoude misvatting heeft kunst vandaag geen bestaansrecht meer zonder ideeën.
Kunstenaars zijn echter van nature niet sterk op het vlak van ideeën.
In het Frans zegt men zelfs: bête comme un peintre.
Ook de moderne kijker, met zijn materialistische bewustzijn, is niet meer in staat om andere dan nuttigheidsideeën te ontdekken in de zintuiglijke werkelijkheid.
Dus doen beiden een beroep op specialisten, op denkers en theoretici, die zich thuis voelen in de wereld der ideeën.
Deze intellectuelen treden op als bemiddelaar tussen kunstenaar en kijker.
Zij inspireren de kunstenaar met hun ideeën, en helpen de kijker om deze ideeën in het kunstwerk terug te vinden.
Zonder hen zouden kunstenaar en kijker hulpeloos zijn.
Zonder hen zou er doodeenvoudig geen Hedendaagse Kunst zijn.

De oude kunstenaar, die bewonderd werd om zijn kunnen, is dus vervangen door de intellectueel die bewonderd wordt om zijn weten.
Maar ook de oude kunstliefhebber, die zich vol genot overgaf aan de zintuiglijke schoonheid van de kunst, heeft de plaats moeten ruimen voor de intellectueel die alleen geïnteresseerd is in ideeën.
Daardoor is het onderscheid tussen beiden vervaagd: zowel kunstenaar als kijker zijn intellectuelen geworden, die genot scheppen in het denken en niet in de waarneming.
Kunst is dus ‘geobjectiveerde wetenschap’ geworden.
Haar taak is niet langer om de kijker esthetisch genot te verschaffen.
Haar taak is om hem aan het denken te zetten, om hem wakker te schudden, om van hem een kritische burger te maken.
Kunst wordt dan ook steevast voorgesteld als een maatschappijkritiek, en de kunstenaar als een luis in de pels van de gevestigde orde.

20140612-131024.jpg

Kunst is met andere woorden een soort light-versie geworden van de wetenschap, bedoeld voor gevoelige magen die de wetenschappelijke waarheden niet goed kunnen verteren.
We zouden de Hedendaagse Kunst een wetenschap-voor-dummies kunnen noemen: wat de wetenschap rechtstreeks doet, door middel van heldere ideeën, dat doet de kunst onrechtstreeks, door middel van beelden.
We hebben de kunst om de waarheid te overleven, zegt Nietzsche.
En inderdaad, vandaag dient de kunst om de schokkende waarheden van de wetenschap verbloemen, om ze te verbergen achter een doorzichtige sluier die alles wat verleidelijker maakt.
De taak van de moderne kunstenaar is niet om ideeën te produceren, maar om ze te illustreren, om ze te vertalen in beelden.
Dat maakt hem tot het knechtje van de wetenschapper, diens public relations manager.

Dat alles kunnen we aflezen aan de Hedendaagse Kunst.
We hoeven de boeken van de moderne kunstfilosofen en -theoretici niet te lezen om te begrijpen dat deze kunst de ideeën van Schelling tot hun uiterste consequenties doordrijft.
We hoeven het zelfs niet te begrijpen: we voelen onmiddellijk dat deze kunst en de ideeën die ze belichaamt ziek is, en dat ze allesbehalve een ‘gezond fundament’ is voor de antroposofie.
Je zou dan ook verwachten dat antroposofen deze vleesgeworden ‘misvatting’ met hart en ziel bestrijden.
Maar niets is minder waar.
Ondanks de vernietigende kritiek van Rudolf Steiner op de ‘misvatting’ van Schelling, neemt het enthousiasme voor de Hedendaagse Kunst hand over hand toe in de antroposofische wereld.
Antroposofen van naam en faam zingen de lof van de Nieuwe Kunst.
Dat de ideeën waarop de ze kunst gebaseerd is volkomen haaks staan op die van Steiner, lijken ze niet te beseffen.

20140612-131128.jpg
(Kunst am Goetheanum)

Het is dan ook niet overdreven te zeggen dat we in de Hedendaagse Kunst te maken hebben met het materialisme in zijn meest gevaarlijke vorm.
Want het materialisme is geenszins gekant tegen de geest en zijn uitingen.
Het ziet de geest alleen als een product van de materie, de grijze materie in het hoofd van de mens. En het juicht alle toepassingen en realisaties van die ‘geest’ toe.
Nergens klinkt dat gejuich luider dan in de Hedendaagse Kunst.
De (materialistisch gedachte) geest wordt hier niet bewonderd omwille van het nut dat hij de mens oplevert.
Hij wordt bewonderd omwille van zichzelf.
De musea voor Hedendaagse Kunst, die overal ter wereld als paddestoelen uit de grond schieten – iedere stad moet er een hebben – zijn evenzovele tempels waar de Geest van het Materialisme met religieuze geestdrift wordt vereerd.
Hier verschijnt hij dan ook in zijn gevaarlijkste vorm, namelijk als kunst.
Hier duldt hij geen enkele tegenspraak, geen enkele kritiek.
Hier dwingt hij iedereen op de knieën.
Ook antroposofen.

20140612-131313.jpg

De bekendste vertegenwoordiger van dit ‘artistieke materialisme’ is natuurlijk Joseph Beuys, een naam die in de antroposofische wereld (en ook daarbuiten) klinkt als een klok.
Veel antroposofen zien deze beroemde kunstenaar als een lichtend voorbeeld, iemand waardoor ze zich laten inspireren.
De reden ligt voor de hand: Joseph Beuys was een antroposoof, hij verkondigde antroposofische ideeën en goot ze in een hedendaagse vorm.
Zijn kunstwerken prijken vandaag in musea overal ter wereld en er worden enorme bedragen voor betaald.
Dat is natuurlijk de natte droom van iedere antroposoof: de antroposofie in de wereld plaatsen, ze in een moderne, eigentijdse vorm gieten en er op die manier een echte cultuurfactor van maken.
Het valt dan ook te begrijpen dat velen Joseph Beuys zien als de antroposoof-van-de-toekomst, iemand die de enge grenzen van de antroposofische wereld overschrijdt en de antroposofie zichtbaar maakt voor de hele wereld.

Rudolf Steiner heeft er steeds weer op gewezen dat de antroposofie een kunst moet worden: geneeskunde moet geneeskunst worden, landbouwkunde landbouwkunst, onderwijskunde onderwijskunst, enzovoort.
De hele geesteswetenschap moet tot een kunst verheven worden en iedere antroposoof moet een kunstenaar worden, niet in de beperkte klassieke zin maar in de ‘verruimde’ zin van … Joseph Beuys.
Jeder Mensch ein Künstler, was zijn devies.
Het was ook het devies van Rudolf Steiner.
Nooit wellicht heeft een antroposoof de antroposofie op zo voorbeeldige en kreatieve wijze belichaamd als Joseph Beuys.
Maar juist daardoor belichaamde hij het gevaarlijkste materialisme: het materialisme dat een wolf in een schaapsvel is en zich voordoet als … antroposofie.

20140612-131415.jpg

Hoe is dat mogelijk?
Hoe kan de grootste antroposoof tegelijk de grootste materialist zijn?
Hoe kan – om het eens antroposofisch uit te drukken – iemand zowel geïnspireerd worden door Christus als door Ahriman?
Of nog: hoe kunnen de allergrootste tegenpolen broederlijk samengaan?
Het antwoord luidt: door de kunst.
Het is de kunst die geest en materie met elkaar verbindt en tot een eenheid smeedt.
Het is ook de kunst die antroposofie en materialisme kan samensmelten.
Een tegelijk christelijke én ahrimanische figuur als Joseph Beuys kon alleen een kunstenaar zijn.
Alleen de kunst is in staat die enorme kloof te overbruggen.

Maar.

Als een overtuigd antroposoof tegelijk een materialist in hart en nieren kan zijn, als hij tegelijk een volgeling én een tegenstander van Steiner kan zijn, hoe onderscheiden we dan het lam van de wolf, de antroposoof van de materialist, Christus van de Antichrist?
Het antwoord luidt: door onderscheid te maken tussen echte kunst en valse kunst.
Want echte kunst kan nooit goed en kwaad tot een eenheid smeden.
Kunst en moraliteit zijn broer en zus, aldus Steiner.
Kunst kan nooit ofte nimmer immoreel zijn.
Dat kan alleen de valse kunst die zich voordoet als echte kunst maar er in werkelijkheid het tegendeel van is.
Die anti-kunst kan inderdaad goed en kwaad met elkaar verzoenen, of beter: ze zodanig met elkaar verbinden dat we het onderscheid niet meer zien.
En alle antroposofie ter wereld kan ons niet helpen bij dat onderscheid.
Alleen ons oog voor kunst kan dat.
Maar juist dat oog is gesloten door de eeuwenlange inwerking van de (tegelijk materialistische en idealistische) ideeën over kunst van Schelling.

20140612-131535.jpg
(Dodenmasker Schiller)

Er is maar één manier om dat oog weer te openen, en dat is door juiste ideeën over kunst zoals we die vinden bij Schiller en Steiner.
Het is dus hoog tijd dat antroposofen de esthetica van Steiner gaan bestuderen en onderscheid leren maken tussen de (valse) kunst die uitgaat van Schelling en de (ware) kunst die uitgaat van Goethe.
Want als hun ogen niet opengaan, als zij zich laten misleiden door figuren als Joseph Beuys, dan dreigt het gevaar dat ze ongemerkt veranderen in een ahrimanische avant-garde.
Ze gaan dan deel uitmaken van de keurtroepen van Ahriman in de stellige overtuiging dat ze Michaël volgen.
Wie een beetje zijn antroposofische geschiedenis kent, weet dat dit gevaar allesbehalve denkbeeldig is …

20140612-131729.jpg

Advertenties