Steiner over kunst (4)

door lievendebrouwere

Geen enkele antroposoof zal me (hoop ik) tegenspreken als ik zeg dat het uiteindelijke doel van de antroposofie is om van het leven een kunst te maken.
Dat is de meest verhelderende maar tegelijk ook de meest nietszeggende samenvatting van de antroposofie.
Want wát is kunst?
Voor de één is dat een geschilderde zigeunerin waarvan de tranen recht in haar décolleté biggelen.
Voor de ander is dat de pispot waarin de zigeunerin net een plas heeft gedaan.
Tussen die twee uitersten liggen de meest uiteenlopende en elkaar tegensprekende meningen over kunst.
Geen mens die daar nog klaar in ziet.

20140620-090012.jpg

Gelukkig is er Rudolf Steiner.
Hij vertelt ons klaar en duidelijk wat wel en wat geen kunst is.
Geen kunst is: een idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning.
Wel kunst is: een zintuiglijke verschijning in de vorm van een idee.
Ziezo, nu is er weer orde in de chaos.
Of toch niet?

In Steiners voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica lees ik:
‘Kunst is niet de belichaming van iets bovenzintuiglijks.’
‘Kunst is geen idee die in een zintuiglijke vorm wordt gegoten.’
Hoeveel antroposofen zijn er echter niet voor wie antroposofie is: het omzetten van antroposofische ideeën in werkelijkheid?

In dezelfde voordracht lees ik ook:
‘De inhoud van het kunstwerk is de concrete werkelijkheid.’
‘In de kunst moet de zintuiglijke werkelijkheid op zichzelf blijven staan.’
‘In kunstwerken komen we wat betreft de inhoud niets tegen wat we ook niet in de natuur kunnen ontmoeten.’
Hoeveel antroposofen zijn er echter niet die de lof zingen van Kandinsky, Mondriaan, Rothko en andere abstracten die de zintuiglijke werkelijkheid radicaal uit hun werk weren?
Hoeveel antroposofische kunstenaars zijn er niet die zuiver abstract werken, ook al verklaarde Steiner ooit dat abstracte kunst onzin is?

20140620-090107.jpg

Het minste dat we kunnen zeggen, is dat het verschil tussen ‘een idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’ en ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van een idee’ verre van duidelijk is.
Het gevolg van die onduidelijkheid is dat nogal antroposofen van de antroposofie iets maken wat volgens Steiner helemaal geen kunst is.
Meer zelfs, ze doen hun uiterste best om de antroposofie in haar tegendeel te keren.
Natuurlijk doen ze dat niet opzettelijk.
Ze doen het omdat ze geen onderscheid kunnen maken tussen wat wel en geen kunst.

Het is dus essentieel dat we het verschil leren zien tussen een ‘ideële verschijning’ en een ‘zintuiglijk idee’
Hoe beginnen we daaraan?
Eenvoudig: op dezelfde manier als Steiner.
Als hij zegt dat zijn ideeën over kunst een gezonde grondslag vormen voor de antroposofie, dan mogen we daaruit afleiden dat hij die ideeën niet uit de antroposofie heeft afgeleid (die bestond trouwens nog niet toen hij zijn esthetica vormde) maar dat hij ze ontwikkeld heeft aan de kunst zelf.
En dat is precies wat ook wij moeten doen.
We moeten niet proberen er in theorie achter te komen wat het verschil is tussen een ‘ideële verschijning’ en een ‘zintuiglijk idee’, want dan komen we er niet uit.
Het is in de praktijk dat we moeten leren onderscheid te maken tussen wat wel kunst is en wat geen kunst is.

20140620-090227.jpg

Jamaar, zal men zeggen, Steiner was helderziend en wij zijn dat niet.
Dat is natuurlijk een waarheid als een koe, behalve … op het gebied van de kunst.
‘De helderziende blik, zegt Steiner, wordt ontwikkeld aan de hand van dezelfde toestanden die je kunt onderscheiden bij het scheppen en beleven van kunst. Het schouwende bewustzijn voelt zich dan ook zeer verwant met een waarachtige, echt kunstzinnige opvatting van de wereld, veel meer dan met allerlei visionaire ervaringen.
Kunstenaar en helderziende putten in werkelijkheid uit één en dezelfde bron.’
Steiner wijst er ook op dat de zieleprocessen bij kunstenaar en kunstgenieter weliswaar omgekeerd zijn, maar in de grond toch dezelfde.
Wat hij zegt over de relatie tussen helderziendheid en kunstzinnigheid geldt dus zowel voor de kunstenaar als de kijker.

We hoeven dus niet helderziend te worden om in de kunst te leren onderscheiden.
We zijn het in feite al.
Bij het kijken naar kunst vindt er namelijk een proces plaats dat zeer verwant is met helderziende schouwen.
Op dit proces wijst Steiner wanneer hij spreekt over Goethes streven om in de zintuiglijke werkelijkheid de oerbeelden te ontdekken.
Deze oerbeelden zijn de bron waaruit de kunstenaar put, ze vormen het begin van zijn scheppen.
Voor de kijker zijn ze het omgekeerde: het waarnemen van kunst mondt erin uit.

20140620-090351.jpg

Oerbeelden of levende ideeën kunnen niet worden waargenomen met de gewone zintuigen.
We moeten er een hoger zintuig voor ontwikkelen, een waarnemingsvermogen dat tegelijk zintuiglijk én bovenzintuiglijk is.
Goethe noemt dit waarnemingsvermogen een Anschauende Urteilskraft, een ‘aanschouwende oordeelskracht’.
Het is dus een oordelen dat tegelijk een zien is.
Dit oordeelsvermogen moeten we ontwikkelen als we onderscheid willen maken tussen wat kunst is en wat geen kunst is.
En tussen wat antroposofie is en wat geen antroposofie is.

Hoe doen we dat?
Hoe verwerven we een oordeelsvermogen dat tot een zintuig wordt waarmee we het verschil tussen kunst en geen kunst kunnen waarnemen?
Eerst moet er een misverstand uit de weg worden geruimd.
We moeten dit zintuig niet uit het niets scheppen.
Het bestaat reeds.
We moeten het alleen (weer) leren gebruiken.

20140620-090512.jpg

Uit de antroposofie weten we dat de mens ooit helderziend was en dat hij de geestelijke wereld even duidelijk zag als wij de materiële wereld zien.
Toen het licht van de rede begon te schijnen, ging zijn geestelijk oog echter dicht en ontwikkelde hij de zintuiglijke waarneming en het denken.
De geestelijke wereld verdween niet, evenmin als de sterren verdwijnen als de zon opkomt.
Hij werd alleen onzichtbaar.
Ook het zintuig waarmee de geestelijke wereld werd waargenomen, verdween niet.
Het werd alleen niet meer gebruikt.
Vandaag staat de mens voor de opgave om zijn ‘geestelijk oog’ weer te openen, dit keer echter zonder dat hij zijn fysieke ogen weer sluit, dat wil zeggen, zonder dat hij de zintuiglijke waarneming en het daarmee verbonden rationele denken opgeeft.
We moeten bij wijze van spreken de sterren overdag leren zien.
Of de zon ’s nachts.
We moeten met andere woorden zintuiglijk en bovenzintuiglijk tegelijk leren waarnemen.
En dat is precies wat we (reeds) doen als we naar kunst kijken.
We weten het alleen niet.

20140620-090707.jpg

‘Wanneer er sprake is van helderziendheid, zegt Steiner, denken de mensen algauw dat het gaat om iets dat helemaal buiten het leven staat. Maar dat is niet zo. Het serieuze schouwen is in het leven steeds aanwezig. We zouden zelfs niet in het leven kunnen staan als we niet voor bepaalde dingen helderziend waren. Het is heel belangrijk om dat in te zien.’
Als voorbeeld van zo’n alledaagse vorm van helderziendheid noemt Steiner het waarnemen van een ander mens.
‘We denken dat we de ziel van een mens leren kennen op grond van de waarneming van zijn lichaam. Maar dat is niet zo. We nemen die ziel rechtstreeks, helderziend waar. Dat is een wonderbaarlijk proces, waarbij de zintuiglijke waarneming uitgewist wordt en we ons rechtstreeks verplaatsen in de ziel van de ander.’

Dat kan vreemd klinken, maar iedereen die ooit verliefd is geweest, kent het eigenaardige fenomeen dat we ons het gelaat van de geliefde niet voor de geest kunnen halen.
We kunnen ons geen voorstelling maken van hoe zij of hij eruitziet.
De reden daarvoor ligt in het feit dat de (helderziende) waarneming van de ziel op dat moment zo sterk is dat ze de (zintuiglijke) waarneming van het lichaam gewoon uitschakelt.

20140620-091328.jpg

Een soortgelijke helderziende waarneming treedt op wanneer we naar kunst kijken.
Steiner noemt de kunst een ‘bijzondere vorm van bovenzinnelijke kennis’.
Het ligt voor de hand dat we deze bovenzinnelijke kennis niet met onze gewone zintuigen kunnen waarnemen.
We kijken dan ook niet alleen met onze ogen naar kunst.
Naast een Anschauen is het altijd ook een Urteilen, een oordelen.
We kijken oordelend naar kunst, ook zijn we ons daarvan niet bewust.
Wanneer iemand zegt dat we ‘een oog’ moeten krijgen voor kunst, dan bedoelt hij daarmee niet dat we een betere bril moeten kopen, maar dat we kunst moeten leren beoordelen.
We moeten onderscheid leren maken tussen goede kunst en slechte kunst.
Of tussen kunst en geen kunst, want slechte kunst is een contradictio in terminis.
Alle waarnemen van kunst is tegelijk een oordelen.

Daarmee ben ik weer terug bij het onderscheid tussen ‘een idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’ en ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van een idee’.
Het eerste levert slechte kunst op, dat wil zeggen geen kunst.
Het tweede is gewoon de Steineriaanse definitie van kunst.
Het leren zien van het verschil tussen die twee is een kwestie van oordelen, oordelen over de bovenzintuiglijke kwaliteiten van een kunstwerk.
Zonder dat we het beseffen, doen we dat altijd wanneer we naar kunst kijken.
We zijn dan onbewust bezig met het maken van onderscheid tussen kunst en geen kunst.
We moeten dus geen nieuw zintuig ontwikkelen, we moeten ons alleen bewust worden van het zintuig dat we reeds hebben, maar dat we als een Assepoester in de kelder van onze ziel hebben laten verkommeren.

20140620-091452.jpg

Advertenties