Doen alsof we spelen

door lievendebrouwere

Het was erg, gisteren in Brugge.
Dat de koetsiers hun koetsen versierd hadden met Belgische vlaggen en dat sommigen een zwart-geel-rode pruik op het hoofd hadden gezet, tot daaraan toe. Ik zou ook de kolder in m’n kop krijgen als ik van ’s morgens tot ’s avonds toeristen moest rondrijden en 20 keer per dag dezelfde ‘informatie’ verstrekken.
Maar dat ze ook de paarden zo’n infantiele pruik op de kop hadden gezet, dat vond ik erover.
Je moet zo’n beest niet verlagen tot het niveau van een voetbalsupporter!

20140623-133601.jpg

Voetbalsupporter?

Ik ging vroeger ook wel eens naar het voetbal.
Ze speelden toen nog op zondagnamiddag.
Ik wachtte dan achter de Mechelse kazerne tot de eerste helft afgelopen was: kon ik gratis naar binnen.
Wat me het meest trof, was, midden in de stad: de geur van gras.
Vervolgens: het geschreeuw, gevloek, gerochel en gespuw van de spelers.
Wat een grof volkje!
En dan: de supporters.
Ik keek m’n ogen uit.
Waar kwam dat soort mensen vandaan?
Ik had ze nog nooit gezien.
In mijn dagelijkse leven, dat zich afspeelde op straat, op school, in de academie en op het basket, kwamen ze niet voor.
Arbeiders, volksmensen, de ‘lagere klassen’.
Ik vond het wel leuk daartussen te staan en te luisteren naar hun scheldwoorden en krachttermen.
Dat volkse gedrag is nu jammer genoeg verboden en voetbalsupporters dienen zich correct te gedragen.

20140623-133836.jpg

Veel later heb ik nog eens iemand vergezeld naar een wedstrijd van Club Brugge.
We werden er opgewacht door rijkswachters in gevechtstenue, met mitrailletten op hun buik en honden aan de lijn.
Gras was er niet meer te ruiken.
Ik zat gevangen in beton en electronisch lawaai.
Sindsdien heb ik mijn bekomst van voetbal.
Mensen worden er als beesten behandeld.
En ze zien er blijkbaar geen graten in.

Voetbalsupporters?

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat die zwart-geel-rode gekte die paarden pruiken opzet nog maar weinig met voetbal te maken heeft.
Al die mensen die gisteren in de late namiddag met beschilderde gezichten, Belgische vlaggen en rode t-shirts door de straten trokken, waren dat werkelijk voetbalsupporters?
Trokken ze allemaal naar de Grote Markt (of waar het ook mocht wezen) omdat ze zoveel van voetbal hielden?

Vind je het niet een beetje beangstigend, vroeg Henk, om te zien hoe mensen gemanipuleerd kunnen worden? Hoe je ze met een uitgekiend marketingplan zo gek kunt krijgen dat ze opeens allemaal met Belgische vlaggen staan te zwaaien?
Het was te mooi weer om me daar druk over te maken, maar ik moest toegeven: er spreekt uit dat gedrag inderdaad een kuddegeest die schril afsteekt bij de zogenaamde vrijheid en zelfstandigheid van de moderne mens.
Maar is niet juist die tegenstelling verantwoordelijk voor wat we momenteel te zien krijgen?
Het moderne individualisme heeft de moderne mens opgesloten in zichzelf, in zijn hoofd, in zijn, in zijn huis, in zijn auto, in zijn gezin, enzovoort. En als gevolg van dat opgesloten-zijn heeft hij een explosief verlangen ontwikkeld naar gemeenschappelijkheid, naar samenhorigheidsgevoel, naar verbondenheid.

20140623-133944.jpg

Mensen geven zich over aan Rode-Duivelsgekte omdat ze even verlost willen worden uit hun ego-gevangenis.
Ze willen gewoon even alles vergeten.
Want in het voetbal doet het er allemaal niet toe.
Het is slechts een spel.
We doen maar alsof het belangrijk is.
En dat doen-alsof is een enorme opluchting.

In de weekendkrant las ik een lang voetbalinterview met Jan Mulder en … Ruth Joos.
Ruth Joos is een radiopresentatrice die onlangs uit de ether werd gehaald omdat haar programma te high brow, te moeilijk, te intellectueel was.
Dat veroorzaakte groot protest in de culturele wereld, maar het moch niet baten.
Ruth ging eruit.
Vandaag maakt ze haar rentree als presentatrice van een … voetbalprogramma.
En ze ziet daar blijkbaar geen graten in.
Ze praat op dezelfde enthousiaste manier over voetbal als over literatuur, kunst en cultuur.
Alsof het allemaal even belangrijk is.
Alsof er geen wezenlijk verschil is tussen sport en kunst.

20140623-134132.jpg

En in feite IS dat er ook niet.
Voetbal is, net als kunst, een spel.
Het is een doen-alsof.
Het is louter schijn.

Het heeft iets onnozels als mannen (vrouwen vormen tot nader order een grote uitzondering) op buitengewoon ernstige toon een voetbalwedstrijd becommentariëren.
Maar is het onnozeler dan de manier waarop kunstwerken besproken worden?
Dezelfde gezwollen frasen, hetzelfde vakjargon, dezelfde bloedige ernst, dezelfde toon van jullie-begrijpen-daar-toch-niks-van.
Voetbalcommentatoren gedragen zich steeds meer als kunstcritici.
Ook hun aandeel in ‘het spelletje’ wordt steeds groter.
Ze kunnen voetbalcarrières maken en breken.
Als het zo doorgaat, zullen ze belangrijker worden dan de voetballers zelf.
Dat merk je nu reeds aan dat WK.
Wat de Belgische ploeg op het veld toont, is niet zo belangrijk.
Wat er naast het veld gebeurt, is het des te meer.
Zolang de journalisten en commentatoren de ploeg blijven steunen, is er niks aan de hand.
Maar o wee, als de critici zich tegen de spelers gaan keren!
Dan staan die spelers voor de keuze: buigen of barsten.
Net als in de kunst.

Daar telt de mening van de spelers al lang niet meer mee.
Het zijn de kunstcritici (onder leiding van de kunstpausen onder leiding van het Grote Geld) die bepalen wie mag (blijven) meespelen.
Wie naar hen luistert, wordt royaal beloond.
Wie niet luistert, mag in 4de provinciale gaan spelen.

20140623-134356.jpg
(Gabriel von Max: de kunstcritici)

Voetbal, zou je kunnen zeggen, is de kunst van de lagere klassen.
En kunst is het voetbal van de hogere klassen.
Tot voor kort bestond er een duidelijke grens tussen beide.
Niemand zou eraan gedacht hebben die twee met elkaar te vergelijken.
Maar de laatste pakweg 50 jaar zijn kunst en voetbal naar elkaar toegegroeid.
Voetbalcommentatoren zijn zich gaan gedragen als kunstcritici, en kunstcritici als voetbalcommentatoren.
Wat ze gemeen hebben, is enerzijds dat het eigenlijk over niets meer gaat, en anderzijds dat dit ‘niets’ de hemel wordt ingeprezen.
Het gaat in beide gevallen om louter schijn.
Op zich zou daar niets verkeerds mee zijn – spelen IS louter schijn – ware het niet dat men dat vergeten is of het tenminste dreigt te vergeten.

Sport is een spiegel van de samenleving, lees je vaak.
En dat is zeker waar.
Het probleem is echter dat deze zin een holle frase is geworden.
Men denkt er niet bij na.
‘Voetbal is net als het leven, één en al passie’, schreef Jan Callebaut verleden week nog.
Bestaat er een woord dat holler klinkt dan ‘passie’?
Waarschijnlijk is de mens nooit cooler en passie-lozer geweest dan vandaag.
Daarom doet hij alsof hij vol passie is.
Daarom doet hij alsof hij vol passie speelt.
Maar spelen IS reeds doen-alsof.
Als je doet alsof je doet alsof, dan speel je niet meer.
Dan méén je het.
Dan is het bloedige ernst geworden.

En dát is het verontrustende aan die hele Rode Duivelsmanie.
Vandaag is het nog een spel.
Al die gekke ‘voetbalsupporters’ beseffen wel dat ze maar doen alsof.
En in die zin is de hele zaak onschuldig.
Maar wát als de grens tussen schijn en werkelijkheid blijft vervagen?
Wat als de mens vergeet dat hij speelt?
Wat als het allemaal werkelijkheid wordt?
Zoals in de kunst.

20140623-134851.jpg
(De Botox Angels)

Advertenties