Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: juli, 2014

In Memoriam Sergej Prokofieff

20140730-210701.jpg

Verleden zaterdag is Sergej Prokofieff gestorven, ‘über die Schwelle in die geistige Welt getreten’ zoals ze in Antroposofië zeggen.
Prokofieff – hij is verre familie van de componist – was bij leven een van de bekendste antroposofen, schrijver van vele dikke boeken.
Ik mocht hem graag lezen omwille van zijn zeer heldere stijl.
De man kon ongelooflijk ‘bouwen’ met ideeën.
Het waren geweldige gedachtenconstructies die hij met de ideeën van Steiner oprichtte.
Alleen, je kon er niet in wonen, want ze stonden als het ware omgekeerd: de fundamenten bevonden zich niet op aarde maar in de hemel.
Je mond viel open als je erin rondwandelde, door de ramen zag je indrukwekkende vergezichten. Maar van zodra je weer op aarde kwam, losten die bouwwerken op ‘in thin air’.
Prokofieffs boeken hadden een sterk droomkarakter: je zat er helemaal in als je ze las en het leek allemaal heel reëel, maar je had ze nog niet dichtgeklapt of je was alles weer vergeten.
Althans, zo verging het mij, met al zijn boeken.
Ik herinner er mij nagenoeg niks van.

Wat ik me daarentegen nog heel goed herinner, was die ene keer dat ik hem in levende lijve heb gezien.
Dat gebeurde in Antwerpen, in het Zuiderpershuis, op het Zuid.
Het was een merkwaardige voordracht, niet door de inhoud (waar ik me alweer niks van herinner) maar door de omstandigheden.
Het was namelijk Sinksenfoor op ’t Zuid.
De weerschijn van de flikkerende blauwe, rose en paarse lampen vulde de zaal, net als de dreunende muziek, de rinkelende bellen en de gillende kermisbezoekers.
Een ongelukkiger moment en plek hadden ze niet kunnen kiezen en de avond had dan ook iets hilarisch.
Vond ik.
Want niemand leek zich te storen aan of zich zelfs maar bewust te zijn van die heksenketel, Prokofieff nog het allerminst.
Hij deed alsof er niks aan de hand was, maakte niet eens een terloopse opmerking over het uitbundige klank- en lichtspel vlakbij.

20140730-221142.jpg

Als een Pruisische officier stond hij daar, rijzig en kaarsrecht, gekleed in een onmodieus blauw kostuum-met-kravat, één en al discipline.
(Alsof de kermis nog niet genoeg contrast was, hingen er aan de muren allerlei exotische kleren – waarschijnlijk een tentoonstelling van ‘kleding-kunst’.)
Prokofieffs zinnen klonken als bevelen: kortaf, luid en duidelijk gearticuleerd.
Na iedere zin wachtte hij onbewogen tot hij vertaald was door de vertaler van dienst, en vuurde dan een nieuw salvo af.
Dat strakke ritme, zonder enige versnelling, zonder enige stemverheffing, zonder enige variatie, hield hij aan tot de hele voordracht was afgewerkt.
Ik zal niet zeggen dat hij klonk als een voorgeprogrammeerde automaat – hij meende duidelijk ieder woord dat hij zei – maar het was toch … vreemd.

Nog vreemder is het als je bedenkt dat deze stijve hark, deze gedisciplineerde en afstandelijke man een opleiding heeft gehad als … kunstenaar.
Hij heeft namelijk schilderkunst gestudeerd in Moskou, maar ontdekte toen de antroposofie.
Ik weet verder niks van Prokofieff, maar uit zijn boeken blijkt alvast weinig of geen interesse voor kunst, en dus lijkt het alsof hij de kunst gewoon ingeruild heeft voor de antroposofie.
Voor mij is dat tamelijk onbegrijpelijk, want in mijn ogen zijn kunst en antroposofie twee handen op één buik, niet een tegenstelling die je tot een keuze dwingt.
Daarom verbaast het me dat Prokofieff de kunst heeft laten staan voor de antroposofie.

20140730-221252.jpg

Ik snap natuurlijk wel dat ze in eerste instantie een tegenstelling vormen en dat de brug tussen beide niet voor de hand ligt. Tenslotte veronderstelt de antroposofie in de eerste plaats dat er nagedacht wordt, terwijl kunst juist veronderstelt dat er NIET nagedacht wordt (iets wat door Steiner volmondig beaamd wordt).
Maar zoals de hele antroposofie eigenlijk gebaseerd is op wat Steiner in de Filosofie der Vrijheid de ‘uitzonderingssituatie’ noemt, namelijk het denken-over-het-denken (als een reële ervaring en niet als een abstracte filosofie), zo is ook het denken-over-kunst een uitzonderingssituatie, iets heel onnatuurlijks voor een kunstenaar.
Daarom zei Goethe: Bilde Künstler, rede nicht!
Maar Steiner zei ook: als het moet, dan moet het.
En ik denk dat het moet.
Al blijft deze ‘uitzonderingssituatie’ een waagstuk.
In de Hedendaagse Kunst zien we wat er kan gebeuren als kunstenaars beginnen na te denken: hun kunst gaat eraan ten gronde, ze verwordt tot een groteske karikatuur.
Misschien heeft Prokofieff dat willen vermijden door een radicale keuze te maken.
Wie zal het zeggen.

Prokofieff komt mij alleszins over als een wat mysterieuze en ongrijpbare figuur.
Hij maakte deel uit van ‘de Vorstand’, het bestuur van de Algemene Antroposofische Vereniging, maar op foto’s staat hij er altijd bij als iemand die er niet bij wil staan, iemand die zich node onderwerpt aan dergelijke aardse geplogenheden, iemand die liefst ergens anders zou zijn.
Een oude ziel dus, onmiskenbaar.

De man was al enkele jaren ziek, maar niemand wist of zei waaraan.
Er werd nogal geheimzinnig gedaan over zijn ziekte, je vraagt je af waarom.
En dan was er de affaire Judith von Halle die zijn laatste levensjaren vergalde en de vereniging zelfs verdeelde in Prokofieff-aanhangers en Halle-aanhangers.
Het moet pijnlijk zijn om in zo’n polarisatie terecht te komen.
Maar misschien zegt het iets over Prokofieff, over een zekere principiële starheid die zo typisch is voor oude zielen, net als de wereldvreemdheid die deze Rus als een aura omgaf en die ook zo duidelijk uit zijn boeken spreekt.

Ja, de dood van deze man roept heel wat vragen op en ik hoop dat men ze niet uit de weg zal gaan met als alibi ‘over de doden niets dan goeds’.
Volgens Rudolf Steiner is de dood van een mens minstens even belangrijk als zijn geboorte.
Zoals er een geboortehoroscoop gemaakt kan worden, zo kan er ook een stervenshoroscoop gemaakt worden.
Tenslotte is sterven een omgekeerde geboorte, een geboren worden in de geestelijke wereld.
En net als op aarde zegt dat geboortemoment heel veel over het leven dat zal volgen.

Men doet een gestorven mens geen recht door alleen de goede aspecten van zijn leven en persoon te belichten.
Daarmee hakt men hem als het ware in twee, en dat doet men tegenwoordig al meer dan genoeg.
Ik mag dus hopen dat men gaat nadenken over de hele Prokofieff, de echte Prokofieff.
Dat is toch wat men behoort te doen als iemand sterft: zijn leven en zijn persoon beschouwen?
Want dat leven en die persoon zijn het kunstwerk dat een mens gemaakt heeft, en zoals ieder kunstwerk verdient het een aandachtige beschouwing, een kunstzinnige beschouwing, want op een andere manier kan men een kunstwerk niet benaderen.
Dat is de ware betekenis van het bekende gezegde de mortuis nihil nisi bene.
Over de doden niets dan op de goede manier.
Want bene is geen zelfstandig naamwoord, het betekent niet: goeds.
Het is een bijwoord, het betekent: op de goede manier.
En die goede manier is de kunstzinnige.
Men dient een leven als een kunstwerk te zien.
En men ziet een kunstwerk niet echt als men het niet kritisch oordelend benadert en probeert de kwaliteit ervan te bepalen.
Men ziet het natuurlijk evenmin als men het niet met liefde en overgave benadert.
Die twee polen zijn het die met elkaar verbonden en verzoend moeten worden als men naar kunst kijkt en die kunst echt wil zien.

Dat geldt ook voor een mens en een mensenleven.
Ieder mens wil ‘gezien’ worden, bij zijn leven maar ook – en zelfs vooral – bij zijn dood.
Want dan is zijn ‘kunstwerk’ af.
Dan is het klaar om bekeken te worden.
En dat is wat de gestorven mens doet: hij begint zijn leven te bekijken.
Van een scheppende geest wordt hij een beschouwende geest.
En dat is een grote stap.
Dat weet iedere kunstenaar: van zodra een kunstwerk af is, begin je het met andere ogen te bekijken. Dat is echt heel wonderlijk.
Je ziet dan opeens dingen die je voordien niet zag.
En dat is niet zelden om je de haren uit het hoofd te rukken, want je kunt er niks meer aan veranderen.
Af is af.
Gedane zaken nemen geen keer.
Er wordt echt een grens overschreden.
Het enige wat je als kunstenaar kunt doen, is: leren van je fouten en het de volgende keer beter proberen te doen.
En dat is dan ook wat een gestorven mens doet, daar ‘aan de andere kant’.

Wat de kunstenaar in het klein meemaakt wanneer een werk af is, maakt de mens in het groot mee wanneer hij sterft.
Van ‘kunstenaar’ wordt hij ‘kijker’, kijker naar zijn eigen leven.
En doorgaans duurt dat kijken veel langer dan het scheppen, want niet alleen valt er heel veel te zien (zelfs de onbenulligste zaken blijken hele diepe gronden te hebben), maar het vraagt ook heel veel tijd om je eigen fouten en onvolkomenheden echt onder ogen te kunnen zien.
Daarna ontstaat echter weer de onweerstaanbare drang om het opnieuw te proberen en het dit keer beter te doen.

Ik denk dat men een gestorven mens helpt door met liefde naar zijn leven te kijken.
Dat is namelijk wat hij zelf (voor lange tijd) zal doen.
Maar ik denk ook dat men hem méér helpt naarmate die liefde niet blind is (en de gestorvene heilig verklaart) maar ook de fouten en onvolkomenheden omvat.
Het is gemakkelijk om van een meesterwerk te houden, maar om een ‘klein’ kunstwerk te leren waarderen en er ondanks de fouten toch de mogelijkheden van te zien, dát is een stuk moeilijker, daarvoor moet de liefde ‘ziend’ worden.
Dat is wat men leert in een lang leven, dat is ook wat men leert na de dood.
Een wezenlijk verschil is er niet.
Wie tijdens zijn leven aandachtig naar kunst heeft gekeken, met liefde maar ook met kritische zin, die zal na z’n dood meteen aan de slag kunnen, denk ik.
Toch blijft het een groot verschil: naar het kunstwerk van een ander te kijken of naar je eigen kunstwerk kijken.
De ene mens zal het moeilijker hebben om kritisch naar zichzelf te kijken, de ander om liefdevol naar zichzelf te kijken.
Maar beide zijn moeilijk.
Daarom helpen we gestorvenen als we kunstzinnig naar hun leven kijken: liefdevol én kritisch.
Nihil nisi bene.

Het bovenstaande is maar een losse schets, ingegeven door het moment.
Ik hoop niettemin dat ‘de Prok’ er iets aan heeft.
Als ex-leerling-kunstenaar zal hij mijn kunstzinnige intenties wel kunnen waarnemen.
Tenslotte zijn we allemaal kunstenaars onder elkaar …

20140730-220716.jpg

De miserie van de kunst (1)

Een lezer stuurt me een bladzijde uit een boek van Einstein, en vraagt: is dit misschien een verklaring voor de miserie in de beeldende kunst?
Eerst denk ik dat het om een tekst van Albert Einstein gaat en ik ben verrast te vernemen dat de man ook over kunst geschreven heeft, maar hij blijkt geschreven te zijn door Alfred Einstein, een Duitse musicoloog uit het begin van de vorige eeuw.

20140730-135039.jpg
(Alfred Einstein)

Hij schrijft:

De veel versmaadde 19de eeuw was in werkelijkheid de heroïsche eeuw in geestelijke zin, want voor ieder scheppend mens begon toen de strijd om zich een kolossaal erfgoed eigen te maken, om een overweldigend verleden waardig voort te zetten. In de dichtkunst droeg dat erfgoed namen als Shakespeare en Milton, Racine en Voltaire, Lessing en Goethe. De ‘Romantiek’ in Engeland, Frankrijk en Duitsland kan, onder meer, gezien worden als een ontvluchten van de grote verplichting, als een weigering om het grote erfgoed te aanvaarden. In de muziek was Beethoven de steen des aanstoots, dat wil zeggen, hij was nog geboren in het tijdperk van de onschuld van de muziek, maar hij kon in veel van zijn werken – de programmatische sonaten en symfonieën – reeds als ‘romanticus’ begrepen en misverstaan worden. Men was zich bewust van zijn geweldige grootte. Toen hij er eenmaal was, kon men niet meer naïef en onbezorgd scheppen. Zijn geweldige schaduw stond steeds op de achtergrond. Daarbij kwam dat de nieuwe musicus geen gewone muzikant meer was. Haydn bezat nog geen hogere vorming en had ze ook niet nodig. En wat Mozart en Beethoven aan ontwikkeling bezaten, hadden ze intuïtief verworven. Maar Weber was in Duitsland de eerste ontwikkelde musicus. Dat maakt hem tot een noodlotsfiguur. Na hem is er in de 19de eeuw geen musicus meer die niet literair actief is geweest, als dichter of essayist, als criticus of minstens als briefschrijver. De scheppingsdaad, die zweeft tussen het bewuste en het onbewuste, werd steeds veeleisender en zwaarder. Men kon de musici indelen volgens de mate waarin ze erin slaagden het bewuste te overwinnen of het bewuste en het onbewuste in evenwicht te brengen.

20140730-135452.jpg
(Beethoven)

Wat Alfred Einstein hier beschrijft, is het begin van wat in de 20ste eeuw een ware dijkbreuk zal worden: het binnendringen van het denkende bewustzijn in de kunst.
Sindsdien is kunst een strijd geworden, een strijd om het evenwicht te herstellen tussen de onbewust scheppende wil en het bewust oordelende denken
Zoals het er vandaag uitziet, heeft de kunst die strijd verloren.
In haar streven om tegenwicht te bieden aan het oprukkende intellect heeft ze de wereld van de lagere driften opgezocht. Maar daardoor is haar eigen ‘wereld van het midden’ uiteengevallen in twee stukken: een barbaars ahrimanisch deel en een verwilderd luciferisch deel.
De kunst ligt machteloos op de grond, verlamd door het intellectuele denken en de reactie erop.

Einstein noemt Haydn als voorbeeld van een kunstenaar die nog behoort tot het ‘tijdperk van de onschuld’.
Ik herinner me nog dat ik vroeger helemaal niet van Haydn hield.
Ik vond hem vervelend, oppervlakkig, een herhaling van steeds maar hetzelfde. Beethoven, dát was pas muziek!
Maar nog niet zolang geleden vond ik in de Mediamarkt een doos met alle symfonieën van Haydn: 33 cd’s voor 50 euro.
Dat kon ik echt niet laten liggen.
Het bleek een revelatie.
Voor mij is Haydn nu dé klassieke componist bij uitstek, de belichaming van het (verloren gegane) evenwicht.
Het was wellicht die ‘evenwichtigheid’ die mij in mijn jeugd (en nog lang daarna) tegenstond, maar die ik, nu ik ouder ben geworden en zelf een zeker evenwicht heb gevonden, zeer apprecieer.
Bovendien is de uitvoering (op Decca) door de Filharmonia Hungarica onder leiding van Antal Dorati werkelijk outstanding.
Door er (bijna dagelijks) naar te luisteren, ben ik gaan begrijpen wat Steiner bedoelt met ‘midden-Europa’.
Deze muziek – de noten én de uitvoering – is de evenwichtigheid zelve.
En het is beslist geen doods evenwicht, integendeel.
Deze symfonieën zijn één en al leven.
Hier wordt werkelijk muziek gespeeld.
Haydn is erin geslaagd weer kind te worden (iets wat alle grote kunstenaars doen) en Antal Dorati heeft die opgewekte, onschuldige, speelse kinderlijkheid meesterlijk vertolkt.

20140730-135612.jpg

Waarschijnlijk is dát de reden waarom ik vroeger niet van die muziek hield: kinderen willen helemaal geen kind zijn. Ze willen juist het tegenovergestelde: ze willen grote mensen worden. Pas als ze (lang genoeg) grote mens zijn, duikt het verlangen of het ideaal op om weer kind te worden.
Daarom hield ik als jongmens zoveel van Beethoven: Beethoven was iemand in wie de wil om een ‘groot mens’ te worden onweerstaanbaar doorbrak.
Weinig muziek is zo gedreven en wilskrachtig als die van Beethoven. Tegelijk ontstaat in hem ook een innigheid die veel persoonlijker is dan die van Bach en veel minder kinderlijk dan die van Haydn.

De wil om volwassen en zelfstandig te worden, kan niet los worden gezien van het ontwaken van het rationele denken.
Bij Haydn ontbreken ze nog allebei, of beter: ze vormen nog een vanzelfsprekende eenheid die zich aan ons voordoet als een kinderlijk spelen.
Dat spelen heeft eeuwigheidskarakter: het heeft geen begin en geen eind.
Haydn heeft meer dan 100 symfonieën geschreven, en als hij langer was blijven leven, had hij er ongetwijfeld nog meer geschreven. Die symfonieën staan van meet af aan op een hoog niveau en veel verschil is er niet tussen de eerste en de laatste.
Beethoven daarentegen schreef maar negen symfonieën en het verschil tussen de eerste en de laatste is enorm.
Met hem treedt er een duidelijke verandering op, en het feit dat hij uiteindelijk doof werd, kan gezien worden als een omen: de kunstenaar verliest het contact met werkelijkheid, en dat is in de eerste plaats de werkelijkheid van ‘het midden’, van het evenwicht.
De dove Beethoven kon dat contact nog in zichzelf vinden omdat hij, zoals Alfred Einstein zegt, nog geboren was in ‘het tijdperk van de onschuld’. Maar wie na hem kwam kreeg het steeds moeilijker om dat contact te handhaven en het evenwicht te bewaren.

20140730-135731.jpg
(Robert Schumann)

Einstein geeft het voorbeeld van Robert Schumann, die als jongeman nog ongecompliceerd muziek maakt. Maar dan wordt hij gegrepen door het voorbeeld van Beethoven en verliest hij de oorspronkelijkheid hem aanvankelijk kenmerkt. Het loopt ten slotte slecht met hem af: hij sterft in een krankzinnigengesticht.
Volgens Einstein was Schumann ‘erfelijk belast’: zijn vader was een boekhandelaar en zijn moeder was een zeer ontwikkelde vrouw. Schumann had net zo goed schrijver kunnen worden en is relatief laat met muziek begonnen, waardoor hij het vak niet echt goed onder de knie had.
Over dat laatste kan ik niet oordelen, maar ik neem aan dat Einstein gelijk heeft. Wat men als kind spelenderwijs leert, kan men later nooit meer inhalen.
Haydn, Mozart en Beethoven hadden geen ‘hogere vorming’ genoten. Dat wil zeggen, ze waren niet (lang) naar school geweest. Zoals de meeste kinderen uit hun tijd hadden ze gewoon een vak geleerd, en in hun geval was dat muziek.
Ze waren intellectueel niet ontwikkeld, wat niet wil zeggen dat ze niet intelligent waren.
Wel integendeel, zou ik bijna zeggen.
Mijn eigen tekenleraar is maar tot z’n 14de naar school geweest, een school die bovendien niet te vergelijken was met de huidige intellectuele trainingskampen waar kinderen al heel jong worden in opgesloten. Daarna ging hij naar de academie, en dat was in die tijd louter een vakschool: je leerde er tekenen, schilderen of beeldhouwen, en dat was het.
Toch was mijn leraar, een stielman zonder enige ‘hogere vorming’, een bijzonder intelligent en ontwikkeld man. Veel meer dan de ‘idiots savants’ die vandaag bij duizenden worden afgeleverd door hogescholen en universiteiten.

Het is dus niet alleen de kunst die zwaar te lijden heeft onder de ‘hogere vorming’ van de moderne mens, ook het denken wordt er zwaar door aangetast.
Dat kunnen we onder meer aflezen aan de politieke correctheid die de hele intelligentsia in zijn greep heeft en die een vorm van zwakzinnigheid is.
Denken is namelijk geen mechanisch proces dat men kan oefenen.
Denken is in wezen een kunst.
En kunst kan men niet leren, men kan er alleen de voorwaarden voor scheppen.
De huidige doorgedreven intellectuele training die kinderen op school moeten volgen, vernietigt juist het evenwicht dat voorwaarde is voor iedere kunst, ook die van het denken.

20140730-140141.jpg

Volgens Rudolf Steiner was het een groot geluk voor Goethe dat hij in zijn jeugd nooit had leren schrijven.
Hij dankte zijn schrijverschap dus aan het feit dat hij als kind niet kon (en blijkbaar ook niet moest kunnen) schrijven.
Het gaat hier natuurlijk om twee vormen van schrijven: het schrijverschap is kunstzinnig, het kunnen-schrijven is mechanisch-ahrimanisch.
Steiner noemt Ahriman een ‘schrijver’ en volgens hem vloeit er veel kwaad voort uit het vroegtijdig leren schrijven.
Wie leert schrijven dwingt iets levends in een dode vorm. Als je dat te vroeg doet, ontneem je de mens als kind een ontwikkeling die hij nooit meer kan inhalen. Je maakt van hem in zekere zin een gehandicapte.
Doordat Ahriman de mens voorziet van ontelbare ‘prothesen’ – de hele wereld van mechanische en technologische instrumenten – valt dat gehandicapt-zijn niet op.
Maar in de kunst wordt het pijnlijk duidelijk: de moderne mens kán niks meer, zijn hele kunnen is gemechaniseerd.
Dat wordt echter niet waargenomen, omdat ook het denken gemechaniseerd is.
Zoals de hedendaagse kunstenaar zelf niks meer maakt (hij levert alleen de ideeën, die hij vervolgens laat uitwerken door werklieden en specialisten), zo denkt de moderne mens ook niet meer zelf, hij laat dat aan anderen over.
Maar dat beseft hij niet, integendeel. Hij is ervan overtuigd dat hij dat veel beter kan denken dan mensen zonder ‘hogere vorming’. En juist die overtuiging maakt van hem een idioot, een geleerde idioot. Nergens komt die idiotie zo pijnlijk tot uitdrukking als in de bewondering van onze ‘intelligentsia’ voor de pispotten en kakmachines van de Hedendaagse Kunst.

De kunst maakt inderdaad zichtbaar hoe het geestelijk met de mens gesteld is: hij is rijp voor het krankzinnigengesticht, hij kan niks meer, hij is hulpeloos overgeleverd aan anderen. Dat is waarschijnlijk de reden waarom niemand echt durft te kijken naar de kunst van onze tijd: ze is veel te confronterend, ze toont ons hoe erg het met ons gesteld is.
Maar daardoor sluit ze ons op in een vicieuze cirkel: hoe duidelijker ze ons geestelijk ziek- en gehandicapt-zijn weerspiegelt, des te minder willen we het zien.
Nochtans ligt in dat zien onze enige uitweg uit de spiraal die ons langzaam maar zeker naar beneden sleurt.
We kunnen niet genezen zolang we niet beseffen dat we ziek zijn, zolang we niet weten aan welke ziekte we lijden.

(Wordt vervolgd)

20140730-140306.jpg

Oekraïne (2)

Gisteren verscheen op de website van De Standaard het bericht dat Herman Van Rompuy Europa opriep om maatregelen te nemen tegen Rusland.
Een uur later was het alweer verdwenen.
Vreemd, die krantenberichten die opduiken en verdwijnen.

Hoe dan ook, in Amerika en Europa wordt stoere taal gesproken: men wil Rusland een lesje leren.
Waarom?
Omdat het ontoelaatbaar is burgervliegtuigen uit de lucht te schieten.
Uiteraard is dat ontoelaatbaar.
En uiteraard moet daartegen opgetreden worden.
Maar dan moet liefst wel duidelijk zijn wie gestraft moet worden en wie mag straffen.
En precies dat is niet het geval.

20140728-203136.jpg

Men is het erover eens dat het Maleisische lijnvliegtuig uit de lucht is gehaald door pro-Russische Oekraïense ‘rebellen’.
Maar wie is ‘men’?
Dat is in de eerste plaats Amerika.
Het had meteen ‘ontdekt’ dat het vliegtuig was neergeschoten met BUK-raketten die stonden opgesteld in rebellen-gebied.
Maar iets dergelijks had het ook ontdekt na de gifgasaanval in Syrië: die was het werk van president Assad.
Waarom Assad iets zou doen dat de hele wereld tegen hem in het harnas joeg, was een raadsel, maar de bewijzen waren er nu eenmaal.
Net als destijds met de vernietigingswapens van Saddam …

Met andere woorden, de Amerikaanse bewijzen bewijzen helemaal niets.
Het zijn slechts woorden.
Woorden in een krant, woorden op televisie.
En we weten intussen wat dat soort woorden waard zijn…

Na mijn vorige berichtje over de aanslag in Oekraïne stuurde een lezer me een artikel dat vergezeld ging van een you tube filmpje en verschillende foto’s.
Het betrof een persconferentie waarop Rusland zijn versie van de feiten gaf.
En die klonk heel anders dan de Amerikaanse.
Vreemd genoeg heb ik over die persconferentie niks vernomen in de kranten.
Je zou nochtans mogen aannemen dat dit nieuws is.
Je zou ook mogen aannemen dat beide betrokken partijen gehoord worden.
Maar dat vonden de media blijkbaar niet nodig.

20140728-203242.jpg

Ik herinner me nog dat de kranten destijds vol stonden over de vernietigingswapens van Saddam Hoessein en over het machtige leger dat hij had opgebouwd.
Uitvoerig werd de sterkte van dat leger in beeld gebracht met tot de verbeelding sprekende tekeningen van luchtmachtbasissen die onder het zand verborgen waren.
Ja, het zou een harde strijd worden, zoveel was duidelijk.
Ik voelde de opwinding: hoe zou dat aflopen?
Zou men erin slagen de Grote Schurk die de wereldvrede bedreigde te verslaan?
Pas toen de ‘harde strijd’ een systematische vernietiging van Irak bleek te zijn, en noch de vernietigingswapens noch het vervaarlijke leger van Saddam bleken te bestaan, begreep ik dat ik bij de neus was genomen. En met mij zowat de hele wereld.
Alles wat de kranten geschreven en getekend hadden, was oorlogspropaganda geweest, of erger eigenlijk: vernietigingspropaganda. Want van een echte oorlog was nauwelijks sprake.

Na de gifgasaanval in Syrië stond Amerika’s president én Nobelsprijswinnaar voor de Vrede alweer te popelen om het land te bombarderen.
Om redenen die me niet duidelijk waren, ging het vernietigingsfeest niet door.
De media hadden nochtans goed werk geleverd: iedereen was verontwaardigd over die duivelse president Assad, hoewel er geen enkel bewijs was voor zijn betrokkenheid.
Ook vandaag doen ze weer flink hun best.
Putin wordt afgeschilderd als de Grote Slechterik en uiteraard moet je niet luisteren naar wat slechteriken te zeggen hebben, want ze vertellen alleen maar leugens.
In het voetbal heet dat: de man spelen in plaats van de bal.
Het is een zeer populaire journalistieke techniek.

20140728-203600.jpg

Godzijdank ben ik geen journalist en dus luister ik naar luitenant-generaal Andrei Kartapolov die namens het Russische ministerie van landsverdediging spreekt.
Hij doet dat met een uitdrukkingsloos, zelfs ietwat verveeld gezicht, alsof het hem allemaal niet aangaat.
Hj ziet er bepaald niet uit als one of the good guys, maar hij stelt een aantal pertinente vragen.
Zo toont hij beelden waarop te zien is dat het Oekraïense leger, precies op de dag dat het vliegtuig wordt neergehaald, BUK-raketsystemen verplaatst naar een gebied vlakbij de (pro-Russische) rebellen.
Waartoe dienen die raketten?
Iedereen weet dat de rebellen geen vliegtuigen hebben.
Kartapolov toont ook beelden waarop te zien is dat een gevechtsvliegtuig van het Oekraïense leger het burgervliegtuig nadert tot op een paar kilometers.
Wat deed dat vliegtuig daar?
Waarom drong het een burger-corridor binnen?
Kartapolov vertelt ook dat op hetzelfde moment een Amerikaanse satelliet passeerde.
Amerika heeft dus beelden van wat er gebeurd is, beelden die onomstotelijk kunnen aantonen wie verantwoordelijk is voor het neerhalen van dat vliegtuig.
Waarom heeft Amerika die beelden niet getoond?
Waarom heeft Amerika nog geen enkel beeld getoond waaruit zou blijken dat het de rebellen zijn die verantwoordelijk zijn voor de crash?
Waarop baseert het zich trouwens om dat laatste te beweren?
Andere beelden tonen dat het burgervliegtuig in kwestie 14 km van zijn gebruikelijke route is afgeweken zodat het precies in de buurt kwam waar de raketten waren opgesteld.
Waarom heeft het zijn koers veranderd?
Waarom hebben de Oekraïense luchtverkeersleiders dat toegestaan?
En tot slot weet Andrei Kartapolov nog te melden dat Rusland nooit BUK-raketten geleverd heeft aan de opstandelingen in Oekraïne.

20140728-203648.jpg

Een persconferentie die tot nadenken stemt, lijkt me.

Natuurlijk valt niet te controleren dat Rusland nooit BUK-raketten aan de rebellen heeft geleverd.
Idem voor het verhaal over het vechtsvliegtuig.
Beelden zijn gemakkelijk te truceren.
Misschien is zelfs de hele persconferentie getruceerd.
Maar een lijnvliegtuig dat van zijn koers afwijkt, dat is al iets anders.
Dat moet kunnen geverifieerd kunnen worden, dunkt me.
En dat geldt alleszins voor de positie van de Amerikaanse satelliet.
Als die zich inderdaad vlak boven de plek des onheils bevond, dan moet Amerika beelden bezitten, en dan is het moreel verplicht om die te tonen.

Een beetje journalist kan en moet de Russische beweringen over die satelliet controleren.
En als het klopt wat Kartapolov beweert, dan moet hij vragen waar die satellietbeelden blijven.
Maar journalisten zijn geen journalisten meer.
Ze vinden het niet meer nodig om dingen te controleren.
Ze vinden het ook niet nodig om vragen te stellen.
Ze baseren zich op beweringen, geruchten en veronderstellingen.
In plaats van feiten en bewijzen komen emoties, verontwaardiging, opwinding en sensatie.
Journalisten proberen geen objectief verslag meer te brengen, ze proberen spannende verhalen te vertellen.
Journalisten zijn met andere woorden vertellers geworden, kunstenaars, literatoren.

20140728-203904.jpg

Het moet gezegd: moderne journalisten schrijven heel goed.
Ook wetenschappers schrijven tegenwoordig heel goed.
Vijftig jaar geleden waren wetenschap en journalistiek nog dor en droog.
Ze waren niet geïnteresseerd in de vorm, alleen de inhoud telde.
Vandaag zijn ze sappig en smeuiig.
De waarheid is niet langer hun hoofdbekommernis.
Het vertellen van een Goed Verhaal, daar gaat het om.

Vertelt Andrei Kartapolov de waarheid?
Niemand die de moeite neemt om dat te controleren.
Vertelt Barack Obama de waarheid?
Who cares!
Waar het om gaat is dat Obama een spannend verhaal heeft – de strijd tegen het kwaad – en dat verhaal heel goed vertelt.
Hij is een acteur van formaat, terwijl Kartapolov een bordkartonnen figuur is uit het amateurstoneel.
De toespraken van Obama, dát is pas showbusiness!

20140728-204350.jpg

Hij spreekt de waarheid die het best liegt.
En hij die de waarheid niet goed verkondigt, is een leugenaar.
Daar komt het vandaag zo’n beetje op neer.
Dat is de nieuwe regel, zowel in de journalistiek, de wetenschap, de politiek en zelfs de kunst.
Wetenschap (die waarheid tot inhoud heeft) en kunst (die schoonheid als vorm heeft) zijn ongemerkt in elkaar overgegaan.
En wij imiteren onbewust hun vereniging.
We maken geen onderscheid meer tussen vorm en inhoud, tussen waarheid en schoonheid, tussen kunst en wetenschap.
We zien ze onbewust als een eenheid.

We zien de wereld als een kunstwerk, maar we weten het niet.
We bekijken de werkelijkheid zoals we een kunstwerk bekijken, maar we maken geen onderscheid tussen vorm en inhoud.
We nemen beide onbewust in ons op en reageren er instinctief op.
En juist dat gebrek aan bewustzijn maakt van onze kunstzinnige benadering een vernietigende kracht die vrij baan geeft aan oorlog en terreur.

20140728-204738.jpg

Op het eind van de 19de eeuw brak in Frankrijk een revolutie uit in de kunst.
Kort daarop verhuisde het centrum van de kunstwereld naar Amerika.
Sindsdien beheerst Amerika de kunst, zowel op positieve als negatieve wijze.
We realiseren ons veel te weinig welke macht Amerika daardoor uitoefent, hoe ze niet alleen door haar gigantische leger maar ook door de wereldwijde verspreiding van haar kunst de wereldmacht bezit.
Door middel van die kunst – en daaronder mogen we ook de journalistiek rekenen – verlamt ze ons bewustzijn en dwingt het in een bepaalde richting.
We stellen ons geen vragen meer, noch over de kunst noch over wat we in de kranten lezen.
We slikken het allemaal als zoete koek, hoe pervers en gewelddadig het ook is.

Hoe sterk die ‘bewustzijnsluiheid’ is, heb ik zelf ondervonden toen ik er als vanzelfsprekend vanuit ging dat de Russen dat lijnvliegtuig hadden neergehaald.
Ik slikte dat Amerikaanse verhaal omdat het met zoveel overtuiging was gebracht, omdat de Amerikaanse kunstzinnigheid me zo vertrouwd is geworden. (Kennen we nog een andere?)
Nu ik per ongeluk de (onaantrekkelijke) versie van Rusland heb gehoord en gezien, weet ik het niet meer.
Louter rationeel kán ik het ook niet meer weten.
Ik kan de feiten niet zelf controleren.
Daarvoor ben ik aangewezen op de pers.
En die liegt aan honderd per uur.
Dus ben ik als het ware veroordeeld om in twijfel en onzekerheid te leven.
En dat doet m’n bewustzijn weinig goeds.

20140728-204831.jpg

Maar zijn al die sympathieke journalisten dan botte leugenaars?
Zijn al die lachende, vertrouwenwekkende gezichten die we elke dag in de krant en op tv zien, dan gepatenteerde bedriegers?
Nee, het zijn gewoon … kunstenaars.
En kunstenaars zijn niet bijzonder geïnteresseerd in de waarheid.
Ze zijn geïnteresseerd in schoonheid, en daarom creëren ze een imaginaire schijnwereld.
Dat is wat moderne journalisten doen: ze creëren hun eigen werkelijkheid.
Maar ze weten het niet, ze zijn ervan overtuigd de werkelijkheid te zien zoals ze is, want ze beschouwen zich niet als kunstenaars, ze beschouwen zichzelf als journalisten, als verslaggevers.

Als we als lezers of kijkers dezelfde fout maken, en denken dat we met objectieve verslaggeving te maken hebben, dan komen we in een schijnwerkelijkheid terecht, in een Spannend Verhaal.
En dat verhaal geloven we als was het werkelijkheid.
Pas wanneer we beseffen dat we naar kunst kijken (en ons daaraan aanpassen), krijgen we een kijk op de echte werkelijkheid.
Het is pas wanneer we de media (en bij uitbreiding de hele moderne werkelijkheid) kunstzinnig benaderen dat we de waarheid leren kennen.
Dat houdt enerzijds in dat we ons overgeven aan de hedendaagse berichtgeving – we hebben trouwens geen andere keuze als we willen weten wat er in de wereld omgaat – maar anderzijds dat we een kritisch oordeel vellen over haar kwaliteit.
Want dat is wat we doen wanneer we een kunstwerk bewust benaderen: we geven er ons aan over en we beoordelen het kritisch.
Als één van beide factoren ontbreekt, komen we in de schijn terecht, en dat is NIET de ‘ware schijn’ waar Rudolf Steiner over spreekt in verband met de kunst.
Het is een door de tegenmachten gecreëerde valse schijn.

20140728-205212.jpg

De tegenmachten weten heel goed dat de kunst de grens met de werkelijkheid heeft overschreden en dat Jeder Mensch ein Künstler is geworden.
Ze doen er dan ook alles aan om dat voor de mens verborgen te houden.
En ze doen dat allang.
De hele Hedendaagse Kunst, die geboren werd toen de kunst uitweek naar Amerika, en die – dat is bekend – door Amerika gebruikt werd als wapen in de Koude Oorlog tegen Rusland, is één grote aanslag op de kunstzinnige bewustwording van de mens.
De tegenmachten konden niet tegenhouden dat de moderne mens kunstenaar werd, maar ze konden wel beletten dat hij zich daar bewust van werd.
Dat hebben ze op even brutale als geniale manier gedaan, en daar plukken ze nu de vruchten van.

Ze hebben niet alleen de journalist maar ook de krantenlezer in hun greep.
Geen van beiden beseft dat ze kunst maken of waarnemen.
Allebei denken ze met de werkelijkheid te doen te hebben, terwijl ze alleen meegaan in het Grote Verhaal dat de tegenmachten vertellen.
Een hoofdstukje in dat verhaal is de snode aanslag van Rusland op het lijnvliegtuig en de verontwaardigde reactie van de buitenwereld.
Wie echter een beetje afstand neemt – en dat is wat we doen als we een kunstwerk kritisch beoordelen – herkent al gauw de ‘stijl’ van de schrijver.
Hoeveel van die aanslagen zijn er intussen al geweest, aanslagen waarbij meteen de schuldige werd aangewezen die vervolgens zwaar gestraft werd?
Telkens bleek die aanslag op een leugen te berusten, en telkens was het Amerika die de schuldige aanwees en er zijn leger op afstuurde.

20140728-205649.jpg

Ik denk dat de kans groot is dat het ook dit keer weer Amerika is die achter de aanslag op het lijnvliegtuig zit.
Zekerheid heb ik niet, maar ik ben ervan overtuigd dat die te vinden is als we de zaak consequent kunstzinnig benaderen.
Dat is trouwens de enige mogelijk om vandaag nog achter de waarheid te komen.
Zonder bewustzijn van de kunstzinnigheid van de werkelijkheid – zowel buiten ons als in onszelf – zijn we gedoemd om in toenemende mate in een schijnwereld te leven.
In het creëeren van die (valse) schijnwereld speelt niet alleen de hedendaagse pers een cruciale rol, maar ook onze onbewuste behoefte aan grote, spannende verhalen.

(Bron: http://www.lewrockwell.com/2014/07/no_author/awkward-questions-for-us-ukraine)

Oekraïne (1)

Zoals iedereen intussen wel weet, is boven Oekraïne een burgervliegtuig neergeschoten.
Met een raket.

Vier dingen.

Ten eerste: je vliegt met burgervliegtuigen niet over oorlogsgebied.
Dat is vragen om moeilijkheden en totaal onverantwoord.

Ten tweede: zo’n burgervliegtuig vliegt op 10 km hoogte en dat haal je niet naar beneden door eens goed te mikken met je kanon.
Daar heb je een zeer geavanceerd raketsysteem voor nodig.
Nu heeft het raketsysteem dat in dit geval werd gebruikt een beveiliging waardoor het eigenlijk geen burgervliegtuigen uit de lucht kán schieten.
Dus ofwel werkte die beveiliging niet ofwel werd ze uitgeschakeld.
Dat laatste gaat echter niet zomaar, daar heb je zeer gespecialiseerde specialisten voor nodig.
En die heeft het leger van Oekraïne niet.
Rusland heeft die uiteraard wel.
Om kort te gaan: waarschijnlijk heeft Rusland dat vliegtuig opzettelijk neergeschoten.
Je kunt je afvragen waarom.

Ten derde.
De hele zaak doet me denken aan die gifgasaanval in Syrië.
Die werd aanvankelijk toegeschreven aan president Assad, maar algauw werd duidelijk dat de rebellen erachter zaten.
En die rebellen waren geen nobele vrijheidsstrijders, maar gewetenloze huurlingen van (waarschijnlijk) Amerika, net zoals de rebellen in Oekraïne nu huurlingen zijn van Rusland.
Of hoe de geschiedenis zich (zeer snel) herhaalt.

Ten vierde.
Ik ben waarschijnlijk paranoïde, maar het doet me op zijn beurt denken aan … de Hedendaagse Kunst.
Die draagt ook een aureool van vrijheidsstrijd, terwijl ze in feite bestaat uit een bende (goedbetaalde) huurlingen die terreur zaaien in de kunstwereld.
Je kunt je ook hier afvragen: in opdracht van wie?
Het is in ieder geval weer eens aangetoond: de werkelijkheid bootst de kunst na.

20140723-210709.jpg

Zeg kwezelke, zullen wij dansen?

Gisteren was het Nationale Feestdag en dat zullen we geweten hebben.
Groot défilé.
Grote hoed van Mathilde.
Veel volk.
Tien dagen geleden was het Vlaamse Feestdag en dat mocht niemand weten.
Geen défilé.
Geen Mathilde, met of zonder hoed.
En overal Belgische vlaggen.
Alsof de Rode-Duivelaanbidders de brug wilden maken tussen het WK en de Belgische Feestdag.
In een boog over 11 juli heen.
Een Van Persietje, zullen we maar zeggen.

20140722-213406.jpg

Wat kopten de Vlaamse kranten op de Vlaamse Feestdag?
Niets. Helemaal niets.
Ze deden alsof hun neus bloedde.
Alsof ze het vergeten waren.
Maar ze waren het natuurlijk NIET vergeten.
Of was het werkelijk toeval dat De Standaard uitgerekend op deze dag de Belgische driekleur op de voorpagina zette?
Tzalwel.
De krant die nog niet zo lang geleden als devies had ‘Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus’ – AVV VVK – is zich in snel tempo aan het ontpoppen tot dé politiek correcte en Belgicistische krant van Vlaanderen.
De andere kranten zwegen als vermoord over de Vlaamse Feestdag, maar de De Standaard wilde nog wat zout in de wonde strooien.

Het is een diepe, etterende wonde, de kloof tussen de Vlamingen en ‘hun’ intellectuelen.
En niemand die ernaar wil kijken.
Aan geen van beide kanten.

20140724-084043.jpg

De gebroken kunst

In mijn Driekoningen-essay van 22 januari had ik het over de ‘gebroken’ kunst van onze tijd, een kunst die in twee stukken is uiteengevallen.
Er loopt inderdaad een scherpe breuklijn door de hedendaagse kunst.
Aan de ene kant bevindt zich de Hedendaagse Kunst, de kunst die zich het begrip ‘hedendaags’ heeft toegeëigend en zich voorstelt als de enige echte kunst van onze tijd.
Aan de andere kant vinden we wat we de ‘post-klassieke’ kunst zouden kunnen noemen: de mensen die op traditionele manier blijven tekenen, schilderen en beeldhouwen alsof er niks gebeurd was.
De breuk tussen deze twee hedendaagse ‘kunsten’ is totaal.
Er is geen enkel contact tussen beide.
Ze negeren elkaar volkomen en gedragen zich alsof de ander niet bestaat.

20140721-113734.jpg

Het is niet moeilijk om in deze deelgebieden de twee ‘erfzonden’ te herkennen waar Rudolf Steiner over spreekt.
De ‘post-klassieke’ kunst beperkt zich tot het nabootsen van de zintuiglijke werkelijkheid. De ‘hedendaagse’ kunst wil alleen maar ideeën aanschouwelijk maken.
Beide houden zich dus bezig met wat volgens Steiner buiten het eigenlijke terrein van de kunst valt.
Het zijn uitingen van wat hij respectievelijk een verwilderd en een barbaars zieleleven noemt, een zieleleven dat zich ofwel in de Stofftrieb ofwel in de Formtrieb verliest.

Spreken over de kunst van onze tijd zonder uit te gaan van deze dualiteit, is spreken over een fictie.
Men spreekt dan slechts over – en vanuit – een brokstuk van de kunst.
En geen van beide brokstukken kan nog kunst genoemd worden.
Een en ander betekent dat de hedendaagse kunst – de kunst die vandaag gemaakt wordt en werkelijk kunst is – ofwel niet bestaat ofwel niet gezien wordt.
Want nergens wordt er gesproken over een ‘gebroken’ kunst.
Nergens worden ‘hedendaagse’ en ‘post-klassieke’ kunst gezien als brokstukken van wat ooit één geheel vormde.
We hebben Steiner trouwens niet nodig om tot deze conclusie te komen.
Wie zijn gezond verstand gebruikt en de kunst van onze tijd nuchter bekijkt, kan onmogelijk blind blijven voor de breuk die haar in twee deelt.
En wie zijn kunstzinnig gevoel laat spreken, stelt vast dat de kunst van onze tijd barbaars en verwilderd is, en dus opgehouden heeft kunst te zijn.

20140721-114356.jpg

Maar dat alles dringt niet tot ons door, want ons bewustzijn is … zelf gebroken.
Net als de kunst, is ook het bewustzijn dat haar waarneemt, in twee stukken uiteengevallen.
Ons verstand functioneert los van ons gevoel (en wordt barbaars), en ons gevoel laat zich niets gelegen aan ons verstand (en verwildert).
Ieder heeft zijn gevoelsmatige mening over kunst en vraagt zich geen moment af of die mening wel juist is en het kunstwerk recht doet.
Het bestaan van een objectief oordeelscriterium wordt zonder meer ontkend: alle subjectieve meningen zijn evenveel waard.
Aan de andere kant wordt er blindelings geluisterd naar kunstkenners, critici en filosofen die hun verstand de vrije teugel laten zodat het, vol van zichzelf, opstijgt naar ijle hoogten waar de kunstwerken er niet meer toe doen.

Dit gespleten bewustzijn brengt dus niet alleen twee soorten kunstenaars voort – ‘hedendaagse’ en ‘post-klassieke’ – ze doet ook de kunstliefhebbers uiteenvallen in twee groepen: de zogenaamde kenners, die de kunst louter verstandelijk benaderen, en de amateurs of dilettanten die louter gevoelsmatig reageren op kunst.
Kunst en kijker weerspiegelen elkaar dus.
De kijker imiteert onbewust de kunst waarnaar hij kijkt en de kunstenaar maakt onbewust zichtbaar wat er in de ziel van de kijker leeft.
Dat is niet nieuw.
Het is altijd zo geweest.
Steiner noemt deze relatie genezend: zonder kunst zou de mens ziek worden.
Maar doordat de kunst gebroken is, werkt ze niet langer genezend.
Ze maakt de moderne mens juist ziek.
Deze bootst in zijn ziel immers instinctief de breuk in de kunst na: zonder het te beseffen deelt hij zijn bewustzijn in twee en schept steeds meer afstand tussen verstand en gevoel.
En dat gespleten bewustzijn produceert dan weer zieke kunst.
De relatie tussen mens en kunst is een ziekmakende vicieuze cirkel geworden.

20140721-114741.jpg

Vroeger werkte de kunst helend.
Ze verbond geest en materie tot een harmonische eenheid en de kijker imiteerde die verbinding in zijn ziel, die daardoor ‘geheeld’ werd.
Ook vandaag nog bootst de kijker de kunst na, maar nu bewerkt zij het tegenovergestelde in zijn ziel: ze splijt zijn bewustzijn in twee.
Maar evenmin als een gebroken kunst nog kunst is, is een gebroken bewustzijn nog bewustzijn.
We kunnen niet zeggen dat de moderne mens zich nog bewust van de kunst van zijn tijd.
Hij neemt haar niet langer waar zoals ze werkelijk is.
Hij ziet niet hoe ziek ze is.
Hij is met andere woorden ‘kunstblind’ geworden.
Hij ziet alleen nog deelaspecten van de kunst, maar aangezien het wezen van de kunst juist bestaat in haar ‘heelheid’, ziet hij in feite helemaal géén kunst meer.

Waar hij meent kunst te zien, is er geen kunst meer.
En waar er wel kunst is, ziet hij ze niet meer.
De kunst heeft namelijk de ‘stap over de drempel’ gezet: ze heeft de kunstwereld verlaten en verspreidt zich nu in de werkelijkheid.
De mens volgt haar onbewust, maar de drempeloverschrijding maakt hem blind.
Hij is niet in staat de eenwording van kunst en werkelijkheid waar te nemen.
Dat belangwekkende feit gaat helemaal aan hem voorbij.
In plaats dat de stap over de drempel hem de ogen opent voor het kunstzinnige – dat wil zeggen zintuiglijk-bovenzintuiglijke – karakter van de hedendaagse werkelijkheid, sluit ze die ogen juist en maakt hem blind voor het wezen van zowel kunst als werkelijkheid.
Geen van beide ziet hij nog in hun ware gedaante.

20140721-115031.jpg

Het zijn natuurlijk niet de uiterlijke ogen die gesloten worden.
Het is niet op fysiek vlak dat de mens blind wordt.
Nee, hij wordt geestelijk blind.
Het is zijn ‘innerlijke oog’ dat gesloten wordt, het geestelijke zintuig waarmee hij kunst kan waarnemen.
En dit ‘geestelijke oog’ is niets anders dan het Ik van de mens, zijn innerlijke kunstenaar.

Het is juist dit menselijke Ik dat in onze tijd moet ontwaken.
De moderne mens staat voor de opgave om een Ik-bewustzijn te ontwikkelen, een kunstzinnig bewustzijn dat in staat is de beide ‘brokstukken’ van de werkelijkheid – het zintuiglijke aspect en het bovenzintuiglijke aspect – als een eenheid te zien.
Daartoe moet het echter ook zelf weer een eenheid worden.
Het Ik kan maar wakker worden als de gespletenheid van het bewustzijn overwonnen wordt, als de kloof tussen het (ahrimanische) hoofd en (luciferische) hart overbrugd wordt.
Maar dat moet wel bewust gebeuren, uit vrije wil.
Het moet een Ik-daad zijn.
Anders kunnen er erge dingen gebeuren.

De hele mensheid gaat vandaag over de drempel.
Dat betekent dat de kloof tussen hoofd en hart sowieso overbrugd wordt.
De zintuiglijke wereld (die met het hoofd wordt waargenomen) en de bovenzintuiglijke wereld (die met het gevoel wordt beleefd) worden opnieuw als een eenheid ervaren.
Maar omdat de moderne mens niet meer gelooft in de wereld van de geest, maakt hij geen onderscheid tussen zintuiglijk en bovenzintuiglijk.
Beide lopen in zijn bewustzijn door elkaar en creëren er chaos.
En in die bewustzijnschaos kan een geheel ander ‘Ik’ ontwaken.

20140721-115217.jpg

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, is de busramp van Sierre weer in het nieuws (geweest).
De ouders van de verongelukte kinderen, of althans enkelen ervan, waren niet tevreden met het officiële onderzoek en hebben een onafhankelijk forensisch onderzoeksbureau onder de arm genomen.
Dat bureau is nu tot de ronduit ontstellende conclusie gekomen dat de chauffeur opzettelijk tegen de muur in de tunnel is gereden.
Ik herinner me nog dat ik dit initiatief van de ouders verklaarde als een uiting van de behoefte om een schuldige aan te wijzen, want zonder schuldige is het ongeval van een ondraaglijke zinloosheid.
Maar blijkbaar was er meer aan de hand, blijkbaar wisten de ouders iets wat niet in de kranten is verschenen.
Het viel me trouwens op dat het bericht over de resultaten van dat onafhankelijke verzoek zeer snel weer van de website is verdwenen.
’s Avonds was het al nergens meer terug te vinden.
Terwijl de kranten dagenlang bol staan van verontwaardiging als een kwajongen met een krijtje ‘negers’ op een gevel schrijft of als een burgemeester zigeuners met luide muziek van zijn erf jaagt, zwijgen ze in alle talen over iets dat duizend keer erger is.

Voor apotheker Fernand Haesbrouck is de reden niet ver te zoeken: de farmaceutische industrie oefent zware druk uit op zowel het onderzoek naar het ongeval in Sierre als de berichtgeving erover. Haesbrouck is er allang van overtuigd dat de oorzaak van het ongeval gezocht moet worden in de anti-depressiva die de chauffeur nam, en hij wordt daarin nu bijgetreden door de onafhankelijke onderzoekers.
Al jaren voert de kritische apotheker een eenzame strijd tegen medicijnen als anti-depressiva en ritaline, omdat ze stoffen bevatten die het zenuwstelsel langzaam vernietigen. Als gevolg daarvan vallen mensen plots dood of vertonen ze onverklaarbaar (zelf)vernietigend gedrag zoals de buschauffeur in Sierre.
De farmaceutische bedrijven maken gigantische winsten met deze middelen, die massaal geslikt worden, door jong en oud.
Het zou een enorme financiële klap voor hen betekenen als de sluipende werking van deze ‘legale drugs’ algemeen bekend werd.
Daarom twijfelt Haesbrouck er niet aan dat ze de grote middelen hebben ingezet om het ongeval in Sierre – dat nu dus een kindermoord blijkt te zijn – in de doofpot te stoppen.

20140721-115512.jpg
(Fernand Haesbrouck)

Rudolf Steiner heeft deze ‘medicijnen’ honderd jaar geleden al voorspeld.
Hij zei erover dat ze het de mens onmogelijk zouden maken om nog contact te krijgen met de geestelijke wereld en hem helemaal zouden binden aan de materie.
Dat is natuurlijk een voorspelling waar de moderne mens de schouders voor ophaalt, want hij gelooft niet meer in het bestaan van een geestelijke wereld, laat staan dat hij zich zorgen maakt over het verbreken van het contact met die wereld.
Maar ook het Ik van de mens is een geest, en wat het betekent als er geen contact meer is met die geest, toont het drama van Sierre.

Menselijk gezien is het onvoorstelbaar dat iemand zelfmoord zou plegen en daarbij 22 kinderen met zich meesleuren.
Er werd hier duidelijk een grens overschreden en volgens mij is dat de grens met de geestelijke wereld.
Maar die grens werd niet bewust en vrijwillig overschreden, dat wil zeggen met behoud van een gezond onderscheidingsvermogen.
Ze werd overschreden door iemand wiens zenuwstelsel zwaar aangetast was door anti-depressiva.
Het gevolg was dat een andere geest het stuur van de autobus overnam, een onmenselijke en anti-menselijke geest.
Niet het Ik van de buschauffeur ontwaakte bij zijn ongewilde drempeloverschrijding, maar een soort tegen-Ik, een demonisch wisselkind dat zijn plaats innam.
Een andere verklaring zie ik niet voor deze macabere daad.

20140721-115648.jpg

Ik herinner me nog hoe absurd de zelfmoordhypothese klonk die in de loop van het onderzoek opdook.
Wie kan nu geloven dat iemand op zo’n manier zelfmoord zou willen plegen?
Er verschenen in de kranten dan ook heel wat verontwaardigde reacties.
Die waren er trouwens ook weer na de bekendmaking van de conclusies van het onafhankelijke onderzoeksbureau.
Niemand kan geloven dat zoiets mogelijk is.
Dat speelt natuurlijk in de kaart van de kwaadaardige geest die hier aan het werk is geweest, en het ongeloof dat hij opwekt lijkt me dan ook één van zijn grootste troeven te zijn.
Men kan zijn eigen ogen niet geloven.
En dat zijn opnieuw niet de uiterlijke ogen (die deze geest uiteraard niet kunnen waarnemen) maar de innerlijke ogen: het verstand en het gevoel waardoor het Ik kijkt, en waardoor het tot de conclusie komt dat er een kwaadaardige geest aan het werk moet zijn.
Het ongeloof geldt dus niet alleen deze kwalijke geest, het geldt ook de eigen geest, het eigen Ik.

20140721-115923.jpg

Dit ongeloof herken ik ook in de kunstwereld.
De meest scabreuze en weerzinwekkende zaken worden daar als kunst opgevoerd, maar niemand durft – althans niet in het openbaar – de idee te opperen dat de kunst misschien wel eens zouden kunnen vervangen zijn door een anti-kunst.
Ook de vaststelling dat slechts een deel van de kunst in de greep is van een anti-kunstzinnige geest, en dat er nog altijd ontelbare mensen zijn die op de klassieke, traditionele manier tekenen en schilderen, doet niets af aan dat ongeloof.
Men lijkt niet te kunnen geloven dat de kunst gebroken is.

Maar dit niet-kunnen is ook een niet-willen.
Het is een opzettelijk sluiten van de ogen.

Ik sta altijd weer versteld van de arrogantie van de Hedendaagse Kunst, die zich gedraagt alsof ze alleen op de wereld is, alsof er geen andere kunst meer bestaat.
Maar ik kan deze arrogantie nog begrijpen.
Wat ik echter niet begrijp, is dat dit niet-willen-zien ook aan de andere kant heerst, in de ‘post-klassieke’ wereld.
In de honderden, ja duizenden blogs van klassieke kunstenaars over de hele wereld worden uitvoerige beschouwingen gehouden over kunst, maar er wordt met geen woord gerept over de Hedendaagse Kunst.
Ze kunnen het bestaan van deze kunst, die hen uit het openbare leven verdrijft en verplicht ‘in de catacomben’ te leven, onmogelijk negeren, en toch doen ze dat.
Het is dus duidelijk geen kwestie van niet kunnen geloven, het is een kwestie van niet willen geloven.
Ze sluiten opzettelijk de ogen voor de werkelijkheid.
Ze weigeren de realiteit onder ogen te zien.
En deze weigering is zo grotesk dat ze naar mijn gevoel niet menselijk is.
Ze is een uitdrukking van de kwaadaardige anti-geest die in de moderne wereld aan het werk is.
Hij is het die niet wil zien.
Hij is het die zijn wil aan de mens opdringt en hem blind maakt zonder dat hij het beseft.

20140721-120221.jpg

Deze geest werkt dus aan beide kanten van de breuk in de kunstwereld.
We treffen hem zowel aan in het door Lucifer beheerste ‘klassieke’ gedeelte als in het door Ahriman geïnspireerde ‘hedendaagse’ gedeelte.
En dat maakt deze geest zo ongrijpbaar, zo verwarrend, zo ongelooflijk.
Hij is zowel ahrimanisch als luciferisch: agressief én verleidelijk, grauw én kleurrijk, materialistisch én spiritueel.
Het is een wezen met twee gezichten dat ons, naargelang van de omstandigheden nu eens zijn ene kant en dan weer zijn andere toekeert.
Het kan ongestoord zijn gang gaan zolang we niet in staat zijn die twee gezichten naast elkaar te plaatsen en als een eenheid te zien.

Hoe moeilijk dat is, blijkt uit het onderzoek naar het drama in Sierre.
Hoe kan een mens het bevatten dat een brave buschauffeur van het ene moment op het andere verandert in een zelfmoordterrorist die 22 kinderen de dood injaagt?
Maar ook: hoe is het mogelijk dat de moderne mens op zo grote schaal gedrogeerd wordt met ‘geneesmiddelen’ die zijn zenuwstelsel en immuunsysteem systematisch vernietigen?
En wat vermogen de ouders van de vermoorde kinderen (want ze blijken dus niet zomaar verongelukt te zijn) tegen de overmacht van de farmaceutische industrie en de (medeplichtige) overheid?
De kans dat ze de waarheid boven water krijgen (en dus ook de verschrikkelijke geest die hierachter zit) is bijzonder klein.
De kranten zwijgen in ieder geval als vermoord over dit schandaal en vullen hun zomerpagina’s met euforische reportages over Tomorrowland (what’s in a name!) en andere festivals waar luciferische extase hand in hand gaat met agressieve ahrimanische
‘muziek’, en die dan weer een schrijnend contrast – of moet ik zeggen polariteit? – vormen met de verslaggeving over het geweld in Gaza.

20140721-120505.jpg

Daarom lijkt het mij zo belangrijk dat we deze kwaadaardigste aller geesten leren kennen in de kunst, want daar verschijnt hij louter in beelden, beelden die weliswaar een hypnotiserende werking uitoefenen, maar die ons fysiek toch niet kunnen raken.
Tenslotte is en blijft de kunst nog altijd het gebied van de vrijheid.
De kinderen in Sierre konden niet uit de bus stappen, de buschauffeur had wellicht geen andere keuze dan anti-depressiva te slikken, en de ouders van de kinderen zullen eveneens op een ‘muur’ botsen waar ze niet doorheen kunnen.
Maar niemand is verplicht om naar kunst te gaan kijken.
En niemand is verplicht daarbij zijn gezonde verstand opzij te zetten en zijn gevoelens het zwijgen op te leggen.
De druk om dat toch te doen, is ontzettend groot, maar als we het echt willen, kunnen we ons daartegen verzetten.
De kunst is een vrije ruimte waar we ons bewustzijn kunnen oefenen en versterken.
En die versterking begint met de vaststelling dat die vrije ruimte gebroken is.
We kunnen die breuk niet helen, maar door ze onder ogen te zien, kunnen we onszelf wel beletten om ze onbewust te imiteren en erdoor in slaap te worden gewiegd.
Niets werkt meer wakker-makend dan het onderscheiden van de kloof die de kunst – en dus ook de werkelijkheid – in twee deelt.
Dit wakker worden is het enige verhaal dat we hebben tegen de onmenselijke geest die de wereld steeds meer in zijn greep krijgt.
Waarschijnlijk is dat ook de reden van zijn optreden: hij moet de mensheid wakker maken.
Het is een paardenmiddel, dat wel.
Maar zoals Rudolf Steiner ooit zei: het had zover niet hoeven te komen, maar nu het gebeurt, is dat omdat het noodzakelijk is geworden.

20140721-120930.jpg

Steiner over kunst (5)

In zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica heeft Rudolf Steiner het over de grote misvatting die de esthetica op het verkeerde spoor heeft geplaatst.
Dertig jaar later, wanneer hij spreekt over ‘Het verwezenlijken van het zintuiglijk-bovenzintuiglijke door de kunst’ (GA 271 – München 15 februari 1918), voegt hij daar nog een tweede grote misvatting aan toe.
Naast het uitbeelden van het bovenzinnelijke (de Schellingiaanse misvatting) plaatst hij nu ook het uitbeelden of nabootsen van het zintuiglijke.
Dat zijn in zijn ogen de twee ‘erfzonden’ van de kunst.
De eerste getuigt van een ietwat verwilderd zieleleven, de tweede van een zekere barbaarsheid in het gevoelsleven.
Tussen deze twee ‘gevoelsgrenzen’ treedt het kunstzinnige gevoel op: het gevoel dat de wereld ‘betoverd’ is en dat er doorheen het zintuiglijke iets bovenzintuiglijks schemert.
Om dat gevoel op het spoor te komen, moeten we diep in de ziel onderduiken. Dat laatste is pas in onze tijd mogelijk geworden doordat nieuwe kunststromingen zoals het impressionisme en het expressionisme het kunstzinnige gevoel naar de oppervlakte hebben gebracht.

20140710-101844.jpg

Als we in ons zieleleven afdalen, stellen we vast dat het pendelt tussen twee toestanden.
Enerzijds wil datgene wat in onze ziel leeft als een visioen in ons bewustzijn doordringen.
In normale omstandigheden wordt dat verhinderd, maar we kunnen het ‘visionaire’ streven (dat in alle mensen aanwezig is) wel bevredigen door middel van kunst.
In het expressionisme gaat men die richting uit.
De kunst heeft echter ook nog een andere oorsprong: het gewaarworden van de diepere geheimen van de natuur.
De natuur is niet louter leven, ze is ook dood en vernietiging.
Overal worden lagere vormen van leven gedood door hogere vormen.
De menselijke gestalte bijvoorbeeld wordt voortdurend overwonnen door de menselijke ziel.
Die gestalte bestaat uit twee duidelijk onderscheiden delen: het hoofd en de rest van het lichaam.
Het hoofd is een gemetamorfoseerd lichaam en omgekeerd is het lichaam een gemetamorfoseerd hoofd.
Als we beide delen echter afzonderlijk ‘metamorfoseren’, zodat ze hun eigen gang kunnen gaan, dan ontstaan er twee geheel andere gestalten.
Deze geestelijke gestalten zijn in het menselijk lichaam aanwezig, maar in ‘betoverde’ vorm: ze worden door iets hogers met elkaar verbonden en in evenwicht gehouden.

20140710-102730.jpg

Wie een gevoel ontwikkelt voor dit soort zaken, zal ontdekken dat deze betovering, dit ‘openbare geheim’, overal in de natuur aanwezig is.
Zoals het visionaire streven dat van binnenuit doet, zo zet deze betovering de mens er van buitenaf toe aan om boven de natuur uit te stijgen.
Wie daarin slaagt en de betovering verbreekt, wordt scheppend kunstenaar.
En wie deze ‘onttovering’ op de juiste manier beleeft, komt tot een kunstzinnig beleven.

Als voorbeeld geeft Steiner ‘de mensheidsrepresentant’, het beeldhouwwerk dat hij voor het eerste Goetheanum maakte.
In dit beeld heeft hij ernaar gespreefd om datgene wat in de menselijke gestalte onderdrukt wordt, te bevrijden en vervolgens weer tot rust te brengen.
De twee geestelijke gestalten die in de mens gebonden liggen heeft hij van elkaar losgemaakt: het menselijke hoofd heeft hij gemetamorfoseerd tot de donkere, beklemmende gestalte van Ahriman, het menselijk lichaam tot de machtige gestalte van Lucifer.
Maar, voegt hij eraan toe, deze ‘innerlijke misdaad’ tegen het naturalisme – het ‘onttoveren’ van de twee geestelijke gestalten in de mens – moest weer verzoend worden.
Wat ontbonden werd, moest op een hogere trap weer verbonden worden, en wel met humor.
Dat deed hij in de Christusfiguur die Lucifer en Ahriman overwint.

20140710-102901.jpg

De natuur, zegt Steiner, heeft de mens zo evenwichtig samengesteld dat zijn afzonderlijke delen één harmonisch geheel vormen. Door die ‘betoverde’ delen weer zichtbaar te maken, bevrijd je de bovenzinnelijke krachten van de natuur. Je gaat ‘bovennatuurlijk-naturalistisch’ te werk.
Dat streven herkennen we in het impressionisme.

Beide strevingen – het scheppend nabootsen van de natuur (zoals in het impressionisme) en het bevredigen van innerlijke visoenen (zoals in het expressionisme) – zijn er altijd geweest: het zijn de twee oorsprongen van alle kunst.

Binnen deze grenzen heeft de ziel de elementaire drang om de natuur te onttoveren, om te zien hoe het zintuiglijk-bovenzintuiglijke er overal in verborgen zit.
Het zijn deze waarnemingen waar de plastisch kunstenaar mee werkt.
De vorm-in-rust zal hij oplossen in een gebaar dat erom vraagt nagebootst te worden, en dat gebaar zal hij weer tot rust brengen.

Wat in de ene richting opgewekt en in de andere weer tot rust gebracht wordt, werkt als een zieleproces in ons wanneer we kunst scheppen of beleven.
Het is zoals het in- en uitademen van de mens in het gewone leven.
De kunst ontwikkelt zich in de richting van de ontdekking van deze geheimen.
Eens zullen we het gevoel hebben dat we, om een vrouw te kunnen schilderen, haar innerlijk eerst moeten doden en vervolgens met humor weer tot leven brengen.
Dat laatste kan de naturalistische kunstenaar niet.
Hij lijdt aan de ziekte van het gebrek aan humor.
Dit alles hangt samen met het feit dat we scheppend moeten nadoen wat in de natuur gebeurt: een hogere levensvorm overwint een lagere die in existentie wil treden.
In de ziel van zowel de scheppende kunstenaar als de kunstgenieter moet zich steeds een proces voltrekken van dood maken en weer tot leven wekken door middel van humor.

20140710-103253.jpg

Beide bronnen van de kunst beantwoorden aan de diepste onderbewuste behoeften van de menselijke ziel.
Expressionisme is bevrediging scheppen voor wat visioen wil worden.
Impressionisme is het bij elkaar brengen van wat men zintuiglijk ontbonden heeft om er het bovenzintuiglijke in te blazen.
Deze twee behoeften van de menselijke ziel zijn altijd de bron geweest van de kunst.
In de toekomst zal men dán een kunstzinnig gevoel ontwikkelen wanneer men steeds meer zijn gevoel – en niet zijn verstandelijk bewustzijn – ontwikkelt in deze twee richtingen.

De mensheid zou ziek worden als haar neiging tot het visionaire niet bevredigd werd door de kunst, of als het ontleden van de natuur tot haar zintuiglijk-bovenzintuiglijke elementen (wat ons onderbewuste toch voortdurend doet) niet steeds weer door middel van kunstzinnige humor werd geïmpregneerd door een hogere vorm van leven, zodat we in het kunstwerk scheppend nadoen wat de natuur scheppend volbrengt.

20140710-103857.jpg

Het kunstzinnige proces werkt diep in het onderbewuste, maar onder bepaalde omstandigheden kan het toch veel betekenen om zodanig sterke voorstellingen te hebben van dat kunstzinnige proces dat ze in het gevoel overgaan.
Het visionaire in de ziel ontstaat doordat geestelijke ervaringen zich willen ontladen.
In de geesteswetenschap wordt dat visionaire gereinigd tot imaginaties.
Het geestelijke in de natuur beleven we door middel van intuïties.
We treden dan buiten onszelf, we dalen af in de wereld.
Dit afdalen blijft echter onwerkelijk als we niet in staat zijn de natuur te onttoveren.
We leven in intuïties wanneer we tegenover deze onttoverde natuur gaan staan.
Voor zover deze intuïties zich in de kunst doen gelden, hangen ze samen met intieme belevenissen die de ziel kan hebben wanneer ze buiten zichzelf is en één wordt met de dingen.
Goethe had dit kunstzinnige gevoel reeds in zijn in hoge mate impressionistische kunst.
Als we op zijn manier in de natuur doordringen, komen we terecht in een gebied dat het sterkste bewijs levert dat de kunst er geen behoefte aan heeft louter zintuiglijke dingen na te bootsen of louter geestelijke dingen uit te drukken.
Kunst geeft vorm aan wat zintuiglijk is in het bovenzintuiglijke en bovenzintuiglijk in het zintuiglijke.
Pas wanneer men dit zintuiglijk-bovenzintuiglijke erkent, is men naturalist in de meest ware zin van het woord.

Omdat de mensheid nooit zonder het bovenzinnelijke kan en het zintuiglijke haar zou ontvallen als ze niet in het bovenzinnelijke zou leven, zal ze door haar behoeften steeds meer verwezenlijken wat Goethe, vanuit een diepgaand begrip van de wereld, heeft uitgedrukt in de woorden: ‘Degene aan wie de natuur haar openbaar geheim begint te onthullen, voelt een onweerstaanbaar verlangen naar haar waardigste vertolker: de kunst.’

20140710-104252.jpg

Een sport als een ander

Op 10 juli eerstkomend moeten twee ‘Antwerpse jongemannen’ voor de rechtbank verschijnen.
Drie maanden geleden werden ze opgemerkt in een auto die geseind stond als gestolen.
Ze sloegen op de vlucht maar verloren tijdens de achtervolging de controle over het stuur.
Ahmed A. en Abdelmajid C., twee Antwerpse volksjongens, ontkenden de auto gestolen te hebben.
Ze hadden de sleutel op straat gevonden, beweerden ze.
Ahmed A. werd ook nog gezocht voor een andere inbraak.
Hij ontkent iedere betrokkenheid, ook al werd hij formeel herkend door de bestolen bewoners.
Abdelmajid C. van zijn kant werd vorig jaar veroordeeld tot vijf jaar cel en dit jaar tot twee jaar.
Daar kunnen op 10 juli nog eens 40 maanden cel bijkomen, zodat Abdelmajid meer dan 10 jaar gevangenisstraf op zijn conto heeft staan.

Ahmed A. en Abdelmajid C. zijn kleine jongens.
Het recordaantal veroordelingen staat momenteel op 63.
Inbreken en overvallen plegen is in België een sport als een ander.
En ook hier weer worden jongeren-met-een-migratieachtergrond zwaar gediscrimineerd.
Niemand heeft oog voor hun prestaties.
Alle aandacht gaat naar het voetbal.

20140703-210226.jpg