De miserie van de kunst (1)

door lievendebrouwere

Een lezer stuurt me een bladzijde uit een boek van Einstein, en vraagt: is dit misschien een verklaring voor de miserie in de beeldende kunst?
Eerst denk ik dat het om een tekst van Albert Einstein gaat en ik ben verrast te vernemen dat de man ook over kunst geschreven heeft, maar hij blijkt geschreven te zijn door Alfred Einstein, een Duitse musicoloog uit het begin van de vorige eeuw.

20140730-135039.jpg
(Alfred Einstein)

Hij schrijft:

De veel versmaadde 19de eeuw was in werkelijkheid de heroïsche eeuw in geestelijke zin, want voor ieder scheppend mens begon toen de strijd om zich een kolossaal erfgoed eigen te maken, om een overweldigend verleden waardig voort te zetten. In de dichtkunst droeg dat erfgoed namen als Shakespeare en Milton, Racine en Voltaire, Lessing en Goethe. De ‘Romantiek’ in Engeland, Frankrijk en Duitsland kan, onder meer, gezien worden als een ontvluchten van de grote verplichting, als een weigering om het grote erfgoed te aanvaarden. In de muziek was Beethoven de steen des aanstoots, dat wil zeggen, hij was nog geboren in het tijdperk van de onschuld van de muziek, maar hij kon in veel van zijn werken – de programmatische sonaten en symfonieën – reeds als ‘romanticus’ begrepen en misverstaan worden. Men was zich bewust van zijn geweldige grootte. Toen hij er eenmaal was, kon men niet meer naïef en onbezorgd scheppen. Zijn geweldige schaduw stond steeds op de achtergrond. Daarbij kwam dat de nieuwe musicus geen gewone muzikant meer was. Haydn bezat nog geen hogere vorming en had ze ook niet nodig. En wat Mozart en Beethoven aan ontwikkeling bezaten, hadden ze intuïtief verworven. Maar Weber was in Duitsland de eerste ontwikkelde musicus. Dat maakt hem tot een noodlotsfiguur. Na hem is er in de 19de eeuw geen musicus meer die niet literair actief is geweest, als dichter of essayist, als criticus of minstens als briefschrijver. De scheppingsdaad, die zweeft tussen het bewuste en het onbewuste, werd steeds veeleisender en zwaarder. Men kon de musici indelen volgens de mate waarin ze erin slaagden het bewuste te overwinnen of het bewuste en het onbewuste in evenwicht te brengen.

20140730-135452.jpg
(Beethoven)

Wat Alfred Einstein hier beschrijft, is het begin van wat in de 20ste eeuw een ware dijkbreuk zal worden: het binnendringen van het denkende bewustzijn in de kunst.
Sindsdien is kunst een strijd geworden, een strijd om het evenwicht te herstellen tussen de onbewust scheppende wil en het bewust oordelende denken
Zoals het er vandaag uitziet, heeft de kunst die strijd verloren.
In haar streven om tegenwicht te bieden aan het oprukkende intellect heeft ze de wereld van de lagere driften opgezocht. Maar daardoor is haar eigen ‘wereld van het midden’ uiteengevallen in twee stukken: een barbaars ahrimanisch deel en een verwilderd luciferisch deel.
De kunst ligt machteloos op de grond, verlamd door het intellectuele denken en de reactie erop.

Einstein noemt Haydn als voorbeeld van een kunstenaar die nog behoort tot het ‘tijdperk van de onschuld’.
Ik herinner me nog dat ik vroeger helemaal niet van Haydn hield.
Ik vond hem vervelend, oppervlakkig, een herhaling van steeds maar hetzelfde. Beethoven, dát was pas muziek!
Maar nog niet zolang geleden vond ik in de Mediamarkt een doos met alle symfonieën van Haydn: 33 cd’s voor 50 euro.
Dat kon ik echt niet laten liggen.
Het bleek een revelatie.
Voor mij is Haydn nu dé klassieke componist bij uitstek, de belichaming van het (verloren gegane) evenwicht.
Het was wellicht die ‘evenwichtigheid’ die mij in mijn jeugd (en nog lang daarna) tegenstond, maar die ik, nu ik ouder ben geworden en zelf een zeker evenwicht heb gevonden, zeer apprecieer.
Bovendien is de uitvoering (op Decca) door de Filharmonia Hungarica onder leiding van Antal Dorati werkelijk outstanding.
Door er (bijna dagelijks) naar te luisteren, ben ik gaan begrijpen wat Steiner bedoelt met ‘midden-Europa’.
Deze muziek – de noten én de uitvoering – is de evenwichtigheid zelve.
En het is beslist geen doods evenwicht, integendeel.
Deze symfonieën zijn één en al leven.
Hier wordt werkelijk muziek gespeeld.
Haydn is erin geslaagd weer kind te worden (iets wat alle grote kunstenaars doen) en Antal Dorati heeft die opgewekte, onschuldige, speelse kinderlijkheid meesterlijk vertolkt.

20140730-135612.jpg

Waarschijnlijk is dát de reden waarom ik vroeger niet van die muziek hield: kinderen willen helemaal geen kind zijn. Ze willen juist het tegenovergestelde: ze willen grote mensen worden. Pas als ze (lang genoeg) grote mens zijn, duikt het verlangen of het ideaal op om weer kind te worden.
Daarom hield ik als jongmens zoveel van Beethoven: Beethoven was iemand in wie de wil om een ‘groot mens’ te worden onweerstaanbaar doorbrak.
Weinig muziek is zo gedreven en wilskrachtig als die van Beethoven. Tegelijk ontstaat in hem ook een innigheid die veel persoonlijker is dan die van Bach en veel minder kinderlijk dan die van Haydn.

De wil om volwassen en zelfstandig te worden, kan niet los worden gezien van het ontwaken van het rationele denken.
Bij Haydn ontbreken ze nog allebei, of beter: ze vormen nog een vanzelfsprekende eenheid die zich aan ons voordoet als een kinderlijk spelen.
Dat spelen heeft eeuwigheidskarakter: het heeft geen begin en geen eind.
Haydn heeft meer dan 100 symfonieën geschreven, en als hij langer was blijven leven, had hij er ongetwijfeld nog meer geschreven. Die symfonieën staan van meet af aan op een hoog niveau en veel verschil is er niet tussen de eerste en de laatste.
Beethoven daarentegen schreef maar negen symfonieën en het verschil tussen de eerste en de laatste is enorm.
Met hem treedt er een duidelijke verandering op, en het feit dat hij uiteindelijk doof werd, kan gezien worden als een omen: de kunstenaar verliest het contact met werkelijkheid, en dat is in de eerste plaats de werkelijkheid van ‘het midden’, van het evenwicht.
De dove Beethoven kon dat contact nog in zichzelf vinden omdat hij, zoals Alfred Einstein zegt, nog geboren was in ‘het tijdperk van de onschuld’. Maar wie na hem kwam kreeg het steeds moeilijker om dat contact te handhaven en het evenwicht te bewaren.

20140730-135731.jpg
(Robert Schumann)

Einstein geeft het voorbeeld van Robert Schumann, die als jongeman nog ongecompliceerd muziek maakt. Maar dan wordt hij gegrepen door het voorbeeld van Beethoven en verliest hij de oorspronkelijkheid hem aanvankelijk kenmerkt. Het loopt ten slotte slecht met hem af: hij sterft in een krankzinnigengesticht.
Volgens Einstein was Schumann ‘erfelijk belast’: zijn vader was een boekhandelaar en zijn moeder was een zeer ontwikkelde vrouw. Schumann had net zo goed schrijver kunnen worden en is relatief laat met muziek begonnen, waardoor hij het vak niet echt goed onder de knie had.
Over dat laatste kan ik niet oordelen, maar ik neem aan dat Einstein gelijk heeft. Wat men als kind spelenderwijs leert, kan men later nooit meer inhalen.
Haydn, Mozart en Beethoven hadden geen ‘hogere vorming’ genoten. Dat wil zeggen, ze waren niet (lang) naar school geweest. Zoals de meeste kinderen uit hun tijd hadden ze gewoon een vak geleerd, en in hun geval was dat muziek.
Ze waren intellectueel niet ontwikkeld, wat niet wil zeggen dat ze niet intelligent waren.
Wel integendeel, zou ik bijna zeggen.
Mijn eigen tekenleraar is maar tot z’n 14de naar school geweest, een school die bovendien niet te vergelijken was met de huidige intellectuele trainingskampen waar kinderen al heel jong worden in opgesloten. Daarna ging hij naar de academie, en dat was in die tijd louter een vakschool: je leerde er tekenen, schilderen of beeldhouwen, en dat was het.
Toch was mijn leraar, een stielman zonder enige ‘hogere vorming’, een bijzonder intelligent en ontwikkeld man. Veel meer dan de ‘idiots savants’ die vandaag bij duizenden worden afgeleverd door hogescholen en universiteiten.

Het is dus niet alleen de kunst die zwaar te lijden heeft onder de ‘hogere vorming’ van de moderne mens, ook het denken wordt er zwaar door aangetast.
Dat kunnen we onder meer aflezen aan de politieke correctheid die de hele intelligentsia in zijn greep heeft en die een vorm van zwakzinnigheid is.
Denken is namelijk geen mechanisch proces dat men kan oefenen.
Denken is in wezen een kunst.
En kunst kan men niet leren, men kan er alleen de voorwaarden voor scheppen.
De huidige doorgedreven intellectuele training die kinderen op school moeten volgen, vernietigt juist het evenwicht dat voorwaarde is voor iedere kunst, ook die van het denken.

20140730-140141.jpg

Volgens Rudolf Steiner was het een groot geluk voor Goethe dat hij in zijn jeugd nooit had leren schrijven.
Hij dankte zijn schrijverschap dus aan het feit dat hij als kind niet kon (en blijkbaar ook niet moest kunnen) schrijven.
Het gaat hier natuurlijk om twee vormen van schrijven: het schrijverschap is kunstzinnig, het kunnen-schrijven is mechanisch-ahrimanisch.
Steiner noemt Ahriman een ‘schrijver’ en volgens hem vloeit er veel kwaad voort uit het vroegtijdig leren schrijven.
Wie leert schrijven dwingt iets levends in een dode vorm. Als je dat te vroeg doet, ontneem je de mens als kind een ontwikkeling die hij nooit meer kan inhalen. Je maakt van hem in zekere zin een gehandicapte.
Doordat Ahriman de mens voorziet van ontelbare ‘prothesen’ – de hele wereld van mechanische en technologische instrumenten – valt dat gehandicapt-zijn niet op.
Maar in de kunst wordt het pijnlijk duidelijk: de moderne mens kán niks meer, zijn hele kunnen is gemechaniseerd.
Dat wordt echter niet waargenomen, omdat ook het denken gemechaniseerd is.
Zoals de hedendaagse kunstenaar zelf niks meer maakt (hij levert alleen de ideeën, die hij vervolgens laat uitwerken door werklieden en specialisten), zo denkt de moderne mens ook niet meer zelf, hij laat dat aan anderen over.
Maar dat beseft hij niet, integendeel. Hij is ervan overtuigd dat hij dat veel beter kan denken dan mensen zonder ‘hogere vorming’. En juist die overtuiging maakt van hem een idioot, een geleerde idioot. Nergens komt die idiotie zo pijnlijk tot uitdrukking als in de bewondering van onze ‘intelligentsia’ voor de pispotten en kakmachines van de Hedendaagse Kunst.

De kunst maakt inderdaad zichtbaar hoe het geestelijk met de mens gesteld is: hij is rijp voor het krankzinnigengesticht, hij kan niks meer, hij is hulpeloos overgeleverd aan anderen. Dat is waarschijnlijk de reden waarom niemand echt durft te kijken naar de kunst van onze tijd: ze is veel te confronterend, ze toont ons hoe erg het met ons gesteld is.
Maar daardoor sluit ze ons op in een vicieuze cirkel: hoe duidelijker ze ons geestelijk ziek- en gehandicapt-zijn weerspiegelt, des te minder willen we het zien.
Nochtans ligt in dat zien onze enige uitweg uit de spiraal die ons langzaam maar zeker naar beneden sleurt.
We kunnen niet genezen zolang we niet beseffen dat we ziek zijn, zolang we niet weten aan welke ziekte we lijden.

(Wordt vervolgd)

20140730-140306.jpg

Advertenties