In Memoriam Sergej Prokofieff

door lievendebrouwere

20140730-210701.jpg

Verleden zaterdag is Sergej Prokofieff gestorven, ‘über die Schwelle in die geistige Welt getreten’ zoals ze in Antroposofië zeggen.
Prokofieff – hij is verre familie van de componist – was bij leven een van de bekendste antroposofen, schrijver van vele dikke boeken.
Ik mocht hem graag lezen omwille van zijn zeer heldere stijl.
De man kon ongelooflijk ‘bouwen’ met ideeën.
Het waren geweldige gedachtenconstructies die hij met de ideeën van Steiner oprichtte.
Alleen, je kon er niet in wonen, want ze stonden als het ware omgekeerd: de fundamenten bevonden zich niet op aarde maar in de hemel.
Je mond viel open als je erin rondwandelde, door de ramen zag je indrukwekkende vergezichten. Maar van zodra je weer op aarde kwam, losten die bouwwerken op ‘in thin air’.
Prokofieffs boeken hadden een sterk droomkarakter: je zat er helemaal in als je ze las en het leek allemaal heel reëel, maar je had ze nog niet dichtgeklapt of je was alles weer vergeten.
Althans, zo verging het mij, met al zijn boeken.
Ik herinner er mij nagenoeg niks van.

Wat ik me daarentegen nog heel goed herinner, was die ene keer dat ik hem in levende lijve heb gezien.
Dat gebeurde in Antwerpen, in het Zuiderpershuis, op het Zuid.
Het was een merkwaardige voordracht, niet door de inhoud (waar ik me alweer niks van herinner) maar door de omstandigheden.
Het was namelijk Sinksenfoor op ’t Zuid.
De weerschijn van de flikkerende blauwe, rose en paarse lampen vulde de zaal, net als de dreunende muziek, de rinkelende bellen en de gillende kermisbezoekers.
Een ongelukkiger moment en plek hadden ze niet kunnen kiezen en de avond had dan ook iets hilarisch.
Vond ik.
Want niemand leek zich te storen aan of zich zelfs maar bewust te zijn van die heksenketel, Prokofieff nog het allerminst.
Hij deed alsof er niks aan de hand was, maakte niet eens een terloopse opmerking over het uitbundige klank- en lichtspel vlakbij.

20140730-221142.jpg

Als een Pruisische officier stond hij daar, rijzig en kaarsrecht, gekleed in een onmodieus blauw kostuum-met-kravat, één en al discipline.
(Alsof de kermis nog niet genoeg contrast was, hingen er aan de muren allerlei exotische kleren – waarschijnlijk een tentoonstelling van ‘kleding-kunst’.)
Prokofieffs zinnen klonken als bevelen: kortaf, luid en duidelijk gearticuleerd.
Na iedere zin wachtte hij onbewogen tot hij vertaald was door de vertaler van dienst, en vuurde dan een nieuw salvo af.
Dat strakke ritme, zonder enige versnelling, zonder enige stemverheffing, zonder enige variatie, hield hij aan tot de hele voordracht was afgewerkt.
Ik zal niet zeggen dat hij klonk als een voorgeprogrammeerde automaat – hij meende duidelijk ieder woord dat hij zei – maar het was toch … vreemd.

Nog vreemder is het als je bedenkt dat deze stijve hark, deze gedisciplineerde en afstandelijke man een opleiding heeft gehad als … kunstenaar.
Hij heeft namelijk schilderkunst gestudeerd in Moskou, maar ontdekte toen de antroposofie.
Ik weet verder niks van Prokofieff, maar uit zijn boeken blijkt alvast weinig of geen interesse voor kunst, en dus lijkt het alsof hij de kunst gewoon ingeruild heeft voor de antroposofie.
Voor mij is dat tamelijk onbegrijpelijk, want in mijn ogen zijn kunst en antroposofie twee handen op één buik, niet een tegenstelling die je tot een keuze dwingt.
Daarom verbaast het me dat Prokofieff de kunst heeft laten staan voor de antroposofie.

20140730-221252.jpg

Ik snap natuurlijk wel dat ze in eerste instantie een tegenstelling vormen en dat de brug tussen beide niet voor de hand ligt. Tenslotte veronderstelt de antroposofie in de eerste plaats dat er nagedacht wordt, terwijl kunst juist veronderstelt dat er NIET nagedacht wordt (iets wat door Steiner volmondig beaamd wordt).
Maar zoals de hele antroposofie eigenlijk gebaseerd is op wat Steiner in de Filosofie der Vrijheid de ‘uitzonderingssituatie’ noemt, namelijk het denken-over-het-denken (als een reële ervaring en niet als een abstracte filosofie), zo is ook het denken-over-kunst een uitzonderingssituatie, iets heel onnatuurlijks voor een kunstenaar.
Daarom zei Goethe: Bilde Künstler, rede nicht!
Maar Steiner zei ook: als het moet, dan moet het.
En ik denk dat het moet.
Al blijft deze ‘uitzonderingssituatie’ een waagstuk.
In de Hedendaagse Kunst zien we wat er kan gebeuren als kunstenaars beginnen na te denken: hun kunst gaat eraan ten gronde, ze verwordt tot een groteske karikatuur.
Misschien heeft Prokofieff dat willen vermijden door een radicale keuze te maken.
Wie zal het zeggen.

Prokofieff komt mij alleszins over als een wat mysterieuze en ongrijpbare figuur.
Hij maakte deel uit van ‘de Vorstand’, het bestuur van de Algemene Antroposofische Vereniging, maar op foto’s staat hij er altijd bij als iemand die er niet bij wil staan, iemand die zich node onderwerpt aan dergelijke aardse geplogenheden, iemand die liefst ergens anders zou zijn.
Een oude ziel dus, onmiskenbaar.

De man was al enkele jaren ziek, maar niemand wist of zei waaraan.
Er werd nogal geheimzinnig gedaan over zijn ziekte, je vraagt je af waarom.
En dan was er de affaire Judith von Halle die zijn laatste levensjaren vergalde en de vereniging zelfs verdeelde in Prokofieff-aanhangers en Halle-aanhangers.
Het moet pijnlijk zijn om in zo’n polarisatie terecht te komen.
Maar misschien zegt het iets over Prokofieff, over een zekere principiële starheid die zo typisch is voor oude zielen, net als de wereldvreemdheid die deze Rus als een aura omgaf en die ook zo duidelijk uit zijn boeken spreekt.

Ja, de dood van deze man roept heel wat vragen op en ik hoop dat men ze niet uit de weg zal gaan met als alibi ‘over de doden niets dan goeds’.
Volgens Rudolf Steiner is de dood van een mens minstens even belangrijk als zijn geboorte.
Zoals er een geboortehoroscoop gemaakt kan worden, zo kan er ook een stervenshoroscoop gemaakt worden.
Tenslotte is sterven een omgekeerde geboorte, een geboren worden in de geestelijke wereld.
En net als op aarde zegt dat geboortemoment heel veel over het leven dat zal volgen.

Men doet een gestorven mens geen recht door alleen de goede aspecten van zijn leven en persoon te belichten.
Daarmee hakt men hem als het ware in twee, en dat doet men tegenwoordig al meer dan genoeg.
Ik mag dus hopen dat men gaat nadenken over de hele Prokofieff, de echte Prokofieff.
Dat is toch wat men behoort te doen als iemand sterft: zijn leven en zijn persoon beschouwen?
Want dat leven en die persoon zijn het kunstwerk dat een mens gemaakt heeft, en zoals ieder kunstwerk verdient het een aandachtige beschouwing, een kunstzinnige beschouwing, want op een andere manier kan men een kunstwerk niet benaderen.
Dat is de ware betekenis van het bekende gezegde de mortuis nihil nisi bene.
Over de doden niets dan op de goede manier.
Want bene is geen zelfstandig naamwoord, het betekent niet: goeds.
Het is een bijwoord, het betekent: op de goede manier.
En die goede manier is de kunstzinnige.
Men dient een leven als een kunstwerk te zien.
En men ziet een kunstwerk niet echt als men het niet kritisch oordelend benadert en probeert de kwaliteit ervan te bepalen.
Men ziet het natuurlijk evenmin als men het niet met liefde en overgave benadert.
Die twee polen zijn het die met elkaar verbonden en verzoend moeten worden als men naar kunst kijkt en die kunst echt wil zien.

Dat geldt ook voor een mens en een mensenleven.
Ieder mens wil ‘gezien’ worden, bij zijn leven maar ook – en zelfs vooral – bij zijn dood.
Want dan is zijn ‘kunstwerk’ af.
Dan is het klaar om bekeken te worden.
En dat is wat de gestorven mens doet: hij begint zijn leven te bekijken.
Van een scheppende geest wordt hij een beschouwende geest.
En dat is een grote stap.
Dat weet iedere kunstenaar: van zodra een kunstwerk af is, begin je het met andere ogen te bekijken. Dat is echt heel wonderlijk.
Je ziet dan opeens dingen die je voordien niet zag.
En dat is niet zelden om je de haren uit het hoofd te rukken, want je kunt er niks meer aan veranderen.
Af is af.
Gedane zaken nemen geen keer.
Er wordt echt een grens overschreden.
Het enige wat je als kunstenaar kunt doen, is: leren van je fouten en het de volgende keer beter proberen te doen.
En dat is dan ook wat een gestorven mens doet, daar ‘aan de andere kant’.

Wat de kunstenaar in het klein meemaakt wanneer een werk af is, maakt de mens in het groot mee wanneer hij sterft.
Van ‘kunstenaar’ wordt hij ‘kijker’, kijker naar zijn eigen leven.
En doorgaans duurt dat kijken veel langer dan het scheppen, want niet alleen valt er heel veel te zien (zelfs de onbenulligste zaken blijken hele diepe gronden te hebben), maar het vraagt ook heel veel tijd om je eigen fouten en onvolkomenheden echt onder ogen te kunnen zien.
Daarna ontstaat echter weer de onweerstaanbare drang om het opnieuw te proberen en het dit keer beter te doen.

Ik denk dat men een gestorven mens helpt door met liefde naar zijn leven te kijken.
Dat is namelijk wat hij zelf (voor lange tijd) zal doen.
Maar ik denk ook dat men hem méér helpt naarmate die liefde niet blind is (en de gestorvene heilig verklaart) maar ook de fouten en onvolkomenheden omvat.
Het is gemakkelijk om van een meesterwerk te houden, maar om een ‘klein’ kunstwerk te leren waarderen en er ondanks de fouten toch de mogelijkheden van te zien, dát is een stuk moeilijker, daarvoor moet de liefde ‘ziend’ worden.
Dat is wat men leert in een lang leven, dat is ook wat men leert na de dood.
Een wezenlijk verschil is er niet.
Wie tijdens zijn leven aandachtig naar kunst heeft gekeken, met liefde maar ook met kritische zin, die zal na z’n dood meteen aan de slag kunnen, denk ik.
Toch blijft het een groot verschil: naar het kunstwerk van een ander te kijken of naar je eigen kunstwerk kijken.
De ene mens zal het moeilijker hebben om kritisch naar zichzelf te kijken, de ander om liefdevol naar zichzelf te kijken.
Maar beide zijn moeilijk.
Daarom helpen we gestorvenen als we kunstzinnig naar hun leven kijken: liefdevol én kritisch.
Nihil nisi bene.

Het bovenstaande is maar een losse schets, ingegeven door het moment.
Ik hoop niettemin dat ‘de Prok’ er iets aan heeft.
Als ex-leerling-kunstenaar zal hij mijn kunstzinnige intenties wel kunnen waarnemen.
Tenslotte zijn we allemaal kunstenaars onder elkaar …

20140730-220716.jpg

Advertenties