Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: augustus, 2014

Rotherham

Verleden week konden we in de krant lezen dat officieel bevestigd zou worden wat iedereen al lang wist of vermoedde: dat de kleuterjuffen van De Blokkendoos onterecht beschuldigd zijn van kindermisbruik.
Deze week lazen we dan weer in de krant dat in het Engelse Rotherham de afgelopen jaren niet minder dan 1400 kinderen sexueel misbruikt werden zonder dat er iets tegen werd ondernomen.

Wat hebben deze twee berichten gemeen?
1. Kindermisbruik
2. Moslims.
3. Politieke correctheid.

In beide gevallen waren de daders moslims.
In beide gevallen konden ze vrij hun gang gaan dankzij de politieke correctheid.
In beide gevallen wordt hen nog altijd de hand boven het hoofd gehouden.
Want ofschoon iedereen weet dat het om moslims gaat, wordt dat in de kranten nergens vermeld.
Het valt me trouwens op dat die kranten vandaag helemaal niks meer over het Rotherham-schandaal zeggen.
Dat was met Roger Vangheluwe wel even anders.
Maar ja, dat was geen moslim.
Dat was een christen.

20140828-142656.jpg

Deze journalistieke stilte kan twee dingen betekenen.
1. De politieke correctheid is tot inzicht gekomen en weet, verpletterd door schuldgevoel, niet meer wat te zeggen.
2. De politieke correctheid geeft geen krimp en gaat gewoon door met het verzwijgen, relativeren en zelfs goedpraten van moslim-misdaden.

Toen ik Yves Desmets editoriaal aangekondigd zag met de woorden ‘ooit duikt de vraag op waarom onze generatie nooit haar verantwoordelijkheid genomen heeft’ rees even de hoop dat het lijden van de 1400 kinderen voor een kentering zou zorgen, maar ik werd al vlug uit m’n droom geholpen.
Desmet had het over de opwarming van de aarde, een politiek correct item eerste klas.
Business as usual dus.
Vooral zijn slotzin maakte duidelijk dat er niks zou veranderen: ‘Struisvogels zijn en blijven we, blind voor wat ons in het gezicht staart.’
Een waarheid als een koe, die de kern van de zaak raakt, maar die natuurlijk betrekking heeft op iedereen BEHALVE de politiek correcten.

Iemand als Yves Desmet ziet al een kwarteeuw wat moslims aanrichten in de wereld, maar hij weigert zijn ogen te geloven, hij steekt zijn kop in het zand.
Deze week bereikte de jihad een nieuw hoogtepunt: in het Oosten werden onschuldige volwassenen onthoofd, in het Westen werden onschuldige kinderen sexueel misbruikt.
Maar nóg trekken de politiek correcte struisvogels hun ogen niet open.
De vraag is of ze dat nog wel kúnnen.
Is het voor mensen als Yves Desmet überhaupt nog mogelijk om de kop uit het zand te trekken?
Kunnen ze de schuld onder ogen zien waaraan ze als overtuigde poco’s deel hebben?
Want de Desmets dezer wereld zijn medeschuldig aan zowel het misbruiken van 1400 kinderen als het valselijk beschuldigen van twee kinderleidsters.
En dat zijn maar enkele druppels in een zee van moslimgeweld.

20140828-142920.jpg

Is een mens in staat een schuld van een dergelijke omvang te dragen?

Met die vraag raken we de kern van de zaak.
Want de politieke correctheid is uit schuldgevoel geboren.
De moderne mens – en dat is in de eerste plaats de Westerse/Europese intellectueel – heeft een nieuw zelfbewustzijn ontwikkeld, een zelfbewustzijn dat hem confronteert met zijn dubbelganger, met de schuld dus die hij in het verleden op zich heeft geladen.
Voor die schuld deinst hij verschrikt terug.
Hij kan ze niet onder ogen zien, en hij wentelt ze van zich af, op de schouders van anderen.

Daardoor gebeuren er twee dingen.
1. Hij maakt zijn schuld nog groter, want hij doet precies wat de machthebbers altijd gedaan hebben: de schulden die ze maakten, afwentelen op de schouders van het volk.
2. Hij creëert een geestelijk vacuüm dat opgevuld wordt door moslims, die precies hetzelfde doen wat hij doet: de schuld op anderen afwentelen.

Geen van beiden zijn ze in staat de schuld onder ogen te zien van het geweld dat in hun naam gepleegd is, het Westerse geweld en het moslimgeweld.
Politieke correctheid en islam zijn dan ook twee handen op één buik.
Ze weerspiegelen elkaar, en geen van beide durft in die spiegel te kijken.
Ik wacht nog altijd op de eerste politieke correcteling die schuld bekent, net zoals ik nog altijd wacht op de eerste moslim die dat doet.
Allebei zingen ze nu al 25 jaar ononderbroken hetzelfde liedje: het is de schuld van de anderen.
Die ‘anderen’ zijn dat liedje intussen kotsbeu en beginnen de beschuldigingen terug te kaatsen: het is allemaal de schuld van politiek correcten en de moslims.
Zo ontstaat de vicieuze cirkel waarin de hele wereld vandaag gevangen zit.
Iedereen beschuldigt iedereen.

20140828-145112.jpg

De strijd van allen tegen allen, die Rudolf Steiner voorspelde, wordt steeds meer een realiteit.
Het wordt ook steeds duidelijker wie de grootste slachtoffers van die blinde strijd zijn: kinderen.
Zij dragen de schuld die de volwassenen niet onder ogen kunnen zien.
En het gaat niet alleen om fysieke kinderen.
In het centrum van al dat geweld staat het ‘innerlijke kind’, het diepste wezen van de mens.
En achter dat kind staat Christus, het mensheidskind qui tollis peccata mundi.

Het geestelijke vacuüm dat in het Westen is ontstaan en dat gevuld wordt met islamisme, bestaat in feite uit onbegrip voor Christus.
De schuld die het Westen op zich heeft geladen bij de ontwikkeling van zijn (christelijke) beschaving is inderdaad verpletterend.
Maar de moderne Westerling hoeft die schuld niet te dragen.
Christus doet dat voor hem.
De enige schuld die hij hoeft te dragen, is zijn persoonlijke schuld, de schuld die hij in zijn huidige leven te vereffenen krijgt.
In hoeverre die persoonlijke schuld vermengd is met de algemene beschavingsschuld kan hij niet weten en hoeft hij ook niet te weten.
Misschien was hij in een vorig leven wel een moslim, of een jood, of een indiaan, of een ander slachtoffer van de Westerse beschavingsdrang.
Misschien is het zelfs voor de eerste keer dat hij in het rijke Westen geboren wordt en heeft hij helemaal geen deel aan de verpletterende schuld die hij meent te torsen.
Hij kan onmogelijk weten welke schuld hem treft, tenzij hij zich beperkt tot zijn persoonlijke leven, want daarin betaalt hij terug wat hij werkelijk schuldig is.

Christus draagt niet alleen de algemene schuld van de mensheid, hij regelt – als ‘heer van het karma’ – ook de persoonlijke schuld van de mens.
Wie dus meent zich schuldig te moeten voelen aan de misdaden die de Westerse (eigenlijk Europese) beschaving op haar actief heeft, verloochent Christus.
Hij doet dat natuurlijk zonder het te weten, en in die onwetendheid ligt zijn ware schuld.
Want de Westerse (eigenlijk Europese) intellectueel beschikt over de vermogens om Christus te leren kennen, niet als naam, maar als werkelijkheid.
Het gaat er dus niet om dat hij zich bekent tot het christendom.
Atheïsme kan veel christelijker zijn dan overtuigde gelovigheid, denk maar aan Roger Vangheluwe.
Nee, het gaat om Christus als een hedendaagse realiteit.
En die is toegankelijk voor de moderne mens.

20140828-151520.jpg

Iemand als Yves Desmet beschikt over genoeg intelligentie om te begrijpen dat moslims en christenen niet gelijk behandeld worden in de pers.
Roger Vangheluwe bekende dat hij zich lang geleden vergrepen had aan een jongetje.
Meteen stond de pers in vuur en vlam.
Ze schreeuwde haar verontwaardiging uit.
Dat de feiten dateerden uit de tijd toen ze zelf niet zwaar tilde aan sex met kinderen (het was een vorm van vrije liefde) werd gemakshalve vergeten.
Ook het argument dat altijd wordt bovengehaald als de islam in het spel is, namelijk dat men het geheel niet verantwoordelijk mag stellen voor de fouten van een deel, werd nu zorgvuldig weggeborgen. De hele kerk, ja het christendom zelve was schuldig.
Iedereen met een beetje gezond verstand kon zien dat er met twee maten gemeten werd.
Iedereen kon ook voelen dat de berichtgeving buiten alle proporties was.

Ook vandaag weer kan men dat weer zien en voelen.
De Rotherham-affaire is een veel groter schandaal dan de affaire Vangheluwe en toch wordt ze als een veel kleiner schandaal behandeld.
De daders zijn moslims, maar dat wordt niet eens vermeld, laat staan dat de islam met de vinger wordt gewezen.
Het is zonneklaar dat christendom en islam totaal anders worden benaderd.
Het is ook zonneklaar hoe wraakroepend dat is, want overal ter wereld zijn het moslims die christenen onderdrukken, vervolgen en vermoorden.
Het omgekeerde gebeurt hoogst zelden en dan nog alleen in reactie op buitensporig moslimgeweld.
Yves Desmet beschikt over (meer dan) genoeg verstand én rechtvaardigheidsgevoel om de waarheid te erkennen die hem recht in het gezicht kijkt.
Maar hij doet dat niet.
Hij steekt zijn kop in het zand.
En wie dat niet doet, noemt hij een … struisvogel.

20140828-152458.jpg

Waarom?
Waarom doet zo’n verstandige en gevoelige man dat?
Waarom verloochent hij de waarheid?
Waarom verloochent hij de rechtvaardigheid?
Waarom verloochent hij Christus?

Hier duikt één van die christelijke beelden op waar we altijd weer bij uitkomen als we een actuele situatie herleiden tot zijn essentie: de verloochening van Petrus.
Waarom verloochende Petrus Christus?
Drie jaar lang had hij met hem samengeleefd en de meest ongelooflijke dingen beleefd.
Nu Christus gevangengenomen was, viel hij weer terug op zichzelf.
Hij was alleen, hij had het koud en hij was bang.
Hij was omringd door louter vijanden.
En hij bezweek.
Ik ken die man niet, zei hij.

20140828-152929.jpg

De Europese/Westerse intellectueel heeft eeuwenlang in een christelijke beschaving geleefd waar hij ongelooflijke dingen gezien en beleefd heeft.
Maar nu is de christelijke inspiratie van die beschaving verdwenen, en de Westerse mens wordt op zichzelf teruggeworpen.
Hij voelt zich alleen, de wereld is koud geworden en hij is bang.
Hij is omringd door louter vijanden.
Aan de ene kant staan de moderne Romeinen, de Amerikanen, die hem in hun macht willen krijgen.
Aan de andere kant staan de moderne joden, de moslims, die willen dat hij hen eert als het uitverkoren volk.
Allebei ontkennen ze Christus, de enen letterlijk, de anderen figuurlijk.
En de moderne intellectueel doet net hetzelfde.

Iemand als Yves Desmet – het prototype van de politiek correcte intellectueel – is eigenlijk voor de helft Amerikaan en voor de helft moslim.
Met die twee helften heeft hij deel aan de macht, de materiële én de geestelijke.
Rudolf Steiner zei 100 jaar geleden al: we zijn veel islamitischer dan we denken.
Hij had het over de geestelijke invloed van de islam, waartegen het christelijke Europa zich al zolang verzette.
Dat verzet was in Steiners tijd blijkbaar al duchtig aan het tanen, en vandaag is het zo goed als verdwenen.
Alleen enkelingen verzetten zich nog, maar daarvoor betalen ze een hoge prijs: ze delen het lot van Christus.
Ze worden bespot en gehoond, uitgestoten en vogelvrij verklaard.
Ze worden ‘aan het kruis geslagen’.

20140828-154030.jpg

Met name in Engeland is de politieke correctheid wurgend.
Wie van racisme beschuldigd wordt, verliest er meteen zijn job.
Iedereen is er zo angstvallig ‘correct’ dat moslims in Rotherham jarenlang op grote schaal kinderen konden misbruiken zonder dat iemand iets durfde te ondernemen.
Uiteindelijk is het ook dat wat Yves Desmet ertoe brengt zijn kop in het zand te steken: hij is bang zijn job te verliezen en alles wat ermee samenhangt: zijn reputatie, zijn inkomen, zijn vrienden, kortom zijn hele aangename leven.

Sinds Hannah Arendt kennen we de uitdrukking: ‘de banaliteit van het kwaad’.
Je wordt niet van de ene op de andere dag een politiek correcte coryfee.
Je wordt dat stap voor stap, en de ene stap is waarschijnlijk nog banaler dan de andere.
Een klein voordeel, een bewonderende blik, een uitgelezen etentje, een nieuwe auto, een handdruk van Herman Van Rompuy, dat soort dingen.
Het een leidt tot het ander en uiteindelijk kun je niet meer terug.

Het gaat dus niet alleen om de schuld die mensen als Yves Desmet niet meer onder ogen kunnen zien. Het gaat ook om fysiek en mentaal comfort waar ze niet meer zonder kunnen.
Kan men het zich voorstellen: Yves Desmet die ontslagen wordt bij De Morgen, die uitgespuwd wordt door de hele pers, die al zijn vrienden verliest, die moet gaan stempelen, die spitsroeden moet lopen tussen mensen die hij jarenlang gehoond en verketterd heeft, die ten einde raad werk moet gaan zoeken in de aardbeienpluk, zoals die hoogleraar, hoe heet hij ook alweer?
Kan men zich dat voorstellen?
Neen.
Hij zou het niet overleven. Het zou hem breken.
Want er is niets waar hij echt in gelooft.

De moderne mens, de Europese intellectueel, kan alleen nog in Christus geloven.
Christus is de enige realiteit waarop men kan terugvallen als alles in elkaar stort.
En dat is de keuze waarvoor we staan.
Kiezen we voor Christus of kiezen we voor een wereld die op instorten staat?

20140828-154702.jpg

Hoe die keuze er concreet uitziet, kunnen we aflezen aan de Rotherham-affaire.
Als de verantwoordelijken (de politie, het gerecht, de overheid, de volwassenen) hadden ingegrepen toen de kinderen misbruikt werden, zouden ze beschuldigd zijn van racisme en hun job verloren hebben.
Ze zouden door een hel zijn gegaan, net als de kinderen.
Ze zouden hetzelfde lot gedeeld hebben.
Maar dat hebben ze niet gedaan, ze hebben de kinderen in de steek gelaten en hun eigen hachje gered.
En nu krijgen ze de rekening gepresenteerd.
Ze zullen overladen worden met alle zonden Israëls en de woestijn in gestuurd.
Want de politiek correcte gemeenschap zal geen mea culpa slaan, maar doen wat ze altijd al gedaan heeft: de schuld op andermans schouders laden.

Nadat de zondebokken geofferd zijn, zal de vicieuze cirkel als vanouds draaien.
Er zullen opnieuw kinderen misbruikt worden, volwassenen onthoofd, mensen vernietigd.
Want het kruis is niet te vermijden.
De wederkomst van Christus is een feit.
We kunnen er niets aan veranderen.
We kunnen het alleen accepteren of negeren.
We kunnen Christus volgen of verloochenen.
Dat is de enige keuze die we hebben.
Maar het is dan ook de belangrijkste en beslissendste keuze.

20140828-155347.jpg

Aan het strand

Het was augustus, de zon scheen en het was vloed.
Ik liep langs de zee en zag hoe ze telkens een dun laagje water over het strand spoelde en zich snel weer terugtrok, terwijl het zand opdroogde.
Hé, dacht ik, de zee is een aquarellist!
Een aquarel maak je namelijk door papier te bedekken met een dun laagje (gekleurd) water dat je vervolgens laat opdrogen.
En dat telkens weer opnieuw, net zoals de zee.
Goed aquarelpapier heeft trouwens een uitgesproken ‘zanderig’ oppervlak en het bedekken ervan gebeurt snel en vloeiend zoals ook de zee dat doet.

Maar de verwantschap gaat verder dan dat.
Iemand omschreef aquarelleren ooit als ‘spelen met gekleurd water’.
Een aquarel laat inderdaad niet toe dat er (lang) op gewerkt wordt.
Ze verliest dan snel haar frisheid en helderheid.
Het schilderen dient speels te gebeuren.
Paradoxaal genoeg eist aquarelleren juist daarom veel ernst en concentratie: er kan immers veel verkeerd gaan en er kan weinig hersteld worden.
Het is dan ook zeer bedrieglijk om een aquarellist aan het werk te zien.
Hij lijkt alles eenvoudig, snel en moeiteloos te doen – alsof er geen kunst aan is – maar wat men niet ziet, zijn de lange jaren van hard werken en pijnlijk mislukken die aan dit kunnen-spelen zijn voorafgegaan.

20140826-152808.jpg

Aquarelleren doe je buiten alleen maar in de zomer, als de zon je papier doet drogen.
Ook op het strand wordt er alleen in de zomer gespeeld.
Mensen komen er om zich te amuseren, om zich te ontspannen.
Niets zo typisch voor het strandleven als spelende kinderen die druk in de weer zijn met hun emmertje en hun schepje.
Alleen al het kijken ernaar werkt ontspannend (sic).
Ze bouwen hele zandkastelen.
Ingespannen zijn ze bezig.
Maar hun werk is tegelijk een spel.

Bij de volwassenen is dat niet het geval.
Soms tennissen of voetballen ze wel een beetje, maar lang duurt dat nooit.
Het grootste deel van de tijd liggen ze gewoon op het zand en doen helemaal niks.
Daarom gaan ze ook naar zee: om niks te doen, om te ontspannen van het harde werken.
Het kinderlijke spelen is bij hen namelijk uiteengevallen in werken en ontspannen.
Volwassenen werken veel te ernstig dan dat ze nog speels zouden kunnen zijn.
Dat zie je goed aan al die zonnekloppers die roerloos in het zand liggen.
Ze doen niks en toch kan er geen glimlach af.
Ontspannen is voor hen een even ernstige zaak als werken.
Ze hebben die ontspanning nodig om zo hard te kunnen werken en ze moeten zo hard werken om zich überhaupt te kúnnen ontspannen.
De meeste strandgasten hebben een heel jaar gewerkt om tijdens de zomer een paar weken aan zee te kunnen doorbrengen.
Daar proberen ze dan ook het maximum uit te halen.
Van ’s morgens tot ’s avonds liggen ze roerloos in de zon.
Af en toe ‘vertreden’ ze zich, gaan een eindje wandelen of een beetje zwemmen, maar daarna gaan ze weer aan de slag: ze laden hun batterijen op, ze laten zich vollopen met licht, ze proberen alle opgestapelde ‘duisternis’ uit hun systeem te verdrijven.
Hun comateuze niets-doen is eigenlijk het spiegelbeeld van hun harde werken tijdens het jaar: hetzelfde maar omgekeerd.

20140826-152935.jpg

Niet zelden is het zwaarste deel van dat werk de zorg voor de kinderen.
Als die zorg op het strand (grotendeels) wegvalt omdat de kinderen het veel te druk hebben met spelen, dan komt er een lichte staat van euforie over de ouders.
Die euforie is de onzichtbare keerzijde van dat voor pampus liggen in de zon.
Bevrijd van hun zorgen geven de zonnekloppers zich over aan de zon, aan de zee, aan de elementen.
Ze worden helemaal lichaam, en daardoor worden ze ook één met de natuur.
Aan zee lukt dat nog vrij gemakkelijk want de natuur bevindt zich daar nog in zijn meest ‘elementaire’ vorm: aarde (zand), lucht (wind), water (zee), en vuur (zon).
De overgave aan deze nog kosmische, grenzeloze natuur gebeurt heel bewust.
Zonnekloppers lijken halfdood omdat hun aandacht helemaal naar binnen gekeerd is.
In feite bevinden ze zich in een toestand van meditatie die het volstrekte tegendeel is van het naar-buiten-gekeerd-zijn wanneer ze werken.
Wie zich vrolijk maakt over al die naakte, comateuze strandliggers, moet zich ook vrolijk maken over de gekostumeerde workaholics in het ‘binnenland’.
En als we die twee dan naast elkaar zien, vergaat het lachen ons.
Want er wordt een diepe tragiek zichtbaar: het verlies van het speelse midden, het verlies van het kind-zijn.

De volwassen mens zit in de greep van de uitersten.
Bij de comateuze zonneklopper is dat de greep van Lucifer: helemaal naar binnen gekeerd, vol overgave aan de kosmos, als een mediterende Oosterling.
Bij de hollende workaholic is dat de greep van Ahriman: helemaal naar buiten gekeerd, in de ban van de materie, als een Westerse streber.
En daartussen staat het kind: steeds eenzamer, steeds minder in staat om te spelen en zichzelf te zijn.
Spelen is een uitzondering geworden.
De regel is werken en ontspannen, en met geen van beide valt nog te lachen.

20140826-153505.jpg
(Vroeger was het beter)

Wie op het strand zit te aquarellen – lees: te spelen met gekleurd water – beseft heel goed hoe uitzonderlijk dat is.
Ik was waarschijnlijk de enige schilder aan de hele Belgische kust.
Je ziet vandaag immers geen mensen meer buiten schilderen.
De kunst is ‘binnenskamerser’ geworden dan ooit.
Ik herinner me nog dat ik op een keer buiten stond te schilderen toen er een schoolklas passeerde.
In een mum van tijd was ik omringd door verbaasde kinderen.
Dit hebben we nog nooit gezien! riepen ze uit.
Eén jongetje stond ostentatief in zijn ogen te wrijven en herhaalde keer op keer: ik kan het niet geloven, ik kan het niet geloven!
In zijn ogen was ik een soort mythische figuur waar hij wel eens had horen over vertellen maar waarvan hij zich niet kon voorstellen dat dat hij echt bestond.
Het was vermakelijk en pijnlijk tegelijk.

Want wat betekent het dat kunstenaars niet meer buiten schilderen, zeker in Vlaanderen niet?
De Grote Revolutie in de kunst vond plaats toen de impressionisten hun atelier verlieten en in de natuur gingen schilderen.
Ze deden hetzelfde als de ontelbare mensen die in de zomer naar zee trekken: ze onttrokken zich aan de verstikkende greep van Ahriman door zich in de armen van Lucifer te werpen.
Het resultaat was een kunst die zich volzoog met zon en licht, een kunst die alle ernst van zich afwierp en opnieuw begon te spelen.
Het was een plezier om naar die kinderlijke kunst te kijken en ze werd dan ook populairder dan een kunst ooit geweest is.
Maar de ‘vakantie’ duurde niet lang.
De kunst raakte weer in de greep van Ahriman, en die greep was verstikkender dan ooit.
De kunst had immers ervaren hoe ze eigenlijk zou moeten zijn: speels en kinderlijk.
Ze had weer contact gemaakt met haar eigen wezen, en dat kon ze niet meer vergeten.
Het maakte de gedwongen terugkeer naar de oude toestand – opgesloten in het atelier, afgesloten van de wereld – tot een kwelling.

20140826-153900.jpg

De kunst maakte na het impressionisme in het groot mee wat ik vandaag in het klein meemaak.
Na een week lang aan zee te hebben geschilderd en op die manier het spelende kind in me gewekt te hebben, is de terugkeer naar de ‘gewone’ wereld nauwelijks te dragen.
Verleden jaar had ik dat niet.
Maar ik heb toen ook niet of nauwelijks geschilderd.
Het was meer dan 25 jaar geleden dat ik nog met vakantie was geweest en dus had ik het veel te druk met luieren en niks doen.
Toen ik terug thuis kwam, voelde ik me helemaal opgefrist.
Ik draaide de knop probleemloos weer om.
Van Ahriman naar Lucifer en omgekeerd: dat gaat vanzelf.
Iedereen doet dat.
Moderne mensen houden werk en ontspanning strikt gescheiden: ze pendelen heen en weer tussen beide.
Kunstenaars kunnen dat niet.
Hun werk is spel tegelijk, en als het dat niet is, stelt het niet veel voor.
Het behoort tot het wezen van de kunst dat die twee één zijn.
En dat heeft tot gevolg dat de kunstenaar geen knop kan omdraaien.
Hij kan Lucifer niet vergeten en al zijn aandacht weer op Ahriman richten.
Hij ervaart de druk van beide tegelijk, en hij ervaart die druk ook nog eens als een kind, dat wil zeggen: zonder verweer.

Ik moet me dan ook tot het uiterste inspannen om weer greep te krijgen op mezelf, op mijn leven, op alle dingen die na die vakantieweek tegelijk over me heen vallen.
Maar ‘inspannen’ is niet het juiste woord.
Het is veeleer een uithouden van de onmacht.
Ik mag er niet aan denken wat er zou gebeuren als ik niet het mensbeeld van de antroposofie had, dat me als een geraamte belet om helemaal in elkaar te zakken.

20140826-154307.jpg

Ik maak me dan ook sterk, op gevaar af aan projectie te doen, dat de kunst zich na haar impressionistische ‘vakantie’ in de armen van Ahriman heeft geworpen om verlost te raken van de ondraaglijke kwelling die de confrontatie van het (opnieuw) spelende kind met Ahriman betekende.
Juist omdat ze de knop niet konden omdraaien en ook omdat ze niet over een mensbeeld beschikten dat hen overeind hield, hebben ze aan Ahriman niet alleen gegeven wat des Ahrimans is, maar hebben ze zich helemaal aan hem overgeven, het ‘spelende kind’ incluis.
Daardoor zijn ze – veel meer dan mensen die spel en werk zorgvuldig gescheiden kunnen houden – in de greep van de tegenmachten geraakt.
Het levert beelden op die zo pijnlijk zijn dat niemand ze kan geloven.
Men staat tegenover de ‘geahrimaniseerde’ kunst zoals dat in zijn ogen wrijvende jongetje tegenover mij stond toen hij mij zag schilderen: alsof het een soort mythische werkelijkheid is die niet echt bestaat.
De beelden van de hedendaagse kunst worden niet als echt ervaren.
Ze worden van iedere realiteit ontdaan door ze te herleiden tot abstracte, intellectuele begrippen.
Alleen op die manier kan men ze nog onder ogen zien.
Maar dat ‘zien’ is in feite een vorm van blindheid die veel erger is dan fysieke blindheid.
Want deze laatste kan men niet negeren.
Kunstblindheid beseft men echter helemaal niet.
Wel integendeel, hedendaagse ‘kunstkenners’ voelen zich halve helderzienden, ver verheven boven de gewone kijker.

Deze arrogante blindheid voor de realiteit van de kunst – die in wezen een blindheid is voor de geestelijke dimensie van de werkelijkheid – wordt echter zwaar betaald.
Ze wordt betaald met de stelselmatige (zelf)vernietiging van alle volwassen vermogens die de mens met zoveel moeite ontwikkeld heeft.
De moderne ‘kunstkenner’, niet in staat de realiteit van de hedendaagse kunst onder ogen te zien, herleidt zichzelf tot een kind, maar dan wel tot een kind dat niet langer beschermd en verzorgd wordt door zijn ouders, dat wil zeggen door het (mannelijke) verstand en het (vrouwelijke) gevoel.
Dat kind kan zich niet verweren tegen de geest die achter de blasfemische beelden van de hedendaagse kunst schuilgaat.
Het doet en zegt precies wat die geest het voordoet en voorzegt.

20140826-154457.jpg

Als ik kunstenaars bezig zie met pispotten en kakmachines, dan moet ik mezelf dwingen te denken: ze hadden als kind, als opgroeiende kunstenaar-in-spe geen andere keuze dan zich over te geven aan de antichristelijke geest die de (officiële) kunst in zijn greep heeft.
Het was dát of hun kunstdroom opgeven.
En dat kan een kunstenaar niet.
Maar de ‘volwassenen’, de kijkers, de kunstliefhebbers: die hebben wél een keuze.
Zij zijn niet verplicht om hun gevoel en hun verstand het zwijgen op te leggen om erbij te kunnen horen.
Dat ‘erbij horen’ heeft voor hen lang niet dezelfde gevolgen als het voor jonge kunstenaars heeft.
En toch gaan ze voor de bijl.
Als ik weer eens een kunstliefhebber ontmoet die zich inspant om erbij te horen, om ‘hedendaags’ en ‘van zijn tijd’ te zijn, dan moet ik mijn verontwaardiging bedwingen, want in mijn ogen is hij de zoveelste volwassene die ‘het spelende kind’ in de steek laat.
Ik moet mezelf dan dwingen om te begrijpen hoe het zover is kunnen komen.
Verontwaardiging brengt me immers geen stap vooruit, wel integendeel.

20140826-155330.jpg

En dus span ik mij in om het spelende kind te begrijpen in zijn relatie met de volwassenen.
Aan zee, schilderend op het strand, had ik volop de gelegenheid om beiden gade te slaan, zowel buiten mezelf als in mezelf.
Overal om me heen waren kinderen aan het spelen en ik was gewoon één van hen: ik werkte en speelde tegelijk.
Maar ik was ook een volwassene: ik wisselde werk en ontspanning af.
Dat ligt namelijk in de aard van de aquarel: je werkt even heel hard en geconcentreerd, en dan moet je wachten tot het papier droog is.
Aan die afwisseling ontkom je niet.
Eigenlijk deden we allemaal hetzelfde: de kinderen, de volwassenen en ikzelf.
Aan dat rijtje kun je ook nog de zee toevoegen, want ook zij ‘aquarelleerde’.
Er bevonden zich op het strand dus vier niveaus van bewustzijn: het slapende bewustzijn van de natuur, het dromende bewustzijn van het kind, het wakkere bewustzijn van de volwassene, en het bewustzijn van de kunstenaar.
Samen vormen ze een evolutionaire ketting.
Ieder kind wordt geboren uit de ‘moederzee’.
Ieder kind wordt volwassen.
Iedere volwassene wordt kunstenaar.
Want kunstenaar word je als je probeert de dingen die je doet beter te doen.
En dat wil toch ieder mens?
De enorme verbeteringsdrift die de moderne mens bezielt, wijst erop dat hij kunstenaar aan het worden is en dat hij een volgend bewustzijnsniveau bereikt.

20140826-155507.jpg

Maar dat kunstzinnige bewustzijnsniveau is tegelijk een keerpunt.
De kunstenaar begint weer te spelen als een kind.
Wat bij de volwassene in twee gedeeld is, voegt hij weer samen: werk en ontspanning worden één.
Daardoor komt de kunstenaar echter in botsing met de volwassene, die de twee juist strikt scheidt.
Twee tegengestelde bewustzijnsniveaus staan nu tegenover elkaar: het wakker oordelende maar gespleten bewustzijn van de volwassene en het dromerig scheppende eenheidsbewustzijn van de kunstenaar.
Voor het eerst in de bewustzijnsontwikkeling van de mens staan oordeelskrachten en scheppende krachten als gelijken tegenover elkaar.
Tot nog toe zijn ze altijd na elkaar gekomen, elkaar ritmisch afwisselend zoals eb en vloed.
Bij de volwassenen is dat duidelijk: ze werken het hele jaar en gaan dan twee weken naar zee om een beetje afstand te nemen van al dat werken.
Maar ook bij de kunstenaar vinden we die afwisseling, zij het veel sneller: hij neemt telkens weer afstand van zijn kunstwerk-in-wording, beoordeelt het en werkt er dan verder aan.
Zelf God kon niet tegelijk scheppen en oordelen: eerst moest hij de wereld scheppen, en pas daarna, op de zevende dag toen hij rustte, kon hij zien dat het goed was.

De mens kan die regel niet doorbreken, hij kan niet tegelijk scheppen en oordelen.
Zelfs wanneer hij het tempo van de afwisseling sterk opdrijft, zoals de kunstenaar dat doet, blijft de oer-tegenstelling bestaan.
Ze wordt zelfs zeer prangend, juist door het enorme verschil in tempo.
Terwijl de afwisseling bij de volwassene als het ware over een heel jaar is verspreid en het zelfs de vraag is of hij tijdens zijn jaarlijkse vakantie aan oordelen toekomt, gaat ze bij de kunstenaar steeds sneller: zijn oordeelskrachten zijn zo sterk geworden dat het zelfs de vraag is of hij tijdens zijn werk nog aan scheppen toe komt.
Kunstenaar en volwassene zijn elkaar dicht genaderd.
De moderne volwassene is bezeten van de drang om alles te verbeteren: hij wil kunstenaar worden.
De moderne kunstenaar is bezeten van de drang om alles bewuster te doen: hij wil volwassen worden.
Maar juist doordat ze zo dicht naar elkaar toe zijn gegroeid, is de spanning tussen hen te snijden. Want oordelen en scheppen blijven tegenpolen.
Ze laten zich niet verenigen, integendeel.
Ze bestrijden elkaar op leven en dood.

Ziedaar het Grote Drama van onze tijd, zoals het tot uitdrukking komt in de ontelbare conflicten waarbij twee tegengestelde partijen onverzoenlijk tegenover elkaar staan.
Om er maar één te noemen: het conflict tussen het Westen en de islam.
Het actieve Westen met zijn blinde scheppingsdrift.
De inerte islam met zijn onverzoenlijke oordeel.
Alle hedendaagse conflicten kunnen herleid worden tot dat ene oerdrama: de confrontatie van scheppende en oordelende krachten.
De spanningen van die confrontatie lopen zo hoog op dat ze explosief worden.
We leven in een wereld van explosies, letterlijke en figuurlijke, uiterlijke en innerlijke.
Zelfs mensen exploderen.
Ja, de hele menselijke beschaving dreigt opgeblazen te worden.

20140826-155915.jpg

Slechts één ding kan die zelfvernietiging tegenhouden, en dat is een verzoening tussen oordeelskrachten en scheppende krachten.
Zolang er geen brug wordt geslagen tussen die twee tegenpolen, is het dweilen met de kraan open.
De menselijke bewustzijnsontwikkeling heeft een cruciaal punt bereikt.
Er moet iets gebeuren wat nog nooit gebeurd is sinds de schepping van de wereld: oordelen en scheppen moeten met elkaar verenigd worden.
Daarom zei Rudolf Steiner dat we vandaag een keerpunt beleven zoals er nog nooit één geweest is.
Daarom deed hij tijdens de Weihnachtstagung ook iets wat nooit voorheen gebeurd was: hij voegde samen wat altijd gescheiden was geweest.
Daarmee legde hij de grondslag voor de wereld van de toekomst.

Het is goed om aan de Weihnachtstagung te denken als we kijken naar de gigantische problemen waarmee de mensheid vandaag geconfronteerd wordt.
Want die kerstbijeenkomst van 1923 was uiterlijk gezien zeer onaanzienlijk.
Ze vond bijna letterlijk plaats in een stal.
Daaraan kunnen we aflezen dat de oplossing van die overweldigende problemen begint op een (uiterlijk) zeer bescheiden niveau.
Ik denk bijvoorbeeld aan het strand, waar spelende kinderen en rustende volwassenen in vrede samenleven.
Wat is er eenvoudiger, bescheidener en onaanzienlijker!
En toch is het een oersituatie: het harmonisch samengaan van scheppende krachten en oordeelskrachten op een plek die er nog altijd uitziet als toen God land en water van elkaar scheidde.

20140826-160356.jpg

Op het strand bevinden we ons als het ware aan het begin van de schepping, niet alleen van de oude maar ook van de nieuwe.
Want de enige oplossing voor de huidige wereldproblemen ligt in de schepping van een nieuwe wereld.
Op een andere manier kunnen beide oerkrachten – het vrouwelijk-scheppende en het mannelijk-oordelende – niet met elkaar verzoend worden.
Er moet een nieuwe wereld worden geschapen: een kinderlijk-volwassen wereld.
Iets anders zit er niet op.
Maar hoe gigantisch die taak ook lijkt, ze is tegelijk heel eenvoudig.
Ze is gewoon een voortzetting van wat de zee spelenderwijs doet, en wat de mens nadoet wanneer hij speelt als kind, werkt en ontspant als volwassene, schildert als kunstenaar.
Telkens doet de mens hetzelfde, maar een beetje bewuster.
En zo begint ook de Nieuwe Schepping, de schepping van een Nieuwe Wereld: met de bewustwording van het stadium dat de mens nu bereikt heeft: het kunstzinnige stadium.

20140826-161136.jpg

Aan de verbeterdrift waardoor de moderne mens bezeten is, kunnen we aflezen dat hij een kunstenaar is geworden.
Aan de verontwaardiging waarin hij ontsteekt van zodra iets niet is zoals het hoort te zijn, kunnen we aflezen dat hij tegelijk een kunstcriticus is geworden.
Zowel zijn scheppende als zijn oordelende krachten hebben een hoogtepunt bereikt.
Er is maar één probleem: hij weet het niet.
Hij is zich niet bewust van de situatie waarin hij zich bevindt, en daardoor gaan beide oerkrachten hun eigen gang zonder dat hij er enige controle over heeft.

In feite kunnen alle huidige wereldproblemen daartoe herleid worden: de mens kent zichzelf niet.
Hij weet niet wat er zich in zijn ziel afspeelt.
Hij weet niet dat de Oude Schepping afgelopen is en dat hij aan de Nieuwe Schepping begonnen is.
En juist doordat hij dat niet weet, is hij een vernietiger geworden, een kunstenaar die denkt dat hij een nieuwe wereld schept, maar in feite alleen de oude vernietigt.

De keuze waarvoor hij staat, is dus niet: kunstenaar worden of geen kunstenaar worden.
De keuze is: een scheppend kunstenaar worden of een vernietigend kunstenaar.
De Nieuwe Wereld komt er hoe dan ook, maar of het een menselijke dan wel een onmenselijke wereld zal worden, hangt af van de mate waarin de mens zich bewust wordt van zijn kunstenaarschap, van zijn scheppende krachten.
Want scheppende krachten en oordeels- of bewustzijnskrachten kunnen maar op twee manieren met elkaar verbonden worden: ten goede en ten kwade.
Een tussenweg is er niet.

Hoe dat precies in zijn werk gaat: daarover volgende keer meer.

20140826-161347.jpg

Argo

Verleden week hebben we nog eens naar een film gekeken.
Argo, van (regisseur) en met (acteur) Ben Affleck, won verleden jaar de Oscar van de beste film.
Of het werkelijk de beste film van het jaar was, weet ik niet.
Het zou best kunnen, want de klad zit al een tijdje in de filmwereld.
Argo is dus geen geweldige prent.
Maar het is wel een typisch Amerikaans-pattriottische film.
En dat kan best de doorslag gegeven hebben bij Oscar-toekenning.

20140825-170107.jpg

Waarover gaat het?

Argo is de verfilming van een waar gebeurd verhaal: de bevrijding van zes diplomaten tijdens de gijzeling in de Amerikaanse ambassade in Teheran in 1979.
Het was de tijd van de ayatollah Khomeiny en er werd in Iran hevig betoogd om de uitlevering te eisen van de sjah van Perzië die in Amerika asiel had gekregen.
Tijdens één van die betogingen klommen protesteerders over het hek van de Amerikaanse ambassade en bestormden het gebouw, waar zich op dat moment 56 mensen bevonden.
Zes ervan konden ontsnappen via een achterpoortje en vonden onderdak in een andere ambassade, die van Canada.
Over die zes gaat het verhaal.
Over de 50 gijzelaars wordt in de film niet gerept.
Maar hun lot (ze werden uiteindelijk vrijgelaten) leende zich dan ook niet tot een verfilming.
De ‘exfiltratie’ door een CIA-agent die zich in het hol van leeuw waagde, leverde veel spannender filmmateriaal op.

Argo is echter niet alleen spannend.
De CIA had er, als ontsnappingsplan, niets beters op gevonden dan de zes diplomaten te laten doorgaan voor … een filmploeg.
De zes waren zogezegd in Teheran om prospectie te doen voor de film ‘Argo’, over de landing van een ruimtetuig in Teheran, bemand met bewoners van een andere planeet.
Argo gaat dus over een verhaal dat echt gebeurd is en een film die nooit verfilmd werd.
Het echt gebeurde verhaal werd bovendien jarenlang verzwegen en vervangen door een fictief verhaal.
Het verzonnen SF-verhaal werd dan weer onderdeel van een zeer reële werkelijkheid: de redding van zes reële mensen.
Of hoe in Argo fictie en werkelijkheid op een verwarrende manier door elkaar lopen.

20140825-170159.jpg

Doordat de film zo spannend is, zit je helemaal in het verhaal, temeer daar je weet dat het allemaal echt gebeurd is.
Het is tegenwoordig niet moeilijk meer om je het lot voor te stellen van Amerikanen die in handen vallen van fanatieke moslims.
Dat helpt bij de suspension of disbelief.
Maar als de film gedaan is en de spanning weggeëbd, komt het ongeloof in alle hevigheid opzetten.
Wát een krankzinnig verhaal!
Mensen bevrijden uit handen van religieuze fanatici door ze te vermommen als … filmmakers!
Dat is zelfs volgens Hollywoodnormen al te gek.
De film zakt dan ook als een soufflé in elkaar.
Hoe meer je erover nadenkt, hoe ongeloofwaardiger het allemaal wordt.

Tot je je realiseert dat wat je gezien hebt, echt gebeurd is.
Die zes diplomaten hebben echt bestaan.
Ze bestaan trouwens nog altijd en komen in de extra features aan het woord.
Ook CIA-agent Tony Mendez was (en is) echt.
Net als de gijzeling in Teheran, en de ayatollah Khomeiny, en al die fanatieke moslims.
Allemaal méér dan echt.
Maar … ook dat van de pot gerukte bevrijdingscenario was dus echt!
De CIA is werkelijk op de proppen gekomen met een plan dat zelfs niet in een Hollywoodbrein was opgekomen.
En ze heeft het nog uitgevoerd ook.
Die krankzinnige fictie was met andere woorden werkelijkheid, harde en ernstige werkelijkheid, want de CIA staat er niet om bekend dat ze veel vermaak verschaft.

20140825-170312.jpg
(De echte zes)

Beide films – de reële Oscar-winnaar en de fictieve SF-film – dragen dezelfde naam: Argo.
Geen mens die weet wat die naam betekent.
In de (reële) film wordt daar trouwens flink de draak mee gestoken.
Argo is een Hollywoodfilm waarin Hollywood zichzelf op de hak neemt.
Dat is verre van ongewoon.
Er wordt in Europa graag smalend en geringschattend gedaan over Hollywood, maar niemand is kritischer voor Hollywood dan Hollywood zelf.
De Amerikanen bezitten een indrukwekkend vermogen tot zelfrelativering.
En het is een gezonde zelfrelativering: nietsontziend en toch vol humor.
Het ziekelijke, humorloze zelfrelativeren van Europa steekt daar schraal tegen af.
Maar nog veel groter is de tegenstelling met het onvermogen van de doorsnee moslim om naar zichzelf te kijken en met zichzelf te lachen.
De ayatollah Khomeiny was daar het prototype van: men kan zich niet voorstellen dat die man ooit gelachen heeft in zijn leven, laat staan met zichzelf.

Hollywood kan dat dus wel, en nog geen klein beetje.
Maar er is nog iets: Hollywood wéét dat.
Het is er zich van bewust dat het beschikt over de allerbeste eigenschap waarover de mens beschikt, en dat is het vermogen om naar zichzelf te kijken.
Wat de mens onderscheidt van alle andere wezens is precies dat vermogen tot zelfbewustzijn.
Maar zelfbewustzijn heeft ook een keerzijde: de hoogmoed.
Als de mens zich bewust wordt van zijn eigen vermogens wordt hij hoogmoedig, en hoogmoed komt voor de val.
Het is de zondeval in een notedop: God gaf de mens een kostbaar geschenk – het vermogen tot zelfbewustzijn – maar de mens moest daarvoor betalen.
En hij betaalt nog altijd.
Aan de fanatieke moslims van vandaag kunnen we aflezen tot wat voor onmenselijkheid hoogmoed kan leiden.
Het toont ook aan wat er ontbreekt aan hun zelfbewustzijn: humor, zelfrelativering.
Ze raken in een luciferische roes als ze zich bewust worden van hun eigen vermogens.
Die roes is tegelijk een bescherming tegen de bewustwording van hun onvermogen.
De moslimwereld is eigenlijk een niet-kreatieve wereld.
Overal waar de islam aan de macht komt, verdwijnt langzaam maar zeker alle kreativiteit en blijft er alleen maar geestelijke en materiële armoede over.
Het is die armoede die de massale emigratie van onze tijd heeft doen ontstaan.
Maar door die emigratie werd de moslimwereld ‘aangestoken’ door het zelfbewustzijn van het Westen, en dat zelfbewustzijn werkt in twee richtingen: het maakt een mens bewust van zijn vermogens, maar ook van zijn onvermogens.
Het onvermogen van de moslimwereld is – na eeuwen van islamisering – zo groot geworden dat het bijzonder pijnlijk moet zijn om het onder ogen te zien.
Daarom wordt het bewustzijn van de eigen vermogens opgeblazen tot een ziekelijke hoogmoed, met alle gevolgen van dien.

20140825-170502.jpg

We treffen die hoogmoed natuurlijk ook aan bij de Amerikanen.
Films als Argo zijn legio in Hollywood: ze zingen de lof van de Amerikaanse voortreffelijkheid.
Maar ze doen dat op een heel andere manier dan de fanatieke moslims.
Ze doen dat op een … kunstzinnige manier.
Ze zoeken – en vinden ook – een evenwicht tussen de luciferische hoogmoed en de ahrimanische zelfveroordeling.
Dat evenwicht is niet volmaakt, maar het is menselijk.

Hollywood is zich zeer bewust van de Amerikaanse voortreffelijkheid.
Hollywood is zich ook bewust van Amerika’s kwalijke kanten.
Het is zich dus bewust van Amerika’s luciferische én ahrimanische zijde.
In die zin is het een christelijk bewustzijn, een bewustzijn dat het midden houdt tussen de tegenpolen.
Maar aan dit bewustzijn ontbreekt nog iets.
Het is zich niet bewust van zichzelf.
Het is christelijk, maar het weet het niet.
En dat is een groot verschil, een zeer groot verschil.
Rudolf Steiner drukt het als volgt uit: waar we nood aan hebben is niet Christus, want die is er, maar bewustzijn van Christus.
Antroposofie is in de grond dan ook: bewustzijn van het christelijke wezen van de mens.

Het Amerikaanse zelfbewustzijn zoals het tot uitdrukking komt in films als Argo is christelijk van aard, juist omdat het het midden houdt tussen luciferische zelfverheffing en ahrimanische zelfveroordeling.
Deze twee aspecten zijn altijd aanwezig in de betere Hollywoodfilms en dat maakt deze films tot de beste voorbeelden van christelijke hedendaagse kunst (drie begrippen die in feite synoniemen zijn).
Het christelijke zelfbewustzijn van de hedendaagse mens bereikt in deze films zijn hoogste niveau, en ik zou graag kunnen zeggen dat de Europese film dit niveau ook bereikt, maar dat is helaas niet waar.
De Europese opgave ligt mijns inziens dan ook niet op dit (kunstzinnige) vlak.
Ze ligt in de bewustwording van dit Amerikaanse of Westerse kunstzinnige bewustzijn.
Want dit Westerse bewustzijn is een beeldend bewustzijn, geen helder begrippelijk bewustzijn.
Het zelfbewustzijn dat leeft in (het kruim van) de Amerikaanse film is dromerig en kunstzinnig van aard.
En dat is niet genoeg.
Het is de taak van (het kruim van) Europa om deze zelfbewustwording verder te zetten, om de stap te zetten van droom naar werkelijkheid, van beeld naar begrip.
Dit ‘kruim’ van Europa is de antroposofie.
Alleen de antroposofie beschikt over de begrippen en inzichten waarmee het christelijke en eigentijdse zelfbewustzijn dat leeft in de (Westerse) kunst helemaal in het licht van het heldere bewustzijn getild kan worden.

20140825-170853.jpg

Met deze opgave houdt de Europese antroposofie het midden tussen Oost en West.
Cultureel en materieel heeft Europa namelijk deel aan de Amerikaanse rijkdom.
Maar geestelijk en innerlijk heeft het deel aan de islamitische armoede.
De toestand van de Europese antroposofie is veel evenwichtiger dan de toestand van de moslimwereld. Maar haar kwijnende bestaan en gebrek aan dynamiek vertonen er toch een sterke verwantschap mee, terwijl ze anderzijds schril afsteken bij de Amerikaanse kreativiteit.
De gevaren die de antroposofie bedreigen, zijn dan ook hoogmoed en zelfveroordeling.
En net als bij de moslims verbergt of compenseert de antroposofische hoogmoed het bewustzijn van eigen falen.
Dit falen komt nergens zo duidelijk tot uiting als in de volkomen blindheid van de Europese antroposofie voor het christelijk-esoterische karakter van de Amerikaanse film.
En hoogmoed speelt hier een cruciale rol.
De Europese antroposoof kan zich eenvoudigweg niet voorstellen dat er in de Amerikaanse filmkunst iets zou leven waarvan hij niet alleen veel kan leren maar waaraan hij zich ook dienstbaar zou moeten maken in die zin dat hij de beelden die in Hollywood ontstaan, zou moeten doordringen met de inzichten van de antroposofie.
Een dergelijke ‘vernedering’ ervaart hij als zodanig schokkend dat hij er zich hermetisch voor afsluit, en daardoor een schuld op zich laadt die zijn vooruitgang nog meer vertraagt en die hem nog meer doet vluchten in hoogmoedig isolement.
Ik spreek uit ervaring.

Waar zit nu dat fameuze ‘christelijke zelfbewustzijn’ in een film als Argo?
Wel, het zit simpelweg in het bewustzijn van de rol die kunst speelt in onze tijd.
De gijzeling in Teheran in 1979 was harde realiteit, kunst was er in de verste verte niet mee gemoeid.
Het was niet alleen een harde realiteit, het was ook een zeer actuele realiteit, een realiteit die sindsdien alleen maar actueler is geworden: de tegenstelling tussen de Westerse wereld en de moslimwereld.
De recente onthoofding van James Foley werpt een scherp licht op het lot van de zes diplomaten in Argo.
Als zij gesnapt waren geweest door de mannen-van-Khomeiny dan riskeerden zij een gruwelijke en vernederende dood.
Het is dus de allerhardste en alleractueelste realiteit die in deze film aan bod komt.
En wat wordt er als oplossing voor deze realiteit voorgesteld?
Het alleronwaarschijnlijkste: een kunstwerk, een film.
Dat dit überhaupt opkomt in het brein van onkunstzinnige mensen als CIA-agenten, geeft aan dat er nieuw bewustzijn aan het ontstaan is.

20140825-171121.jpg

We kunnen een film als Argo op drie niveaus bekijken.
Het eerste is het gewone zintuiglijk-rationele niveau: we bekijken films (en kunst in het algemeen) als wat ze zijn: fictie. Het feit dat Argo gebaseerd is op echt gebeurde feiten verandert daar niets: de film blijft fictie, we kijken niet naar de realiteit.
Het tweede niveau is het metaforische: we zien de inhoud van de film, meer bepaald de oplossing van een probleem door middel van de kunst, dan niet als de beschrijving van een eenmalig voorval uit 1979, maar als een beeld met een algemene betekenis.
Het derde niveau is het niveau waarop we de metafoor als een realiteit gaan zien, en echt gaan geloven in zijn betekenis. De film houdt dan op ‘enkel maar’ een kunstwerk te zijn.
Het mag duidelijk zijn dat niveau twee en drie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: we kunnen een metafoor niet ernstig nemen als we ze niet eerst als metafoor onderkennen, en dat laatste doen we maar als we aanvoelen dat een beeld méér is dan gewoon een kopie van de werkelijkheid.

De eerste twee niveaus zijn ons vertrouwd, maar het derde is ronduit schokkend en veroorzaakt een omwenteling in ons bewustzijn.
Het impliceert namelijk dat er geen wezenlijk verschil is tussen kunst en werkelijkheid.
De werkelijkheid heeft net zo goed een metaforisch karakter als een kunstwerk, en een kunstwerk is even werkelijk als waar gebeurd feit.

Argo is een kunstwerk, een werk van de menselijke verbeelding, zoals iedere film.
Die verbeelding presenteert hier in feite zichzelf als oplossing voor de prangendste problemen van onze tijd.
Maar ze doet dat niet bewust, als een soort manifest.
Ze doet dat enerzijds in de vorm van kunstzinnige beelden (Argo), en anderzijds in de vorm van een zeer praktische oplossing voor een zeer prangend probleem (de CIA).
Het is een merkwaardig soort zelfbewustzijn dat hier verschijnt, want je bedenkt zo’n scenario niet en je maakt er ook geen film over zonder je rekenschap te geven van de hoogst ongewone rol die de kunst hier speelt.
Het is een zelfbewustzijn dat zichzelf heel ernstig neemt (je kunt noch een film maken noch Amerikanen uit handen van fanatieke moslims bevrijden als je het niet ernstig meent) en toch zichzelf heel erg relativeert en de draak kan steken met zichzelf.

20140825-171228.jpg

Maar hoe aantrekkelijk, evenwichtig en christelijk een dergelijk zelfbewustzijn ook is, het blijft half werk omdat het als het ware gescheiden optreedt: in de kunst en in de werkelijkheid.
En tussen die twee loopt een scherpe grens.
Films als Argo en bevrijdingen als die in Teheran lijken erop te wijzen dat dit bewustzijn – dit uitgesproken nieuwe en eigentijdse zelfbewustzijn deze grens wil overschrijden en ‘heel’ worden.
Het wil de wereld van de kunst verlaten en zich daarbuiten verder ontwikkelen.
Maar het wil ook niet langer gevangen zitten in de ‘harde realiteit’.
Het wil als het ware geboren worden.
Deze geboorte van het kinderlijke, kunstzinnige zelfbewustzijn, die – zoals iedere geboorte – tegelijk een vereniging is met het moederlijke, wetenschappelijke bewustzijn is een grote en beslissende stap in de bewustzijnsontwikkeling van de mens.
Dat kunnen we afleiden uit een film als Argo.

Alles wat zich in deze film – dat wil zeggen in de wereld van de kunst en de verbeelding – afspeelt, heeft zich ook in werkelijkheid afgespeeld.
Kunst als oplossing voor prangende actuele problemen is niet een wild idee dat opgekomen is in het fantasierijke brein van een kunstenaar.
Het is een heel nuchter idee dat is opgekomen in het zeer praktische brein van een CIA-agent.
Bovendien werd dat idee ook nog eens goedgekeurd én uitgevoerd.
Het had zelfs succes.
En daarna werd het ook nog eens verfilmd, als om de cirkel rond te maken.

Het is maar wanneer we echt beginnen nadenken over deze film dat we ondervinden hoe ‘vreemd’ dit derde niveau is, het niveau waarop kunst en werkelijkheid in elkaar overgaan.
We gaan dan eigenlijk ‘over de drempel’ en komen terecht in een werkelijkheid waarin ons rationele bewustzijn zich niet kan handhaven: het valt in onmacht.
Paradoxaal genoeg wordt deze ‘drempelwereld’ maar zichtbaar dankzij ons rationele bewustzijn: als we niet nadenken over Argo komen we nooit te weten wat voor vreemde, verwarrende en toch reële werkelijkheid zich in deze film verbergt.
Die werkelijkheid is buitengewoon complex en het is onmogelijk om alle aspecten ervan in een mooi geheel te vatten.
Daarom wil ik hier alleen een vergelijking maken met een andere film, in de hoop een idee te geven van hoe vreemd en tegelijk reëel de werkelijkheid is die opdoemt wanneer je begint na te denken over hedendaagse (film)kunst.

20140825-171408.jpg

Die andere film is Clear and Present Danger, een film uit 1994 die zich in Columbia afspeelt in het kader van de Amerikaanse War on Drugs.
Anders dan Argo is deze film niet gebaseerd op een waar gebeurd verhaal.
Hij is gebaseerd op een thriller van Tom Clancy, een volkomen fictief werk waarin hij beschrijft hoe de Amerikanen een beruchte Columbiaanse drugsbaron te pakken krijgen.
Niks aan de hand dus: er worden ontelbare thrillers geschreven en sommige ervan worden verfilmd.
Het is business as usual.
Wat deze ene thriller echter zo merkwaardig maakt, is dat hij niet alleen verfilmd werd door een filmploeg maar ook door … de werkelijkheid zelf.

De reële en ongrijpbaar gewaande drugsbaron Pablo Escobar werd in 1993 opgespoord en wel op precies dezelfde wijze die Tom Clancy beschreef in zijn boek.
Het verhaal dat hij in 1989 ‘uit zijn duim had gezogen’ werd vier jaar later in grote lijnen omgezet in werkelijkheid.
Maar dat is nog niet alles.
Toen Pablo Escobar neergeschoten was, werd tussen zijn bezittingen het boek van Tom Clancy teruggevonden met daarin de passages onderlijnd die beschrijven hoe de drugsbaron opgespoord werd.
Pablo Escobar, een bijzonder machtig man in zijn tijd, wist dus hoe hij aan zijn eind zou komen.
Maar hij geloofde het niet.
Het boek van Clancy was immers ‘maar’ fictie.

20140825-171610.jpg
(Pablo Escobar)

Een ander voorbeeld.

Op 9/11 was ik een thriller aan het lezen waarvan ik me de titel helaas niet meer herinner.
Het ging over een kleine maar machtige groep Amerikanen die besloten had de macht te grijpen in Amerika door een predikant als president naar voor te schuiven en de zaak een beetje te versnellen door in naam van een fictieve externe vijand spectaculaire aanslagen te plegen tegen Amerikaanse burgers.
Toen na de aanslagen op de WTC-torens meteen Al Quaeda uit de Amerikaanse hoed werd getoverd, gingen mijn gedachten meteen de kant op van een inside job.
Enkele dagen later zat ik in de bioscoop en keek naar spectaculaire beelden van hoe … een vliegtuig zich in een wolkenkrabber boorde en explodeerde in een bal van vuur.
Ik kon m’n ogen nauwelijks geloven.
De grens tussen fictie en werkelijkheid was in die dagen zo smal geworden, dat ik niet goed meer wist aan welke kant ik me bevond.
Toen ik later de beroemde televisiebeelden zag – op de dag zelf was m’n televisietoestel stuk – trof het me hoe mooi en spectaculair die beelden waren: ze leken wel geregisseerd door Hollywood…

Sindsdien is 9/11 voor mij de dag dat kunst en werkelijkheid samenvielen: de grens tussen kunst en werkelijkheid werd overschreden.
Ik herinner me nog dat de hedendaagse componist Karl-Heinz Stockhausen 9/11 uitriep tot ‘het grootste kunstwerk van onze tijd’.
Hij had een klok horen luiden maar wist niet waar de klepel hing.
In mijn Vijgeblad heb ik toen verschillende artikels aan die ‘grensoverschrijding’ gewijd.
Ze werden door sommige lezers zo geïnterpreteerd werden als zou ik een terreurdaad als kunst beschouwd hebben.
Ik had het natuurlijk over Hedendaagse kunst – die ik inderdaad beschouw als een ‘terreurkunst’ – maar dat onderscheid werd natuurlijk niet gemaakt.
Het illustreert hoe verwarrend de werkelijkheid is waarin je terechtkomt als je – ook al is het alleen maar in gedachten – over de drempel gaat.

20140825-171859.jpg

Achter heel die verwarring schuilt het ongeloof in de kunst.
Men gelooft eenvoudig niet dat in de kunst een kracht schuilt die in staat is wereldproblemen op te lossen.
Of te veroorzaken, want die kracht kan ten goede of ten kwade worden aangewend, en het verschil tussen goed en kwaad ligt in de wakkerheid waarmee dat gebeurt.
Wordt de kunst met een helder en rationeel bewustzijn benaderd, dan ontpopt ze zich tot een genezende kracht.
Wordt ze echter met een slapend bewustzijn benaderd, dan wordt ze tot een vernietigende kracht.
De kracht die in de kunst leeft, is juist dat nieuwe, christelijke zelfbewustzijn.
Dat zelfbewustzijn is een realiteit, een realiteit die een enorme potentie in zich draagt.
Maar hoe die potentie gerealiseerd wordt, hangt af van hoe we haar benaderen: worden we wakker voor deze ‘potentiële’ realiteit of sluiten we er onze ogen voor?

Een beetje antroposoof weet natuurlijk in welke wereld deze realiteit zich ophoudt: de etherische wereld, de wereld tussen materie en bewustzijn, tussen slapen en waken.
Hij weet ook wie de drager is van dit nieuwe, hoogst merkwaardige zelfbewustzijn: de ‘wedergekomen’ Christus.
Maar het is één ding om deze geest-van-onze-tijd in abstracto te benaderen en een andere om hem in concreto te beleven.
De kunst van onze tijd biedt ons de mogelijkheid om – in volle vrijheid en in ons eigen tempo – de stap van theorie naar praktijk te zetten.
Ze biedt ons beelden van deze Wederkomst, geen heldere, eenduidige beelden, maar dromerige, kunstzinnige beelden, beelden die vertaald dienen te worden in heldere begrippen.
Deze ‘vertaling’ is echter geen vrijblijvende zaak.
Het is iets waar de hele mens bij betrokken is.
Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om het denken van deze begrippen.
Het gaat ook om het geloven ervan.
Denken op zich is niet genoeg, men moet ook kunnen geloven in dat denken.
En dat zijn twee verschillende zaken, die allebei nodig zijn.

De hele antroposofie is een ‘vertaling’ van een wereld die naar zijn diepste wezen kunstzinnig is: de scheppende, geestelijke wereld.
Het is al heel wat als we die antroposofische ideeën kunnen denken.
Maar ze ook nog geloven, dat is andere koek.
Daar is ons hele mens-zijn bij betrokken.
Het is aan de bergen die we verzetten, dat we ons geloof kunnen afmeten.
In de mate dat we ze geloven, worden ideeën werkelijkheid.

20140825-172635.jpg

Het komt me voor dat er vandaag meer geloof in de kunst is bij de CIA dan onder antroposofen.
Het is geen toeval dat Argo het verhaal is van de CIA die kunst inschakelt om haar doelen te bereiken.
Dat gebeurt volgens mij veel meer dan we denken.
Ik betwijfel ook ten zeerste dat de kunst alleen ten goede wordt aangewend.
Het is bekend dat de CIA tijdens de Koude Oorlog de Hedendaagse kunst (ze heette toen nog anders) heeft ingeschakeld als wapen tegen het communisme.
En de Hedendaagse kunst is bij uitstek een kunst waarover we kunnen (en moeten) nadenken met ons verstand alleen.
Ons hele mens-zijn is er niet bij betrokken, wel integendeel, ons gevoel bijvoorbeeld mag helemaal niet meedoen.
Het denken over Hedendaagse kunst, zoals dat vandaag zo massaal gebeurt, is een vrijblijvend denken, een denken zonder gevolgen, behalve dan dat het ons in slaap wiegt.
Het denken over haar tegenhanger, de (vooral Amerikaanse) filmkunst, is allesbehálve vrijblijvend.
Het dwingt een mens niet alleen om heel intensief en nauwkeurig te denken, maar ook om dat denken te baseren op een gevoel.
Op een andere manier kan men niet nadenken over kunst, en evenmin over de geest.
Zonder gevoel zinkt ons denken in slaap.
En dat ‘slapende denken’ beschouwt zichzelf als buitengewoon wakker.

Het gevoel dat films als Argo opwekken is in eerste instantie bevreemdend en verwarrend: het is het gevoel terecht te komen in een wereld die fictie en werkelijkheid tegelijk is.
Dat gevoel is echter geheel ‘vrij’: het ontstaat maar wanneer we beginnen nadenken.
Het is een gevoel dat tegelijk gedachte is en omgekeerd.
Sterk is het in het geval van Argo niet, en ik weet dan ook niet of ik er was op doorgegaan als mijn vrouw er niet over was begonnen, en als ik dat gevoel niet in veel sterkere mate kende uit andere films die, net als Argo, beelden ophangen van een vreemde, verwarrende realiteit die tegelijk fictie en werkelijkheid is: de grensrealiteit van de etherische wereld en wat zich daar afspeelt.
Maar hoe verwarrend en bevreemdend deze wereld ook is, niets is spannender dan er (bewust) in onder te duiken.
Niets moeilijker ook.

20140825-173212.jpg

Spread our love to the world (2)

Het valt me nu pas in hoe de vork waarschijnlijk in de steel zit.
De Brusselse school waar David Degreef solliciteerde, telt ongetwijfeld een meer of minder groot aantal moslimleerlingen.
Zoals bekend hebben moslims het niet zo begrepen op homo’s.
Zoals bekend is er ook een tekort aan leerkrachten in het onderwijs.
Het ligt dus voor de hand dat de directrice enerzijds blij was een leraar gevonden te hebben, maar anderzijds ook problemen wilde vermijden met moslimouders en daarom Degreef vroeg om een beetje discreet te blijven over zijn sexuele geaardheid.
Misschien heeft zij hem ook uitgelegd waaróm ze hem dat vroeg, en indien niet, dan had Degreef het moeten weten, want zou er in dit land één homo zijn die NIET weet dat hij moet uitkijken als er moslims in de buurt zijn?
Toch heeft Degreef de kat de bel aangebonden, wel wetende dat hij de directrice daarmee tussen twee vuren plaatste.
Waarom?

20140820-145141.jpg

Bovenstaande redenering is natuurlijk alleen geldig als er inderdaad moslimleerlingen zijn op de school in kwestie.
Maar hoe groot is de kans dat dat niet zo is?
Een Brusselse school zonder moslimleerlingen?
Een en ander bevestigt mijn vermoeden dat hier politiek in het spel is.
Die politiek bestaat erin de moslimbevolking de hand boven het hoofd te houden no matter what.
Moslims maken joden het leven in dit land zodanig zuur dat sommigen overwegen te emigreren.
Het roept wansmakelijke herinneringen op.
Er wordt in de kranten dan ook (terecht) misbaar gemaakt over het groeiende antisemitisme in Europa.
Maar dat antisemitisme wordt (volkomen onterecht) zoveel mogelijk op rekening van de autochtone Europeanen geschreven.
Hetzelfde gebeurt met het ‘antihomoïsme’.
Homo’s hebben in dit land eigenlijk maar één echt probleem, en dat zijn de moslims.
Door de eigen bevolking worden ze nagenoeg volkomen geaccepteerd.
Toch reppen zij nauwelijks over de rol die moslims spelen in gevallen van geweld of discriminatie.
Zo ook in het geval Degreef.
Waarom?

Holebi’s hebben er – althans bij monde van hun woordvoerders – voor gekozen om op de politiek-correcte kar te springen.
Dat levert hen allerlei voordelen en rechten op, want ze worden opgevoerd als boegbeeld of symbool van progressiviteit en verdraagzaamheid.
Ze betalen daar echter ook een prijs voor: ze moeten hun mond houden over de moslims.
Als zij weer eens in elkaar worden geslagen door een groepje ‘jongeren’ dan weten ze dat ze het geweld alleen in algemene zin mogen aanklagen.
Lees: ze moeten de hele bevolking aanklagen.
Ze mogen met andere woorden niet … discrimineren.

Ik kan me niet voorstellen dat een verstandige homo een dergelijke ruil zou accepteren.
Maar blijkbaar doen homo’s dat wel als groep.
Het bewijst nog maar eens hoe nefast de onderschikking van de individuele mens aan ‘de groep’ is.
Want ik kan het groepsgedrag van holebi’s niet anders dan als zelfvernietigend zien.

20140820-145437.jpg

Toen ik hoorde van dat verre homo-familielid dat door de security van Tomorrowland het ziekenhuis was in geslagen, dacht ik meteen: dat zullen moslims geweest zijn!
Dat bleek echter niet zo te zijn.
Het waren gewoon blanke-jongens-van-alhier.
Toch was ik niet echt verrast.
Het is een volkomen logische evolutie.

Homosexualiteit wordt in onze gewesten grotendeels aanvaard. Er zijn nog wel wat restanten van de oude onverdraagzaamheid, maar die zullen vanzelf wel verdwijnen. Dat ligt in de lijn van de evolutie: de moderne mens ziet zichzelf in toenemende mate als een zelfstandig individu en niet langer als lid van een groep die wordt samengehouden door bloedbanden, religie, nationaliteit, sexuele geaardheid of wat dan ook.
Die groepsvormende factoren hebben hun rol gespeeld en moeten nu vervangen worden door een vrije gemeenschapsvorming die van het individu uitgaat. Gebeurt dat niet, dan worden ze kwaadaardig, zoals alles wat zijn tijd heeft gehad en toch blijft bestaan.

Dat holebi’s zich nu verenigen, niet als individuen, maar op grond van louter fysieke of genetische kenmerken, is mijns inziens een kapitale vergissing die de klok terugdraait.
Iedereen weet wat de gevolgen zijn van een dergelijke terugkeer in de tijd.
De bewustzijnsontwikkeling van de mens kan niet worden omgekeerd zonder grote ellende te veroorzaken.
De massale ‘groepsvormingen’ in de 20ste eeuw hebben dat afdoend bewezen: nazisme en communisme hebben een nooit gezien bloedbad aangericht.
Vandaag is het de groeiende invloed van de islam die de klok terugdraait en overal terreur zaait.
Geweld tegen homo’s wordt oogluikend toegestaan in naam van een godsdienstvrijheid die in werkelijkheid een terugkeer is naar achterhaalde bewustzijnsniveau’s.

20140820-145855.jpg

Deze terugkeer doet ook de restanten van de oude Westerse onverdraagzaamheid jegens homo’s weer opschieten.
De autochtonen die nog op dit oude bewustzijnsniveau staan (dat vanzelf verdwenen zou zijn als er geen reactionaire krachten vanuit het Oosten waren binnengedrongen) stellen vast dat moslims ongestraft homo’s in elkaar kunnen slaan, en denken: als zij dat mogen, waarom wij dan niet?
Dus zien zij hun kans schoon op een evenement als Tomorrowland waar, neem ik aan, allerhande remmen losgaan.
Waarschijnlijk komen ze er nog mee weg ook, want een organisatie als Tomorrowland kan zich met haar regenboogkleuren geen geweld tegen homo’s permitteren.
En zo ontstaat er een nieuwe generatie blanke jongeren naar het model van de moslimjongeren.
Beide bevechten elkaar wellicht, maar in hun ‘strijd’ tegen de homo’s zullen ze de handen in elkaar slaan.

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, lees ik in DS een opiniestuk van Rik Torfs over de zaak Degreef.
Als vanouds jongleert hij zo virtuoos met woorden en gedachten dat je niet meer weet wat hij nu precies wil zeggen of waar hij precies staat.
Wat dit keer opvalt, zijn de bijzonder sterke bewoordingen waarmee hij de houding van de ‘topman’ van het Brusselse onderwijs laakt.
Torfs gebruikt woorden als: onnozel, gevaarlijk, onduldbaar, onmenselijk, laf en gruwelijk (2x).
Dat alles om iemand aan de kaak te stellen die ‘zijn’ directrice in bescherming had genomen tegen de buitensporige reacties op haar verzoek aan David Degreef om de moslimouders niet voor het hoofd te stoten.
Dit artikel ruikt – alweer – sterk naar politiek.
Torfs hekelt hier (volkomen terecht overigens) de toegeeflijkheid ten aanzien van moslims.
Maar in plaats van die toegeeflijkheid een beschavingsziekte te noemen waar zowat de hele Westerse intelligentsia aan lijdt, maakt hij één enkel iemand tot kop van jut, een collega dan nog wel, want zelf is Torfs, als universiteitsrector, ook een ‘topman’ uit het onderwijs.
Het vermoeden rijst dan ook dat hij een rekening vereffent, en het ‘geval Degreef’ gebruikt om een politiek spelletje te spelen.

20140820-145941.jpg

Zeer persoonlijke en particuliere zaken worden hier dus vermengd met zeer algemene en bovenpersoonlijke zaken.
En is dat uiteindelijk niet de kern van het hele probleem?
Homosexualiteit is vandaag uitgegroeid tot een maatschappelijke strijdvraag terwijl het in feite een non-issue zou moeten zijn.
Naarmate de mens zelfbewuster wordt, bevrijdt hij zich van groepsbanden, die in feite fysieke banden zijn. Religieuze overtuigingen bijvoorbeeld zijn meestal het gevolg van de plaats waar men geboren is, niet van een vrije keuze.
In ‘normale’ omstandigheden zou de moderne mens steeds vrijer komen te staan tegenover zijn lichaam en zou het steeds minder belangrijk worden tot welk ras of volk dat lichaam behoort, welke sexuele geaardheid het heeft of welke andere bijzonderheden het vertoont.
Maar de omstandigheden zijn niet normaal.
Er zijn enorme reactionaire krachten ontketend die de mens weer willen binden aan zijn lichaam en aan de materie in het algemeen.
Daardoor is met name de homosexualiteit uitgegroeid tot een veel groter probleem dan het had moeten of kunnen zijn.

Wat we hier aan het werk zien (lees: meestal NIET zien) is een materialisme dat ‘over datum’ is.
Het oude materialisme heeft in de menselijke beschaving een cruciale bevrijdende rol gespeeld.
Het heeft de mens losgemaakt van alle oude banden, zowel fysieke als geestelijke.
De enorme krachten die het (op korte tijd) ontketend heeft, waren in feite geboorteweeën, die het ontstaan van de huidige, vrije individuele mens mogelijk hebben gemaakt.
Maar dezelfde krachten die de mens bevrijd hebben, dreigen hem nu te kluisteren omdat ze weigeren plaats te maken voor geheel nieuwe krachten, krachten die de mens opnieuw verbinden met het ‘moederlichaam’, maar nu op een geheel andere manier.
Het oude materialisme dient vervangen te worden door een nieuw ‘materialisme’, een materialisme dat tegelijk spiritueel is.
En dat lukt niet.

De ‘officiële’ houding tegenover homosexualiteit keert de evolutie weer om.
In plaats van duidelijk onderscheid te maken tussen de homosexuele mens als lichaam en de homosexuele mens als (vrije) geest, worden die twee als identiek gezien.
De mens IS zijn lichaam.
De homosexueel wordt geïdentificeerd met zijn homosexualiteit.
Gelijkwaardigheid onder mensen – het ideaal van Alle Menschen werden Brüder – kan dan ook maar gerealiseerd worden als alle sexuele geaardheden als gelijkwaardig worden beschouwd.
Ook vrijheid kan in deze (gedateerde) materialistische optiek alleen gerealiseerd worden als sexuele en andere fysieke geaardheden ongeremd kunnen beleefd worden.
In plaats dat deze geaardheden dus naar de achtergrond verdwijnen, komen ze juist in het brandpunt van de belangstelling te staan.
En dat leidt tot absurde situaties zoals in het geval Degreef.
In een maatschappij die echt progressief was, zou een verzoek als dat aan David Degreef gezien worden als een overgangsfenomeen: de moslims komen uit een oude cultuur en hebben wat tijd nodig om zich daarvan te bevrijden, en dus vragen we een homosexuele leerkracht om de zaken niet te forceren door de moslims openlijk te confronteren met zijn sexuele geaardheid.
Dat zou allemaal vanzelf moeten spreken.
Daar zouden geen woorden vuil aan moeten worden gemaakt.
Maar we leven niet in een progressieve maatschappij, we leven in een reactionaire maatschappij die met hand en tand vasthoudt aan het oude, achterhaalde materialisme en het bestaan van de geest ontkent.

Daar komt het uiteindelijk allemaal op neer: we raken niet over de drempel.
We slagen er niet in door te dringen tot de werkelijkheid van de geest.
Of beter wellicht: we slagen er niet in het doordringen van de geest in onze werkelijkheid te herkennen en te accepteren.
We interpreteren alles in materiële zin, met eindeloze verwarring tot gevolg.
Ook iemand als Rik Torfs, die nochtans beweert te geloven in een geestelijke realiteit, slaagt er niet in de knoop te ontwarren en na te gaan hoe de geestelijke en de materiële ‘draad’ door elkaar gevlochten zijn.
Het ontbreekt hem ook aan moed om die knoop gewoon door te hakken, want dat is wat de praktijk vraagt.
Torfs is, om zijn eigen woorden te gebruiken, ‘een beetje laf’.
Ik kan daar begrip voor opbrengen, want als rector van de universiteit van Leuven heb je veel te verliezen.
Maar wat ik zeer min vind, is dat hij zijn eigen lafheid projecteert op een collega.
Is dat trouwens ook niet wat de holebi’s doen?
Ze zijn bang voor de moslims, en dat is zeer begrijpelijk.
Maar in plaats van dat toe te geven, wijzen ze met een beschuldigende vinger naar hun collega’s.
Want dat is toch wat hun autochtone, heterosexuele medeburgers zijn?
Heterosexuelen en homosexuelen zijn ‘collega’s’, niet in fysieke maar in geestelijke zin.
Zij delen hetzelfde lot, in die zin dat ze allebei worstelen met de relatie tussen ‘het mannelijke’ en ‘het vrouwelijke’.

Maar dat is iets voor een volgende keer.

20140820-150337.jpg

Spread our love to the world (1)

20140819-213502.jpg

Er is heibel ontstaan omdat een homofiele kandidaat-leraar in het Brusselse werd verzocht om zich terughoudend op te stellen ten aanzien van zijn sexuele geaardheid.
Hij werd nochtans aangenomen voor de job, maar dat was hem niet genoeg.
Hij hing de zaak aan de Facebook-klok en in geen tijd schoot de sociale-verontwaardigingsmeter de hoogte in en deed het belletje luid rinkelen.
Als ik goed gelezen heb, en als de woorden van de directrice goed werden weergegeven, dan werd David Degreef niet verzocht zijn homosexualiteit te verbergen.
Men vroeg hem alleen er niet mee te koop te lopen.
Hoe hem dat werd gevraagd kan natuurlijk onmogelijk worden nagegaan.
Gebeurde het op een insinuerende, smalende manier, of juist op een voorzichtige, vriendelijke toon?
Wie zal het zeggen?
In het eerste geval kan Degreef gevoeld hebben dat hij als homo niet gerespecteerd werd en had hij reden om zich gediscrimineerd te voelen.
In het tweede geval had hij dat evenwel niet.
Het was best mogelijk dat de directrice hem vroeg om een low profile te houden omdat sommige ouders misschien niet zo gelukkig zouden zijn met een homo-leraar en zij geen onnodige problemen wilde. Als zij hem dat inderdaad op die manier in vertrouwen heeft verzocht, dan heeft Degreef dat vertrouwen beschaamd en de directrice met veel grotere problemen opgezadeld.
Misschien is Degreef zelf intussen ook geschrokken van de gevolgen van zijn principiële houding en had hij geen rekening gehouden met het vraatzuchtige en onredelijke monster dat de pers is geworden, zeker als het om politiek correcte thema’s gaat.
Opnieuw: wie zal het zeggen?

Iets anders nu.
Afgelopen weekend vernam ik dat een ver familielid in mekaar is geslagen door de … security van Tomorrowland, u weet wel, het festival dat een soort Woodstock van de eenentwintigste eeuw is: allemaal love en peace dus.
Reden: ze gingen die homo eens een lesje leren.
Ik heb ‘die homo’ eens op bezoek gehad met zijn vriend, en al die tijd had ik niks door, terwijl ik homo-koppels toch redelijk vlug in de smiezen heb.
Het zou me dus zeer verbazen als hij ostentatief gedrag had vertoond.
Niettemin werd hij duchtig aangepakt en hield er enkele gebroken ribben aan over, naast nog een aantal andere kwetsuren.

Iets over gelezen in de kranten?
Ik alvast niet.
Nochtans luidde ook deze homo de bel in de Facebook-toren.
De nationale verontwaardiging bleef echter uit.
Plaats deze twee gevallen nu eens naast elkaar.
De ene homo wordt verzocht zich een beetje discreet te gedragen en de stoppen slaan overal door.
De andere homo wordt bijna invalide geslagen en … geen haan kraait ernaar.
Hoe valt dat samen te rijmen?

Dit ruikt heel erg naar politiek, en niet van het fraaie soort.
Als een mug opgeblazen wordt tot een olifant en een olifant gereduceerd tot een mug, dan zijn er factoren in het spel die niks te maken hebben met discriminatie en homo-rechten maar alles met hoe je die zaken kunt gebruiken om bepaalde obscure doelen te bereiken.
Of David Degreef daar bewust heeft aan meegedaan dan wel een pion was in een spel dat door anderen werd gespeeld, weet ik niet.
Ik weet maar één ding: dit zaakje stinkt.

20140819-213734.jpg
(Tomorrowland: ‘Spread our love to the world’. Let op de regenboog …)

Iemand een poot uitdraaien

De regeringsonderhandelingen kunnen me maar matig boeien.
Zeg maar: helemaal niet.
De overwinning van Bart De Wever was niet groot genoeg om spijkers met koppen te kunnen slaan. Dus is men weer begonnen met het eeuwige Belgische getouwtrek waarbij altijd weer dezelfden aan het langste eind trekken.
Ik wil er me, om gevoelshygiënische redenen, niet druk over maken.

20140819-185110.jpg

Zijdelings heb ik vernomen dat De Wever geen nieuwe belastingen wil.
Hij wil alleen besparen door te snoeien in de overheidsuitgaven.
Dat kan ik alleen maar toejuichen want ik heb soms de indruk dat de helft van de Belgen betaald worden om de andere helft te controleren en het leven zuur te maken.
Zo lag er na ons weekendje Ardennen – wij houden de zaken graag in evenwicht – een brief van de RVA te wachten.
Ik moet mijn recht op een uitkering gaan verdedigen omdat ik bij een controle in Brugge (die merkwaardig genoeg alleen beide Gentenaars op de markt trof) geen ‘controlekaart’ (newspeak voor stempelkaart) kon voorleggen.
Maar ik ben al bijna twee jaar vrijgesteld van controle (wegens te oud).
Kennen ze dan hun eigen regels niet?
Of zijn er zoveel regels dat ze je altijd wel op iets kunnen pakken?
Blijkt dat ik verzuimd heb formulier C99 in te dienen waarin de RVA op de hoogte breng van mijn bijberoep.
Maar dat bijberoep oefen ik al 25 jaar uit, zij het zo sporadisch dat ‘beroep’ een tamelijk lachwekkende term is.
Ik heb het statuut echter nooit opgegeven voor-het-geval-dat.
Heel verstandig van me, want toen kwam het geval Brugge.
Snel gecontroleerd hoeveel ik van de RVA mocht bijverdienen, en dat bleek geen probleem: ik kwam niet eens in de buurt.
Maar blijkbaar had ik meer moeten doen dan alleen controleren.
Ik had de RVA middels één van haar honderden formulieren op de hoogte moeten brengen.
Ik had eerst toestemming moeten vragen en krijgen via een brief vol stempels en handtekeningen.
Ik had wellicht nog méér moeten doen.
Want nu is Big Brother watching me.

Zolang ik geen enkel initiatief toonde, heeft de RVA me nooit lastiggevallen.
Maar nu ik iets wil ondernemen, trekt ze haar kast met formulieren open en dien ik schriftelijk te getuigen, te bevestigen en te verklaren dat ik een oprecht en eerzaam burger ben, en geen crimineel die de Belgische Staat wil oplichten.
Ik takes one to know one, zegt men in het Engels.
De Belgische Staat is een oplichtersbende geworden die overal oplichters en bedriegers ziet.
Ik heb haar controleurs aan het werk gezien in Brugge.
Het was een beschamende vertoning.
En met dat soort mensen – die zich persoonlijk beledigd voelen als ze zelfs maar vermoeden dat je niet helemaal in orde bent met je papieren – moet ik volgende week een gesprek hebben.
Zucht.
Ik zal weer m’n trukendoos moeten bovenhalen waarmee ik destijds in Leuven een heus diploma heb behaald.

20140819-183618.jpg

Van dat diploma gesproken.
Toen ik in maart van dit jaar – na jaren wachten – een vergunning kreeg om in Brugge op de folkloremarkt te gaan staan, heb ik meteen een leurderskaart aangevraagd, een kaart dus waarmee je op een markt mag gaan staan (niet te verwarren met een marktvergunning).
Welnu, we zijn eind augustus en ik heb die kaart nog altijd niet.
Ik heb ervoor betaald en ik heb er al ettelijke formulieren voor ingevuld, maar m’n dossier is nog altijd niet compleet.
Ik zou dat dossier wel eens willen zien.
Laatst kreeg ik het verzoek om een kopie op te sturen van mijn universiteitsdiploma, anders zou ik een cursus economie moeten volgen.
Een mens houdt het niet voor mogelijk.
Ik had geen idee waar dat diploma zich bevond.
Sinds ik het kreeg, heb ik het nooit meer bovengehaald.
Maar nu heb ik dat diploma dus voor het eerst in m’n leven nodig omdat ik … op een rommelmarkt wil gaan staan.
Fernandel en Bourvil samen hadden het niet kunnen bedenken.
Gelukkig hebben we dat diploma gevonden.
Het zag eruit alsof ik het op … een rommelmarkt had gekocht.
Vlug op de scanner gelegd en doorgemaild.
Zou het de laatste horde zijn?
Nee gij!
Vandaag kreeg ik een mail: de kleine lettertjes op het diploma waren niet goed leesbaar, gelieve een echte kopie op te sturen.
Wat zal het volgende zijn?
Een kopie van mijn kandidatuurstelling voor de Nobelprijs marktonderzoek?

Hoe zou het zijn om in zo’n papieren dienst te werken en mensen dag in dag uit lastig te vallen met formulieren, attesten, getuigschriften, diploma’s, bewijzen, verklaringen, enzovoort?
Beseffen die mensen dat ze eigenlijk beroepspesters zijn en dat ze hun geld verdienen met het sarren van hun medemensen?
U wilt een leurderskaart?
Haha, dan willen wij van u achtereenvolgens …
En dan houdt niet meer op.
Dan ben je een vis aan de haak.

Wát als ik volgende week gecontroleerd word en ik blijk geen leurderskaart te hebben?
Ja maar, meneer de controleur, ik heb die kaart een half jaar geleden al aangevraagd!
En hoe komt het dat u ze niet gekregen hebt?
Dat moet u uw collega’s vragen!
Dat zijn mijn collega’s niet, meneer.
Dan weet ik het ook niet.
Maar u staat hier wel op de markt zonder kaart!
Ja, wat wilt u dat ik doe? Ik heb mijn marktvergunning betaald en ik heb mijn leurderskaart betaald, en nu zou ik hier niet mogen staan omdat ik niet krijg waarvoor ik betaald heb?
Meneer, dat zijn mijn zaken niet. Ik moet alleen nagaan of u in orde bent, en dat bent u niet.
Maar ik ben wél in orde! Het zijn de anderen die niet in orde zijn!
Meneer, met die anderen heb ik niks te maken. Ik heb alleen met u te maken en ik zie mij verplicht om een dossier tegen u te openen.
Doe wat u niet laten kunt, maar doe het liefst even traag als uw collega’s.
Meneer, ik heb het al gezegd, dat zijn mijn collega’s niet.
Vooruit dan, uw soortgenoten.
Wat bedoelt u daarmee?
Is dat een vraag?
Ja.
Wel, ik zal u een formulier opsturen waarop u uw vraag schriftelijk kunt stellen aan mijn bevoegde instanties. Die zullen waarschijnlijk bijkomende inlichtingen willen, dus ik zou mijn diploma’s maar gereed houden.
Drijft u de spot met mij, meneer?
Drijft ú de spot met mij?

Enzovoort.

Ik zal opgelucht zijn als Bart De Wever het mes in die ‘pestdiensten’ zet, want ze hebben de hele bevolking in de tang.
Zij die niet werken, worden gewantrouwd.
Zij die wel werken, worden ook gewantrouwd.
De moderne staat is een monster van wantrouwen.
Het wordt tijd dat het een poot wordt uitgedraaid.
Ik zal met plezier meedraaien.
Maar met draken en monsters moet je natuurlijk voorzichtig zijn.
Ze weten beter dan wie ook hoe ze iemand een poot moeten uitdraaien …

20140819-183951.jpg

De miserie van de kunst (2)

Ahriman is één aspect van de ziekte waaraan we lijden.
Hij is de inspirator van het intellectuele denken.
Hij giet levende gedachten in dode vormen.
Hij schrijft.
Ahriman inspireert de mens tot schrijven.
Nog maar een paar generaties geleden konden de meeste mensen nauwelijks een pen vasthouden. Vandaag schrijft iedereen.
En er wordt heel goed geschreven, tenminste wanneer we de zaak louter technisch bekijken.
Maar het is niet de moderne mens zelf die schrijft.
Het is voor het grootste deel Ahriman die in zijn plaats schrijft en aan de lopende band woorden, geijkte formuleringen en correcte gedachten produceert.

Volgens Alfred Einstein is er een rechtstreeks verband tussen de neergang van de muziek en de opgang van het schrijven.
Hector Berlioz is daarvan een treffend voorbeeld.
Iedereen kent hem als de componist van zeer romantische, gezwollen muziek, maar weinig mensen weten dat hij ook een voortreffelijk schrijver was.
Ik heb ooit zijn mémoires gelezen (verschenen als ‘Mijn leven’ in de reeks Privé-Domein) en zeer genoten van de buitengewone ‘esprit’ van de man.

20140811-120932.jpg

Het is dus verkeerd om Ahriman louter als een boosdoener te zien.
Door de kunstenaar te leren schrijven, heeft hij weliswaar de neergang van zijn kunst ingeleid, maar hij heeft ook iets in de plaats gegeven: zelfbewustzijn.
Muzikale reuzen als Bach en Haydn hadden iets kinderlijks in hun wezen.
Ze schreven muziek zoals een kind speelt: het was voor hen de natuurlijkste zaak ter wereld. Ze bezaten dan ook nog niet de soms arrogante trots van latere kunstenaars.
Wat een verschil met figuren als Beethoven en Berlioz!
Dat waren uitgesproken, zelfbewuste persoonlijkheden.
Vergeleken met hen lijken Bach en Haydn saaie burgermannetjes.
Die ahrimanische lijn is sindsdien almaar verder doorgetrokken.
Waren de klassieke meesters brave en hardwerkende huisvaders (Bach had 22 kinderen!) dan ben je vandaag geen kunstenaar meer als je leven niet avontuurlijk, opwindend en passioneel is, als je niet in alle opzichten anders bent dan de anderen.
Maar je moet ook uitvoerig kunnen spreken en schrijven over je kunst, anders word je niet voor vol aangezien.
De moderne kunstenaar is én een rocker én een intellectueel, iets wat de oude meesters geen van beide waren.
Niets typeert typeert onze tijd meer dan de spanning tussen deze twee tegengestelde kwaliteiten: de (luciferische) hartstocht en het (ahrimanische) intellect.
Die spanning is enerzijds verantwoordelijk voor de neergang van de kinderlijke genialiteit (die onze voorouders nog bezaten) en anderzijds voor de toename van het volwassen zelfbewustzijn (die onze voorouders nog niet bezaten).
En dat zelfbewustzijn culmineert in het besef van de moderne onmacht, het niet-meer-kunnen.

20140811-121359.jpg

Als we over (de kunst van) onze tijd willen spreken, moeten we het niet alleen over Ahriman hebben, maar ook over zijn tegenpool Lucifer.
Want waar de een is, is tegenwoordig ook de ander. Ze zijn niet meer van elkaar los te maken.
Het is dus niet alleen aan Ahrimans intellectualisme dat de kunst ten gronde gaat, ze gaat ook ten gronde aan het wilde luciferische verzet daartegen.
Actie en reactie, Lucifer die reageert op Ahriman en Ahriman die reageert op Lucifer: dát is de miserie van de kunst.
Berlioz was een voortreffelijk schrijver, maar juist die ahrimanische invloed dreef zijn muziek in de armen van Lucifer.
Toch had hij nog altijd deel aan ‘het tijdperk van de onschuld’, het tijdperk van het speelse midden, en daardoor kon hij die twee extremen, zij het met veel moeite, samenhouden en ondanks alles een groot kunstenaar worden.

Een nog sprekender voorbeeld van de door Ahriman en Lucifer verscheurde moderne kunstenaar is Vincent Van Gogh.
Iedereen kent de schilderijen van Van Gogh, en iedereen weet dat hij veel brieven heeft geschreven naar zijn broer Theo.
Minder bekend is echter dat die brieven zo goed geschreven zijn dat ze een plaats verdienen in de Nederlandse letterkunde.
Vincent Van Gogh was dan ook een bijzonder intelligent man, iemand die zich zeer bewust was van zijn kunst en ze met een ongewoon helder en nuchter oog bekeek.
Maar juist omdat hij literair zo begaafd was, en Ahriman hem dus zo sterk inspireerde, moest hij zich tot Lucifer wenden om Ahriman de baas te blijven. En dat gaf zijn kunst iets wilds en driftmatigs.
Van Gogh leed onder de enorme spanning tussen die twee polen.
Zolang hij ze kon uithouden, gaf die spanning zijn werk – zijn schilderijen én zijn brieven – een grote zeggingskracht.
Maar er zijn ook heel wat schilderijen – die je zelden of nooit te zien krijgt – waarop je duidelijk merkt dat hij de zaken niet meer samen kon houden.
Van Gogh werd langzaam maar zeker gesloopt door de enorme spanningen.
Het beroemde voorval waarbij hij zijn oor afsnijdt, was in feite een zelfmoordpoging: hij wilde zich de keel oversnijden met zijn scheermes, maar deed dat zo ‘wild’ dat hij bleef steken in zijn oor.

20140811-121611.jpg

Aanvankelijk wilde hij predikant worden, een man van het woord dus.
Hij had daar zeker het talent voor, dat bewijzen zijn brieven.
Maar hij leerde de dodelijke leegte en grauwheid van de intellectuele Ahriman kennen en vluchtte in de armen van de (vergelijkenderwijs) luciferische wereld van de kunst.
Zijn eerste stappen op dat gebied worden gekenmerkt door een grote gedrevenheid en een al even groot gebrek aan kunnen.
Het is bijna pijnlijk om die eerste stuntelige pogingen te zien, als van een (volwassen) kind dat leert lopen.
Maar wat Van Gogh groot maakt, is dat hij dat stuntelen heeft volgehouden.
Hij heeft het nooit ingeruild voor de pseudo-artisticiteit waar zoveel mensen zich aan overgeven wanneer ze op latere leeftijd leren tekenen of schilderen.
Dat kinderlijke stuntelen was de oorzaak van zijn levenslange miskenning.
Men zag hem als iemand die dacht dat hij schilder was maar er niks van kon en zichzelf belachelijk maakte.

Van Gogh was één van de vele kunstenaars die in de tijd rond de eeuwwisseling (die van 1900) gesloopt werden door de spanning tussen Lucifer en Ahriman, door de moeite die het hen kostte om die twee in evenwicht te houden (want ze zijn allebei nodig om kunst te maken).
Vandaag zijn er veel meer mensen die zich met kunst bezighouden dan in de tijd van Van Gogh.
Maar dat levert nauwelijks nog kunst op die de naam waard is.
Het spanningsveld tussen Lucifer en Ahriman is dan ook zo groot geworden dat niemand het nog uithoudt of het zelfs maar durft te betreden.
Er wordt nog maar weinig (echte) kunst gemaakt in onze tijd, maar we merken dat nauwelijks op, want hoe minder kunst we te zien krijgen, des te minder zijn we ook in staat om kunst waar te nemen.
Het oog voor kunst is een oog dat moet gevoed worden, anders kwijnt het weg en wordt blind.
Het ziet dan geen verschil meer tussen echte kunst en pseudo-kunst.
Hoe groot onze blindheid is geworden, toont de hedendaagse kunst, zowel in haar echte als in haar onechte gedaante.
De pseudo-hedendaagse kunst (die zichzelf Hedendaagse Kunst noemt) schotelt ons de meest beschamende dingen voor, en de echte hedendaagse kunst (de filmkunst) toont ons de meest spirituele dingen, maar we zien het geen van beide.
We zien noch het lelijke noch het schone.
Ons oog voor kunst is te zwak geworden om nog onderscheid te maken.

20140811-122606.jpg

De waarheid is dat we artistiek volkomen ondervoed zijn.
De beelden van miljoenen hongerende mensen die we bijna dagelijks op tv zien, zijn een (fysiek) spiegelbeeld van onze eigen (geestelijke) ondervoeding.
Tal van geestelijke kwalen die ons teisteren zijn een gevolg van dit tekort aan kunst, want zonder kunst – in zijn natuurlijke of culturele vorm (de natuur is het oer-kunstwerk) – kan de mens niet gezond blijven.
We zijn ons van dit geestelijk ziek-zijn echter nauwelijks bewust, omdat ons bewustzijn zelf deel heeft aan die ziekte: het is blind geworden voor zichzelf, voor zijn wezenlijk geestelijke aard.

Daardoor zitten we gevangen in een vicieuze cirkel: hoe minder kunst we te zien krijgen, des te blinder worden we voor kunst, en hoe blinder we worden voor kunst, des te meer ziekmakende pseudo-kunst kan ons leven binnendringen.
Het is met de kunst eigenlijk als met de landbouw: het volstaat niet meer om alle ziekmakende factoren te weren. De levenskrachten van de aarde zijn zo zwak geworden dat ze ons niet meer kunnen voeden.
We beseffen het niet, maar we zijn ook fysiek ondervoed.
We vreten ons weliswaar te pletter, maar we krijgen niet de nodige voedingsstoffen binnen.
Zelfs zuiver geteelde gewassen kunnen ons die niet meer geven.
Daarom is biologische landbouw niet genoeg.
Ze moet ook ‘dynamisch’ worden, dat wil zeggen: zij moet opnieuw verbonden worden met haar geestelijke oorsprong. Zonder die verbinding is echte voeding en echte gezondheid niet meer mogelijk.
In de kunst is het niet anders.
Ook zij moet ‘gedynamiseerd’ worden: de dodelijke tweespalt waarin ze zich bevindt, moet overwonnen worden. De twee stukken waarin ze uiteen is gevallen, moeten opnieuw met elkaar verbonden worden.
Dat is echter pas mogelijk als we opnieuw contact maken met de echte geest, niet de luciferische of de ahrimanische, en nog veel minder degene die hen rechtstreeks verbindt, maar de christelijke geest, die het midden houdt tussen beide.

20140811-123255.jpg

Omgekeerd kunnen we maar contact maken met deze waarlijk kunstzinnige geest als we opnieuw het spanningsveld betreden tussen Lucifer en Ahriman, dat wil zeggen: als we het bewust en vrijwillig betreden.
Want ons hele moderne leven speelt zich af tussen Lucifer en Ahriman.
We zijn er ons alleen niet van bewust.
We weten niet dat we als een pingpongballetje heen en weer worden gemept tussen beide tegenmachten.
We willen het ook niet weten, want de onmacht die ons dan overvalt, drijft ons tot wanhoop en zelfvernietiging.
Maar ook het niet-willen-weten leidt tot zelfvernietiging, want de spanning tussen Lucifer en Ahriman blijft oplopen en dwingt ons om ons bewustzijn stelselmatig te verdoven tot het uiteindelijk vervangen wordt door een bewustzijn dat niet het onze is.
En dat schijn-bewustzijn behoort toe aan een geest die nog veel gevaarlijker is dan Lucifer en Ahriman.
Hij brengt de mens ertoe zichzelf uit vrije wil te vernietigen, in de overtuiging dat het de enige uitweg is uit de vicieuze cirkel.
We zien deze geest onder meer aan het werk in zelfmoordterroristen, die door zichzelf te vernietigen dood en terreur zaaien. Deze zelfvernietigers noemen zichzelf ‘vrijheidsstrijders’ en worden geroemd als martelaren die het grootste offer brengen dat een mens kan brengen, een offer dat hen tot heiligen maakt.
De geest die hen bezielt (of bezit) perverteert met andere woorden het christelijke ideaal.

Deze anti-christelijke geest perverteert ook de kunst: hij vernietigt ze niet door haar rechtstreeks aan te vallen, maar door haar in haar tegendeel te keren, door een anti-kunst in het leven te roepen die als het summum van kunst beschouwd wordt.
Tot omstreeks 1900 had niemand dat voor mogelijk gehouden, maar vandaag is het een realiteit die zo vanzelfsprekend is geworden dat niemand ze nog opmerkt.
De zelfvernietiging van de kunst is heel gewoon geworden.
De kunstenaar vernietigt in plaats van te scheppen en niemand merkt het verschil.
Ook buiten de kunst is dit omkeringsproces aan de gang: de moderne mens vernietigt zichzelf en zijn wereld in de overtuiging dat hij beide redt.
Dit is de geestelijke ziekte waaraan we lijden, en het is een dodelijke ziekte.

20140811-123346.jpg

De enige manier om ervan te genezen, is door er ons bewust van te worden.
Maar dat is nu net het probleem, want ons bewustzijn zelf is ziek, het is niet langer bij machte onderscheid te maken tussen ziek en gezond.
Zelfmoordterroristen beschouwen zichzelf niet als ziek, integendeel, het zijn de anderen die ziek zijn en een paardenmiddel nodig hebben om te genezen.
Ook Hedendaagse kunstenaars zien zichzelf als gezonde geesten die alles wat vroeger als kunst beschouwd werd als ziekelijk bestrijden.
Een dergelijke groteske omkering is maar mogelijk omdat de mens niet meer weet wie of wat hij is.
Tot pakweg 1900 leefde hij in de overtuiging dat hij een kind van God was, een geestelijk wezen.
Het materialisme heeft dat oeroude mensbeeld vernietigd en een grote leegte achtergelaten die nu stelselmatig ingenomen wordt door de hedendaagse anti-geest.
Hoe meer die geest ons ‘midden’ bezet, des te meer ontvluchten we dat midden en werpen ons in de armen van Lucifer en Ahriman.
Zonder een nieuw mensbeeld dat de mens opnieuw ziet als een geestelijk wezen dat het midden houdt tussen de spirituele Lucifer en de materialistische Ahriman, is het niet mogelijk het menselijke midden te heroveren op de anti-christelijke geest, het bijbelse beest met de twee horens.

20140811-123709.jpg

Dat nieuwe mensbeeld is ons gegeven in de antroposofie van Rudolf Steiner.
Het is een waar godsgeschenk, want in onze moderne wereld is er niets wat ermee te vergelijken valt.
Maar de mens zou geen vrije geest zijn als hij verplicht werd dit geschenk te aanvaarden of zelfs maar als geschenk te herkennen.
Verre van een verplichting te zijn, is het een hele opgave om dit geschenk aan te nemen en uit te pakken.
In feite is het niets minder dan een kunst.
De antroposofie doet een beroep op wat ons nog rest aan kunstzinnige vermogens, zowel op het gebied van denken, voelen als willen.
Ze noopt ons om opnieuw het midden te betreden waar die vermogens leven en de strijd aan te gaan met de geest die daar eveneens leeft en probeert die vermogens tot de zijne te maken.

De strijd begint met het onderkennen van de luciferische en de ahrimanische ‘hoorn’ van dit beest, want het is met het geraffineerde pingpongspel tussen beide extremen dat hij zichzelf aan het bewustzijn van de mens onttrekt.
Er zit niets anders op dan dit ‘spel’ te leren kennen, en ‘kennen’ betekent hier meer dan alleen maar verstandelijk begrijpen: we moeten het spel meespelen, maar dan wel bewust en niet onbewust, zoals we dat nu doen.
Door dat bewuste ‘meespelen’ heroveren we stap voor kleine stap onze kunstzinnige vermogens, want het zijn die vermogens die de anti-geest tegen ons gebruikt.
Zelf bezit hij namelijk geen scheppende kracht.
Dat is trouwens de reden waarom hij ons zo haat en ons wil vernietigen: het beeld van de mens, een wezen dat ver beneden hem staat en toch begiftigd is met scheppende vermogens, is voor hem zo ondraaglijk dat hij het kost wat kost uit de weg wil ruimen.
Het feit dat hij daar, na 100 jaar zijn duivels ontketend te hebben, nog altijd niet in geslaagd is, wijst op de aanwezigheid van een andere geest, die ons steunt in onze strijd tegen Het Beest.
Maar die steun ondervinden we alleen als we de strijd werkelijk aangaan, want de christelijke geest dwingt ons op geen enkele wijze.
Als we de strijd uit de weg gaan en ons tevreden stellen met ons pingpongbalbestaan, dan houdt hij zich op de achtergrond en lijdt met ons mee.
Nemen we ons (aangeboren) kunstenaarschap daarentegen weer op, dan keren we de zaken om: wij lijden dan – uit vrije wil – met de Christusgeest mee.
Want kunst impliceert lijden.
Maar als we scheppend worden, lijden we niet om te lijden, we lijden om de vreugde die de bewustwording van onze eigen scheppende geest ons baart.
En die vreugde is altijd groter dan het lijden.

20140811-124134.jpg

Tentoonstelling aan zee

Woensdag begon somber.
Om van die nood een deugd te maken, besloten we om de jaarlijkse tentoonstelling van het ‘Belgische Aquarelinstituut’ te bezoeken. Die vond dit jaar namelijk heel toevallig plaats in Nieuwpoort, aan de kust dus.
Als je op het strand van De Haan richting Nieuwpoort kijkt, zie je Oostende liggen.
Klein uurtje wandelen en ik ben er, denk je.
Maar ruimte en tijd hebben aan zee een ander karakter.
Te voet naar Oostende, daar doe je zeker drie uur over.
En Nieuwpoort ligt nog eens drie uur verderop.
Zelfs met de fiets hadden we het niet gehaald.
Dus namen we de auto.
Een wijs besluit, want we waren nog niet vertrokken of het begon pijpestelen te regenen.
Ze kletterden op het dak als om te zeggen: blijf thuis!
Maar we beten op onze tanden.

20140810-162426.jpg

Dat was om meer dan één reden nodig.
Een mens vergeet altijd weer hoe onvoorstelbaar lelijk de Belgische kust is.
Wat het allemaal nog pijnlijker maakt, is dat je hier en daar nog kunt zien hoe onvoorstelbaar mooi diezelfde kust ooit geweest moet zijn.
In het nauw gedreven door intimiderende hoogbouw staan her en der nog oude villa’s en huizen die je op slag aan het dromen brengen.
Vooral in Oostende is de tegenstelling schrijnend.
Wat ooit de koningin der badsteden was, is nu een verloederde strandhoer geworden.
Tussen eindeloze rijen flatgebouwen die met elkaar wedijveren in lelijkheid, houden oude, eerbiedwaardige herenhuizen met de moed der wanhoop stand.
Als je met de auto door het centrum rijdt, passeer je af en toe een zijstraat waar je er nog een hele rij ziet: allemaal verschillend, allemaal ontsproten aan een door de zee geïnspireerde verbeelding, allemaal robuust en indrukwekkend.
Ze roepen het oude, glorieuze Oostende op en je durft niet te denken aan de verwoesting die hier heeft plaatsgegrepen.

20140810-162817.jpg

Maar het is niet alleen de ‘hogere’ kustcultuur die zo vreselijk toegetakeld is.
Van het vissersleven dat vroeger zijn stempel drukte op de kust (en er één van de grote charmes van was) is nauwelijks iets overgebleven.
Als we Nieuwpoort-dorp binnenrijden, is het nieuwe tramstation het eerste wat we zien.
Het is opgetrokken in de typisch hedendaagse, intergalactische stijl: een glimmende buizenconstructie die niet harder kan vloeken met de omgeving.
Vleermuisvormige zeilen zijn zodanig gespannen dat het er vrolijk tussendoor regent.
Wachtende reizigers moeten op een hoopje gaan staan om niet nat te worden.

Als ik zo’n schreeuwerig modern bouwsel zie, hoor ik op de achtergrond altijd een luid bulderlachen: de hedendaagse geest die de mens vierkant uitlacht.
Op een kwaadaardige manier maakt hij zich vrolijk over de stompzinnigheid van de moderne mens die je alles kunt wijsmaken, zelfs dat zijn gedrochten mooi zijn.
Het glimmende onding staat pal tegenover de Nieuwpoortse vismijn.
Die vismijn is een troosteloos gebouw zonder één spoor van schoonheid of fantasie.
Maar duizend keer liever zo’n doorleefd misbaksel dan ‘hedendaagse schoonheid’.
Nochtans kan je de ingang tot een kunsttentoonstelling niet deprimerender bedenken dan deze grauwe muren en afgebladderde ramen.
Als we de trappen beklimmen, komen we echter in een verrassend grote zaal, met aan de achterkant een riant uitzicht op de vaargeul en de aanlegsteiger.

20140810-163047.jpg

Aan een tafel zijn enkele dames in een geanimeerd gesprek gewikkeld.
Dat zet de toon.
Algauw zal namelijk blijken dat de hele tentoonstelling een vrouwenaangelegenheid is.
Ik schat dat drie vierden van de werken van de hand van vrouwen zijn.
En dat is te veel.
Als vrouwen in de meerderheid zijn, hebben ze de neiging samen te klitten en een eigen wereldje te vormen dat buitenstaanders met wantrouwen bekijkt.
Mannen hebben dan weer de neiging onderling te gaan wedijveren om te zien wie de beste en de sterkste is.
Maar hun individualiserende wedijver is een betere voedingsbodem voor kunst dan het ‘socialiserende’ samenklitten.
En dat is er ook aan te zien.
Aan de aquarellen, bedoel ik.
De overgrote meerderheid is het resultaat van nijvere vlijt, slechts uit enkele spreekt enige persoonlijkheid.
En is dat niet juist wat kunst boeiend maakt: dat je een blik werpt in een mensenziel, dat je een Ik ontmoet?

20140810-163403.jpg

Het is zeker geen toeval dat de meeste schilderijen abstract zijn.
Volgens Rudolf Steiner zit het Ik van de mens niet ‘van binnen’, maar komt het ‘van buiten’ op de mens toe.
De mens vindt zijn Ik dus niet door de blik naar binnen te richten (wat vrouwen zo graag doen) maar door naar buiten te kijken.
Dáár, in de hem omringende wereld, leeft zijn Ik.
Abstracte kunst is het resultaat van ‘introversie’ en dat levert geen individuele, bezielde kunst op, maar eindeloos geëxperimenteer met kleuren en vormen en materialen.
Dat is wat de aquarellerende dames gedaan hebben: ze hebben zich geamuseerd met verf en papier.

Op zich is daar natuurlijk niks mis mee, integendeel.
Aquarelleren is in essentie: spelen met gekleurd water.
Maar ‘spelen’ impliceert kinderlijke onbevangenheid, en die is hier ver te zoeken.
Alles op deze tentoonstelling ademt ernst, diepe, gewichtige ernst.
Wie denkt hier te maken te hebben met een groepje moeders wier kinderen het huis uit zijn en die de lege tijd vullen met het schilderen van bloemstukjes of zeezichtjes, vergist zich zwaar.
Deze dames gaan voor het echte werk, voor de kunst met een grote K.
Ze zijn er zelf van onder de indruk.
Met ernstige gezichten staan zij voor elkaars experimentele prestaties commentaar te leveren of leggen zij bezoekers uit welke peilloze diepten in hun werk verborgen liggen.
Die bezoekers begrijpen meteen dat hier de grootste ernst geboden is.
Wee degene die een onvertogen woord zou zeggen of, (veel) erger nog, in lachen uit zou barsten!
Eeuwige haat zou hem of haar ten deel vallen.
Jonge mensen zijn hier dan ook in geen velden of wegen te bekennen, noch aan de schilderende noch aan de kijkende kant.
De gemiddelde leeftijd ligt rond de 65.

20140810-171400.jpg

Ik kijk naar de verf-experimenten en vraag me af: hoe hebben ze dát in godsnaam gedaan?
Ik had geen idee dat je dat soort effecten kon bereiken met aquarelverf.
Maar echt interesseren doet het me niet.
Dat soort experimenten is … voor kinderen.
Zij moeten de mogelijkheden van de materie nog verkennen voor ze ermee aan de slag gaan.
Maar deze dames (en enkele heren) zijn geen kinderen meer, en ze gaan ook nergens mee aan de slag.
Ze blijven gewoon steken in het prille begin en vinden dat het einde.
Ze verbinden de uitersten met elkaar en slaan het hele middenstuk over, het stuk waar het kind zich ontwikkelt tot volwassene en de volwassene tot kunstenaar.

De dag tevoren had ik op het strand nog vol bewondering staan kijken naar de sierlijke en geraffineerde vormen die het zeewater in het zand geboetseerd had.
De gedachte kwam in me op om dáár eens een aquarel van te maken, maar ik verwierp ze weer.
Misschien, als ik jonger was geweest …
Dan moet je dergelijke huzarenstukjes proberen, om (jezelf) te tonen wat je kunt.
Maar ik heb daar geen tijd meer voor, ik ben te oud geworden.
Ik wil nu doen als het kind dat met grote ogen staat te kijken naar het geboetseerde zand en er vervolgens zijn spade in steekt.
Want net als dat kind wil ik zandkastelen bouwen.
Ik wil iets maken dat van mezelf is en waarin ik kan wonen en mezelf verdedigen tegen alles wat mij wil beletten ‘Ik’ te zijn.
Die kinderlijke zandkastelen mogen dan lachwekkend onbeholpen zijn vergeleken bij het geniale meesterschap van de natuur, maar het zijn wel mijn kastelen.

20140810-172007.jpg

Er hangen op de hele tentoonstelling maar twee ‘zandkastelen’, twee kinderlijk onbeholpen aquarellen, en dat zijn meteen de beste.
Het zijn ook de enige die iets vertellen over de schilder (een vrouw trouwens, ik ben de naam vergeten): één kind tussen allemaal doodernstige volwassenen.
Toevallig of niet hangen haar schilderijen helemaal achteraan, alsof ze er net nog bij mochten.
Het zijn twee vrolijke, speelse interieurs, licht en transparant zoals een aquarel hoort te zijn.
Ze dragen als titel: Atelier I en Atelier II.
Het is een verfrissing na titels als: ‘Could there be any light in this darkness?’ of ‘Sand in my hair, sand in my mouth.’
Ik stel met voldoening vast dat de schilder(es) haar beide aquarellen duurder geprijsd heeft dan het gemiddelde van de tentoonstelling (dat tussen de 500 en 600 euro ligt).
Dat wijst erop dat ze zich van haar waarde bewust is, en dat is een goede zaak, anders zou ze vroeg of laat ook beginnen experimenteren, om bij de ‘echte’ kunstenaars te horen.

Ik hoor een vrouw haar afkeer uitspreken voor deze twee aquarellen.
Moet je eens kijken, hoe vuil en slordig dat geschilderd is!
Wat haar betreft hadden ze die kladwerken moeten weigeren: ze doen het vermoeden rijzen dat hier amateurs aan het werk zijn en daar zal op de eerstvolgende vergadering van het Aquarelinstituut eens ernstig over gesproken moeten worden.
De vrouw beseft natuurlijk niet dat ze in een spiegel kijkt.
En dat alleen het gelijke het gelijke herkent.
Het kind-in-haarzelf heeft zich niet kunnen ontwikkelen.
Het zit gevangen in de kooi van haar volwassenheid.
En het is die verstarde volwassenheid die zich ergert aan het spel van het vrije kind en niet in staat is de kunstzinnigheid ervan waar te nemen.

20140810-172201.jpg

Al die gedachten spelen half bewust door m’n hoofd als An me naar het raam wenkt.
Haast je, gebaart ze.
Ik rep me naar het venster en ben net op tijd om een sleepboot te zien voorbijvaren.
Op de voor- en achtersteven lees ik in grote witte letters: Peter Paul Rubens.
Ik moet lachen: dát is een beeld dat kan tellen!
Rubens was een zeer ‘volwassen’ man, een man van de wereld.
Als schilder was hij een harde, gedisciplineerde werker.
Als zakenman was hij gehaaid en succesvol.
Als diplomaat liet hij zich in met ernstige wereldse aangelegenheden.
Als esotericus kende hij diepe spirituele geheimen.
Volwassener kun je ’t echt niet bedenken.
Maar deze rijke, beroemde en gewichtige man schilderde als een kind.
Zijn penseel danste en zwierde over het doek, vol onbedaarlijke levensvreugde.
Als een ondeugend kind zocht hij voortdurend de grenzen van het toelaatbare op.
Hij speelde met vuur door de kwezels en inquisiteurs van het katholieker dan katholieke Spanje schilderijen te presenteren waarvan de zinnelijkheid soms aan het obscene grensde.
Maar hij kwam daarmee weg omdat hij het niet opzettelijk deed.
Hij wás gewoon zo: een groot kind.
Daarom kon hij ook kinderen schilderen als geen ander.

20140810-172622.jpg

Ik weet niet welke regisseur het zo bepaalde dat die sleepboot daar net op dat moment kwam voorbijvaren, maar hij creëerde een volmaakt tegenbeeld van die aquareltentoonstelling.
De geniale Rubens, kind en volwassene in één, en de kinderachtige, zichzelf zo ernstig nemende aquarellistes: groter tegenstelling is niet mogelijk.
Ik prees mezelf gelukkig dat ik me ergens in het midden bevind: ver verwijderd van het onbereikbare genie van Rubens, maar niet minder ver verwijderd van die ‘omgekeerde kinderlijkheid’, die combinatie van luciferische eigenwaan en ahrimanische verstarring.
De aquarellen die ik op het strand maak – tussen de (andere) spelende kinderen – zijn onbeholpen pogingen vergeleken met de indrukwekkende experimenten van de schilderende dames, maar ze hebben (hoop ik) iets wat op deze tentoonstelling ontbreekt, en dat is Ik-kwaliteit, de kwaliteit van het midden die ontstaat wanneer Lucifer en Ahriman in evenwicht worden gehouden.
Gelet op de innige omhelzing van beide spitsbroeders – als van twee boksers die zich aan elkaar vastklampen – kan dat enkel een zeer wankel evenwicht zijn, een evenwicht waarbij je harde klappen moet incasseren.
Want van zodra je Lucifer en Ahriman uit hun omhelzing losmaakt, word je hun boksbal.

20140810-173052.jpg

An is intussen naar buiten gevlucht.
Ze kreeg geen lucht meer.
Of dat alleen aan de natuurlijke omstandigheden lag – ondanks de regen was de atmosfeer drukkend – laat ik in het midden (sic).
Ik vervoeg haar even later en samen slenteren we langs de viswinkels aan de overkant.
Het zijn er wel drie of vier, en in hun etalages liggen vissen van alle soorten hoog opgestapeld.
Wie koopt dat allemaal, vragen we ons af.
Tenslotte is Nieuwpoort niet bijster groot.
Ter vergelijking: in De Haan vind je geen enkele vishandel.
Degenen die er een wilden beginnen, stuitten naar verluidt op het veto van de omwonenden: het zou teveel stinken.
Wat zou er echter het meest stinken, vis of domheid?

We willen een koffie drinken om te bekomen van al die ‘kunst’, maar we komen alleen maar visrestaurants tegen (die overigens allemaal bomvol zitten).
Gelukkig vinden we een gewoon cafeetje.
Het is nagenoeg leeg.
We eten er een veel te zoete wafel en een veel te zoet ijsje, terwijl we luisteren naar muziek uit de tijd toen we nog jong waren.
Bij het afscheid wordt ons een strandspel-set van Hoegaarden aangeboden.
We hebben nochtans alleen maar koffie gedronken.
Dank u, zegt An, wij zijn daar te oud voor en onze kleinkinderen te jong (een dichterlijke vrijheid, want we hebben er slechts één).
We appreciëren niettemin het gebaar.
Misschien herkende de waard – een jong meisje – het kind wel in ons, en wilde ze het een cadeautje doen …

20140810-173654.jpg

The Game

Afgelopen week waren we ten huize Debrouwere aan de allerlaatste aflevering van Upstairs Downstairs gekomen, en dus rees de volgende dag de vraag: waar zullen we nu eens naar kijken?
Ik stelde voor: The Game, een film met Michael Douglas in de hoofdrol.
Waarover gaat dat ook alweer? vroeg An.
Prima, zei ik, als je ‘m vergeten bent, zal hij weer als nieuw zijn!
En ik stak het schijfje in de dvd-speler.
The Game is van de hand van David Fincher, de regisseur die ook Seven heeft gemaakt, een zwaar overroepen film over een seriemoordenaar die telkens een van de zeven hoofdzonden wil bestraffen.
The Game lijdt aan hetzelfde euvel als Seven: overdrijving.
Het is allemaal té.
Maar terwijl ik Seven nooit meer bekeken heb, ken ik The Game zowat uit m’n hoofd.
De film is namelijk een verbeelding van het menselijk leven bekeken vanuit karmisch oogpunt.
Het leven als een kunstwerk, zeg maar.

20140801-194421.jpg

Ik betwijfel ten zeerste of Fincher dat zo bedoeld heeft.
Uit niets blijkt dat hij een beeld heeft willen ophangen van het karma, noch dat hij het leven als een kunstwerk wilde voorstellen.
Alles wijst erop dat hij niets anders heeft willen doen dan wat hij ook in Seven al deed: een spannend verhaal vertellen, met een onverwachte en dramatische ontknoping.
En Fincher doet dat voortreffelijk, dat moet gezegd.
Helaas legt hij het er te dik op en daardoor boet de film aan geloofwaardigheid, en dus ook aan kwaliteit, in.
Maar dat wordt dan weer goedgemaakt door de diepere, mythische laag van de film, een laag waar de filmmakers zich niet bewust van waren.
Gelukkig maar, want anders was The Game een dorre allegorie geworden, een in beeld gebracht idee, een stichtend verhaal.
En dat is de film zeker niet.

Waarover gaat het?

Nicholas Van Orton is een steenrijke bankier wiens leven bestaat uit werken.
Hij leeft helemaal alleen in een kast van een huis, samen met zijn huishoudster.
Niets kan hem uit zijn evenwicht brengen, zijn bestaan is één groot gesmeerd mechanisme.
Tot hij op zijn 48ste verjaardag een cadeautje krijgt van zijn broer Conrad, een losbol die in zijn ogen niks gemaakt heeft van zijn leven.
Dat cadeautje is een bon voor ‘Het Spel’, dat georganiseerd wordt door het evenementenbureau CRS.
Nicholas bekijkt de bon wantrouwig.
Wat is dat voor iets, Het Spel? vraagt hij wantrouwig.
Dat zul je wel zien, antwoordt Conrad.
Nicholas vergeet de hele zaak – spelen is het laatste van zijn gedachten – maar als hij na een transactie toevallig een kantoor van CRS passeert, besluit hij binnen te stappen.
Tot zijn ergernis moet hij een hele reeks tests ondergaan.
Als die verwerkt zijn, zal men contact met hem opnemen.
Dat gebeurt tijdens een belangrijke vergadering, op zijn geheime telefoonnummer.
Een routineuze stem deelt hem mee dat hij geweigerd is voor Het Spel.
Nicholas is verbouwereerd. Hij is het niet gewend iets geweigerd te worden.
Wat hij niet weet, is dat Het Spel begonnen is.
Er vindt een hele reeks vreemde voorvallen plaats en algauw wordt duidelijk dat CRS erachter zit.

20140801-194522.jpg

Aanvankelijk heeft Nicholas er schik in.
Zijn leven krijgt iets spannends.
Hij bekijkt de dingen en de mensen met hernieuwde aandacht: zouden ze deel uitmaken van Het Spel?
Maar de ingrepen van CRS worden brutaler.
Als een belangrijke overeenkomst verijdeld wordt omdat het koffertje met de contracten niet opengaat, krijgt de anders zo beheerste Nicholas Van Orton een woedeaanval.
Maar het is nog lang niet gedaan.
Nicholas wordt langzaam ‘ontmanteld’: zijn personage wordt stap voor stap afgebroken, en uiteindelijk raakt hij alles kwijt: zijn reputatie, zijn huis, zijn geld en ten slotte ook bijna zijn leven.
Het Spel is allang geen spel meer en Nicholas begrijpt (of meent te begrijpen) dat hij in handen is gevallen van een bende geraffineerde oplichters.
Hij vertrouwt niemand meer, zeker zijn broer Conrad niet die volgens hem onder één hoedje speelt met CRS.
Zelf wordt hij ook niet meer vertrouwd.
Iedereen denkt dat hij aan achtervolgingswaanzin lijdt, zelfs de politie.
Maar CRS zit wel degelijk achter hem aan.
Nadat ze zijn Zwitserse bankrekeningen geplunderd hebben, willen ze zich van hem ontdoen.
Hij wordt in de val gelokt en verliest het bewustzijn.
Als hij wakker wordt, blijkt hij in een graf te liggen ergens op een kerkhof in Mexico.
Er is nu niets meer over van de oude Nicholas Van Orton.
De rijke bankier is een smerige, berooide zwerver geworden die zich bedelend weer een weg naar huis baant.
Nicholas geeft zich nog niet gewonnen.
Hij zint op wraak.
Hij spoort het geheime hoofdkwartier van CRS op en dringt er met een list binnen.
In een grote refter ziet hij alle mensen zitten die hij de afgelopen weken van ver of van dichtbij ontmoet heeft: ze maakten blijkbaar allemaal deel uit van Het Spel.
Nicholas wordt ontdekt en er ontstaat een wilde achtervolging die hem naar het dakterras van de wolkenkrabber jaagt.
Daar gijzelt hij een CRS-medewerkster die hem ervan probeert te overtuigen dat het allemaal deel uitmaakt van Het Spel en dat de mensen die hem achtervolgen niets anders willen dan zijn verjaardag vieren.
Maar Nicholas laat zich niet meer misleiden.
Als de deuren geforceerd worden, schiet hij blindelings.
Tot zijn ontzetting ziet hij zijn broer, met een glas champagne in de hand en een feesthoed op het hoofd, zieltogend neerzijgen.
De andere feestvierders, medewerkers van CRS, kijken verbijsterd toe.
Dit hadden ze niet voorzien.
Het Spel is uitgelopen op een tragedie.
Voor Nicholas is het meer dan hij kan verdragen en hij springt van het dak.
We zien hem honderden meters naar beneden vallen – een beeld dat op 9/11, vier jaar na het verschijnen van The Game, werkelijkheid zou worden.

20140801-203529.jpg

Maar Nicholas valt niet te pletter, hij doorboort een glazen dak en komt terecht op … een enorm kussen dat opgesteld staat in het midden van een feestzaal waar al zijn vrienden en familieleden zijn samengekomen om zijn verjaardag te vieren.
Als hij verdwaasd uit het kussen klimt, geholpen door vele handen, wordt hij begroet door zijn broer Conrad, met een glas champagne in de hand, een feesthoed op het hoofd en een grote rode vlek op zijn hemd.
Ze vallen elkaar in de armen en het is voor iedereen duidelijk dat Nicholas niet meer dezelfde is.

De film eindigt wanneer Nicholas stiekem de feestzaal verlaat om afscheid te nemen van de CRS-medewerkster die de hoofdrol speelde in zijn Spel. Ze is op weg naar een andere rol in een ander Spel, en ze nodigt hem uit om een kop koffie te drinken op de luchthaven.
We zien Nicholas aarzelen. Zijn oude Ik vindt het ongepast om zijn eigen verjaardagsfeest te verlaten, maar dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht: hij is niet verplicht om op dat feest te blijven, hij realiseert zich dat hij een keuze heeft, dat hij een vrij mens is.
Met die glimlach van de ‘nieuwe’ Nicholas eindigt de film.

20140801-203728.jpg
(De ‘oude’ Nicholas Van Orton)

De antroposofische lezer zal ongetwijfeld een aantal bekende thema’s herkennen.
In feite brengt de film een inwijding in beeld.
Nicholas wordt zorgvuldig voorbereid op de ‘doodsslaap’ die van hem een ander mens zal maken.
Die voorbereiding is even nauwgezet als doortastend: de oude Nicholas wordt systematisch ‘afgebroken’. Hij wordt stap voor stap ontdaan van alles wat van hem in deze wereld een man van aanzien maakte. En uiteindelijk verliest hij ook het laatste wat hem nog rest: zijn bewustzijn.
Als hij weer wakker wordt, bevindt hij zich in een graf.
Het is het meest bizarre maar ook meest veelzeggende beeld uit de film.
Het verwijst bijna rechtstreeks naar de oude inwijdingspraktijken.
Nicholas ontwaakt in een andere wereld, in Mexico, aan de andere kant van de ‘grens’ dus.
Hier is hij geen groot en rijk man meer, maar net het tegenovergestelde: een bedelaar die aangewezen is op de hulp van vreemden.
Het is een illustratie van de bijbelse woorden: de eersten zullen de laatsten zijn.
Moeizaam zoekt hij zijn weg terug naar huis.
We zien hem, slapend als een kind, aan de zijde van een truckchauffeur die hem weer naar Amerika brengt.
Maar als hij de oude, vertrouwde wereld nadert, duikt de vergeldingsdrang in hem op: hij wil het zijn oude kwelgeesten betaald zetten.
De dubbelganger die hem bij het sterven verlaten had, voegt zich weer bij hem.
Dat resulteert in een diepe val: een beeld van de mens die vanuit de geestelijke wereld de aardse, materiële wereld weer binnen duikt.
Een beeld ook van de zondeval.
Op aarde wordt hij – zoals een kind dat geboren wordt – liefdevol opgevangen door familie en vrienden.
Hij is nu echter niet meer dezelfde als in zijn ‘vorig leven’.
Hij is een nieuw mens geworden, een vrijer mens.

20140801-204631.jpg
(De jonge Nicholas)

The Game is niet alleen een beeld van een inwijding, het is ook een beeld van een reïncarnatie: Nicholas sterft en wordt weer geboren.
In wezen gaat het om natuurlijk om één en hetzelfde proces.
De mens die sterft en weer geboren wordt, ondergaat een inwijding.
De mens die een inwijding ondergaat, sterft en wordt opnieuw geboren.
Dit metamorfoseproces is de kern van het menselijk bestaan.
De mens ondergaat het voortdurend, zowel in het groot als in het klein, zowel bewust als onbewust.
En dat hele Stirb und Werde wordt zorgvuldig bewaakt door de geestelijke wereld en haar vertegenwoordigers op aarde: de priesters-ingewijden.

In The Game wordt de geestelijke wereld voorgesteld door CRS, Consumer Recreation Services.
Ze leiden op even strakke als geniale wijze het inwijdingsproces dat Nicholas ondergaat.
In die zin is de firma een moderne versie van de oude mysterietempels, waar de uitverkorenen werden ingewijd in de grote mysteries van het bestaan.
CRS maakt deel uit van het maatschappelijk leven, stelt mensen tewerk, verkoopt haar diensten, maar is tegelijk ook een buitenbeentje.
De meeste mensen komen er nooit mee in contact (omdat ze het – letterlijk of figuurlijk – niet kunnen betalen) en degenen die er wel mee in contact komen, spreken er met ontzag en discretie over.
In de film verwijst iemand naar een vers van Johannes: ik was blind en ik werd ziende.

20140801-204445.jpg

CRS is echter ook een beeld van de geestelijke wereld zelf, die onzichtbaar blijft en toch op tal van manieren ingrijpt in het leven.
Dat gebeurt echter op zo’n manier dat Nicholas nooit zeker weet of CRS erachter zit dan wel of het toeval is. En als hij wél zeker weet dat CRS in het spel is (sic), interpreteert hij haar rol verkeerd.
We kunnen het verloop van ‘Het Spel’ ook zien als een beeld van hoe de relatie tussen mens en geest evolueert.
Aanvankelijk is die relatie bewust: Nicholas ondertekent een contract, hij geeft CRS toestemming om ‘Het Spel’ – een metafoor van het menselijk leven – te spelen, en hij speelt dat spel ook bewust mee in het vertrouwen dat CRS – of de geestelijke wereld – wel weet wat het doet.
Het is een beeld van de religieuze of pre-religieuze mens, die de geestelijke wereld nog waarnam en er het volste vertrouwen in had.
Maar langzaam verzwakt die waarneming en het vertrouwen wordt op de proef gesteld.
‘Het Spel’ houdt gaandeweg op een spel te zijn.
Het wordt harde realiteit en Nicholas gelooft vanaf een bepaald moment niet meer in CRS als een goedaardige, vaderlijke instantie. Hij ‘beseft’ nu dat ze een bende oplichters zijn en hij besluit wraak te nemen.
Hij weerspiegelt daarin de hedendaagse mens, die alles wat met de geest te maken heeft, beschouwt als één grote oplichterij waar een eind aan gemaakt moet worden.
Het vervolg van de film kan dan weer als een toekomstbeeld gezien worden.
De pogingen van de hedendaagse mens om een eind te maken aan zijn relatie met de geestelijke wereld, zullen hem tot zelfvernietiging drijven.
En pas dan, als hij door het oog van de naald gekropen is, zal hij de ware toedracht inzien.
Hij zal daar zwaar moeten voor betalen – Nicholas krijgt een laatste schok als CRS hem de rekening presenteert – maar het resultaat zal zijn prijs meer dan waard zijn.

20140801-204703.jpg
(Conrad Van Orton)

De beelden van The Game kunnen nog verder uitgewerkt worden.
Ze hebben vaak meerdere betekenislagen en moeten ‘speels’ benaderd worden.
Het zijn kunstzinnige beelden: geen omzettingen van (spirituele) ideeën, maar belichamingen van ideeën.
En dat is iets heel anders.
Hoe meer je over die beelden nadenkt, hoe meer betekenissen er opduiken, hoe gedifferentieerder ze ook worden.
Zo is het me pas nu opgevallen dat Nicholas een wit pak draagt wanneer hij wakker wordt in het Mexicaanse graf.
Dat laatste is een beeld van zijn ontwaken in de geestelijke wereld (aan de andere kant van de grens) en het witte pak is een beeld van de onschuld die hij daar herwint.
Maar wanneer hij de grens weer in omgekeerde richting overschrijdt en terugkeert naar zijn oude vertrouwde wereld, verliest hij die onschuld weer.
Het witte pak verdwijnt (als ik me goed herinner) en de terugkeer naar de aarde krijgt het karakter van een val, een zondeval.

Nadenken over de ‘verborgen’ betekenis van filmbeelden is bijzonder boeiend (vind ik), maar het is slechts één aspect van de zaak.
Het andere aspect is nadenken over het tamelijk onthutsende feit dat deze spirituele (en zelfs antroposofische) betekenissen aanwezig zijn in een moderne, commerciële Hollywoodfilm, dat wil zeggen op een plek waar niemand een geestelijke dimensie zoekt.
Het is onmogelijk om deze twee aspecten van elkaar te scheiden: nadenken over de filmbeelden en nadenken over dat nadenken.
Er gaat een geheel nieuwe wereld open wanneer men begint na te denken over dit soort ‘mysteriefilms’: men begint aan een ontdekkingsreis, men dringt door in een gebied waar nog geen mens is geweest.
Maar tegelijk rijzen er ook vragen naar de aard van die wereld en het ontdekken ervan.
Bestaat die wereld wel? En zo ja, wáár bestaat hij?
Maakt hij deel uit van de film of bestaat hij alleen in mijn hoofd?
Haal ik die ideeën uit de film of plak ik ze er gewoon op?
Zijn ze met andere woorden realiteit of zijn ze inbeelding?

20140801-205145.jpg

Een beetje antroposoof ziet grote vraagstukken uit het verleden opduiken, bijvoorbeeld de middeleeuwse strijd tussen realisme en nominalisme.
Die vraagstukken blijken springlevend, want probeer een modern, materialistisch mens maar eens wijs te maken dat die ideeën over inwijding en reïncarnatie werkelijk aanwezig zijn in een film als The Game.
Dat wil er bij hem gewoon niet in.
Ook niet als hij antroposoof is.

Eén vraag die vroeg of laat opduikt als we de onverwacht diepe spiritualiteit van de moderne film ontdekken, is deze: wat betekent het voor de antroposofie dat antroposofen blind blijven voor de weergaloze manier waarop de geest zich manifesteert in de moderne filmwereld?
Deze blindheid is namelijk niet het gevolg van onvermogen.
Iedere antroposoof kan nadenken en mediteren over filmbeelden en daarin de antroposofie ontdekken. Speciale talenten zijn daar niet voor vereist: geen democratischer kunst dan de film.
Nee, de antroposofische blindheid is een gevolg van onwil.
Men wil eenvoudig niet nadenken over filmkunst.
Men wil alleen nadenken over Hedendaagse Kunst, dat wil zeggen over ideeën die onmogelijk uit de kunstwerken zelf kunnen gehaald worden, omdat ze er doodeenvoudig niet in aanwezig zijn. Het zijn zuiver ‘nominalistische’ ideeën die er door de kunstenaar worden opgeplakt en waar we zonder zijn hulp nooit achter zouden komen.
In de filmkunst gaat het echter om reële ideeën, levende ideeën die niet in het bewustzijn van de kunstenaar aanwezig (kunnen) zijn, maar via zijn onbewuste wil in het kunstwerk gestalte aannemen en daar gevonden kunnen worden door ‘mensen van goede wil’.

20140801-205404.jpg

Deze levende ideeën zijn geestelijke wezens die zich manifesteren in de aardse sfeer.
Het is voor hen ongetwijfeld een offer om zo diep af te dalen.
Dat offer is dan ook een goddelijk geschenk en ik voel vaak een diepe ontroering als ik zo’n geschenk ‘uitpak’.
Maar ik voel ook een diepe pijn als ik vaststel dat deze geschenken zo algemeen versmaad worden.
Geef mij maar pispotten en kakmachines, lijkt de hedendaagse antroposoof te zeggen.

Er speelt echter nog een ander gevoel mee als ik zie hoe de levende geest genegeerd wordt (en dan nog in naam van die geest).
Rudolf Steiner zegt ergens dat men de geestelijke wereld niet ongestraft kan negeren. Hij noemt het zelfs de grootste dwaling die de mensheid ooit gekoesterd heeft: te denken dat de geestelijke wereld zich laat veronachtzamen. Beschouw het voor mijn part als geestelijk egoïsme, zegt hij, maar geesten wreken zich als ze genegeerd worden.
Dat is het gevoel dat in me opkomt als ik zie hoe deze ‘goddelijke geschenken’ afgewezen worden: dit blijft niet zonder gevolgen.
Dat is ook de gedachte die lang geleden al in me opkwam: de helpende hand die in de hedendaagse (film)kunst wordt uitgestoken, zal veranderen in een vuist als ze niet wordt gegrepen.

Daarom (maar niet alleen daarom) doe ik nog eens een poging om het over deze ‘goddelijke hand’ te hebben, de hand die de geestelijke wereld gehad heeft in (enkele van) de meesterwerken van de hedendaagse filmkunst.
Ik doe dat niet zonder aarzeling want het negeren door antroposofen van de echte hedendaagse kunst ten voordele van de hedendaagse pseudo-kunst is één van de pijnlijkste ervaringen in mijn leven.
Daartegenover staat echter dat het ontdekken van de (echte) hedendaagse kunst – die een buitengewoon spirituele kunst is – één van de grootste vreugden van mijn leven is geweest, een waar godsgeschenk.
Geschenken, zeker godsgeschenken, scheppen verplichtingen.
Vandaar dus deze (ontoereikende) gedachten over The Game, een klein maar fijn geschenk.

Ik laat er u wat over broeden, want morgen ga ik voor een weekje naar zee.
Daarna zien we wel weer.

20140801-205711.jpg