Tentoonstelling aan zee

door lievendebrouwere

Woensdag begon somber.
Om van die nood een deugd te maken, besloten we om de jaarlijkse tentoonstelling van het ‘Belgische Aquarelinstituut’ te bezoeken. Die vond dit jaar namelijk heel toevallig plaats in Nieuwpoort, aan de kust dus.
Als je op het strand van De Haan richting Nieuwpoort kijkt, zie je Oostende liggen.
Klein uurtje wandelen en ik ben er, denk je.
Maar ruimte en tijd hebben aan zee een ander karakter.
Te voet naar Oostende, daar doe je zeker drie uur over.
En Nieuwpoort ligt nog eens drie uur verderop.
Zelfs met de fiets hadden we het niet gehaald.
Dus namen we de auto.
Een wijs besluit, want we waren nog niet vertrokken of het begon pijpestelen te regenen.
Ze kletterden op het dak als om te zeggen: blijf thuis!
Maar we beten op onze tanden.

20140810-162426.jpg

Dat was om meer dan één reden nodig.
Een mens vergeet altijd weer hoe onvoorstelbaar lelijk de Belgische kust is.
Wat het allemaal nog pijnlijker maakt, is dat je hier en daar nog kunt zien hoe onvoorstelbaar mooi diezelfde kust ooit geweest moet zijn.
In het nauw gedreven door intimiderende hoogbouw staan her en der nog oude villa’s en huizen die je op slag aan het dromen brengen.
Vooral in Oostende is de tegenstelling schrijnend.
Wat ooit de koningin der badsteden was, is nu een verloederde strandhoer geworden.
Tussen eindeloze rijen flatgebouwen die met elkaar wedijveren in lelijkheid, houden oude, eerbiedwaardige herenhuizen met de moed der wanhoop stand.
Als je met de auto door het centrum rijdt, passeer je af en toe een zijstraat waar je er nog een hele rij ziet: allemaal verschillend, allemaal ontsproten aan een door de zee geïnspireerde verbeelding, allemaal robuust en indrukwekkend.
Ze roepen het oude, glorieuze Oostende op en je durft niet te denken aan de verwoesting die hier heeft plaatsgegrepen.

20140810-162817.jpg

Maar het is niet alleen de ‘hogere’ kustcultuur die zo vreselijk toegetakeld is.
Van het vissersleven dat vroeger zijn stempel drukte op de kust (en er één van de grote charmes van was) is nauwelijks iets overgebleven.
Als we Nieuwpoort-dorp binnenrijden, is het nieuwe tramstation het eerste wat we zien.
Het is opgetrokken in de typisch hedendaagse, intergalactische stijl: een glimmende buizenconstructie die niet harder kan vloeken met de omgeving.
Vleermuisvormige zeilen zijn zodanig gespannen dat het er vrolijk tussendoor regent.
Wachtende reizigers moeten op een hoopje gaan staan om niet nat te worden.

Als ik zo’n schreeuwerig modern bouwsel zie, hoor ik op de achtergrond altijd een luid bulderlachen: de hedendaagse geest die de mens vierkant uitlacht.
Op een kwaadaardige manier maakt hij zich vrolijk over de stompzinnigheid van de moderne mens die je alles kunt wijsmaken, zelfs dat zijn gedrochten mooi zijn.
Het glimmende onding staat pal tegenover de Nieuwpoortse vismijn.
Die vismijn is een troosteloos gebouw zonder één spoor van schoonheid of fantasie.
Maar duizend keer liever zo’n doorleefd misbaksel dan ‘hedendaagse schoonheid’.
Nochtans kan je de ingang tot een kunsttentoonstelling niet deprimerender bedenken dan deze grauwe muren en afgebladderde ramen.
Als we de trappen beklimmen, komen we echter in een verrassend grote zaal, met aan de achterkant een riant uitzicht op de vaargeul en de aanlegsteiger.

20140810-163047.jpg

Aan een tafel zijn enkele dames in een geanimeerd gesprek gewikkeld.
Dat zet de toon.
Algauw zal namelijk blijken dat de hele tentoonstelling een vrouwenaangelegenheid is.
Ik schat dat drie vierden van de werken van de hand van vrouwen zijn.
En dat is te veel.
Als vrouwen in de meerderheid zijn, hebben ze de neiging samen te klitten en een eigen wereldje te vormen dat buitenstaanders met wantrouwen bekijkt.
Mannen hebben dan weer de neiging onderling te gaan wedijveren om te zien wie de beste en de sterkste is.
Maar hun individualiserende wedijver is een betere voedingsbodem voor kunst dan het ‘socialiserende’ samenklitten.
En dat is er ook aan te zien.
Aan de aquarellen, bedoel ik.
De overgrote meerderheid is het resultaat van nijvere vlijt, slechts uit enkele spreekt enige persoonlijkheid.
En is dat niet juist wat kunst boeiend maakt: dat je een blik werpt in een mensenziel, dat je een Ik ontmoet?

20140810-163403.jpg

Het is zeker geen toeval dat de meeste schilderijen abstract zijn.
Volgens Rudolf Steiner zit het Ik van de mens niet ‘van binnen’, maar komt het ‘van buiten’ op de mens toe.
De mens vindt zijn Ik dus niet door de blik naar binnen te richten (wat vrouwen zo graag doen) maar door naar buiten te kijken.
Dáár, in de hem omringende wereld, leeft zijn Ik.
Abstracte kunst is het resultaat van ‘introversie’ en dat levert geen individuele, bezielde kunst op, maar eindeloos geëxperimenteer met kleuren en vormen en materialen.
Dat is wat de aquarellerende dames gedaan hebben: ze hebben zich geamuseerd met verf en papier.

Op zich is daar natuurlijk niks mis mee, integendeel.
Aquarelleren is in essentie: spelen met gekleurd water.
Maar ‘spelen’ impliceert kinderlijke onbevangenheid, en die is hier ver te zoeken.
Alles op deze tentoonstelling ademt ernst, diepe, gewichtige ernst.
Wie denkt hier te maken te hebben met een groepje moeders wier kinderen het huis uit zijn en die de lege tijd vullen met het schilderen van bloemstukjes of zeezichtjes, vergist zich zwaar.
Deze dames gaan voor het echte werk, voor de kunst met een grote K.
Ze zijn er zelf van onder de indruk.
Met ernstige gezichten staan zij voor elkaars experimentele prestaties commentaar te leveren of leggen zij bezoekers uit welke peilloze diepten in hun werk verborgen liggen.
Die bezoekers begrijpen meteen dat hier de grootste ernst geboden is.
Wee degene die een onvertogen woord zou zeggen of, (veel) erger nog, in lachen uit zou barsten!
Eeuwige haat zou hem of haar ten deel vallen.
Jonge mensen zijn hier dan ook in geen velden of wegen te bekennen, noch aan de schilderende noch aan de kijkende kant.
De gemiddelde leeftijd ligt rond de 65.

20140810-171400.jpg

Ik kijk naar de verf-experimenten en vraag me af: hoe hebben ze dát in godsnaam gedaan?
Ik had geen idee dat je dat soort effecten kon bereiken met aquarelverf.
Maar echt interesseren doet het me niet.
Dat soort experimenten is … voor kinderen.
Zij moeten de mogelijkheden van de materie nog verkennen voor ze ermee aan de slag gaan.
Maar deze dames (en enkele heren) zijn geen kinderen meer, en ze gaan ook nergens mee aan de slag.
Ze blijven gewoon steken in het prille begin en vinden dat het einde.
Ze verbinden de uitersten met elkaar en slaan het hele middenstuk over, het stuk waar het kind zich ontwikkelt tot volwassene en de volwassene tot kunstenaar.

De dag tevoren had ik op het strand nog vol bewondering staan kijken naar de sierlijke en geraffineerde vormen die het zeewater in het zand geboetseerd had.
De gedachte kwam in me op om dáár eens een aquarel van te maken, maar ik verwierp ze weer.
Misschien, als ik jonger was geweest …
Dan moet je dergelijke huzarenstukjes proberen, om (jezelf) te tonen wat je kunt.
Maar ik heb daar geen tijd meer voor, ik ben te oud geworden.
Ik wil nu doen als het kind dat met grote ogen staat te kijken naar het geboetseerde zand en er vervolgens zijn spade in steekt.
Want net als dat kind wil ik zandkastelen bouwen.
Ik wil iets maken dat van mezelf is en waarin ik kan wonen en mezelf verdedigen tegen alles wat mij wil beletten ‘Ik’ te zijn.
Die kinderlijke zandkastelen mogen dan lachwekkend onbeholpen zijn vergeleken bij het geniale meesterschap van de natuur, maar het zijn wel mijn kastelen.

20140810-172007.jpg

Er hangen op de hele tentoonstelling maar twee ‘zandkastelen’, twee kinderlijk onbeholpen aquarellen, en dat zijn meteen de beste.
Het zijn ook de enige die iets vertellen over de schilder (een vrouw trouwens, ik ben de naam vergeten): één kind tussen allemaal doodernstige volwassenen.
Toevallig of niet hangen haar schilderijen helemaal achteraan, alsof ze er net nog bij mochten.
Het zijn twee vrolijke, speelse interieurs, licht en transparant zoals een aquarel hoort te zijn.
Ze dragen als titel: Atelier I en Atelier II.
Het is een verfrissing na titels als: ‘Could there be any light in this darkness?’ of ‘Sand in my hair, sand in my mouth.’
Ik stel met voldoening vast dat de schilder(es) haar beide aquarellen duurder geprijsd heeft dan het gemiddelde van de tentoonstelling (dat tussen de 500 en 600 euro ligt).
Dat wijst erop dat ze zich van haar waarde bewust is, en dat is een goede zaak, anders zou ze vroeg of laat ook beginnen experimenteren, om bij de ‘echte’ kunstenaars te horen.

Ik hoor een vrouw haar afkeer uitspreken voor deze twee aquarellen.
Moet je eens kijken, hoe vuil en slordig dat geschilderd is!
Wat haar betreft hadden ze die kladwerken moeten weigeren: ze doen het vermoeden rijzen dat hier amateurs aan het werk zijn en daar zal op de eerstvolgende vergadering van het Aquarelinstituut eens ernstig over gesproken moeten worden.
De vrouw beseft natuurlijk niet dat ze in een spiegel kijkt.
En dat alleen het gelijke het gelijke herkent.
Het kind-in-haarzelf heeft zich niet kunnen ontwikkelen.
Het zit gevangen in de kooi van haar volwassenheid.
En het is die verstarde volwassenheid die zich ergert aan het spel van het vrije kind en niet in staat is de kunstzinnigheid ervan waar te nemen.

20140810-172201.jpg

Al die gedachten spelen half bewust door m’n hoofd als An me naar het raam wenkt.
Haast je, gebaart ze.
Ik rep me naar het venster en ben net op tijd om een sleepboot te zien voorbijvaren.
Op de voor- en achtersteven lees ik in grote witte letters: Peter Paul Rubens.
Ik moet lachen: dát is een beeld dat kan tellen!
Rubens was een zeer ‘volwassen’ man, een man van de wereld.
Als schilder was hij een harde, gedisciplineerde werker.
Als zakenman was hij gehaaid en succesvol.
Als diplomaat liet hij zich in met ernstige wereldse aangelegenheden.
Als esotericus kende hij diepe spirituele geheimen.
Volwassener kun je ’t echt niet bedenken.
Maar deze rijke, beroemde en gewichtige man schilderde als een kind.
Zijn penseel danste en zwierde over het doek, vol onbedaarlijke levensvreugde.
Als een ondeugend kind zocht hij voortdurend de grenzen van het toelaatbare op.
Hij speelde met vuur door de kwezels en inquisiteurs van het katholieker dan katholieke Spanje schilderijen te presenteren waarvan de zinnelijkheid soms aan het obscene grensde.
Maar hij kwam daarmee weg omdat hij het niet opzettelijk deed.
Hij wás gewoon zo: een groot kind.
Daarom kon hij ook kinderen schilderen als geen ander.

20140810-172622.jpg

Ik weet niet welke regisseur het zo bepaalde dat die sleepboot daar net op dat moment kwam voorbijvaren, maar hij creëerde een volmaakt tegenbeeld van die aquareltentoonstelling.
De geniale Rubens, kind en volwassene in één, en de kinderachtige, zichzelf zo ernstig nemende aquarellistes: groter tegenstelling is niet mogelijk.
Ik prees mezelf gelukkig dat ik me ergens in het midden bevind: ver verwijderd van het onbereikbare genie van Rubens, maar niet minder ver verwijderd van die ‘omgekeerde kinderlijkheid’, die combinatie van luciferische eigenwaan en ahrimanische verstarring.
De aquarellen die ik op het strand maak – tussen de (andere) spelende kinderen – zijn onbeholpen pogingen vergeleken met de indrukwekkende experimenten van de schilderende dames, maar ze hebben (hoop ik) iets wat op deze tentoonstelling ontbreekt, en dat is Ik-kwaliteit, de kwaliteit van het midden die ontstaat wanneer Lucifer en Ahriman in evenwicht worden gehouden.
Gelet op de innige omhelzing van beide spitsbroeders – als van twee boksers die zich aan elkaar vastklampen – kan dat enkel een zeer wankel evenwicht zijn, een evenwicht waarbij je harde klappen moet incasseren.
Want van zodra je Lucifer en Ahriman uit hun omhelzing losmaakt, word je hun boksbal.

20140810-173052.jpg

An is intussen naar buiten gevlucht.
Ze kreeg geen lucht meer.
Of dat alleen aan de natuurlijke omstandigheden lag – ondanks de regen was de atmosfeer drukkend – laat ik in het midden (sic).
Ik vervoeg haar even later en samen slenteren we langs de viswinkels aan de overkant.
Het zijn er wel drie of vier, en in hun etalages liggen vissen van alle soorten hoog opgestapeld.
Wie koopt dat allemaal, vragen we ons af.
Tenslotte is Nieuwpoort niet bijster groot.
Ter vergelijking: in De Haan vind je geen enkele vishandel.
Degenen die er een wilden beginnen, stuitten naar verluidt op het veto van de omwonenden: het zou teveel stinken.
Wat zou er echter het meest stinken, vis of domheid?

We willen een koffie drinken om te bekomen van al die ‘kunst’, maar we komen alleen maar visrestaurants tegen (die overigens allemaal bomvol zitten).
Gelukkig vinden we een gewoon cafeetje.
Het is nagenoeg leeg.
We eten er een veel te zoete wafel en een veel te zoet ijsje, terwijl we luisteren naar muziek uit de tijd toen we nog jong waren.
Bij het afscheid wordt ons een strandspel-set van Hoegaarden aangeboden.
We hebben nochtans alleen maar koffie gedronken.
Dank u, zegt An, wij zijn daar te oud voor en onze kleinkinderen te jong (een dichterlijke vrijheid, want we hebben er slechts één).
We appreciëren niettemin het gebaar.
Misschien herkende de waard – een jong meisje – het kind wel in ons, en wilde ze het een cadeautje doen …

20140810-173654.jpg

Advertenties