De miserie van de kunst (2)

door lievendebrouwere

Ahriman is één aspect van de ziekte waaraan we lijden.
Hij is de inspirator van het intellectuele denken.
Hij giet levende gedachten in dode vormen.
Hij schrijft.
Ahriman inspireert de mens tot schrijven.
Nog maar een paar generaties geleden konden de meeste mensen nauwelijks een pen vasthouden. Vandaag schrijft iedereen.
En er wordt heel goed geschreven, tenminste wanneer we de zaak louter technisch bekijken.
Maar het is niet de moderne mens zelf die schrijft.
Het is voor het grootste deel Ahriman die in zijn plaats schrijft en aan de lopende band woorden, geijkte formuleringen en correcte gedachten produceert.

Volgens Alfred Einstein is er een rechtstreeks verband tussen de neergang van de muziek en de opgang van het schrijven.
Hector Berlioz is daarvan een treffend voorbeeld.
Iedereen kent hem als de componist van zeer romantische, gezwollen muziek, maar weinig mensen weten dat hij ook een voortreffelijk schrijver was.
Ik heb ooit zijn mémoires gelezen (verschenen als ‘Mijn leven’ in de reeks Privé-Domein) en zeer genoten van de buitengewone ‘esprit’ van de man.

20140811-120932.jpg

Het is dus verkeerd om Ahriman louter als een boosdoener te zien.
Door de kunstenaar te leren schrijven, heeft hij weliswaar de neergang van zijn kunst ingeleid, maar hij heeft ook iets in de plaats gegeven: zelfbewustzijn.
Muzikale reuzen als Bach en Haydn hadden iets kinderlijks in hun wezen.
Ze schreven muziek zoals een kind speelt: het was voor hen de natuurlijkste zaak ter wereld. Ze bezaten dan ook nog niet de soms arrogante trots van latere kunstenaars.
Wat een verschil met figuren als Beethoven en Berlioz!
Dat waren uitgesproken, zelfbewuste persoonlijkheden.
Vergeleken met hen lijken Bach en Haydn saaie burgermannetjes.
Die ahrimanische lijn is sindsdien almaar verder doorgetrokken.
Waren de klassieke meesters brave en hardwerkende huisvaders (Bach had 22 kinderen!) dan ben je vandaag geen kunstenaar meer als je leven niet avontuurlijk, opwindend en passioneel is, als je niet in alle opzichten anders bent dan de anderen.
Maar je moet ook uitvoerig kunnen spreken en schrijven over je kunst, anders word je niet voor vol aangezien.
De moderne kunstenaar is én een rocker én een intellectueel, iets wat de oude meesters geen van beide waren.
Niets typeert typeert onze tijd meer dan de spanning tussen deze twee tegengestelde kwaliteiten: de (luciferische) hartstocht en het (ahrimanische) intellect.
Die spanning is enerzijds verantwoordelijk voor de neergang van de kinderlijke genialiteit (die onze voorouders nog bezaten) en anderzijds voor de toename van het volwassen zelfbewustzijn (die onze voorouders nog niet bezaten).
En dat zelfbewustzijn culmineert in het besef van de moderne onmacht, het niet-meer-kunnen.

20140811-121359.jpg

Als we over (de kunst van) onze tijd willen spreken, moeten we het niet alleen over Ahriman hebben, maar ook over zijn tegenpool Lucifer.
Want waar de een is, is tegenwoordig ook de ander. Ze zijn niet meer van elkaar los te maken.
Het is dus niet alleen aan Ahrimans intellectualisme dat de kunst ten gronde gaat, ze gaat ook ten gronde aan het wilde luciferische verzet daartegen.
Actie en reactie, Lucifer die reageert op Ahriman en Ahriman die reageert op Lucifer: dát is de miserie van de kunst.
Berlioz was een voortreffelijk schrijver, maar juist die ahrimanische invloed dreef zijn muziek in de armen van Lucifer.
Toch had hij nog altijd deel aan ‘het tijdperk van de onschuld’, het tijdperk van het speelse midden, en daardoor kon hij die twee extremen, zij het met veel moeite, samenhouden en ondanks alles een groot kunstenaar worden.

Een nog sprekender voorbeeld van de door Ahriman en Lucifer verscheurde moderne kunstenaar is Vincent Van Gogh.
Iedereen kent de schilderijen van Van Gogh, en iedereen weet dat hij veel brieven heeft geschreven naar zijn broer Theo.
Minder bekend is echter dat die brieven zo goed geschreven zijn dat ze een plaats verdienen in de Nederlandse letterkunde.
Vincent Van Gogh was dan ook een bijzonder intelligent man, iemand die zich zeer bewust was van zijn kunst en ze met een ongewoon helder en nuchter oog bekeek.
Maar juist omdat hij literair zo begaafd was, en Ahriman hem dus zo sterk inspireerde, moest hij zich tot Lucifer wenden om Ahriman de baas te blijven. En dat gaf zijn kunst iets wilds en driftmatigs.
Van Gogh leed onder de enorme spanning tussen die twee polen.
Zolang hij ze kon uithouden, gaf die spanning zijn werk – zijn schilderijen én zijn brieven – een grote zeggingskracht.
Maar er zijn ook heel wat schilderijen – die je zelden of nooit te zien krijgt – waarop je duidelijk merkt dat hij de zaken niet meer samen kon houden.
Van Gogh werd langzaam maar zeker gesloopt door de enorme spanningen.
Het beroemde voorval waarbij hij zijn oor afsnijdt, was in feite een zelfmoordpoging: hij wilde zich de keel oversnijden met zijn scheermes, maar deed dat zo ‘wild’ dat hij bleef steken in zijn oor.

20140811-121611.jpg

Aanvankelijk wilde hij predikant worden, een man van het woord dus.
Hij had daar zeker het talent voor, dat bewijzen zijn brieven.
Maar hij leerde de dodelijke leegte en grauwheid van de intellectuele Ahriman kennen en vluchtte in de armen van de (vergelijkenderwijs) luciferische wereld van de kunst.
Zijn eerste stappen op dat gebied worden gekenmerkt door een grote gedrevenheid en een al even groot gebrek aan kunnen.
Het is bijna pijnlijk om die eerste stuntelige pogingen te zien, als van een (volwassen) kind dat leert lopen.
Maar wat Van Gogh groot maakt, is dat hij dat stuntelen heeft volgehouden.
Hij heeft het nooit ingeruild voor de pseudo-artisticiteit waar zoveel mensen zich aan overgeven wanneer ze op latere leeftijd leren tekenen of schilderen.
Dat kinderlijke stuntelen was de oorzaak van zijn levenslange miskenning.
Men zag hem als iemand die dacht dat hij schilder was maar er niks van kon en zichzelf belachelijk maakte.

Van Gogh was één van de vele kunstenaars die in de tijd rond de eeuwwisseling (die van 1900) gesloopt werden door de spanning tussen Lucifer en Ahriman, door de moeite die het hen kostte om die twee in evenwicht te houden (want ze zijn allebei nodig om kunst te maken).
Vandaag zijn er veel meer mensen die zich met kunst bezighouden dan in de tijd van Van Gogh.
Maar dat levert nauwelijks nog kunst op die de naam waard is.
Het spanningsveld tussen Lucifer en Ahriman is dan ook zo groot geworden dat niemand het nog uithoudt of het zelfs maar durft te betreden.
Er wordt nog maar weinig (echte) kunst gemaakt in onze tijd, maar we merken dat nauwelijks op, want hoe minder kunst we te zien krijgen, des te minder zijn we ook in staat om kunst waar te nemen.
Het oog voor kunst is een oog dat moet gevoed worden, anders kwijnt het weg en wordt blind.
Het ziet dan geen verschil meer tussen echte kunst en pseudo-kunst.
Hoe groot onze blindheid is geworden, toont de hedendaagse kunst, zowel in haar echte als in haar onechte gedaante.
De pseudo-hedendaagse kunst (die zichzelf Hedendaagse Kunst noemt) schotelt ons de meest beschamende dingen voor, en de echte hedendaagse kunst (de filmkunst) toont ons de meest spirituele dingen, maar we zien het geen van beide.
We zien noch het lelijke noch het schone.
Ons oog voor kunst is te zwak geworden om nog onderscheid te maken.

20140811-122606.jpg

De waarheid is dat we artistiek volkomen ondervoed zijn.
De beelden van miljoenen hongerende mensen die we bijna dagelijks op tv zien, zijn een (fysiek) spiegelbeeld van onze eigen (geestelijke) ondervoeding.
Tal van geestelijke kwalen die ons teisteren zijn een gevolg van dit tekort aan kunst, want zonder kunst – in zijn natuurlijke of culturele vorm (de natuur is het oer-kunstwerk) – kan de mens niet gezond blijven.
We zijn ons van dit geestelijk ziek-zijn echter nauwelijks bewust, omdat ons bewustzijn zelf deel heeft aan die ziekte: het is blind geworden voor zichzelf, voor zijn wezenlijk geestelijke aard.

Daardoor zitten we gevangen in een vicieuze cirkel: hoe minder kunst we te zien krijgen, des te blinder worden we voor kunst, en hoe blinder we worden voor kunst, des te meer ziekmakende pseudo-kunst kan ons leven binnendringen.
Het is met de kunst eigenlijk als met de landbouw: het volstaat niet meer om alle ziekmakende factoren te weren. De levenskrachten van de aarde zijn zo zwak geworden dat ze ons niet meer kunnen voeden.
We beseffen het niet, maar we zijn ook fysiek ondervoed.
We vreten ons weliswaar te pletter, maar we krijgen niet de nodige voedingsstoffen binnen.
Zelfs zuiver geteelde gewassen kunnen ons die niet meer geven.
Daarom is biologische landbouw niet genoeg.
Ze moet ook ‘dynamisch’ worden, dat wil zeggen: zij moet opnieuw verbonden worden met haar geestelijke oorsprong. Zonder die verbinding is echte voeding en echte gezondheid niet meer mogelijk.
In de kunst is het niet anders.
Ook zij moet ‘gedynamiseerd’ worden: de dodelijke tweespalt waarin ze zich bevindt, moet overwonnen worden. De twee stukken waarin ze uiteen is gevallen, moeten opnieuw met elkaar verbonden worden.
Dat is echter pas mogelijk als we opnieuw contact maken met de echte geest, niet de luciferische of de ahrimanische, en nog veel minder degene die hen rechtstreeks verbindt, maar de christelijke geest, die het midden houdt tussen beide.

20140811-123255.jpg

Omgekeerd kunnen we maar contact maken met deze waarlijk kunstzinnige geest als we opnieuw het spanningsveld betreden tussen Lucifer en Ahriman, dat wil zeggen: als we het bewust en vrijwillig betreden.
Want ons hele moderne leven speelt zich af tussen Lucifer en Ahriman.
We zijn er ons alleen niet van bewust.
We weten niet dat we als een pingpongballetje heen en weer worden gemept tussen beide tegenmachten.
We willen het ook niet weten, want de onmacht die ons dan overvalt, drijft ons tot wanhoop en zelfvernietiging.
Maar ook het niet-willen-weten leidt tot zelfvernietiging, want de spanning tussen Lucifer en Ahriman blijft oplopen en dwingt ons om ons bewustzijn stelselmatig te verdoven tot het uiteindelijk vervangen wordt door een bewustzijn dat niet het onze is.
En dat schijn-bewustzijn behoort toe aan een geest die nog veel gevaarlijker is dan Lucifer en Ahriman.
Hij brengt de mens ertoe zichzelf uit vrije wil te vernietigen, in de overtuiging dat het de enige uitweg is uit de vicieuze cirkel.
We zien deze geest onder meer aan het werk in zelfmoordterroristen, die door zichzelf te vernietigen dood en terreur zaaien. Deze zelfvernietigers noemen zichzelf ‘vrijheidsstrijders’ en worden geroemd als martelaren die het grootste offer brengen dat een mens kan brengen, een offer dat hen tot heiligen maakt.
De geest die hen bezielt (of bezit) perverteert met andere woorden het christelijke ideaal.

Deze anti-christelijke geest perverteert ook de kunst: hij vernietigt ze niet door haar rechtstreeks aan te vallen, maar door haar in haar tegendeel te keren, door een anti-kunst in het leven te roepen die als het summum van kunst beschouwd wordt.
Tot omstreeks 1900 had niemand dat voor mogelijk gehouden, maar vandaag is het een realiteit die zo vanzelfsprekend is geworden dat niemand ze nog opmerkt.
De zelfvernietiging van de kunst is heel gewoon geworden.
De kunstenaar vernietigt in plaats van te scheppen en niemand merkt het verschil.
Ook buiten de kunst is dit omkeringsproces aan de gang: de moderne mens vernietigt zichzelf en zijn wereld in de overtuiging dat hij beide redt.
Dit is de geestelijke ziekte waaraan we lijden, en het is een dodelijke ziekte.

20140811-123346.jpg

De enige manier om ervan te genezen, is door er ons bewust van te worden.
Maar dat is nu net het probleem, want ons bewustzijn zelf is ziek, het is niet langer bij machte onderscheid te maken tussen ziek en gezond.
Zelfmoordterroristen beschouwen zichzelf niet als ziek, integendeel, het zijn de anderen die ziek zijn en een paardenmiddel nodig hebben om te genezen.
Ook Hedendaagse kunstenaars zien zichzelf als gezonde geesten die alles wat vroeger als kunst beschouwd werd als ziekelijk bestrijden.
Een dergelijke groteske omkering is maar mogelijk omdat de mens niet meer weet wie of wat hij is.
Tot pakweg 1900 leefde hij in de overtuiging dat hij een kind van God was, een geestelijk wezen.
Het materialisme heeft dat oeroude mensbeeld vernietigd en een grote leegte achtergelaten die nu stelselmatig ingenomen wordt door de hedendaagse anti-geest.
Hoe meer die geest ons ‘midden’ bezet, des te meer ontvluchten we dat midden en werpen ons in de armen van Lucifer en Ahriman.
Zonder een nieuw mensbeeld dat de mens opnieuw ziet als een geestelijk wezen dat het midden houdt tussen de spirituele Lucifer en de materialistische Ahriman, is het niet mogelijk het menselijke midden te heroveren op de anti-christelijke geest, het bijbelse beest met de twee horens.

20140811-123709.jpg

Dat nieuwe mensbeeld is ons gegeven in de antroposofie van Rudolf Steiner.
Het is een waar godsgeschenk, want in onze moderne wereld is er niets wat ermee te vergelijken valt.
Maar de mens zou geen vrije geest zijn als hij verplicht werd dit geschenk te aanvaarden of zelfs maar als geschenk te herkennen.
Verre van een verplichting te zijn, is het een hele opgave om dit geschenk aan te nemen en uit te pakken.
In feite is het niets minder dan een kunst.
De antroposofie doet een beroep op wat ons nog rest aan kunstzinnige vermogens, zowel op het gebied van denken, voelen als willen.
Ze noopt ons om opnieuw het midden te betreden waar die vermogens leven en de strijd aan te gaan met de geest die daar eveneens leeft en probeert die vermogens tot de zijne te maken.

De strijd begint met het onderkennen van de luciferische en de ahrimanische ‘hoorn’ van dit beest, want het is met het geraffineerde pingpongspel tussen beide extremen dat hij zichzelf aan het bewustzijn van de mens onttrekt.
Er zit niets anders op dan dit ‘spel’ te leren kennen, en ‘kennen’ betekent hier meer dan alleen maar verstandelijk begrijpen: we moeten het spel meespelen, maar dan wel bewust en niet onbewust, zoals we dat nu doen.
Door dat bewuste ‘meespelen’ heroveren we stap voor kleine stap onze kunstzinnige vermogens, want het zijn die vermogens die de anti-geest tegen ons gebruikt.
Zelf bezit hij namelijk geen scheppende kracht.
Dat is trouwens de reden waarom hij ons zo haat en ons wil vernietigen: het beeld van de mens, een wezen dat ver beneden hem staat en toch begiftigd is met scheppende vermogens, is voor hem zo ondraaglijk dat hij het kost wat kost uit de weg wil ruimen.
Het feit dat hij daar, na 100 jaar zijn duivels ontketend te hebben, nog altijd niet in geslaagd is, wijst op de aanwezigheid van een andere geest, die ons steunt in onze strijd tegen Het Beest.
Maar die steun ondervinden we alleen als we de strijd werkelijk aangaan, want de christelijke geest dwingt ons op geen enkele wijze.
Als we de strijd uit de weg gaan en ons tevreden stellen met ons pingpongbalbestaan, dan houdt hij zich op de achtergrond en lijdt met ons mee.
Nemen we ons (aangeboren) kunstenaarschap daarentegen weer op, dan keren we de zaken om: wij lijden dan – uit vrije wil – met de Christusgeest mee.
Want kunst impliceert lijden.
Maar als we scheppend worden, lijden we niet om te lijden, we lijden om de vreugde die de bewustwording van onze eigen scheppende geest ons baart.
En die vreugde is altijd groter dan het lijden.

20140811-124134.jpg

Advertenties