Argo

door lievendebrouwere

Verleden week hebben we nog eens naar een film gekeken.
Argo, van (regisseur) en met (acteur) Ben Affleck, won verleden jaar de Oscar van de beste film.
Of het werkelijk de beste film van het jaar was, weet ik niet.
Het zou best kunnen, want de klad zit al een tijdje in de filmwereld.
Argo is dus geen geweldige prent.
Maar het is wel een typisch Amerikaans-pattriottische film.
En dat kan best de doorslag gegeven hebben bij Oscar-toekenning.

20140825-170107.jpg

Waarover gaat het?

Argo is de verfilming van een waar gebeurd verhaal: de bevrijding van zes diplomaten tijdens de gijzeling in de Amerikaanse ambassade in Teheran in 1979.
Het was de tijd van de ayatollah Khomeiny en er werd in Iran hevig betoogd om de uitlevering te eisen van de sjah van Perzië die in Amerika asiel had gekregen.
Tijdens één van die betogingen klommen protesteerders over het hek van de Amerikaanse ambassade en bestormden het gebouw, waar zich op dat moment 56 mensen bevonden.
Zes ervan konden ontsnappen via een achterpoortje en vonden onderdak in een andere ambassade, die van Canada.
Over die zes gaat het verhaal.
Over de 50 gijzelaars wordt in de film niet gerept.
Maar hun lot (ze werden uiteindelijk vrijgelaten) leende zich dan ook niet tot een verfilming.
De ‘exfiltratie’ door een CIA-agent die zich in het hol van leeuw waagde, leverde veel spannender filmmateriaal op.

Argo is echter niet alleen spannend.
De CIA had er, als ontsnappingsplan, niets beters op gevonden dan de zes diplomaten te laten doorgaan voor … een filmploeg.
De zes waren zogezegd in Teheran om prospectie te doen voor de film ‘Argo’, over de landing van een ruimtetuig in Teheran, bemand met bewoners van een andere planeet.
Argo gaat dus over een verhaal dat echt gebeurd is en een film die nooit verfilmd werd.
Het echt gebeurde verhaal werd bovendien jarenlang verzwegen en vervangen door een fictief verhaal.
Het verzonnen SF-verhaal werd dan weer onderdeel van een zeer reële werkelijkheid: de redding van zes reële mensen.
Of hoe in Argo fictie en werkelijkheid op een verwarrende manier door elkaar lopen.

20140825-170159.jpg

Doordat de film zo spannend is, zit je helemaal in het verhaal, temeer daar je weet dat het allemaal echt gebeurd is.
Het is tegenwoordig niet moeilijk meer om je het lot voor te stellen van Amerikanen die in handen vallen van fanatieke moslims.
Dat helpt bij de suspension of disbelief.
Maar als de film gedaan is en de spanning weggeëbd, komt het ongeloof in alle hevigheid opzetten.
Wát een krankzinnig verhaal!
Mensen bevrijden uit handen van religieuze fanatici door ze te vermommen als … filmmakers!
Dat is zelfs volgens Hollywoodnormen al te gek.
De film zakt dan ook als een soufflé in elkaar.
Hoe meer je erover nadenkt, hoe ongeloofwaardiger het allemaal wordt.

Tot je je realiseert dat wat je gezien hebt, echt gebeurd is.
Die zes diplomaten hebben echt bestaan.
Ze bestaan trouwens nog altijd en komen in de extra features aan het woord.
Ook CIA-agent Tony Mendez was (en is) echt.
Net als de gijzeling in Teheran, en de ayatollah Khomeiny, en al die fanatieke moslims.
Allemaal méér dan echt.
Maar … ook dat van de pot gerukte bevrijdingscenario was dus echt!
De CIA is werkelijk op de proppen gekomen met een plan dat zelfs niet in een Hollywoodbrein was opgekomen.
En ze heeft het nog uitgevoerd ook.
Die krankzinnige fictie was met andere woorden werkelijkheid, harde en ernstige werkelijkheid, want de CIA staat er niet om bekend dat ze veel vermaak verschaft.

20140825-170312.jpg
(De echte zes)

Beide films – de reële Oscar-winnaar en de fictieve SF-film – dragen dezelfde naam: Argo.
Geen mens die weet wat die naam betekent.
In de (reële) film wordt daar trouwens flink de draak mee gestoken.
Argo is een Hollywoodfilm waarin Hollywood zichzelf op de hak neemt.
Dat is verre van ongewoon.
Er wordt in Europa graag smalend en geringschattend gedaan over Hollywood, maar niemand is kritischer voor Hollywood dan Hollywood zelf.
De Amerikanen bezitten een indrukwekkend vermogen tot zelfrelativering.
En het is een gezonde zelfrelativering: nietsontziend en toch vol humor.
Het ziekelijke, humorloze zelfrelativeren van Europa steekt daar schraal tegen af.
Maar nog veel groter is de tegenstelling met het onvermogen van de doorsnee moslim om naar zichzelf te kijken en met zichzelf te lachen.
De ayatollah Khomeiny was daar het prototype van: men kan zich niet voorstellen dat die man ooit gelachen heeft in zijn leven, laat staan met zichzelf.

Hollywood kan dat dus wel, en nog geen klein beetje.
Maar er is nog iets: Hollywood wéét dat.
Het is er zich van bewust dat het beschikt over de allerbeste eigenschap waarover de mens beschikt, en dat is het vermogen om naar zichzelf te kijken.
Wat de mens onderscheidt van alle andere wezens is precies dat vermogen tot zelfbewustzijn.
Maar zelfbewustzijn heeft ook een keerzijde: de hoogmoed.
Als de mens zich bewust wordt van zijn eigen vermogens wordt hij hoogmoedig, en hoogmoed komt voor de val.
Het is de zondeval in een notedop: God gaf de mens een kostbaar geschenk – het vermogen tot zelfbewustzijn – maar de mens moest daarvoor betalen.
En hij betaalt nog altijd.
Aan de fanatieke moslims van vandaag kunnen we aflezen tot wat voor onmenselijkheid hoogmoed kan leiden.
Het toont ook aan wat er ontbreekt aan hun zelfbewustzijn: humor, zelfrelativering.
Ze raken in een luciferische roes als ze zich bewust worden van hun eigen vermogens.
Die roes is tegelijk een bescherming tegen de bewustwording van hun onvermogen.
De moslimwereld is eigenlijk een niet-kreatieve wereld.
Overal waar de islam aan de macht komt, verdwijnt langzaam maar zeker alle kreativiteit en blijft er alleen maar geestelijke en materiële armoede over.
Het is die armoede die de massale emigratie van onze tijd heeft doen ontstaan.
Maar door die emigratie werd de moslimwereld ‘aangestoken’ door het zelfbewustzijn van het Westen, en dat zelfbewustzijn werkt in twee richtingen: het maakt een mens bewust van zijn vermogens, maar ook van zijn onvermogens.
Het onvermogen van de moslimwereld is – na eeuwen van islamisering – zo groot geworden dat het bijzonder pijnlijk moet zijn om het onder ogen te zien.
Daarom wordt het bewustzijn van de eigen vermogens opgeblazen tot een ziekelijke hoogmoed, met alle gevolgen van dien.

20140825-170502.jpg

We treffen die hoogmoed natuurlijk ook aan bij de Amerikanen.
Films als Argo zijn legio in Hollywood: ze zingen de lof van de Amerikaanse voortreffelijkheid.
Maar ze doen dat op een heel andere manier dan de fanatieke moslims.
Ze doen dat op een … kunstzinnige manier.
Ze zoeken – en vinden ook – een evenwicht tussen de luciferische hoogmoed en de ahrimanische zelfveroordeling.
Dat evenwicht is niet volmaakt, maar het is menselijk.

Hollywood is zich zeer bewust van de Amerikaanse voortreffelijkheid.
Hollywood is zich ook bewust van Amerika’s kwalijke kanten.
Het is zich dus bewust van Amerika’s luciferische én ahrimanische zijde.
In die zin is het een christelijk bewustzijn, een bewustzijn dat het midden houdt tussen de tegenpolen.
Maar aan dit bewustzijn ontbreekt nog iets.
Het is zich niet bewust van zichzelf.
Het is christelijk, maar het weet het niet.
En dat is een groot verschil, een zeer groot verschil.
Rudolf Steiner drukt het als volgt uit: waar we nood aan hebben is niet Christus, want die is er, maar bewustzijn van Christus.
Antroposofie is in de grond dan ook: bewustzijn van het christelijke wezen van de mens.

Het Amerikaanse zelfbewustzijn zoals het tot uitdrukking komt in films als Argo is christelijk van aard, juist omdat het het midden houdt tussen luciferische zelfverheffing en ahrimanische zelfveroordeling.
Deze twee aspecten zijn altijd aanwezig in de betere Hollywoodfilms en dat maakt deze films tot de beste voorbeelden van christelijke hedendaagse kunst (drie begrippen die in feite synoniemen zijn).
Het christelijke zelfbewustzijn van de hedendaagse mens bereikt in deze films zijn hoogste niveau, en ik zou graag kunnen zeggen dat de Europese film dit niveau ook bereikt, maar dat is helaas niet waar.
De Europese opgave ligt mijns inziens dan ook niet op dit (kunstzinnige) vlak.
Ze ligt in de bewustwording van dit Amerikaanse of Westerse kunstzinnige bewustzijn.
Want dit Westerse bewustzijn is een beeldend bewustzijn, geen helder begrippelijk bewustzijn.
Het zelfbewustzijn dat leeft in (het kruim van) de Amerikaanse film is dromerig en kunstzinnig van aard.
En dat is niet genoeg.
Het is de taak van (het kruim van) Europa om deze zelfbewustwording verder te zetten, om de stap te zetten van droom naar werkelijkheid, van beeld naar begrip.
Dit ‘kruim’ van Europa is de antroposofie.
Alleen de antroposofie beschikt over de begrippen en inzichten waarmee het christelijke en eigentijdse zelfbewustzijn dat leeft in de (Westerse) kunst helemaal in het licht van het heldere bewustzijn getild kan worden.

20140825-170853.jpg

Met deze opgave houdt de Europese antroposofie het midden tussen Oost en West.
Cultureel en materieel heeft Europa namelijk deel aan de Amerikaanse rijkdom.
Maar geestelijk en innerlijk heeft het deel aan de islamitische armoede.
De toestand van de Europese antroposofie is veel evenwichtiger dan de toestand van de moslimwereld. Maar haar kwijnende bestaan en gebrek aan dynamiek vertonen er toch een sterke verwantschap mee, terwijl ze anderzijds schril afsteken bij de Amerikaanse kreativiteit.
De gevaren die de antroposofie bedreigen, zijn dan ook hoogmoed en zelfveroordeling.
En net als bij de moslims verbergt of compenseert de antroposofische hoogmoed het bewustzijn van eigen falen.
Dit falen komt nergens zo duidelijk tot uiting als in de volkomen blindheid van de Europese antroposofie voor het christelijk-esoterische karakter van de Amerikaanse film.
En hoogmoed speelt hier een cruciale rol.
De Europese antroposoof kan zich eenvoudigweg niet voorstellen dat er in de Amerikaanse filmkunst iets zou leven waarvan hij niet alleen veel kan leren maar waaraan hij zich ook dienstbaar zou moeten maken in die zin dat hij de beelden die in Hollywood ontstaan, zou moeten doordringen met de inzichten van de antroposofie.
Een dergelijke ‘vernedering’ ervaart hij als zodanig schokkend dat hij er zich hermetisch voor afsluit, en daardoor een schuld op zich laadt die zijn vooruitgang nog meer vertraagt en die hem nog meer doet vluchten in hoogmoedig isolement.
Ik spreek uit ervaring.

Waar zit nu dat fameuze ‘christelijke zelfbewustzijn’ in een film als Argo?
Wel, het zit simpelweg in het bewustzijn van de rol die kunst speelt in onze tijd.
De gijzeling in Teheran in 1979 was harde realiteit, kunst was er in de verste verte niet mee gemoeid.
Het was niet alleen een harde realiteit, het was ook een zeer actuele realiteit, een realiteit die sindsdien alleen maar actueler is geworden: de tegenstelling tussen de Westerse wereld en de moslimwereld.
De recente onthoofding van James Foley werpt een scherp licht op het lot van de zes diplomaten in Argo.
Als zij gesnapt waren geweest door de mannen-van-Khomeiny dan riskeerden zij een gruwelijke en vernederende dood.
Het is dus de allerhardste en alleractueelste realiteit die in deze film aan bod komt.
En wat wordt er als oplossing voor deze realiteit voorgesteld?
Het alleronwaarschijnlijkste: een kunstwerk, een film.
Dat dit überhaupt opkomt in het brein van onkunstzinnige mensen als CIA-agenten, geeft aan dat er nieuw bewustzijn aan het ontstaan is.

20140825-171121.jpg

We kunnen een film als Argo op drie niveaus bekijken.
Het eerste is het gewone zintuiglijk-rationele niveau: we bekijken films (en kunst in het algemeen) als wat ze zijn: fictie. Het feit dat Argo gebaseerd is op echt gebeurde feiten verandert daar niets: de film blijft fictie, we kijken niet naar de realiteit.
Het tweede niveau is het metaforische: we zien de inhoud van de film, meer bepaald de oplossing van een probleem door middel van de kunst, dan niet als de beschrijving van een eenmalig voorval uit 1979, maar als een beeld met een algemene betekenis.
Het derde niveau is het niveau waarop we de metafoor als een realiteit gaan zien, en echt gaan geloven in zijn betekenis. De film houdt dan op ‘enkel maar’ een kunstwerk te zijn.
Het mag duidelijk zijn dat niveau twee en drie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: we kunnen een metafoor niet ernstig nemen als we ze niet eerst als metafoor onderkennen, en dat laatste doen we maar als we aanvoelen dat een beeld méér is dan gewoon een kopie van de werkelijkheid.

De eerste twee niveaus zijn ons vertrouwd, maar het derde is ronduit schokkend en veroorzaakt een omwenteling in ons bewustzijn.
Het impliceert namelijk dat er geen wezenlijk verschil is tussen kunst en werkelijkheid.
De werkelijkheid heeft net zo goed een metaforisch karakter als een kunstwerk, en een kunstwerk is even werkelijk als waar gebeurd feit.

Argo is een kunstwerk, een werk van de menselijke verbeelding, zoals iedere film.
Die verbeelding presenteert hier in feite zichzelf als oplossing voor de prangendste problemen van onze tijd.
Maar ze doet dat niet bewust, als een soort manifest.
Ze doet dat enerzijds in de vorm van kunstzinnige beelden (Argo), en anderzijds in de vorm van een zeer praktische oplossing voor een zeer prangend probleem (de CIA).
Het is een merkwaardig soort zelfbewustzijn dat hier verschijnt, want je bedenkt zo’n scenario niet en je maakt er ook geen film over zonder je rekenschap te geven van de hoogst ongewone rol die de kunst hier speelt.
Het is een zelfbewustzijn dat zichzelf heel ernstig neemt (je kunt noch een film maken noch Amerikanen uit handen van fanatieke moslims bevrijden als je het niet ernstig meent) en toch zichzelf heel erg relativeert en de draak kan steken met zichzelf.

20140825-171228.jpg

Maar hoe aantrekkelijk, evenwichtig en christelijk een dergelijk zelfbewustzijn ook is, het blijft half werk omdat het als het ware gescheiden optreedt: in de kunst en in de werkelijkheid.
En tussen die twee loopt een scherpe grens.
Films als Argo en bevrijdingen als die in Teheran lijken erop te wijzen dat dit bewustzijn – dit uitgesproken nieuwe en eigentijdse zelfbewustzijn deze grens wil overschrijden en ‘heel’ worden.
Het wil de wereld van de kunst verlaten en zich daarbuiten verder ontwikkelen.
Maar het wil ook niet langer gevangen zitten in de ‘harde realiteit’.
Het wil als het ware geboren worden.
Deze geboorte van het kinderlijke, kunstzinnige zelfbewustzijn, die – zoals iedere geboorte – tegelijk een vereniging is met het moederlijke, wetenschappelijke bewustzijn is een grote en beslissende stap in de bewustzijnsontwikkeling van de mens.
Dat kunnen we afleiden uit een film als Argo.

Alles wat zich in deze film – dat wil zeggen in de wereld van de kunst en de verbeelding – afspeelt, heeft zich ook in werkelijkheid afgespeeld.
Kunst als oplossing voor prangende actuele problemen is niet een wild idee dat opgekomen is in het fantasierijke brein van een kunstenaar.
Het is een heel nuchter idee dat is opgekomen in het zeer praktische brein van een CIA-agent.
Bovendien werd dat idee ook nog eens goedgekeurd én uitgevoerd.
Het had zelfs succes.
En daarna werd het ook nog eens verfilmd, als om de cirkel rond te maken.

Het is maar wanneer we echt beginnen nadenken over deze film dat we ondervinden hoe ‘vreemd’ dit derde niveau is, het niveau waarop kunst en werkelijkheid in elkaar overgaan.
We gaan dan eigenlijk ‘over de drempel’ en komen terecht in een werkelijkheid waarin ons rationele bewustzijn zich niet kan handhaven: het valt in onmacht.
Paradoxaal genoeg wordt deze ‘drempelwereld’ maar zichtbaar dankzij ons rationele bewustzijn: als we niet nadenken over Argo komen we nooit te weten wat voor vreemde, verwarrende en toch reële werkelijkheid zich in deze film verbergt.
Die werkelijkheid is buitengewoon complex en het is onmogelijk om alle aspecten ervan in een mooi geheel te vatten.
Daarom wil ik hier alleen een vergelijking maken met een andere film, in de hoop een idee te geven van hoe vreemd en tegelijk reëel de werkelijkheid is die opdoemt wanneer je begint na te denken over hedendaagse (film)kunst.

20140825-171408.jpg

Die andere film is Clear and Present Danger, een film uit 1994 die zich in Columbia afspeelt in het kader van de Amerikaanse War on Drugs.
Anders dan Argo is deze film niet gebaseerd op een waar gebeurd verhaal.
Hij is gebaseerd op een thriller van Tom Clancy, een volkomen fictief werk waarin hij beschrijft hoe de Amerikanen een beruchte Columbiaanse drugsbaron te pakken krijgen.
Niks aan de hand dus: er worden ontelbare thrillers geschreven en sommige ervan worden verfilmd.
Het is business as usual.
Wat deze ene thriller echter zo merkwaardig maakt, is dat hij niet alleen verfilmd werd door een filmploeg maar ook door … de werkelijkheid zelf.

De reële en ongrijpbaar gewaande drugsbaron Pablo Escobar werd in 1993 opgespoord en wel op precies dezelfde wijze die Tom Clancy beschreef in zijn boek.
Het verhaal dat hij in 1989 ‘uit zijn duim had gezogen’ werd vier jaar later in grote lijnen omgezet in werkelijkheid.
Maar dat is nog niet alles.
Toen Pablo Escobar neergeschoten was, werd tussen zijn bezittingen het boek van Tom Clancy teruggevonden met daarin de passages onderlijnd die beschrijven hoe de drugsbaron opgespoord werd.
Pablo Escobar, een bijzonder machtig man in zijn tijd, wist dus hoe hij aan zijn eind zou komen.
Maar hij geloofde het niet.
Het boek van Clancy was immers ‘maar’ fictie.

20140825-171610.jpg
(Pablo Escobar)

Een ander voorbeeld.

Op 9/11 was ik een thriller aan het lezen waarvan ik me de titel helaas niet meer herinner.
Het ging over een kleine maar machtige groep Amerikanen die besloten had de macht te grijpen in Amerika door een predikant als president naar voor te schuiven en de zaak een beetje te versnellen door in naam van een fictieve externe vijand spectaculaire aanslagen te plegen tegen Amerikaanse burgers.
Toen na de aanslagen op de WTC-torens meteen Al Quaeda uit de Amerikaanse hoed werd getoverd, gingen mijn gedachten meteen de kant op van een inside job.
Enkele dagen later zat ik in de bioscoop en keek naar spectaculaire beelden van hoe … een vliegtuig zich in een wolkenkrabber boorde en explodeerde in een bal van vuur.
Ik kon m’n ogen nauwelijks geloven.
De grens tussen fictie en werkelijkheid was in die dagen zo smal geworden, dat ik niet goed meer wist aan welke kant ik me bevond.
Toen ik later de beroemde televisiebeelden zag – op de dag zelf was m’n televisietoestel stuk – trof het me hoe mooi en spectaculair die beelden waren: ze leken wel geregisseerd door Hollywood…

Sindsdien is 9/11 voor mij de dag dat kunst en werkelijkheid samenvielen: de grens tussen kunst en werkelijkheid werd overschreden.
Ik herinner me nog dat de hedendaagse componist Karl-Heinz Stockhausen 9/11 uitriep tot ‘het grootste kunstwerk van onze tijd’.
Hij had een klok horen luiden maar wist niet waar de klepel hing.
In mijn Vijgeblad heb ik toen verschillende artikels aan die ‘grensoverschrijding’ gewijd.
Ze werden door sommige lezers zo geïnterpreteerd werden als zou ik een terreurdaad als kunst beschouwd hebben.
Ik had het natuurlijk over Hedendaagse kunst – die ik inderdaad beschouw als een ‘terreurkunst’ – maar dat onderscheid werd natuurlijk niet gemaakt.
Het illustreert hoe verwarrend de werkelijkheid is waarin je terechtkomt als je – ook al is het alleen maar in gedachten – over de drempel gaat.

20140825-171859.jpg

Achter heel die verwarring schuilt het ongeloof in de kunst.
Men gelooft eenvoudig niet dat in de kunst een kracht schuilt die in staat is wereldproblemen op te lossen.
Of te veroorzaken, want die kracht kan ten goede of ten kwade worden aangewend, en het verschil tussen goed en kwaad ligt in de wakkerheid waarmee dat gebeurt.
Wordt de kunst met een helder en rationeel bewustzijn benaderd, dan ontpopt ze zich tot een genezende kracht.
Wordt ze echter met een slapend bewustzijn benaderd, dan wordt ze tot een vernietigende kracht.
De kracht die in de kunst leeft, is juist dat nieuwe, christelijke zelfbewustzijn.
Dat zelfbewustzijn is een realiteit, een realiteit die een enorme potentie in zich draagt.
Maar hoe die potentie gerealiseerd wordt, hangt af van hoe we haar benaderen: worden we wakker voor deze ‘potentiële’ realiteit of sluiten we er onze ogen voor?

Een beetje antroposoof weet natuurlijk in welke wereld deze realiteit zich ophoudt: de etherische wereld, de wereld tussen materie en bewustzijn, tussen slapen en waken.
Hij weet ook wie de drager is van dit nieuwe, hoogst merkwaardige zelfbewustzijn: de ‘wedergekomen’ Christus.
Maar het is één ding om deze geest-van-onze-tijd in abstracto te benaderen en een andere om hem in concreto te beleven.
De kunst van onze tijd biedt ons de mogelijkheid om – in volle vrijheid en in ons eigen tempo – de stap van theorie naar praktijk te zetten.
Ze biedt ons beelden van deze Wederkomst, geen heldere, eenduidige beelden, maar dromerige, kunstzinnige beelden, beelden die vertaald dienen te worden in heldere begrippen.
Deze ‘vertaling’ is echter geen vrijblijvende zaak.
Het is iets waar de hele mens bij betrokken is.
Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om het denken van deze begrippen.
Het gaat ook om het geloven ervan.
Denken op zich is niet genoeg, men moet ook kunnen geloven in dat denken.
En dat zijn twee verschillende zaken, die allebei nodig zijn.

De hele antroposofie is een ‘vertaling’ van een wereld die naar zijn diepste wezen kunstzinnig is: de scheppende, geestelijke wereld.
Het is al heel wat als we die antroposofische ideeën kunnen denken.
Maar ze ook nog geloven, dat is andere koek.
Daar is ons hele mens-zijn bij betrokken.
Het is aan de bergen die we verzetten, dat we ons geloof kunnen afmeten.
In de mate dat we ze geloven, worden ideeën werkelijkheid.

20140825-172635.jpg

Het komt me voor dat er vandaag meer geloof in de kunst is bij de CIA dan onder antroposofen.
Het is geen toeval dat Argo het verhaal is van de CIA die kunst inschakelt om haar doelen te bereiken.
Dat gebeurt volgens mij veel meer dan we denken.
Ik betwijfel ook ten zeerste dat de kunst alleen ten goede wordt aangewend.
Het is bekend dat de CIA tijdens de Koude Oorlog de Hedendaagse kunst (ze heette toen nog anders) heeft ingeschakeld als wapen tegen het communisme.
En de Hedendaagse kunst is bij uitstek een kunst waarover we kunnen (en moeten) nadenken met ons verstand alleen.
Ons hele mens-zijn is er niet bij betrokken, wel integendeel, ons gevoel bijvoorbeeld mag helemaal niet meedoen.
Het denken over Hedendaagse kunst, zoals dat vandaag zo massaal gebeurt, is een vrijblijvend denken, een denken zonder gevolgen, behalve dan dat het ons in slaap wiegt.
Het denken over haar tegenhanger, de (vooral Amerikaanse) filmkunst, is allesbehálve vrijblijvend.
Het dwingt een mens niet alleen om heel intensief en nauwkeurig te denken, maar ook om dat denken te baseren op een gevoel.
Op een andere manier kan men niet nadenken over kunst, en evenmin over de geest.
Zonder gevoel zinkt ons denken in slaap.
En dat ‘slapende denken’ beschouwt zichzelf als buitengewoon wakker.

Het gevoel dat films als Argo opwekken is in eerste instantie bevreemdend en verwarrend: het is het gevoel terecht te komen in een wereld die fictie en werkelijkheid tegelijk is.
Dat gevoel is echter geheel ‘vrij’: het ontstaat maar wanneer we beginnen nadenken.
Het is een gevoel dat tegelijk gedachte is en omgekeerd.
Sterk is het in het geval van Argo niet, en ik weet dan ook niet of ik er was op doorgegaan als mijn vrouw er niet over was begonnen, en als ik dat gevoel niet in veel sterkere mate kende uit andere films die, net als Argo, beelden ophangen van een vreemde, verwarrende realiteit die tegelijk fictie en werkelijkheid is: de grensrealiteit van de etherische wereld en wat zich daar afspeelt.
Maar hoe verwarrend en bevreemdend deze wereld ook is, niets is spannender dan er (bewust) in onder te duiken.
Niets moeilijker ook.

20140825-173212.jpg

Advertenties