Aan het strand

door lievendebrouwere

Het was augustus, de zon scheen en het was vloed.
Ik liep langs de zee en zag hoe ze telkens een dun laagje water over het strand spoelde en zich snel weer terugtrok, terwijl het zand opdroogde.
Hé, dacht ik, de zee is een aquarellist!
Een aquarel maak je namelijk door papier te bedekken met een dun laagje (gekleurd) water dat je vervolgens laat opdrogen.
En dat telkens weer opnieuw, net zoals de zee.
Goed aquarelpapier heeft trouwens een uitgesproken ‘zanderig’ oppervlak en het bedekken ervan gebeurt snel en vloeiend zoals ook de zee dat doet.

Maar de verwantschap gaat verder dan dat.
Iemand omschreef aquarelleren ooit als ‘spelen met gekleurd water’.
Een aquarel laat inderdaad niet toe dat er (lang) op gewerkt wordt.
Ze verliest dan snel haar frisheid en helderheid.
Het schilderen dient speels te gebeuren.
Paradoxaal genoeg eist aquarelleren juist daarom veel ernst en concentratie: er kan immers veel verkeerd gaan en er kan weinig hersteld worden.
Het is dan ook zeer bedrieglijk om een aquarellist aan het werk te zien.
Hij lijkt alles eenvoudig, snel en moeiteloos te doen – alsof er geen kunst aan is – maar wat men niet ziet, zijn de lange jaren van hard werken en pijnlijk mislukken die aan dit kunnen-spelen zijn voorafgegaan.

20140826-152808.jpg

Aquarelleren doe je buiten alleen maar in de zomer, als de zon je papier doet drogen.
Ook op het strand wordt er alleen in de zomer gespeeld.
Mensen komen er om zich te amuseren, om zich te ontspannen.
Niets zo typisch voor het strandleven als spelende kinderen die druk in de weer zijn met hun emmertje en hun schepje.
Alleen al het kijken ernaar werkt ontspannend (sic).
Ze bouwen hele zandkastelen.
Ingespannen zijn ze bezig.
Maar hun werk is tegelijk een spel.

Bij de volwassenen is dat niet het geval.
Soms tennissen of voetballen ze wel een beetje, maar lang duurt dat nooit.
Het grootste deel van de tijd liggen ze gewoon op het zand en doen helemaal niks.
Daarom gaan ze ook naar zee: om niks te doen, om te ontspannen van het harde werken.
Het kinderlijke spelen is bij hen namelijk uiteengevallen in werken en ontspannen.
Volwassenen werken veel te ernstig dan dat ze nog speels zouden kunnen zijn.
Dat zie je goed aan al die zonnekloppers die roerloos in het zand liggen.
Ze doen niks en toch kan er geen glimlach af.
Ontspannen is voor hen een even ernstige zaak als werken.
Ze hebben die ontspanning nodig om zo hard te kunnen werken en ze moeten zo hard werken om zich überhaupt te kúnnen ontspannen.
De meeste strandgasten hebben een heel jaar gewerkt om tijdens de zomer een paar weken aan zee te kunnen doorbrengen.
Daar proberen ze dan ook het maximum uit te halen.
Van ’s morgens tot ’s avonds liggen ze roerloos in de zon.
Af en toe ‘vertreden’ ze zich, gaan een eindje wandelen of een beetje zwemmen, maar daarna gaan ze weer aan de slag: ze laden hun batterijen op, ze laten zich vollopen met licht, ze proberen alle opgestapelde ‘duisternis’ uit hun systeem te verdrijven.
Hun comateuze niets-doen is eigenlijk het spiegelbeeld van hun harde werken tijdens het jaar: hetzelfde maar omgekeerd.

20140826-152935.jpg

Niet zelden is het zwaarste deel van dat werk de zorg voor de kinderen.
Als die zorg op het strand (grotendeels) wegvalt omdat de kinderen het veel te druk hebben met spelen, dan komt er een lichte staat van euforie over de ouders.
Die euforie is de onzichtbare keerzijde van dat voor pampus liggen in de zon.
Bevrijd van hun zorgen geven de zonnekloppers zich over aan de zon, aan de zee, aan de elementen.
Ze worden helemaal lichaam, en daardoor worden ze ook één met de natuur.
Aan zee lukt dat nog vrij gemakkelijk want de natuur bevindt zich daar nog in zijn meest ‘elementaire’ vorm: aarde (zand), lucht (wind), water (zee), en vuur (zon).
De overgave aan deze nog kosmische, grenzeloze natuur gebeurt heel bewust.
Zonnekloppers lijken halfdood omdat hun aandacht helemaal naar binnen gekeerd is.
In feite bevinden ze zich in een toestand van meditatie die het volstrekte tegendeel is van het naar-buiten-gekeerd-zijn wanneer ze werken.
Wie zich vrolijk maakt over al die naakte, comateuze strandliggers, moet zich ook vrolijk maken over de gekostumeerde workaholics in het ‘binnenland’.
En als we die twee dan naast elkaar zien, vergaat het lachen ons.
Want er wordt een diepe tragiek zichtbaar: het verlies van het speelse midden, het verlies van het kind-zijn.

De volwassen mens zit in de greep van de uitersten.
Bij de comateuze zonneklopper is dat de greep van Lucifer: helemaal naar binnen gekeerd, vol overgave aan de kosmos, als een mediterende Oosterling.
Bij de hollende workaholic is dat de greep van Ahriman: helemaal naar buiten gekeerd, in de ban van de materie, als een Westerse streber.
En daartussen staat het kind: steeds eenzamer, steeds minder in staat om te spelen en zichzelf te zijn.
Spelen is een uitzondering geworden.
De regel is werken en ontspannen, en met geen van beide valt nog te lachen.

20140826-153505.jpg
(Vroeger was het beter)

Wie op het strand zit te aquarellen – lees: te spelen met gekleurd water – beseft heel goed hoe uitzonderlijk dat is.
Ik was waarschijnlijk de enige schilder aan de hele Belgische kust.
Je ziet vandaag immers geen mensen meer buiten schilderen.
De kunst is ‘binnenskamerser’ geworden dan ooit.
Ik herinner me nog dat ik op een keer buiten stond te schilderen toen er een schoolklas passeerde.
In een mum van tijd was ik omringd door verbaasde kinderen.
Dit hebben we nog nooit gezien! riepen ze uit.
Eén jongetje stond ostentatief in zijn ogen te wrijven en herhaalde keer op keer: ik kan het niet geloven, ik kan het niet geloven!
In zijn ogen was ik een soort mythische figuur waar hij wel eens had horen over vertellen maar waarvan hij zich niet kon voorstellen dat dat hij echt bestond.
Het was vermakelijk en pijnlijk tegelijk.

Want wat betekent het dat kunstenaars niet meer buiten schilderen, zeker in Vlaanderen niet?
De Grote Revolutie in de kunst vond plaats toen de impressionisten hun atelier verlieten en in de natuur gingen schilderen.
Ze deden hetzelfde als de ontelbare mensen die in de zomer naar zee trekken: ze onttrokken zich aan de verstikkende greep van Ahriman door zich in de armen van Lucifer te werpen.
Het resultaat was een kunst die zich volzoog met zon en licht, een kunst die alle ernst van zich afwierp en opnieuw begon te spelen.
Het was een plezier om naar die kinderlijke kunst te kijken en ze werd dan ook populairder dan een kunst ooit geweest is.
Maar de ‘vakantie’ duurde niet lang.
De kunst raakte weer in de greep van Ahriman, en die greep was verstikkender dan ooit.
De kunst had immers ervaren hoe ze eigenlijk zou moeten zijn: speels en kinderlijk.
Ze had weer contact gemaakt met haar eigen wezen, en dat kon ze niet meer vergeten.
Het maakte de gedwongen terugkeer naar de oude toestand – opgesloten in het atelier, afgesloten van de wereld – tot een kwelling.

20140826-153900.jpg

De kunst maakte na het impressionisme in het groot mee wat ik vandaag in het klein meemaak.
Na een week lang aan zee te hebben geschilderd en op die manier het spelende kind in me gewekt te hebben, is de terugkeer naar de ‘gewone’ wereld nauwelijks te dragen.
Verleden jaar had ik dat niet.
Maar ik heb toen ook niet of nauwelijks geschilderd.
Het was meer dan 25 jaar geleden dat ik nog met vakantie was geweest en dus had ik het veel te druk met luieren en niks doen.
Toen ik terug thuis kwam, voelde ik me helemaal opgefrist.
Ik draaide de knop probleemloos weer om.
Van Ahriman naar Lucifer en omgekeerd: dat gaat vanzelf.
Iedereen doet dat.
Moderne mensen houden werk en ontspanning strikt gescheiden: ze pendelen heen en weer tussen beide.
Kunstenaars kunnen dat niet.
Hun werk is spel tegelijk, en als het dat niet is, stelt het niet veel voor.
Het behoort tot het wezen van de kunst dat die twee één zijn.
En dat heeft tot gevolg dat de kunstenaar geen knop kan omdraaien.
Hij kan Lucifer niet vergeten en al zijn aandacht weer op Ahriman richten.
Hij ervaart de druk van beide tegelijk, en hij ervaart die druk ook nog eens als een kind, dat wil zeggen: zonder verweer.

Ik moet me dan ook tot het uiterste inspannen om weer greep te krijgen op mezelf, op mijn leven, op alle dingen die na die vakantieweek tegelijk over me heen vallen.
Maar ‘inspannen’ is niet het juiste woord.
Het is veeleer een uithouden van de onmacht.
Ik mag er niet aan denken wat er zou gebeuren als ik niet het mensbeeld van de antroposofie had, dat me als een geraamte belet om helemaal in elkaar te zakken.

20140826-154307.jpg

Ik maak me dan ook sterk, op gevaar af aan projectie te doen, dat de kunst zich na haar impressionistische ‘vakantie’ in de armen van Ahriman heeft geworpen om verlost te raken van de ondraaglijke kwelling die de confrontatie van het (opnieuw) spelende kind met Ahriman betekende.
Juist omdat ze de knop niet konden omdraaien en ook omdat ze niet over een mensbeeld beschikten dat hen overeind hield, hebben ze aan Ahriman niet alleen gegeven wat des Ahrimans is, maar hebben ze zich helemaal aan hem overgeven, het ‘spelende kind’ incluis.
Daardoor zijn ze – veel meer dan mensen die spel en werk zorgvuldig gescheiden kunnen houden – in de greep van de tegenmachten geraakt.
Het levert beelden op die zo pijnlijk zijn dat niemand ze kan geloven.
Men staat tegenover de ‘geahrimaniseerde’ kunst zoals dat in zijn ogen wrijvende jongetje tegenover mij stond toen hij mij zag schilderen: alsof het een soort mythische werkelijkheid is die niet echt bestaat.
De beelden van de hedendaagse kunst worden niet als echt ervaren.
Ze worden van iedere realiteit ontdaan door ze te herleiden tot abstracte, intellectuele begrippen.
Alleen op die manier kan men ze nog onder ogen zien.
Maar dat ‘zien’ is in feite een vorm van blindheid die veel erger is dan fysieke blindheid.
Want deze laatste kan men niet negeren.
Kunstblindheid beseft men echter helemaal niet.
Wel integendeel, hedendaagse ‘kunstkenners’ voelen zich halve helderzienden, ver verheven boven de gewone kijker.

Deze arrogante blindheid voor de realiteit van de kunst – die in wezen een blindheid is voor de geestelijke dimensie van de werkelijkheid – wordt echter zwaar betaald.
Ze wordt betaald met de stelselmatige (zelf)vernietiging van alle volwassen vermogens die de mens met zoveel moeite ontwikkeld heeft.
De moderne ‘kunstkenner’, niet in staat de realiteit van de hedendaagse kunst onder ogen te zien, herleidt zichzelf tot een kind, maar dan wel tot een kind dat niet langer beschermd en verzorgd wordt door zijn ouders, dat wil zeggen door het (mannelijke) verstand en het (vrouwelijke) gevoel.
Dat kind kan zich niet verweren tegen de geest die achter de blasfemische beelden van de hedendaagse kunst schuilgaat.
Het doet en zegt precies wat die geest het voordoet en voorzegt.

20140826-154457.jpg

Als ik kunstenaars bezig zie met pispotten en kakmachines, dan moet ik mezelf dwingen te denken: ze hadden als kind, als opgroeiende kunstenaar-in-spe geen andere keuze dan zich over te geven aan de antichristelijke geest die de (officiële) kunst in zijn greep heeft.
Het was dát of hun kunstdroom opgeven.
En dat kan een kunstenaar niet.
Maar de ‘volwassenen’, de kijkers, de kunstliefhebbers: die hebben wél een keuze.
Zij zijn niet verplicht om hun gevoel en hun verstand het zwijgen op te leggen om erbij te kunnen horen.
Dat ‘erbij horen’ heeft voor hen lang niet dezelfde gevolgen als het voor jonge kunstenaars heeft.
En toch gaan ze voor de bijl.
Als ik weer eens een kunstliefhebber ontmoet die zich inspant om erbij te horen, om ‘hedendaags’ en ‘van zijn tijd’ te zijn, dan moet ik mijn verontwaardiging bedwingen, want in mijn ogen is hij de zoveelste volwassene die ‘het spelende kind’ in de steek laat.
Ik moet mezelf dan dwingen om te begrijpen hoe het zover is kunnen komen.
Verontwaardiging brengt me immers geen stap vooruit, wel integendeel.

20140826-155330.jpg

En dus span ik mij in om het spelende kind te begrijpen in zijn relatie met de volwassenen.
Aan zee, schilderend op het strand, had ik volop de gelegenheid om beiden gade te slaan, zowel buiten mezelf als in mezelf.
Overal om me heen waren kinderen aan het spelen en ik was gewoon één van hen: ik werkte en speelde tegelijk.
Maar ik was ook een volwassene: ik wisselde werk en ontspanning af.
Dat ligt namelijk in de aard van de aquarel: je werkt even heel hard en geconcentreerd, en dan moet je wachten tot het papier droog is.
Aan die afwisseling ontkom je niet.
Eigenlijk deden we allemaal hetzelfde: de kinderen, de volwassenen en ikzelf.
Aan dat rijtje kun je ook nog de zee toevoegen, want ook zij ‘aquarelleerde’.
Er bevonden zich op het strand dus vier niveaus van bewustzijn: het slapende bewustzijn van de natuur, het dromende bewustzijn van het kind, het wakkere bewustzijn van de volwassene, en het bewustzijn van de kunstenaar.
Samen vormen ze een evolutionaire ketting.
Ieder kind wordt geboren uit de ‘moederzee’.
Ieder kind wordt volwassen.
Iedere volwassene wordt kunstenaar.
Want kunstenaar word je als je probeert de dingen die je doet beter te doen.
En dat wil toch ieder mens?
De enorme verbeteringsdrift die de moderne mens bezielt, wijst erop dat hij kunstenaar aan het worden is en dat hij een volgend bewustzijnsniveau bereikt.

20140826-155507.jpg

Maar dat kunstzinnige bewustzijnsniveau is tegelijk een keerpunt.
De kunstenaar begint weer te spelen als een kind.
Wat bij de volwassene in twee gedeeld is, voegt hij weer samen: werk en ontspanning worden één.
Daardoor komt de kunstenaar echter in botsing met de volwassene, die de twee juist strikt scheidt.
Twee tegengestelde bewustzijnsniveaus staan nu tegenover elkaar: het wakker oordelende maar gespleten bewustzijn van de volwassene en het dromerig scheppende eenheidsbewustzijn van de kunstenaar.
Voor het eerst in de bewustzijnsontwikkeling van de mens staan oordeelskrachten en scheppende krachten als gelijken tegenover elkaar.
Tot nog toe zijn ze altijd na elkaar gekomen, elkaar ritmisch afwisselend zoals eb en vloed.
Bij de volwassenen is dat duidelijk: ze werken het hele jaar en gaan dan twee weken naar zee om een beetje afstand te nemen van al dat werken.
Maar ook bij de kunstenaar vinden we die afwisseling, zij het veel sneller: hij neemt telkens weer afstand van zijn kunstwerk-in-wording, beoordeelt het en werkt er dan verder aan.
Zelf God kon niet tegelijk scheppen en oordelen: eerst moest hij de wereld scheppen, en pas daarna, op de zevende dag toen hij rustte, kon hij zien dat het goed was.

De mens kan die regel niet doorbreken, hij kan niet tegelijk scheppen en oordelen.
Zelfs wanneer hij het tempo van de afwisseling sterk opdrijft, zoals de kunstenaar dat doet, blijft de oer-tegenstelling bestaan.
Ze wordt zelfs zeer prangend, juist door het enorme verschil in tempo.
Terwijl de afwisseling bij de volwassene als het ware over een heel jaar is verspreid en het zelfs de vraag is of hij tijdens zijn jaarlijkse vakantie aan oordelen toekomt, gaat ze bij de kunstenaar steeds sneller: zijn oordeelskrachten zijn zo sterk geworden dat het zelfs de vraag is of hij tijdens zijn werk nog aan scheppen toe komt.
Kunstenaar en volwassene zijn elkaar dicht genaderd.
De moderne volwassene is bezeten van de drang om alles te verbeteren: hij wil kunstenaar worden.
De moderne kunstenaar is bezeten van de drang om alles bewuster te doen: hij wil volwassen worden.
Maar juist doordat ze zo dicht naar elkaar toe zijn gegroeid, is de spanning tussen hen te snijden. Want oordelen en scheppen blijven tegenpolen.
Ze laten zich niet verenigen, integendeel.
Ze bestrijden elkaar op leven en dood.

Ziedaar het Grote Drama van onze tijd, zoals het tot uitdrukking komt in de ontelbare conflicten waarbij twee tegengestelde partijen onverzoenlijk tegenover elkaar staan.
Om er maar één te noemen: het conflict tussen het Westen en de islam.
Het actieve Westen met zijn blinde scheppingsdrift.
De inerte islam met zijn onverzoenlijke oordeel.
Alle hedendaagse conflicten kunnen herleid worden tot dat ene oerdrama: de confrontatie van scheppende en oordelende krachten.
De spanningen van die confrontatie lopen zo hoog op dat ze explosief worden.
We leven in een wereld van explosies, letterlijke en figuurlijke, uiterlijke en innerlijke.
Zelfs mensen exploderen.
Ja, de hele menselijke beschaving dreigt opgeblazen te worden.

20140826-155915.jpg

Slechts één ding kan die zelfvernietiging tegenhouden, en dat is een verzoening tussen oordeelskrachten en scheppende krachten.
Zolang er geen brug wordt geslagen tussen die twee tegenpolen, is het dweilen met de kraan open.
De menselijke bewustzijnsontwikkeling heeft een cruciaal punt bereikt.
Er moet iets gebeuren wat nog nooit gebeurd is sinds de schepping van de wereld: oordelen en scheppen moeten met elkaar verenigd worden.
Daarom zei Rudolf Steiner dat we vandaag een keerpunt beleven zoals er nog nooit één geweest is.
Daarom deed hij tijdens de Weihnachtstagung ook iets wat nooit voorheen gebeurd was: hij voegde samen wat altijd gescheiden was geweest.
Daarmee legde hij de grondslag voor de wereld van de toekomst.

Het is goed om aan de Weihnachtstagung te denken als we kijken naar de gigantische problemen waarmee de mensheid vandaag geconfronteerd wordt.
Want die kerstbijeenkomst van 1923 was uiterlijk gezien zeer onaanzienlijk.
Ze vond bijna letterlijk plaats in een stal.
Daaraan kunnen we aflezen dat de oplossing van die overweldigende problemen begint op een (uiterlijk) zeer bescheiden niveau.
Ik denk bijvoorbeeld aan het strand, waar spelende kinderen en rustende volwassenen in vrede samenleven.
Wat is er eenvoudiger, bescheidener en onaanzienlijker!
En toch is het een oersituatie: het harmonisch samengaan van scheppende krachten en oordeelskrachten op een plek die er nog altijd uitziet als toen God land en water van elkaar scheidde.

20140826-160356.jpg

Op het strand bevinden we ons als het ware aan het begin van de schepping, niet alleen van de oude maar ook van de nieuwe.
Want de enige oplossing voor de huidige wereldproblemen ligt in de schepping van een nieuwe wereld.
Op een andere manier kunnen beide oerkrachten – het vrouwelijk-scheppende en het mannelijk-oordelende – niet met elkaar verzoend worden.
Er moet een nieuwe wereld worden geschapen: een kinderlijk-volwassen wereld.
Iets anders zit er niet op.
Maar hoe gigantisch die taak ook lijkt, ze is tegelijk heel eenvoudig.
Ze is gewoon een voortzetting van wat de zee spelenderwijs doet, en wat de mens nadoet wanneer hij speelt als kind, werkt en ontspant als volwassene, schildert als kunstenaar.
Telkens doet de mens hetzelfde, maar een beetje bewuster.
En zo begint ook de Nieuwe Schepping, de schepping van een Nieuwe Wereld: met de bewustwording van het stadium dat de mens nu bereikt heeft: het kunstzinnige stadium.

20140826-161136.jpg

Aan de verbeterdrift waardoor de moderne mens bezeten is, kunnen we aflezen dat hij een kunstenaar is geworden.
Aan de verontwaardiging waarin hij ontsteekt van zodra iets niet is zoals het hoort te zijn, kunnen we aflezen dat hij tegelijk een kunstcriticus is geworden.
Zowel zijn scheppende als zijn oordelende krachten hebben een hoogtepunt bereikt.
Er is maar één probleem: hij weet het niet.
Hij is zich niet bewust van de situatie waarin hij zich bevindt, en daardoor gaan beide oerkrachten hun eigen gang zonder dat hij er enige controle over heeft.

In feite kunnen alle huidige wereldproblemen daartoe herleid worden: de mens kent zichzelf niet.
Hij weet niet wat er zich in zijn ziel afspeelt.
Hij weet niet dat de Oude Schepping afgelopen is en dat hij aan de Nieuwe Schepping begonnen is.
En juist doordat hij dat niet weet, is hij een vernietiger geworden, een kunstenaar die denkt dat hij een nieuwe wereld schept, maar in feite alleen de oude vernietigt.

De keuze waarvoor hij staat, is dus niet: kunstenaar worden of geen kunstenaar worden.
De keuze is: een scheppend kunstenaar worden of een vernietigend kunstenaar.
De Nieuwe Wereld komt er hoe dan ook, maar of het een menselijke dan wel een onmenselijke wereld zal worden, hangt af van de mate waarin de mens zich bewust wordt van zijn kunstenaarschap, van zijn scheppende krachten.
Want scheppende krachten en oordeels- of bewustzijnskrachten kunnen maar op twee manieren met elkaar verbonden worden: ten goede en ten kwade.
Een tussenweg is er niet.

Hoe dat precies in zijn werk gaat: daarover volgende keer meer.

20140826-161347.jpg

Advertenties