Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: september, 2014

Onbegonnen werk

Gisteren 29 september vierden we Sint Michiel ofte de aartsengel Michaël.
Michaël is de leidende en inspirerende geest van de antroposofie.
Als mensen vragen ‘wat is antroposofie eigenlijk?’ dan vragen ze eigenlijk naar Michaël.
En antroposofen staan dan gewoonlijk met de mond vol tanden.
Ze weten niet meteen wat te zeggen.
Want hoe vat je de antroposofie in een paar woorden samen?
Dat is onbegonnen werk.

Rudolf Steiner heeft veel over Michaël gesproken.
Maar hij heeft over véél onderwerpen veel gesproken.
Het is echter pas helemaal aan het eind van zijn leven, in de zomer van 1924, dat hij Michaël radicaal in het centrum van de antroposofische werkzaamheid plaatst.
Tegelijk drukte hij er ook op dat die werkzaamheid een samenwerking moest zijn, een samenwerking tussen mensen die op een heel verschillende manier denken, namelijk: platonici en aristotelici.
Alleen door hun samenwerking kan Ahriman, de geest van het materialisme, overwonnen worden.
Die samenwerking was er tijdens Steiners leven niet.
Hij kon er alleen het fundament voor leggen, de grondslag, de grondsteen.
Het echte werk zou pas tegen het eind van de eeuw kunnen beginnen, als de grote platonici op aarde kwamen en zich verbonden met de antroposofische aristotelici.
Dán moest het Grote Werk beginnen, het gezamenlijke werk waarmee Michaël zich kon verbinden om de mensheid de kracht te geven het materialisme te overwinnen.
Dat Grote Werk blijft echter ‘onbegonnen’.
Iemand iets gemerkt van de grote Platonici?
Iemand iets gemerkt van een geestdriftige nieuwe samenwerking?
Iemand iets gemerkt van een grote spirituele impuls?
Ik alvast niet.
Voor zover ik kan zien, is alles bij het oude gebleven.
En met het ‘oude’ bedoel ik de toestand van vóór de Weihnachtstagung.
Wat daarna kwam – karmaonderzoek, zielenthema, Michaëlische samenwerking – is grotendeels dode letter gebleven.

Het werk van Michaël moet nog beginnen, het is – letterlijk – onbegonnen.
Er wordt geprobeerd, ongetwijfeld, maar laat Michaël nu net een geest zijn die zich enkel bezighoudt met resultaten.
Michaël is een zwijgende geest die afwacht tot er iets uit de bus komt waarmee hij iets kan aanvangen.
Pas dán verbindt hij zich ermee.
Michaël is bij uitstek degene die in de mens gelooft: hij grijpt niet in als een overbezorgde ouder, maar laat de mens zelf zijn weg zoeken in de overtuiging dat hij die op eigen kracht kan vinden.
En áls hij die gevonden heeft, dan voegt Michaël zich bij hem.
Maar niet vroeger.

Niemand houdt als Michaël het ideaal van de vrije mens voor ogen.
Dat maakt hem niet bepaald tot de meest populaire geest.
Want vrijheid verovert de mens alleen op het kwaad.
Zonder kwaad geen vrijheid.
Michaël is dan ook daar te vinden waar het kwaad bestreden wordt.
En dat is geen aangename plek.

Syrië, Irak, Israël: de strijd tegen het kwaad is er van een gruwelijke hardheid.
Maar zwartgemaskerde mannen die onschuldigen kruisigen en onthoofden, hoogopgeleide piloten die steden en dorpen bestoken met bommen en raketten: is dát een beeld van de Michaëlische strijd?
Nee, het is er precies het omgekeerde van.
Het is een broederstrijd, een strijd van mensen die in wezen complementair zijn en dus zouden moeten samenwerken, maar wier bewustzijn niet doordringt tot hun wezenlijke verwantschap en die elkaar dus op leven en dood bestrijden in de overtuiging dat de ander het vleesgeworden kwaad is dat moet uitgeroeid worden.
Het is geen Michaëlische strijd van de mens tegen het kwaad, maar een dubbelgangersstrijd, een strijd van het kwaad tegen de mens.

De Michaëlische strijd is een strijd uit inzicht, een strijd om inzicht.
Het is een strijd die, naarmate hij gewonnen wordt, verandert in een spel.
En die Michaëlische overwinning is een zelfoverwinning: de mens strijdt met zichzelf.
Hij vecht met zijn dubbelganger en die dubbelganger is hij zelf: het is het stuk van zijn ziel dat nog niet bewust is, dat nog niet aan het licht is gekomen.
Het is dat deel van de mens dat nog niet is blootgesteld aan Christus.

Michaël wordt ook wel eens ‘het gelaat van Christus’ genoemd.
Het is een gesloten, onbewogen gelaat, een gelaat waarop niets af te lezen valt.
Er is alleen een intense blik vol verwachting, vol afwachting.
Want Michaël wil dat we hem herkennen, hij wil dat we onszelf herkennen in de ander.
En die ander is niet de liefdevolle ander, wiens gezicht straalt van liefde.
Die ander is de onbewogen vreemde, die zegt: wat heb ik met u te maken?
Michaël is voor ons een vreemde geest, een geest die tegenover ons staat en ons alleen maar aankijkt, met een intense peilende blik, een blik die in onze ziel zoekt naar vermogens die nog niet wakker zijn geworden.
Plus est en vous, zeggen deze ogen.
En daar laten ze het bij.
Want Michaël wil dat we vrije mensen worden.
Daarom beschermt hij ons ook tegen het wezen van Christus.
Daarom maakt hij diens gelaat ondoorgrondelijk.
Want als het transparant wordt voor de liefde van Christus, als het gaat stralen als een zon, dan worden we erdoor verpletterd. De duisternis in ons eigen hart – onze dubbelganger dus – wordt dan zo helder zichtbaar dat we het niet kunnen verdragen en eraan ten gronde gaan.

Daarom is Michaël het gesloten, ondoorgrondelijke gelaat van Christus.
Hij verwacht van ons dat we dat gelaat doen stralen, door de strijd met het kwaad aan te gaan, door onze dubbelganger onder ogen te zien. Want het is maar naarmate we daartoe in staat zijn, dat we ook in staat zijn Christus onder ogen te zien.
De verschrikkelijke broederstrijd die in het Midden-Oosten is losgebarsten, wordt gevoed door het onvermogen Christus onder ogen te zien.
Door het contact met de – in wezen christelijke – Westerse beschaving zijn de moslims (onbewust) in contact gekomen met Christus, en diens licht heeft hun dubbelganger pijnlijk zichtbaar gemaakt.

Tijdens de afgelopen eeuwen is de moslimwereld weggezakt in lethargie, terwijl de Westerse wereld juist bruiste van de activiteit.
Die Westerse activiteit had een gewelddadige component die voor iedereen zichtbaar was. Daardoor kon bij de moslims de overtuiging postvatten dat de islam een godsdienst van vrede was.
Vandaag ontwaken ze uit die droom en worden vol ontzetting geconfronteerd met de keerzijde van de medaille: de gewelddadigheid van de islamdubbelganger.
En die plotse confrontatie kunnen ze niet aan.
In een instinctieve afweerreactie projecteren de moslims hun dubbelganger op de Westerse wereld.

Door de Islamitische Staat en andere dubbelgangersorganisaties met bommen te gaan bestoken, wakkeren we de dubbelgangersstrijd alleen maar aan.
De tegenmachten willen niets liever dan dat.
Michaël wil iets totaal anders.
Tegenover de zelfvernietiging van de broederstrijd plaatst hij de zelfoverwinning die tot broederlijke samenwerking leidt.
Die zelfoverwinning vergt eveneens een strijd, een harde strijd, maar het is geen strijd tegen mensen, het is een strijd tegen geesten, een strijd om inzicht.

Deze strijd wordt (onder meer) in de antroposofische wereld gestreden.
Maar het is nog geen Michaëlische strijd.
Het is nog te veel een strijd tussen mensen, en te weinig een strijd tussen geesten.
Steeds weer zien we hoe dezelfde twee partijen tegenover elkaar komen te staan.
Steeds weer is het dezelfde tweespalt die opduikt en die antroposofische initiatieven ofwel keldert ofwel onvruchtbaar maakt.
Steeds weer botsen oude platonische zielen en jonge aristotelische zielen op elkaar.
Steeds weer stoten antroposofen zich aan dezelfde steen: de grondsteen.
Want het is tijdens de Weihnachtstagung dat Rudolf Steiner de oude en de jonge zielen aan elkaar klonk en tot een eenheid smeedde.
Hij deed dat in zijn eigen persoon, vanuit een volkomen vrije wil, vanuit een volkomen helder inzicht.

Tijdens het noodlotsjaar 1923, het jaar tussen de brand van het Goetheanum en de Weihnachtstagung, vocht Rudolf Steiner de exemplarische Michaëlische strijd uit.
Hij zag hoe de Antroposofische Vereniging verscheurd werd door de broederstrijd tussen de oude en de jonge zielen.
De spanningen tussen deze twee groepen hadden het Goetheanum figuurlijk maar ook letterlijk in lichterlaaie gezet.
Maar dit brandoffer kon de tegenmachten niet sussen.
De strijd ging verder en werd alsmaar heviger.
Tot Rudolf Steiner met een even drastische als onverwachte oplossing kwam: hij offerde zichzelf.
Hij ging als ‘bliksemafleider’ tussen beide strijdende partijen staan.
De pijlen die ze onophoudelijk op elkaar afschoten, dirigeerde hij naar zichzelf.
Hij onderging het volle gewicht van hun wederzijdse haat.
En hij vertrok geen spier.

Als een echte Michaëliet keek hij vol verwachting en geloof naar zijn leerlingen, in de hoop dat ze de grondsteen in hun hart zouden opnemen in plaats van erover te struikelen.
Hij hoopte dat ze de broederstrijd zouden transformeren tot broederlijke samenwerking.
Dát zou zijn gelaat hebben doen stralen.
Dát zou zijn lijden verlicht hebben.
Dát zou wellicht zijn leven hebben gered.

De foto’s uit het laatste jaar van Rudolf Steiners leven tonen een man wiens gelaat verwoest was.
Hij die altijd geblaakt had van gezondheid, hoewel hij aan één stuk door werkte en nauwelijks sliep, zag er nu verschrikkelijk getekend uit.
Mensen die hem een tijdje niet gezien hadden, waren ontzet door wat er op zijn gelaat te lezen stond.
Maar ze begrepen het niet.
Ze begrepen niet dat het hun eigen strijd was die zich op dat gelaat aftekende.
Dat gelaat weerspiegelde Steiners hart dat tot een slagveld was geworden waarop de antroposofen hun broederstrijd uitvochten, de strijd tussen de oude en de jonge zielen.
Dat zo wijze en wetende hart had zijn inzicht in de relatie tussen beide broederzielen aan de antroposofen geschonken en nu wachtte het tot dat inzicht opgenomen werd, tot het het hart van de antroposofen bereikte en daar de broederstrijd transformeerde tot hartverwarmende broederlijkheid.

Zo wacht ook Michaël op de mens.
Hij heeft de kosmische intelligentie – die in wezen het inzicht is in het harmonisch samenwerken van de hele kosmos – aan de mensheid geschonken en hij wacht nu af tot hij het terugkrijgt.
Want het schenken van die kosmische intelligentie was een offer: Michaël heeft er geen zeggenschap meer over.
Het lot ervan ligt in handen van de mens.
Hij moet de intelligentie weer veroveren op Ahriman, die er zich meester heeft over gemaakt en het ooit zo levendige weten herleid heeft tot een skelet van dode, abstracte ideeën.

Aan die dode ideeën dankt de moderne mens zijn vrijheid.
Maar die vrijheid is leeg, ze heeft geen inhoud, ze is louter vorm.
Als we werkelijk vrij willen worden, dan moeten we onze lege denkvormen weer vullen met geest, met levende geest.
En de eerste stap daarin is de verbinding van hoofd en hart.
In ons hoofd zijn we vrij.
Maar in ons hoofd zijn we ook dood.
Leven doen we alleen in ons hart en in onze wil.
De verbinding van ons denken met de wil is voorlopig een brug te ver.
Eerst moeten hoofd en hart weer met elkaar verbonden worden.
Niemand komt tot de Vader (de wil) dan door mij (het hart), zei Christus.
En dat is dan ook de Michaëlische weg: de weg van het hoofd naar het hart.
Het hart moet het hoofd verwarmen en ontdooien.
Het hoofd moet het hart verlichten en leiden.
Dat is ook het wezen van de broederlijke samenwerking tussen platonici en aristotelici.
De aristotelici zijn de ‘koele’ denkers, de wegbereiders van de vrijheid.
Zij zijn degenen die de weg moesten effenen voor de platonici, de ‘warme’ denkers.
De aristotelici, in de betekenis die Steiner geeft aan dit begrip, zijn in feite de jonge zielen die erin geslaagd zijn uit de greep van Ahriman te blijven.
De platonici van hun kant zijn de oude zielen die erin geslaagd zijn uit de greep van Lucifer te blijven.
Om het een beetje simpel te stellen: aristotelici zijn koel maar niet bevroren, platonici zijn warm maar niet heet. En juist daardoor, door hun matiging, door hun ‘christelijke’ terughouding kunnen ze elkaar de hand reiken.

Het schoolvoorbeeld van zo’n samenwerking tussen een platonicus en een aristotelicus zien we in de vriendschap tussen Schiller en Goethe.
Goethe was de jonge, aristotelische ziel, Schiller de oude, platonische ziel.
Hun samenwerking betekende voor de Duitse beschaving wat de samenwerking tussen platonici en aristotelici aan het eind van de 20ste eeuw had kunnen betekenen.
Wie de geschiedenis een beetje kent, weet dat de samenwerking tussen beide grote Duitsers er niet zonder slag of stoot gekomen is.
Het water tussen beiden was diep: Goethe, de evenwichtige klassieke ziel keek met groot wantrouwen naar de wilde Sturm-und-Drang ziel van de tien jaar jongere Schiller die zocht naar erkenning.
Maar uiteindelijk slaagden ze er toch in de brug te slaan, en het resultaat was indrukwekkend: door hun samenwerking schreven Goethe en Schiller geschiedenis.

Die (geestes)geschiedenis moet de antroposofie nog altijd schrijven.
De aristotelici en platonici hebben elkaar nog niet gevonden.
Een eenzame platonicus als Sergej Prokofieff is daar een tragisch voorbeeld van.
In zijn kamertje in Dornach schreef hij een hele reeks dikke boeken waarin hij het werk en leven van Rudolf Steiner, de grote aristotelicus, belichtte. Maar zelf kwam hij niet tot samenwerking met de levende aristotelici in de antroposofische beweging.
Aan het eind van zijn leven raakte hij zelfs betrokken bij de zoveelste tweespalt die antroposofen onder elkaar verdeelde.
Zijn voorbeeld geeft aan voor welke keuze antroposofen staan: ofwel de Michaëlische samenwerking, ofwel de verlammende broederstrijd.
En die keuze zal een zware geestelijke strijd vergen.

Advertenties

Hard times

Doordat ik in Brugge begonnen was met het tekenen van karikaturen, was ik ook begonnen met het fotograferen ervan, kwestie van een herinnering te hebben.

Ik kreeg er de smaak van te pakken en begon ook oude tekeningen te fotograferen.

Omdat het te veel zou worden om die allemaal op Vijgen na Pasen te plaatsen, besloot ik een tweede blog te beginnen.

 

En toen ging het mis.

 

Het einde van het digitale verhaal is dat ik niet meer met mijn iPad op mijn blog kan.

Vraag me niet waarom, maar ik moet er een nieuwe kopen (terwijl hij nog prima werkt).

Ik kan nog wel via de gewone computer op m’n blog (daar ben ik nu op bezig) maar I HATE IT!

Ik ben mijn iPad gewoon EN IK WIL NIKS ANDERS MEER.

Bovendien heeft An deze computer nodig.

 

Dus zal het een tijdje duren voor alles weer normaal is (mezelf kennende: een héél tijdje)

 

’t Is maar dat u ’t weet.

Anna zoekt de zin des levens

20140927-125624.jpg
(Anna zoekt de zin des levens)

Bendgate

Afgelopen vrijdag om 00.01 uur – middernacht dus – waren de eerste iPhones 6 te koop in … het station van Antwerpen Centraal.
Onder het oog van de pers werd er storm gelopen door mensen die als allereerste (minstens) 700 euro wilden neertellen voor een hebbeding niet groter dan … ja, waarmee moet je een smartfoon vergelijken?
Eigenlijk is het omgekeerd: je vergelijkt andere dingen met een smartfoon.
De smartfoon is de norm.
Je kunt hem nergens mee vergelijken.
Hij is onvergelijkelijk.
En de smartfoon der smartfoons is natuurlijk de iPhone, de smartfoon van Apple.

20140927-111427.jpg

Ik herinner me nog dat ik een jaar of 7 geleden Steve Jobs de eerste iPhone in de lucht zag steken.
Much ado about almost nothing, dacht ik bij mezelf.
Wist ik veel dat er een revolutie ontketend werd, en dat vandaag bijna iedereen zo’n peperduur almost nothing heeft.
En niet alleen dat.
Hoeveel van de enthousiastelingen die vrijdagnacht in Antwerpen Centraal waren samengestroomd, zouden aan hun eerste iPhone zijn toe geweest?
Weinig, denk ik.
De meesten kopen ieder jaar een nieuwe.
Want dan ben je ‘mee’, dan leef je met miljoenen mensen overal ter wereld samen in de grote Apple-luchtbel.
And that is the place to be.

20140927-111622.jpg

Versta me niet verkeerd.
Een iPhone is een bijzonder handig ding.
Een iPhone is ook een bijzonder degelijk ding.
En de iPhone 6 is – eindelijk – ook een mooi ding.
Maar toch.
700 euro?
Ieder jaar weer opnieuw?
Dat is niet normaal meer.

20140927-111716.jpg

Het symbool van Apple is een appel, een appel waaruit een stuk is gebeten.
En dat is precies wat een iPhone is: iets ongelooflijk verleidelijks, iets waar je niet kunt aan weerstaan, iets wat je doet toehappen.
En dan ben je verloren, dan val je duizelingwekkend diep en komt terecht in een totaal andere wereld waaruit je niet meer kunt ontsnappen.
Toen Adam in de appel beet, tuimelde hij uit het paradijs in de wereld zoals wij die kennen: een wereld vol pijn en verdriet en geweld.
Toen de moderne mens in Apple beet, gebeurde het omgekeerde: van de lelijke, lawaaierige, eenzame moderne wereld kwam hij terecht in een … paradijselijke wereld, vol kleur, muziek, kennis en sociale interactie.
Door simpelweg het scherm van de iPhone aan te raken, verschenen de meest fantastische beelden, haarscherp, alsof ze echt waren.
En die onbegrensde beeldenwereld droeg de moderne mens altijd met zich mee, waar hij ook ging.
In die nieuwe wereld stond hij in contact met alles en met iedereen.
In een oogwenk kon hij gelijk wie bereiken, gelijk wie spreken, gelijk wat zien.
Hij had de wereld in zijn broekzak.
Hij had het paradijs opnieuw gevonden.

20140927-112335.jpg

De smartfoon is een fantastisch ding, geen twijfel mogelijk.
Het is een realiteit die niet meer weg te denken is uit het moderne leven.
Stilaan beginnen we te denken in termen van voor de smartfoon en na de smartfoon.
Zoals voor en na Christus.
De smartfoon is dan ook een bijzonder ‘christelijk’ apparaat: het heeft alles nieuw gemaakt, het is het centrum van de wereld geworden, iedereen verlangt ernaar, iedereen is ermee bezig, de gelukkige bezitters voelen zich uitverkorenen, het verbindt mensen met elkaar, het maakt mensen gelukkig, het geeft zin aan het leven, het is de alfa en de omega van het moderne leven.

20140927-112511.jpg

Het moderne léven?

Jonge mensen die samen rond een tafel zitten, allemaal druk bezig met hun iPhone: is dát leven?
Jonge mensen die om het kwartier controleren of ze geen sms-je, e-mail, twitter- of facebookbericht hebben gekregen: is dát leven?
Jonge mensen die stuurloos, hulpeloos, radeloos zijn zonder hun iPhone: is dát leven?
Jonge mensen die ’s nachts in een station staan aan te schuiven om 700 euro te kunnen betalen voor de allernieuwste iPhone, gewoon omdat hij de allernieuwste is: is dát leven?
Het is een schijnleven.
Het is een schijnrealiteit.
Het is een mythe.

20140927-112626.jpg

Apple is een mythe, een moderne mythe, een christelijke mythe.
En zoals alle echte mythen is ook deze waar.
Ze toont ons hoe het echte christelijke leven eruitziet.
Alleen, ze IS dat leven niet.
Ze weerspiegelt het alleen in de materie, in een soort steen der wijzen, een electronische graal.

Zolang we ons bewust zijn van dat schijnkarakter, is er niks aan de hand.
Zolang we maar niet denken dat dit het echte leven is, kunnen we volop genieten van onze iPhone.
Als ik echter al die opgetogen, gelukkige gezichten zie om middernacht in Antwerpen-Centraal, dan durf ik sterk te betwijfelen dat deze jonge mensen wakker zijn.
Het is schijngeluk wat van hun gezichten straalt.
Het is geluk dat nog geen jaar zal duren, want dan zullen ze alweer staan aanschuiven voor de iPhone 7.
Het is geluk dat zelfs misschien geen dag zal duren …

20140927-112846.jpg

Dit jaar was er namelijk niet alleen de iPhone 6, er was ook … Bendgate.
Wat is Bendgate?
Wel, de nieuwe iPhone 6 kwam in twee maten: klein en groot.
De iPhone 6 was reeds een stuk groter dan zijn voorganger.
Maar de iPhone 6 Plus: dié was pas groot!
Hij was echter niet alleen groot, je kon hem ook … plooien.
En dat was niet de bedoeling.
Onmiddellijk nadat de nieuwe iPhone op de markt was gekomen – de eerste dag werden er al 10 miljoen van verkocht – doken alarmerende berichten op: het ding bleef niet recht.
Als je het in je broekzak stak en je ging erop zitten, dan stond het krom.
Bendgate was geboren.

20140927-112931.jpg

Meteen dook het beursaandeel van Apple naar beneden.
Grote concurrent Samsung kwam met een advertentie waarin de spot werd gedreven met de ‘plooibare’ iPhone.
Apple plaatste op zijn beurt een filmpje op het internet waarin verklaard werd dat er van de 10 miljoen nieuwe bezitters slechts 9 geklaagd hadden.
Het filmpje toonde ook hoe uitgebreid de iPhone 6 getest werd.
Maar het kwaad was geschied: er werd alom gelachen met de nieuwe iPhone.
En niets is dodelijker voor een mythe dan spot.

20140927-113020.jpg

Bendgate is zelf natuurlijk ook een mythe.
Het heeft met de realiteit niets te maken.
Plooit de iPhone 6 Plus als je erop gaat zitten?
Best mogelijk.
Maar wie gaat nu zitten op een toestel dat (minstens) 800 euro kost!
Je mag toch verwachten dat wie zoveel geld betaalt een beetje zorg draagt voor zijn smartfoon.
Bendgate slaat dus eigenlijk nergens op.
Ik vraag me zelfs af of het geen opgezet spel is, bijvoorbeeld van concurrent Samsung.
Want Apple en Samsung voeren al jaren een harde strijd tegen elkaar, niet alleen een concurrentiestrijd maar ook een juridische strijd.
Waarom zou het niet ook een mythische strijd zijn geworden: a battle of the myths?
De Bandgate-mythe tegen de paradijsmythe van Apple.

20140927-113147.jpg

Ook déze mythische strijd of strijdmythe is waar.
De nieuwe christelijke wereld zal moeten bevochten worden op de antichristelijke tegenmachten, die de spot zullen drijven met hun ‘vijand’.
Maar Bendgate IS natuurlijk deze strijd niet, het weerspiegelt alleen deze strijd.
En die gespiegelde strijd heeft iets buitengewoon menselijks.
Het is namelijk een … humoristische strijd.
Op de sociale media, dat wil zeggen in de schijnwereld van de smartfoon, wordt dezer dagen duchtig de draak gestoken met de Apple-mythe.
Het begrip Bendgate alleen al is kostelijk.
Much ado about almost nothing.
En men wéét het.

20140927-113243.jpg

Er is dus nog hoop.
Bendgate is een voorbeeld van hoe er in een schijnwereld, een door en door mythische wereld, toch een besef leeft van dat schijnkarakter.
Het is nog geen wakker bewustzijn, het is nog geen ontwaken voor de echte realiteit.
Maar het is een begin.
En het is onweerstaanbaar grappig.
Het is zonder meer … geestig.

20140927-113419.jpg

20140927-113438.jpg

20140927-113512.jpg

20140927-113533.jpg

20140927-113546.jpg

20140927-113557.jpg

20140927-113609.jpg

20140927-113628.jpg

20140927-113637.jpg

Zalm

Een paar dagen geleden schreef ik dat er bij De Morgen iets aan het veranderen leek.
Terwijl De Standaard de steven steeds meer in politiek-correcte richting wendt, lijkt De Morgen juist van die richting te willen afwijken.
Niet veel, maar toch.

En zie, wat lees ik in de krant?

De Morgen ondergaat een face-lift!
De zoveelste.
Niks nieuws onder de zon.
Niks minder vernieuwend dan … vernieuwingen.

En inderdaad: de hele zaak wordt aangekondigd met dezelfde dooddoeners, dezelfde clichés, hetzelfde overspannen, overpositieve marketingtaaltje dat we al zo goed kennen.

Leest u even mee.

20140926-153624.jpg

‘De Morgen. Meer inzicht, meer zalm.

Meer zalm? Ja, meer dan ooit hebben we nood aan een andere stem. Zoals een zalm die tegen de stroom ingaat. Want we drijven te gemakkelijk met de massa mee en vergeten de nuance. Wat we niet gewend zijn, schrikt ons af, waardoor we het zelfs niet meer overwegen. Daarom gooit De Morgen een gezonde dosis tegendraadsheid in de strijd.’

Waarhebbenwedatnoggehoord?

Geeuw.

Zoals ik al zei: niks oubolliger dan vernieuwing.

Maar de zaak wordt interessant als ik een interview lees met de geestelijke vaders van deze ‘vernieuwing’, Paul Daenen en Koen Verwee.

20140926-153749.jpg

Ze hebben, zo zeggen ze, de oefening gemaakt om de waarden van de krant te definiëren.
Die waarden zijn er natuurlijk altijd geweest, maar ze werden niet uitgesproken.
Het was niet duidelijk voor iedereen.

Nu wel.

Paul en Koen hebben de waarden van De Morgen samengevat als … POET.
Progressief.
Onbevangen.
Empathisch.
Triggerend.

Vooral die laatste waarde is intrigerend (hebt u ‘em?)
Aanvankelijk heette ze namelijk Prikkelend.
Maar dat leverde POEP op.
En daar had het natuurlijk niets mee te maken.
(Luid gelach van de twee heren)
POET klonk veel beter.
Het betekent weliswaar: geld, buit.
Maar daar heeft het óók niets mee te maken.

Kijk, ik zou het sympathiek hebben gevonden als de twee heren ook bij déze opmerking in schaterlachen waren uitgebarsten.
Maar dat deden ze niet.
Ze bleven serieus.
Natúúrlijk heeft hun vernieuwingsoperatie niks met geld te maken, evenmin als ze iets met stront te maken heeft.
Dat spreekt toch vanzelf!

Maar laat ik nu net zo’n zalmbrein hebben dat het niet kan laten tegen de stroom in te zwemmen.
Als ik die twee woorden POET en POEP lees, dan denkt de zalm-in-mij: dat is nu eens precies waar het om gaat!
Zonder het zelf te beseffen – daarvoor zijn ze te vol van zichzelf – zeggen Paul en Koen de waarheid.
En die is dat De Morgen niet genoeg geld opbrengt.

Alle linkse, progressieve media zijn trouwens in dat bedje ziek.
De lezers krijgen zo stilaan hun buik vol van dat wereldvreemde pseudo-progressieve gewauwel.
Ze haken massaal af.
Het eertijds zo roemruchte HUMO is nog slechts een schim van zichzelf.
Inhoudelijk, vormelijk én financieel.
Ouwe belegen kost.
Herkauwsel uit de jaren toen opa nog (lang) haar had.

20140926-154238.jpg
(lees vooral helemaal links boven)

Maar dat zien al die kale progressieven natuurlijk niet in.
Ze hebben immers de waarheid in pacht.
Maar ze voelen het wel aan hun portemonnee …

Dát is dus de (ware) reden voor de o zo lichte koerswijziging van De Morgen die ik verleden week meende te detecteren.
Het draait allemaal om geld.
Meer is het niet.
Maar ook niet minder.
Want geldgebrek is nog het enige wat de moderne mens nog tot verandering kan dwingen.

En ik kan het weten…

P.S. Toen men Steiner ooit vroeg waar dat fameuze Ik van de mens zich nu eigenlijk bevond, klopte hij lachend op zijn achterbroekzak, waar zijn portemonnee zat. Hierzie, zei hij. En zoals gewoonlijk was ook dit grapje diepzinniger dan het leek.

Driegeleders

Van een lezer kreeg ik, in reactie op mijn stukje ‘Arbeid en inkomen’ van 22 september, de volgende opmerking:
‘Bedenk dat er zelfs in het geestesleven geen productie kan zijn zonder vraag. Weinigen kunnen uit het geestesleven een volledig inkomen halen, ook in de driegeleding zal dat zo zijn.’
Toevalligerwijs kreeg ik die mail op hetzelfde moment dat de Vlaamse cultuursector moord en brand schreeuwt over de besparingsmaatregelen van de regering.
De kwestie is dus actueel, zowel voor mezelf als voor de hele kunst- en cultuursector van het land.
Van dezelfde lezer kreeg ik een dag later een nieuwe mail.
‘Onder de schrijvers zijn er tamelijk wat die nog ander werk deden. Elsschot was toch bankier, Maurice Gilliams werkte als archivaris of bibliothecaris, Spinoza brillenmaker. Maar hoe zit dat bij de schilders ? Blijkbaar ken ik te weinig biografieën. Ik heb zo het gevoel dat ze ofwel arm waren en bleven ofwel van thuis uit welstellend waren.’

20140926-133557.jpg

Afgezien van het feit dat Elsschot geen bankier maar reclamemaker was, klopt het dat veel schrijvers uit zijn tijd een job hadden, vaak in staatsdienst. Het was de toenmalige vorm van subsidiëring.
Ik heb zelf nog op een ministerie ‘gewerkt’, en als ik toen schrijver was geweest, had ik het grootste deel van mijn tijd aan het schrijven kunnen wijden.
Iedereen zou immers gedacht hebben dat ik ijverig aan m’n dossiers aan het werken was.
Nu heb ik ook wel eens zitten schilderen op m’n kantoor, maar dát viel nogal op.
Dus trok ik er ’s middags op uit, naar het Brusselse Warandepark of de oude Leopoldswijk.
Dat begon echter ook op te vallen, want een schilderij maak je niet op een uur tijd.
Ik bracht met andere woorden meer tijd buiten kantoor door dan op kantoor.
Schrijven mag dan wel compatibel zijn met een staatsjob, schilderen is dat zeker niet.
Ze hebben mij dan ook aan de deur gezet.
Dat was de gelukkigste dag uit m’n leven want nu kon ik de hele dag tekenen en schilderen en hoefde ik niet te doen alsof ik werkte.
Lang duurde dat geluk evenwel niet, want zonder werk en mét vrouw en drie kinderen, is tekenen en schilderen een stúk minder aangenaam.

Ik wil maar zeggen: was ik een schrijver geweest, dan zat ik daar waarschijnlijk nóg, op dat stoffige kantoor in de Brusselse Wetstraat.
Maar ik was een tekenaar-schilder, en dat valt NIET te combineren met een job in staatsdienst. Of in privé-dienst.
Het valt eigenlijk met geen enkele job te combineren, tenzij een job in het kunstonderwijs, maar dat kun je bezwaarlijk een echte job noemen.
Ik moet dan ook heel hard denken om een voorbeeld te vinden van een beeldend kunstenaar die een vaste job heeft of had.
Er komt er geen bij me op.
Vóór de subsidiëring werd uitgevonden, waren de meeste beeldende kunstenaars ofwel arm, ofwel van huis uit gefortuneerd, ofwel hadden ze een broer die Theo heette, ofwel hielden ze zich in leven met allerlei tijdelijke jobs die ze zo kort mogelijk hielden omdat ze hen beletten om te werken (sic).
Hun maatschappelijke positie viel niet te vergelijken met die van schrijvers of zangers.
Ze waren nu eenmaal vertegenwoordigers van het beeld en niet van het woord.
Hoe succesvol de uitzonderingen ook waren, de diepe kloof tussen die twee zo verschillende werelden konden ze niet overbruggen.
Zelfs Rubens, zowat de meest succesvolle aller schilders, kind aan huis bij de machtigen der aarde, werd op een vernederende manier op zijn nummer gezet als hij die diepe kloof niet respecteerde. Want hij was ‘maar’ een schilder, iemand die met zijn handen werkte.
Daarom kon hij – in tegenstelling tot de schrijvers – nooit tot de hogere kringen behoren, ondanks al zijn roem en rijkdom.

20140926-133646.jpg

Het verschil tussen woord en beeld, tussen schrijven en schilderen, raakt het wezen van de Europese beschaving zoals we die sinds de Oudheid kennen.
Hoeveel prachtige beelden die beschaving ook heeft voortgebracht, ze was toch altijd in de eerste plaats een beschaving van het woord.
Als antroposofen nu deze bij uitstek dualistische beschaving willen omvormen tot een driegelede beschaving, dan zullen ze eens heel diep moeten nadenken over die kloof tussen woord en beeld.
Want als ik lees dat ook in een driegelede samenleving kunstenaars een job zullen moeten gaan zoeken net als iedereen, dan vraag ik me af waarin zo’n samenleving verschilt van de huidige dualistische samenleving.

Ik hoor m’n tekenleraar nog verzuchten: ‘Vroeger, toen we jong waren, spraken wij over niets anders dan over kunst. Als ik vandaag luister naar de gesprekken van mijn leerlingen, dan gaan die over niets anders dan … geld. Hoe raak ik aan een job? Daar houden ze zich mee bezig, dat is voor hen het belangrijkste.’
Ik herinner me ook nog hoe onaangenaam ik getroffen was toen een antroposofisch kunstenaar me haarfijn uitlegde hoe je aan subsidies en werkbeurzen kon raken.
Maar zo is de realiteit: kunstenaars zijn vandaag meer bezig met geld dan met kunst.
En ze beseffen het zelf niet, want de grens tussen geld en kunst is zo vaag geworden dat beide gemakkelijk omgewisseld worden.
Verkopen is tot kunst geworden en kunst is een kwestie van verkopen geworden.

Waarom kiest vrijwel iedere jonge kunstenaar vandaag voor de Hedendaagse kunst?
Theoretisch gezien is hij volkomen vrij: voor het eerst in de geschiedenis kan hij doen wat hij wil. Geen artistieke wetten of regels binden hem nog.
Alles kan, alles mag.
En toch kiest hij bijna uitsluitend voor die ene, zeer extreme en buitenissige kunstrichting die zichzelf ‘hedendaags’ noemt.
Waarom?
Omdat alleen met dát soort kunst geld valt te verdienen (tenzij men natuurlijk over bijzondere commerciële talenten beschikt, wat bij kunstenaars zelden het geval is).
Wie NIET voor deze kunst kiest, krijgt het heel, heel moeilijk.
En jonge mensen wéten dat, ze zijn niet dom.
Of beter: ze hebben nooit iets anders geweten.
Ze zijn opgegroeid in een sfeer die geen onderscheid maakt tussen kunst en geld, tussen cultuur en economie, tussen geest en materie.
Het vormt allemaal één troebel geheel, en buiten dat geheel is er … niets.

Daarom zetten studenten het op een zuipen aan het begin van het nieuwe academiejaar: omdat op de grens tussen vakantie en school, tussen vrijheid en dwang, even het besef daagt dat de vrijheid van het geestesleven schijn is.
En dat besef willen ze instinctief verdoven, anders houden ze hun studie niet vol.

20140926-133759.jpg

Vandaag schreeuwt de gesubsidieerde kunst- en cultuursector moord en brand omdat er bespaard moet worden.
Maken ze zoveel misbaar omdat het geestesleven in gevaar komt?
Wel neen!
Ze zijn zo ontzet omdat ze dreigen te ontwaken, omdat ze dreigen geconfronteerd te worden met het feit dat er helemaal geen vrij geestesleven meer is en dat ze geen van allen zijn wat ze denken (en voorgeven) te zijn: vrije geesten die de samenleving broodnodig heeft.
Wat hen doet losbarsten in collectieve verontwaardiging is de dreiging, hoe klein ook, om naar zichzelf te moeten kijken en zich bewust te worden van le trahison des clercs waar ze zich schuldig aan maken.
Want allemaal hebben ze hun ziel verkocht voor geld.
Je krijgt vandaag immers geen subsidies – zelfs geen halve euro – als je je niet ten dienste stelt van de Mammon.

De culturo’s zwelgen in verontwaardiging zoals de studenten zwelgen in bier.
Ze verdoven zichzelf om niet herinnerd te worden aan het feit dat hun geestesleven niet in de geest wortelt maar in de materie.
Ze proclameren luidkeels het maatschappelijk belang van kunst en cultuur om niet onder ogen te moeten zien dat ze de slaaf zijn van de subsidiërende staat en de handeldrijvende economie.
En die geven gene ene moer om kunst en cultuur.
Dat zijn voor hen slechts middelen om hun macht en rijkdom te vergroten.
De vertegenwoordigers van het geestesleven, of dat nu kunstenaars zijn of wetenschappers, hebben slechts één vaste grond: de wereld van de geest.
En die geest leeft in het hart van de mens, in het hart van ieder mens.

Maar als er nu één plaats is waar de hedendaagse kunst- en cultuurwereld NIET leeft, dan is het wel in het hart van de mensen.
De moderne mens draagt de zogenaamde ‘kunst van zijn tijd’ niet in zijn hart.
Hij draagt ze hoogstens in zijn hoofd (als hij tot de intellectuele elite behoort).
Of hij draagt ze in zijn buik (als hij veel geld heeft en zich een plaats bij de ‘geestelijke elite’ wil kopen).
Maar hij draagt ze zeer beslist NIET in zijn hart.
Hoe zou hij ook kunnen!
De Hedendaagse kunst doet er (letterlijk) alles aan om dat ‘hart’ af te schrikken, om het uit te lachen, om het te laten voelen dat het geen toegang heeft tot de nieuwe, glorieuze kunst van onze tijd, de kunst van de nieuwe goden, de kunst van de ingewijden.
De allereerste voorwaarde om tot deze nieuwe Parnassus toegelaten te worden, is dat men zijn hart het zwijgen oplegt.
Maar juist in dat hart leeft de geest die de voedingsbodem is voor alle kunst en cultuur.
De geest die in hoofd en buik leeft, en die zich vandaag zo nadrukkelijk manifesteert via de staat en de vrije markt, brengt geen kunst voort, tenzij anti-kunst.
Hij doet een cultuur niet groeien en bloeien, hij vernietigt ze, keert ze om tot een anti-cultuur.

Dát is het besef dat – even – daagt wanneer de kunst- en cultuurwereld wakker wordt geschud door een besparingsmaatregel van de regering: we hebben geen enkele vaste grond onder de voeten, we leven in een luchtbel.
Maar die wereld slaapt veel te diep dan dat het besef echt zou kunnen doordringen.
Toen de Nederlandse regering enkele jaren geleden overging tot een besparing van maar liefst 20%, organiseerde de kunst-en cultuursector prompt een ‘Mars der Beschaving’.
De boodschap was duidelijk: zij, de culturo’s, waren de steunpilaren van de beschaving en die beschaving wankelde omdat er in hun subsidies werd gesnoeid.
De kranten stonden er vol mee, maar de toeschouwers – het gewone volk langs de weg – haalde de schouders op voor zoveel eigendunk.
Het lachte de beschavingspilaren vierkant uit.
And that was that.
Er werd verder niet meer over gesproken.

20140926-133921.jpg

Hier in Vlaanderen zal het niet anders gaan.
De ‘culturo’s’ zullen flink van jetje geven, maar niemand zal daar wakker van liggen.
Ik maak me sterk dat er flink gegniffeld wordt om al die culturele ontzetting.
Menigeen zal denken: eindelijk beleven we nog eens wat plezier aan die kunstenmakers!
Ik zou zelfs zover durven gaan om te zeggen dat de bevolking ten aanzien van de culturele sector slechts één echte vraag heeft: wanneer houden jullie eindelijk eens op met die verspilling van ons belastinggeld!
Wie heeft er nood aan het werk van Jan Fabre, Panamarenko, Wim Vandekeybus en consoorten?
Een heel klein kringetje van ‘uitverkorenen’.
En dan rijst nog de vraag of hun behoefte dat werk geldt dan wel hun eigen uitverkorenheid.
De kunst- en cultuursector is alleen bezig met zichzelf.
Zij geeft geen moer om de behoeften van de bevolking.

Nu naderen we de kern van het probleem, want de paradox is dat kunstenaars zich nooit hebben beziggehouden met de behoeften van anderen.
Daar ligt nu net het verschil tussen kunst en ambacht.
De ambachtsman maakt waar hem om gevraagd wordt.
De kunstenaar maakt alleen waar hijzelf behoefte aan heeft.
Wordt hij gedwongen om toch in te gaan op een vraag van anderen, dan zal hij er alles aan doen om die vraag om te buigen tot zijn eigen vraag.

De beeldhouwer Aristide Maillol kreeg op een dag de vraag of hij een beeld kon maken dat de glorie en het heldendom van het Franse volk tot uitdrukking bracht.
Geen probleem, antwoordde hij.
Heeft u al een concept in gedachten? informeerden de afgevaardigden van de Franse regering.
Zeker, knikte de kunstenaar.
En wat zal het worden, denkt u?
Zoals gewoonlijk, antwoordde Maillol met een uitgestreken gezicht, een koppel blote billen!

20140926-134102.jpg

Maillol kon dat zeggen omdat hij de opdracht waarschijnlijk niet nodig had.
Maar ook kunstenaars die wél opdrachten nodig hadden, pasten er een mouw aan.
Goya bijvoorbeeld, de hofschilder van de Spaanse koning, stelde de koninklijke familie voor als een verzameling dégénérés.
Maar hij deed het wel op zo’n manier dat ze het niet merkten.
En Rubens dan, met zijn uitstalling van fijne vleeswaren!
Kan men zich werkelijk voorstellen dat zijn extreem zinnelijke schilderijen een antwoord waren op een vraag die leefde bij de strenge jezuïetenorde en de pilaarbijtende Spaanse koning, twee van zijn grootste opdrachtgevers?
Was het niet veeleer zo dat al dat blote vlees beantwoordde aan zijn eigen intense behoefte aan zinnelijke weelde, en dat hij geniaal genoeg was om die persoonlijke behoefte voor te stellen als de behoefte van anderen?

Het antwoord op die vraag is complex.

Geen schilderkunst is ooit zo populair geweest als de impressionistische.
Ze voorziet duidelijk in een grote en blijvende behoefte van ontelbare mensen.
Toch was iedereen geschokt toen de eerste impressionistische schilderijen opdoken.
Men schreeuwde zijn verontwaardiging van de daken.
Zo wil het althans de mythe.
Of het werkelijk zo erg was, is nog de vraag.
Eén ding is echter zeker, niemand zat te wachten op de impressionisten, niemand had hen wat gevraagd.
Als Monet en co gewacht hadden op die vraag, dan was het impressionisme er nooit gekomen.
Men kan zich zelfs de vraag stellen of er ooit kunst was ontstaan als kunstenaars gewacht hadden op een vraag van anderen.

Ik ondervind dat nu zelf in Brugge.
Ik zit daar al bijna een jaar ieder weekend op de markt met schilderijtjes.
Maar niemand van die tienduizenden toeristen heeft me ooit gevraagd om een portret te maken.
Nochtans doen ze zelf niets anders dan selfies maken.
Pas toen ik vanuit een eigen, zeer persoonlijke behoefte portretten begon te tekenen, stelden verschillende mensen vast: hé, dat wil ik ook wel!
Pas toen ze me een portret zágen tekenen, werd in hen de vraag wakker.
Maar heb ik die behoefte in hen gecreëerd (zoals de vrije markt aan één stuk door nieuwe behoeften creëert) of bestond ze reeds in hen en heb ik ze alleen wakker gemaakt door mijn voorbeeld?

Dat is eigenlijk de vraag waar het allemaal om draait.

Ik herinner me nog altijd een zonovergoten zondagochtend in oktober, meer dan veertig jaar geleden.
Ik woonde toen nog in Mechelen en zoals iedere week was ik m’n boeken gaan terugbrengen naar de bibliotheek.
Maar om de een of andere reden was die gesloten.
Het was zo’n prachtig herfstweer dat ik besloot om niet meteen naar huis terug te keren, maar van die gouden herfstochtend te genieten.
Zo kwam ik op een gegeven moment boven op de (nieuwe) Winketbrug te staan waar ik een panoramisch uitzicht had over de oude stad.
Ik zag mijn oude school liggen, het Scheppersinstituut met zijn sterrenwacht, en daarachter rees, imposant als altijd, de Sint-Romboutstoren, wakend over de nog slapende stad.
Ik stond dromerig uit te kijken over de oude daken toen het opeens was alsof ze woordenloos riepen: teken ons, teken ons!
Ik was verrast, want de idee dat de wereld getekend wil worden, was nog nooit in me opgekomen.
Ik was juist opgegroeid met de tegenovergestelde idee: dat tekenen iets uiterst persoonlijks was, iets waar de buitenwereld niks mee te maken had.

20140926-134340.jpg

Ik herinner me nog altijd heel goed dat ik op een dag in de academie stond te zwoegen op een tekening die maar niet wilde lukken.
Ik was de wanhoop nabij, en zoals steeds verscheen mijn leraar als uit het niets, precies op het moment dat ik het wilde opgeven.
Jongen, zei hij, maak je toch niet druk. Ze staan daarbuiten echt niet te wachten op je tekening, weet je!
Dat was zijn manier om mij moed in te spreken.
In die sfeer ben ik opgegroeid: een sfeer waarin kunst iets was wat je alleen voor jezelf deed, iets waar niemand anders zich voor interesseerde, iets wat in het beste geval gedoogd werd.
Niemand heeft me ooit gestimuleerd om te tekenen, zelfs mijn eigen tekenleraar niet, de man die zoveel voor me betekend heeft.
Nooit heb ik een woord van aanmoediging uit zijn mond gehoord, in al die jaren niet.
Hij was daar uiterst consequent in: tekenen moest helemaal uit jezelf komen, niemand anders had daar zaken mee.

Toen ik daar op die betoverende ochtend in oktober het slapende Mechelen ‘hoorde’ vragen om getekend te worden, was ik verbaasd en ook ontroerd.
Was het werkelijk mogelijk dat wat ik zo graag wilde ook gewild werd door de wereld daarbuiten, zelfs door een slapende stenen wereld?
Die gedachte was zo nieuw en zo ongewoon dat ik ze niet kon bevatten.
Ik dacht er dan verder ook niet over na, maar ik sloot de ervaring wel in mijn hart.
Pas tien jaar later, kwam de idee op een volkomen onverwachte manier weer naar boven, en dat was toen ik de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner las.
De idee die als een bliksem bij me insloeg, was dat de gedachten van de mens niet los staan van de wereld om hem heen: ze maken er deel van uit. Wat de mens buiten zich met zijn zintuigen waarneemt en wat er in hemzelf opduikt aan gedachten, gevoelens en impulsen, zijn twee kanten van een zelfde medaille. Er is maar één werkelijkheid, ze doet zich alleen op twee manieren aan de mens voor: in de vorm van uiterlijke, zintuiglijke waarnemingen en in de vorm van innerlijke ‘zieleroerselen’.

20140926-134436.jpg

Ik begreep van de hele Filosofie der Vrijheid geen jota, maar die ene centrale idee sloeg in als een bom en bevrijdde me van een diepe en kwellende geestelijke eenzaamheid.
Ik zat niet langer opgesloten in de overtuiging dat alles wat ik in mijn ziel beleefde niks te maken had met de wereld om me heen.
Ik dacht er op dat moment niet aan, maar Steiner bevestigde als het ware dat wat ik op die oktoberochtend op de Winketbrug gehoord had, reëel was, of toch op z’n minst reëel zou kunnen zijn.
Want uiteraard sluit niet alles wat in een mens opkomt naadloos aan bij de buitenwereld.
Juist in die kloof tussen buiten en binnen nestelen zich de tegenmachten, en met hen moet de mens worstelen om de oorspronkelijke eenheid van mens en wereld weer te herstellen.
Maar het is heel wat anders om je van die situatie bewust te zijn, dan om in de overtuiging te leven dat harmonie alleen bereikt kan worden door je ofwel aan te passen aan de buitenwereld ofwel die buitenwereld aan te passen aan jezelf.

En dat is ook waar het in die hele heisa over de besparingen in de culturele sector om gaat.
In die culturele sector leeft nog altijd, en zelfs meer dan ooit, de (materialistische) overtuiging waar ik in mijn jeugd zo zwaar onder gebukt ging: de overtuiging dat wat in de kunstwereld gebeurt niks te maken heeft met wat in de buitenwereld gebeurt, dat de behoeften van de kunstenaar niks te maken hebben met de behoeften van de bevolking.
En omdat men daarvan overtuigd is, bestaat er tussen beide werelden een fundamentele vijandschap: de kunstwereld voelt zich enerzijds gedwongen om zich te conformeren aan de buitenwereld (in de hoop dat ze ondanks haar anders-zijn mag blijven bestaan) en anderzijds wil ze die buitenwereld dwingen om zich te conformeren aan de kunstwereld en te worden zoals zij zelf is.
Maar van die vijandschap is de kunstwereld zich niet van bewust, en dus vloeien die twee houdingen – onderwerping en machtsuitoefening – samen.
Ze worden één verwarrend en paradoxaal geheel: een mengsel van slaafse onderwerping en agressieve intimidatie.

De moderne kunst- en cultuursector is met andere woorden niets anders dan een Westerse variant van de Islamitische Staat.
Ze is een soort terroristische organisatie die een vernederende onderwerping aan staat en economie paart aan niets ontziend (geestelijk) geweld tegen de gewone bevolking.
Daardoor wekt zij begrijpelijkerwijs een diepe weerzin bij de bevolking, die ook na honderd jaar overheersing nog altijd niks moet weten van de zichzelf ‘hedendaags’ noemende ‘kunst’.
Daarom is die kunstwereld ook ontzet wanneer haar broodheren dreigen de subsidiekraan ook maar een beetje dicht te draaien: de Islamitische Staat waar iedereen nu vol ontzetting naar kijkt, dreigt dan … een spiegel te worden.

20140926-134542.jpg

Ik vraag me af of de antroposofische driegeleders bereid zijn om in die spiegel te kijken.
Ze willen een nieuwe en een betere wereld scheppen, net zoals de kunst- en cultuursector dat wil.
En net als deze ‘hedendaagse’ cultuurwereld zijn ze in 100 jaar nog geen stap verder gekomen.
De driegelede maatschappij waar ze voor ijveren, is vandaag verder weg dan ooit.
De maatschappij is nog nooit zo dualistisch geweest als vandaag.
En nog altijd komen antroposofen er niet toe om hun eigen dualistische aard onder ogen te zien.
Als rasechte moslims weigeren ze naar zichzelf te kijken en wijten hun onvermogen aan de buitenwereld, aan de materialistische maatschappij, alsof ze daar niets mee te maken hebben, alsof het materialisme ook niet in henzelf leeft.

Als ik lees dat in de nieuwe driegelede maatschappij kunstenaars nog altijd zullen moeten vechten om te overleven, dan vraag ik mij af: wat is er zo nieuw aan die maatschappij?
Waarom al die inspanningen om een maatschappij tot stand te brengen die in wezen niet verschilt van de vorige en waarin beeldende kunstenaars gewoon het slaafje blijven van ‘de heren van het woord’?
Wat een verspilling van krachten!
Wat een tragische blindheid!
Maar ik geef toe: het IS moeilijk om in de spiegel te kijken en daar een fanatieke moslim te ontwaren.
Een mens zou voor minder de blik afwenden.
Maar is dat nu niet precies wat Rudolf Steiner van zijn leerlingen verwachtte: dat ze de blik NIET afwendden?
Was dat niet zijn eerste en belangrijkste eis: wakker blijven, de ogen niet sluiten?
Die eis gold ook de ‘driegeleders’.
Of vergis ik mij?

20140926-134623.jpg

Marianne de ernstige

20140924-184840.jpg

20140924-184921.jpg

20140924-185001.jpg

Toekomstig zelfportret

20140924-154811.jpg

Hij ziet er helemaal niet ongelukkig uit.
En hij heeft al zijn tanden nog!

Nu we toch bezig zijn …

Dit is Marianne – ‘Motje’ – onze jongste.
De eerste tien jaar van haar leven kon ze er echt niet om lachen.

20140924-153538.jpg

Uit de oude doos

Ik ben mijn teken-archief (lees: een berg papier) in kartonnen dozen aan ’t steken en daarbij komt een mens vanalles tegen.
Zoals dit: een portret van mijn grootvader, de eerbiedwaardige Gaston Doornaert.
Ik moet toen een jaar of 15 geweest zijn en tekende vooral met bic.
Ik heb ook nog ergens een vooraanzicht van hem, maar wáár?
Het wordt tijd dat ik een andere blog begin, een tekenblog.
Maar hoe?

20140924-152409.jpg

Hieronder mijn oudste dochter Helena.
Iedere gelijkenis is waarschijnlijk niet toevallig.

20140924-152926.jpg