Karmaonderzoek (1)

door lievendebrouwere

Met de karmavoordrachten, die Rudolf Steiner in 1924 hield, is een bijzondere tragiek verbonden.
Het was Steiners levensmissie om karma en reïncarnatie te introduceren in de Westerse beschaving.
Maar die taak kon hij pas één jaar voor zijn dood aanvatten, want hij had zijn leven besteed aan de levenstaak van iemand anders.
Julius Schröer was ertoe geroepen om de antroposofie op aarde te brengen, maar hij vond daar de kracht niet toe.
Steiner deed het dan maar in zijn plaats en schortte daarvoor zijn eigen levenstaak op.
Zonder de antroposofie was het immers niet mogelijk om over karma en reïncarnatie te spreken.
Karma en reïncarnatie zijn de bloem van de antroposofie, en zonder plant kan er geen bloem zijn.
Dus moest Steiner eerst de antroposofie uitbouwen voor hij zijn eigen levenstaak kon aanvatten.

20140919-095643.jpg

Zijn geval was niet uitzonderlijk.
Mensen schorten voortdurend hun levenstaak op omdat het leven hen daartoe dwingt.
Een voorbeeld.
Een jong meisje geeft blijk van veel schildertalent, ze wil niets liever dan kunstenaar worden. Maar dan sterft haar moeder en ze moet de zorg voor het huishouden op zich nemen. Zonder enige artistieke opleiding groeit ze op. Ze trouwt, maar opnieuw schuift ze haar eigen roeping aan de kant om haar man te helpen met diens werk.
Pas wanneer hij een ongeluk krijgt waardoor ze alles verliezen, ontstaat er ruimte voor haar schildertalent. Maar ze is dan al 60 en op die leeftijd kun je niet meer inhalen wat je op je 15de hebt laten staan. De kunstenaar die ze had kunnen worden, is er dus nooit gekomen.
Het is een waar gebeurd verhaal, het verhaal van een offer.
En zo zijn er ongetwijfeld veel.

In het geval van deze vrouw is er waarschijnlijk geen groot kunstenaar verloren gegaan.
Grote kunstenaars zijn namelijk zeer zeldzaam.
Maar Rudolf Steiner was een mens van een uiterst zeldzaam kaliber.
Er is veel verloren gegaan doordat hij pas aan het eind van zijn leven kon beginnen aan zijn eigenlijke opgave.
Zowat 40 jaar heeft hij moeten samenballen in 9 maanden.
En het scheelde geen haar of die 9 maanden had hij niet eens gekregen.
Eind 1923, onmiddellijk na afloop van de Weihnachtstagung, werd Rudolf Steiner vergiftigd.
Zijn leven kon op het nippertje gered worden, maar hij zou nooit meer echt herstellen.
Slechts met inspanning van al zijn krachten kon hij de karmavoordrachten houden en op die manier nog iets redden van zijn levenstaak.
Uiteraard stond de antroposofie niet los van die taak, maar een mens vraagt zich toch af hoe de wereld er had uitgezien als Schröer de antroposofie voor zijn rekening had genomen en Steiner de karmavoordrachten 40 jaar vroeger had kunnen houden.

20140919-095835.jpg

De karmavoordrachten bevatten de quintessens van Steiners missie.
Ze vormen het hoogtepunt van zijn werk en behoren tot het kostbaarste wat de moderne mens op geestelijk vlak bezit.
Maar ze zijn ook de grootste doorn in het oog van de tegenmachten.
Die hebben alles op alles gezet om het karmaonderzoek te verhinderen.
Ze drongen zelfs door tot in het hart van de antroposofische wereld: Steiner was omringd door zijn naaste vrienden en medewerkers toen hij vergiftigd werd.
Was er onder zijn leerlingen een Judas?
Men weet het niet.
Het blijft een raadsel hoe het heeft kunnen gebeuren.
Maar de tegenmachten bleven Steiner bestoken.
Zelfs toen hij zo uitgeput was dat hij zijn voordrachten moest stopzetten, bleven ze hem kwellen en vernederen.
Na zijn vroegtijdige dood concentreerden ze hun aanvallen op zijn leerlingen: ze stookten deze tegen elkaar op tot de vereniging uiteenviel in twee groepen en de antroposofie lam werd gelegd.
Intussen raakte Duitsland in de greep van de nazi’s.
And the rest is history.

20140919-100139.jpg

Het karma wordt geregeld vanuit de allerhoogste gebieden van de geestelijke wereld en omspant het hele bestaan.
Het verzet ertegen komt logischerwijze uit de allerlaagste en dus allersterkste gebieden van de onderwereld.
Het is goed om dat in gedachten te houden als we kijken naar hoe de wereld er vandaag uitziet, bijna 100 jaar na Steiners dood.

Europa is uit zijn assen verrezen.
Ook de Antroposofische Vereniging heeft zich hersteld.
Over de hele wereld vindt men vandaag steinerscholen, bd-boerderijen, antroposofische ziekenhuizen, therapeutische centra, wetenschappelijke onderzoeksinstituten, enzovoort.
Maar schijn bedriegt.
Geestelijk gezien biedt Europa een meelijwekkende aanblik.
En de antroposofie is helemaal niet de cultuurfactor geworden, die Steiner verhoopt had.
Volgens hem had ze een hoogtepunt moeten beleven aan het eind van de 20ste eeuw.
Er had toen van haar een impuls moeten uitgaan die de beschaving moest redden.

Anno 2014 klinkt die woorden bijna potsierlijk.
We hoeven de blik maar te richten op het karmaonderzoek, om een idee te krijgen van hoe de zaken er werkelijk voorstaan.
Het karmaonderzoek is de ‘bloem’ van de antroposofie.
Die bloem had aan het eind van de vorige eeuw moeten ontluiken door de samenwerking tussen de platonici en de aristotelici.
Deze platonici en aristotelici vormen op hun beurt de ‘bloem’ van de twee groepen van zielen waaruit de antroposofische beweging bestaat: de oude en de jonge zielen.
De hele mensheid bestaat uit oude en jonge zielen, maar alleen antroposofen hebben daar weet van.
Tenminste, dat worden ze verondersteld te hebben.

20140919-100340.jpg

Steiner verwachtte van iedere antroposoof dat hij wist tot welke groep hij behoorde: de groep der oude zielen of de groep der jonge zielen.
Hij noemde het de basisvoorwaarde van het karmaonderzoek, de allereerste stap.
Weten of je een oude dan wel een jonge ziel bent, moest voor een antroposoof even vanzelfsprekend zijn als weten of hij een Duitser, een Fransman of een Engelsman is.

Als we willen weten in hoeverre de antroposofie tot bloei is gekomen en een reddende factor is geworden in de huidige beschaving, hoeven we maar één vraag te stellen: in hoeverre weten antroposofen vandaag tot welke zielengroep ze behoren?
Het antwoord plaatst ons meteen met beide voeten op de grond: ze weten het helemaal NIET.
De vraag leeft totaal niet in de antroposofische wereld.
Integendeel, ze wordt beschouwd als banaal en zelfs ongepast.
Serieuze antroposofen houden zich niet mee bezig met dergelijke trivialiteiten.

Het maakt deel uit van de tragiek van Steiners levenslot dat hij het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven kon onthullen, vlak voor hij gedwongen werd zijn voordrachtactiviteiten stop te zetten.
Daardoor was slechts een zeer beperkt aantal leerlingen op de hoogte van het feit dat de antroposofische beweging uit twee groepen van zielen bestond.
Precies deze twee zielengroepen kwamen na Steiners dood lijnrecht tegenover elkaar te staan en scheurden de vereniging in twee.
Steiner moet dat voorzien hebben.
Hij wist welke demonen hij met de Weihnachtstagung ontketend had en hij wist ook dat ze zich op zijn leerlingen zouden storten zodra hij er niet meer was.
Zijn karmavoordrachten waren dus vooral gericht aan de komende generaties.
Ze waren gericht aan ons.

20140919-101741.jpg

Hier wordt de tragiek die verbonden is met Steiners levenslot pas goed zichtbaar.
Want het feit dat hij pas helemaal aan het eind van zijn leven kon beginnen spreken over karmaonderzoek werkt door tot op de huidige dag.
Wordt er vandaag dan niet aan karmaonderzoek gedaan?
Zeker wel, en het behoort tot het boeiendste en spannendste wat men in antroposofisch verband kan doen.
Maar de vraag moet gesteld worden wat het voor dit onderzoek, en voor de antroposofie in het algemeen, betekent dat de door Steiner veronderstelde basiskennis over de oude en de jonge zielen nagenoeg volledig ontbreekt.

Onmiddellijk na het eind van de 20ste eeuw, toen volgens Steiner de antroposofie een hoogtepunt had moeten bereiken in de samenwerking tussen platonici en aristotelici, verscheen de tegenstelling tussen de oude- en de jonge-zielenwereld plots op het wereldtoneel.
9/11 luidde een nieuw tijdperk in, een tijdperk waarin oude en jonge zielen niet eendrachtig samenwerken in de geest van de Weihnachtstagung, maar elkaar op leven en dood bevechten.
De spanningen tussen (oude) wereld van de islam en de (jonge) Westerse wereld nemen steeds onheilspellender vormen aan.
Er dreigt een vicieuze cirkel van geweld te ontstaan en het enige wat deze duivelscirkel kan doorbreken, is inzicht in de relatie tussen beide werelden, karmisch inzicht.

Karma is een zeer persoonlijke, zelfs intieme aangelegenheid.
Maar het is tegelijk een aangelegenheid die de hele menselijke beschaving betreft.
Want individueel karma staat niet op zichzelf, het is noodzakelijkerwijs verbonden met het karma van anderen, het is verbonden met het wereldkarma.
We raken de kern van karmaonderzoek pas wanneer we die twee uitersten – het individuele en het mondiale – met elkaar verbinden.
Daarin ligt het wezen van het karma.
Daarin ligt ook het wezen van de Weihnachtstagung.

20140919-100536.jpg

Tijdens de kerstbijeenkomst van 1923 verbond Rudolf Steiner niet alleen de oude en de jonge zielen met elkaar, hij verbond ook zijn individueel karma met het karma van alle antroposofen, en via hen met het wereldkarma.
Door zichzelf als levend bindmiddel tussen beide zielengroepen te plaatsen, maakte hij het driegelede wezen van het karma zichtbaar.

In zijn karmavoordrachten drukte Steiner erop dat door de Weihnachtstagung een geheel nieuwe antroposofische vereniging was ontstaan.
De oude vereniging was gestorven en uit haar assen was de nieuwe verrezen.
Daar moesten antroposofen goed van doordrongen zijn.
Ze mochten, aldus Steiner, niet terugvallen in hun oude gewoonten.
Die gewoonten waren tweeërlei: enerzijds was er de ‘esoterische‘ gewoonte om de antroposofie te behoeden en af te sluiten van de buitenwereld, anderzijds was er de ‘exoterische‘ gewoonte om de antroposofie te moderniseren en aan te passen aan de buitenwereld.
Daar moest een eind aan komen.
Tijdens de Weihnachtstagung had Steiner esoterie en exoterie met elkaar verbonden, en door (als esotericus) voorzitter te worden van de (exoterische) vereniging had hij zelf het voorbeeld gegeven.

Daarmee had hij echter een oeroude grens overschreden: de grens die beide werelden zorgvuldig van elkaar gescheiden hield.
Hij had iets gedaan wat nooit tevoren gebeurd was, hij had verbonden wat nooit verbonden was geweest.
En hij had dat gedaan op eigen initiatief en op eigen verantwoordelijkheid.
Deze vrije daad was een waagstuk van wereldhistorische betekenis en Steiner slaakte dan ook een zucht van opluchting toen bleek dat de geestelijke wereld zijn handelswijze geaccepteerd had.
Maar hij had ook de blinde woede van de tegenmachten ontketend: zij hadden de Weinachtstagung niet zien komen, ze hadden geen rekening gehouden met de vrije wil van Rudolf Steiner.
Ze waren ervan overtuigd geweest de antroposofische vereniging ten gronde te hebben gericht, en nu zagen ze een geheel nieuwe vereniging verrijzen.

20140919-100658.jpg

Steiners vrije daad was een offerdaad.
Hij offerde geheel vrijwillig zijn leven voor het voortbestaan van de antroposofie.
Daarmee bereikte het offer dat hij bracht door Schröers levenstaak over te nemen een hoogtepunt, want hij wist helemaal niet of de geestelijke wereld het verbreken van de oeroude wet zou accepteren.
Als ze dat niet deed, dan was het afgelopen met zijn geestelijke werkzaamheid, dan kon hij zijn eigen karma-opgave voorgoed vergeten.
Rudolf Steiner offerde dus niet alleen zijn fysieke leven, hij offerde ook zijn geestelijke leven: hij deed afstand van zijn levensmissie.
Hij ledigde de beker tot de laatste druppel.
Maar precies daardoor werd het bijbelwoord bewaarheid dat wie zijn leven geeft, het zal behouden.
Als onmiddellijk resultaat van het opofferen van zijn karma-opdracht ontstonden de … karmavoordrachten.

Het zijn dus in zekere zin opstandingskrachten die deze voordrachten bezielen: de krachten van een man die zijn leven heeft gegeven.
Daarom behoren ze ook tot het kostbaarste wat de mens op geestelijk vlak bezit.
Maar het is niet gemakkelijk om zo’n kostbaar geschenk te ontvangen.
Een offer kan alleen door een ander offer aanvaard worden.
En in feite is dat waar de hele wereld op wacht: het antroposofische tegenoffer.
Antroposofen zijn de enigen die weet hebben van de karmische relatie tussen oude en jonge zielen.
Zij zijn degenen die dit geschenk ontvangen hebben.
Maar hebben ze het ook aanvaard?

20140919-100757.jpg

Offerdaden staan ingeschreven in het karma.
De wereld is het resultaat van een offer van de goden en ze kan alleen blijven bestaan door de offers van mensen.
Die mensen hebben de keuze: ofwel brengen ze die offers vrijwillig ofwel worden ze ertoe gedwongen.
Gebracht moeten de offers hoe dan ook.
Hoe een modern offer eruitziet kunnen we aflezen aan de karmische basisvoorwaarde die Rudolf Steiner stelde.
Onderzoeken of je een oude dan wel een jonge ziel bent, lijkt helemaal niet op een offer.
Het ziet er zelfs zo banaal uit dat we er onze schouders voor ophalen.
Maar ook de Weihnachtstagung zag er banaal uit: een bijeenkomst van een obscuur groepje ‘vreemde zielen’.
Toch was het een gebeurtenis die de wereld zal veranderen.
Hetzelfde geldt voor het inzicht in de oude en de jonge zielen.

Dit inzicht vergt een offer.
Het vraagt van ons dat we op een heel elementaire manier naar onszelf leren kijken.
En dat doet pijn, het ‘snijdt in het eigen vlees’ zoals Steiner het uitdrukt.
We moeten naar onszelf leren kijken met de ogen van een ander.
En die ‘ander’ is geen vage notie, het is een concrete en zelfs actuele werkelijkheid.
Voor de oude ziel is de ander de jonge ziel en voor de jonge ziel is de ander de oude ziel.
Wie Steiners beschrijvingen van beide zielentypes ernstig neemt, ziet ze steeds duidelijker verschijnen in het concrete leven van alledag, het persoonlijke zowel als het mondiale.
Wat er tussen individuele mensen speelt, begint hij te herkennen in de relaties tussen groepen van mensen.
En met behulp van al die beelden kijkt hij naar zichzelf en gaat zichzelf meer en meer als een vreemde beschouwen.
Langzaam, heel langzaam maakt hij zich los van zichzelf zoals een kind zich losmaakt van zijn moeder.

20140919-100940.jpg

Hier wordt de keerzijde zichtbaar van het offer dat de moderne mens, en de antroposoof in het bijzonder, moet brengen.
Het is de geboorte van het vrije Ik.
Het karma is van een ijzeren wetmatigheid, maar heel die onontkoombare wetmatigheid is gericht op het ontstaan van de vrije mens.
Dat was het inzicht dat Rudolf Steiner op aarde kwam brengen, en daarvoor bracht hij het grootst mogelijke offer.
Van zijn leerlingen verwachtte hij het kleinst mogelijke tegenoffer.
Hij verwachtte dat ze erachter zouden komen of ze een oude dan wel een jonge ziel waren.
Op dat offer wacht hij nog altijd.
Met engelengeduld.

20140919-101125.jpg