9/20

door lievendebrouwere

Op 13 september laatstleden ben ik, voor het eerst in 10 jaar, weer mensen beginnen tekenen.
In kleur dit keer, iets wat ik nog nooit had gedaan, want ik ben een uitgesproken zwart-witmens.
Het was dus een sprong in het diepe.
Maar ik sprong goed.
Iedereen was opgetogen, ikzelf niet in de laatste plaats.
Iedereen wilde getekend worden, ik kreeg geen tijd om te eten.
Wat wil een (tekende) mens nog meer!
Ik begon al te dromen.
Niet van roem en eer, godnee.
Gewoon een beetje geld verdienen, zodat An zich niet te pletter hoeft te werken, daar zou ik al heel blij mee zijn.
Maar zou dat wel lukken?
Want ik had die 13de september gratis gewerkt, ‘om het eens te proberen’.
Wat zou het worden als ik geld vroeg voor m’n tekeningen?
Iederéén is immers kunstliefhebber als het niks kost.

Zaterdagochtend vroeg reed ik samen met Marianne, mijn jongste dochter, naar Brugge.
Zij zou vandaag het kraam van Henk doen.
De mist was nog dichter dan vorige week.
Veel herfstiger kon de wereld er niet uitzien.
Ik moest heel goed opletten dat ik de uitrit Oostkamp niet miste (sic) want ik zag werkelijk geen hand voor mijn ogen.
Tussen haakjes: neem nooit de afslag Brugge als u naar Brugge wilt.
Ik heb het ooit één keer gedaan omdat ik niet begreep waarom Henk altijd via Oostkamp naar Brugge reed.
Wel, toen begreep ik het.
Als u mij niet gelooft, moet u het beslist eens proberen.
Het is een … belevenis.
Stadsplanning en wegenbouw op z’n Vlaams.
Bobbejaanland heeft er niks aan.

We arriveerden op de mistige Dijver.
Het vervelende met zo’n dochter is dat ze per se wil helpen.
En dan moet ik wakker worden, dan moet ik nadenken, dan moet ik roepen: neenee, niet daar! Of: neenee, dat eerst!
Zucht.
Marianne heeft net een half jaar in Afrika gewoond, maar veel heeft ze daar blijkbaar niet geleerd. Ze wil alsmaar dingen doen.
Vermoeiend!
Gelukkig arriveerde Henk en kon ze haar energie daar kwijt.

Tegen elven was m’n kraam klaar en al meteen verkocht ik een klein schilderijtje, eentje van 45 euro, aan drie oude dametjes.
We’ll take it with us to Engeland, zeiden ze.
Aha, zei ik, Scotland included!
Daar moesten ze om giechelen.
Dat begint goed, vond Marianne.
Jaja, antwoordde ik, best mogelijk dat dit het laatste wapenfeit van de dag is!
Daar geloofde ze natuurlijk niks van.
Maar het bleek wel waar te zijn.

Jawel, niemand wilde zich laten tekenen.
Van de hele dag niet.
s’Vrijdags had ik nog tegen An gezegd: ik heb er werkelijk zin in!
Want ik was het beu om de hele dag niks te zitten doen in Brugge.
Eindelijk kon ik weer werken! Eindelijk wat geld verdienen!
Twee vliegen in één slag!
Het werd een slag zonder vliegen.

20140921-191350.jpg

Omdat ik uit ervaring weet dat mensen me moeten zien tekenen, vroeg ik Marianne om te poseren.
Het was verdorie net of ik m’n zuster voor me had!
M’n jongste dochter is dus zeker niet van de postbode.
Alleen haar vossenogen heeft ze van An, en haar blonde haar.
Ik probeerde er een karikatuur van te maken, maar het wilde niet lukken.
Ben ik m’n karikaturiseerdrang kwijtgeraakt?
Best mogelijk.
Hij was al sterk afgenomen, zeker nadat ik kinderen was gaan tekenen.
Van kinderen kun je namelijk geen karikaturen tekenen.
Je maakt ze dan gewoon ouder.
Je tekent dan geen kind meer.
Ieder mens wordt een karikatuur van zichzelf naarmate hij ouder wordt.
Dat is de prijs die hij betaalt voor de ontwikkeling van zijn Ik: hij wordt lelijk.
Ik hoorde ooit een oud vrouwtje op tv verzuchten: oud worden is niks, maar zo lelijk worden …!
Bij vrouwen is dat verouderings- en verlelijkingsproces veel dramatischer dan bij mannen.
Ik heb meer dan eens moeten horen dat ik duidelijk iets tegen vrouwen had, want ik maakte hen veel lelijker dan de mannen die ik tekende.
Dat ik alleen maar iets zichtbaar maakte dat eigen is aan vrouwen, kwam niet in hen op, want het is natuurlijk een inconvenient truth dat vrouwen lelijker worden dan mannen wanneer ze verouderen.
Liever dan zich af te vragen wat daar de reden of de betekenis van is, verkozen mijn critici dit fact of life te negeren en mij van discriminatie te beschuldigen.
Ik heb daar altijd mijn schouders voor opgehaald.
Het is veel boeiender om mannen en vrouwen als gelijkwaardig te beschouwen en na te denken over hun verschillen, dan om te proberen die verschillen te verdoezelen omdat men niet echt overtuigd is van hun gelijkwaardigheid.
Mij maakt het niet uit of ik een man of een vrouw portretteer.
Als ik ze anders portretteer dan is dat omdat ze anders zijn.

Wat de hele figuur betreft, gaat mijn voorkeur ondubbelzinnig uit naar vrouwen.
Dat is omdat je een man bent, zegt men dan.
Ik geloof daar geen fluit (sic) van.
Het vrouwelijk lichaam leent zich gewoon veel meer om bekeken te worden.
Vrouwen zijn er sowieso veel meer op ingesteld om bekeken te worden.
Dat is voor hen een ware hartstocht.
Terwijl het kijken zelf een mannelijke hartstocht is.

Wie karikaturen tekent, probeert door te dringen tot het Ik van een mens.
Hij probeert het meest persoonlijke, het meest individuele zichtbaar te maken.
Dat vereist een extreem mannelijke, diep penetrerende, manier van kijken.
Dat gaat ten koste van het kinderlijke, want een karikatuur veroudert de mens.
Ze maakt de mens ook lelijk.
Daarom ben ik geneigd te denken dat de karikatuur een typisch modern verschijnsel is.
De mens is nog nooit zo individueel geweest als vandaag: hij is een uitgesproken Ik-wezen geworden.
Maar hij is ook nog nooit zo oud en zo lelijk geweest als vandaag.
Dat kun je nog het best aflezen aan de kinderen vandaag.
Een gezond kind blaakt als een zon.
Vergeleken daarmee zijn moderne kinderen bleke maan-wezentjes, flauwe weerspiegelingen van wat een kind hoort te zijn.
Van jongs af worden ze belaagd door allerlei ziekten, kwalen en afwijkingen, alsof het vermomde oude mensjes zijn wier lichaam al versleten is van bij de geboorte.
Nog schrijnender komt dit ontbreken van kind-kwaliteiten tot uiting in de hedendaagse kunst, die een soort orgie van lelijkheid is.

Wie karikaturen tekent, maakt de mens dus niet oud en lelijk.
Hij tekent de mens gewoon zoals hij is geworden.
In die zin was mijn overstap van het gewone portret naar de karikatuur, 45 jaar geleden, geen breuk of drastische verandering.
Het was gewoon een logische evolutie.
Ik bleef de mens natuurgetrouw tekenen zoals ik altijd al gedaan had.
Ik drong alleen wat dieper door in zijn (stervende) natuur.

Maar in de karikatuur wordt niet alleen de ouderdom en de lelijkheid van de mens zichtbaar.
Er wordt ook nog iets anders zichtbaar, iets waar je moet om lachen.
Anders dan je zou verwachten, wekt die lelijke, verouderde mens geen afkeer op.
Nee, je beleeft er … plezier aan!
En dat plezier is niet kwaadaardig of sardonisch.
Het is … bevrijdend.

Toen ik begon met het en public tekenen van karikaturen, weigerde ik om kinderen te tekenen.
Mensen die me dat vroegen – en dat deden ze niet zelden omdat ik méér vroeg voor een portret dan voor een karikatuur – antwoordde ik altijd dat zoiets niet mogelijk was.
Je maakt kinderen dan alleen maar 10 jaar ouder, en daar zag ik de zin niet van in.
Ik wilde ze tekenen zoals ze waren.
Maar steeds vaker kwamen kinderen me zelf vragen om een karikatuur.
Aanvankelijk bleef ik weigeren, maar kinderen geven niet gauw af.
En dus gaf ik hen uiteindelijk wat ze vroegen: ik begon ik karikaturen van hen te tekenen.
Dat was dubbel moeilijk, want ondanks het verouderende van de karikatuur wilde ik het kinderlijke behouden.
Maar het lukte.
Ik slaagde erin om in die jonge, nog ongevormde gezichtjes het Ik-karakter zichtbaar te maken zonder dat ze ophielden kind te zijn.
Ze reageerden daarop door voor mijn ogen open te bloeien als een bloem.
Ik was vaak diep geroerd als ik zo’n ‘engeltje’ zat te tekenen.
En geschokt als het na het tekenen in een oogwenk weer in een ‘duiveltje’ veranderde.

Het verbaasde me dat die soms wilde en uitgelaten kinderen uren konden staan wachten tot ze aan de beurt waren.
Achteraf denk ik: wat hen zo intrigeerde, waren de Ik-kwaliteiten die ik probeerde zichtbaar te maken.
Zo jong als ze waren, leefde in hen (net als in ieder modern mens) een diep verlangen naar hun Ik.
Alsof ze wisten dat heel die oude, lelijke wereld waarin ze terecht waren gekomen, iets bijzonder kostbaars verborg, iets dat al die lelijkheid deed vergeten, iets dat deze ‘gevangenis’ de moeite waard maakte: hun Ik.
Want kinderen weten veel meer dan we denken, ze weten het alleen niet bewust.

Als ik hen het resultaat toonde van mijn inspanningen, reageerden ze altijd op dezelfde manier: ze knikten haastig, maar ze keken niet.
Hun kinderlijke bewustzijn kon die confrontatie nog niet aan.
Maar hun onbewuste weten zei: ja, dat is wat ik wilde!
En als ik de tekening dan zorgvuldig in een kartonnen envelop had gestoken, renden ze er uitgelaten mee naar hun ouders.
Waarschijnlijk om hen te tonen: kijk, dat ben ik!

Ik vraag me soms af: waarom willen kinderen nog geboren worden in deze wereld?
Want ze weten vooraf wat hen te wachten staat.
Het is niet mogelijk dat ze in de geestelijke wereld niet weten hoe erg het er momenteel aan toe gaat op aarde.
De aarde is geen plek voor kinderen meer.
Noch voor concrete kinderen, noch voor het kind-in-de-mens.
En toch blijven ze komen, ook al worden ze geboren met kanker of met een heroïneverslaving of met één van die vele afschuwelijke ziekten en afwijkingen die het mensdom tegenwoordig teisteren.
Om van de rest maar te zwijgen, het onderwijs bijvoorbeeld.
Wat hen de moed geeft om desondanks te incarneren is volgens mij de mogelijkheid om hun Ik te ontmoeten.
Hoe klein die kans ook is, daarvoor zijn ze bereid de sprong in het diepe te wagen.

Om dezelfde reden, denk ik, willen ze ook een karikatuur van zichzelf.
Ze zijn, dat zie je heel goed, nog niet in staat bewust de confrontatie met hun uiterlijke, fysieke zelf aan te gaan.
Maar onbewust willen ze dat wél.
Zo’n karikatuur maakt in hen iets wakker van de reden waarom ze hier zijn.
En welke reden zouden ze anders kunnen hebben dan die ontmoeting tussen hun (fysieke) zelf en hun (geestelijke) Ik?
Wie zou door het oog van de naald willen kruipen als hij niet wist dat hem ‘aan de andere kant’ de Grootste Ontmoeting wacht die een mens maar kan hebben: de ontmoeting met zijn eigen diepste wezen.
En die ontmoeting is tegelijk een ontmoeting met Christus, het grote mensheids-Ik.
Hij is degene waar alles in onze oude, zieke en lelijke wereld om draait.

Een paar jaar geleden las ik aan zee de gesprekken van een (zware) autist met zijn moeder.
Vóór die moeder de techniek van facilitated communication (mét de computer!) ontdekte, leefde ze in de overtuiging dat haar 43-jarige zoon achterlijk was en niet in staat om te denken, laat staan te communiceren.
Het tegendeel bleek waar.
Hij vertelde haar dat hij in een vorig leven doodgemarteld was door nazi’s omdat hij geweigerd had een joodse vriend te verraden.
Als gevolg van die verschrikkelijke ervaring had hij zich voorgenomen om nooit of nooit meer op aarde te komen. Een typische autistische reactie overigens.

Wat heeft je dan van gedachte doen veranderen? vroeg zijn moeder.
Christus heeft me overgehaald om het toch nog eens te proberen, antwoordde hij.
En dat karma geen lachertje is, bleek uit het feit dat zijn volgende leven eveneens een marteling was: hij werd zwaar autistisch geboren, en veertig jaar lang als een zwakzinnige beschouwd en behandeld.
Wat een enorme tegenstelling tussen zijn fysieke zelf en zijn geestelijke Ik!
Een mens kan alleen maar raden naar de krachten die zo iemand daaraan ontwikkelt.

Het doet me terugdenken aan die keer toen ik het verzoek kreeg om een zwaar spastische jongeman te tekenen.
Ik durfde bijna niet naar hem kijken, zo vreselijk zag hij eruit, met zijn opengesperde mond waaruit voortdurend speeksel droop, met zijn misvormde ledematen, met zijn ongecontroleerde spastische bewegingen, met de luide kreten die hij uitstootte.
Weet u wel zeker dat hij zich wil laten tekenen, vroeg ik zijn begeleider.
O ja, lachte deze, en het moet een karikatuur zijn!
Vooruit dan maar, dacht ik, en ik gooide alle remmen los.
Toen ik resultaat (niet zonder aarzeling) liet zien, kreeg de jongeman zo’n stuip dat hij half uit zijn rolstoel hing.
Ik schrok me lam.
Met vereende krachten hees men hem weer in zijn vervoermiddel terwijl hij met zijn misvormde armen wild om zich heen sloeg en schrikwekkende kreten slaakte.
Mijn God, dacht ik, wat heb ik gedaan!
Maak je niet ongerust, zei z’n begeleider, hij komt niet bij van het lachen!
Ik had moeite om het te geloven.
Hoe kan iemand nu lachen om zo’n uiterlijk!
Maar ik kreeg de tijd niet om daarover na te denken, want daar was nummer twee al.
Iemand met een (alweer) zwaar misvormd gezicht zat star voor zich uit te kijken, zonder ogenschijnlijk iets te zien.
Ik deed opnieuw mijn uiterste best om een karikatuur van hem te maken, dat wil zeggen om de karikatuur die hij reeds was, zo natuurgetrouw mogelijk op papier te zetten.
Toen ik de tekening toonde, reageerde hij niet.
Het was alsof hij (nog altijd) niks zag, maar zijn gezicht liep wel rood aan, steeds roder, tot het ten slotte donkerpaars werd.
Tegelijk stootte hij een hoog en dringend gepiep uit waar maar geen eind aan kwam, als een auto-alarm dat afgaat.
Opnieuw stelde de begeleider me gerust: hij vindt het absoluut fantastisch!
Ik begreep er niks van.
Hoe kunnen mensen die er zo vreselijk misvormd uitzien nu plezier beleven aan een karikatuur van henzelf?
Later op de dag zag ik ze aan de overkant van de Groentenmarkt passeren, allebei met hun tekening voor zich. Ze hadden nergens anders oog voor.
Weet je, had hun begeleider gezegd, geestelijk mankeert er niks met die twee, ze zijn net als jij en ik. Ze zitten alleen gevangen in een lichaam waar ze niks mee aankunnen.

Ik ben die twee zwaar spastische mensen nooit vergeten.
Ik was zwaar onder de indruk van hun vermogen om met zichzelf te lachen.
Wat had het hen niet gekost om dat vermogen te ontwikkelen, het vermogen om tegenover zichzelf te gaan staan als tegenover een schrikwekkende vreemde en toch te zeggen: ja, dat ben ik!
Een dergelijk vermogen is een Ik-vermogen, en het is een wonder dat een mens dat vermogen bezit.
Deze twee mensen hadden alle reden om zichzelf (en het leven) te verafschuwen, maar dat deden ze niet.
Ze beleefden allemachtig veel plezier aan hun eigen tronie.
Wat zágen deze mensen?
Zagen zij niet hetzelfde wat ook kinderen zien als ze naar m’n karikaturen kijken?
Ze zien de misvormingen, maar ze zien ook nog iets anders.
En het is de vergelijking tussen die twee die hen doet lachen.
Ze beleven vreugde aan die enorme tegenstelling.
Als dát geen mysterie is!

Ik teken niet graag portretten in het openbaar.
Ik word dan telkens geconfronteerd met de ijdelheid van mensen, met hun onvermogen om naar zichzelf te kijken.
Ik vind dat zo … klein.
Ik herinner me nog dat ik ooit een beeldschoon meisje tekende.
Ik geniet buitengewoon van vrouwelijk schoon en ik had zodanig m’n best gedaan om die schoonheid in de verf te zetten dat ik dacht: slijmerd die je bent!
Maar toen ik het resultaat liet zien, was het meisje in shock.
Zie ik er zó uit? vroeg ze met een blik vol verbijstering.
Ik kon op mijn beurt niet anders dan verbijsterd zijn.
Wat voor beeld had dat wicht wel van zichzelf?
Opeens begreep ik iets van het luciferische lijden van vrouwen.
Ergens zit er bij hen altijd het bewustzijn dat ze bekeken worden.
Ze willen dat heel erg, maar ze zijn er tegelijk heel bang voor.
Iedere kunstenaar kent dat verschijnsel: je wilt graag dat je werk gezien wordt, maar tegelijk ben je als de dood voor kritiek.
Vrouwen zijn, in hun fysieke verschijning, kunstenaar en kunstwerk tegelijk.
Een zwaar leven, beslist.

Het kost mannen minder moeite om naar zichzelf te kijken.
Hun kijken is dan ook afstandelijker, minder betrokken.
Als ik bijvoorbeeld iemand teken, verbreek ik innerlijk elke persoonlijke band.
Mijn kijken wordt ‘klinisch’: ik kijk naar een vreemde.
Vooral met kinderen is dat moeilijk, en met baby’s komt er zelfs geweld aan te pas.
Het is dan een gevecht-met-de-engel: ik moet me hevig verzetten tegen de ongelofelijke aantrekkingskracht van dat kinderlijke wezen.
Maar het is de voorwaarde om me te kunnen concentreren op het Ik-wezen zoals het zich uitdrukt in de fysieke verschijning.

Dit afstandelijke, objectieve kijken is uitgesproken mannelijk.
Ik ken dan ook geen vrouwelijke karikaturisten.
Ze moeten zich te veel geweld aandoen om afstand te kunnen nemen van het zielegebied. Ze duiken daar veel te graag in onder: dat is hun ‘liefdevolle’ aard.
Mannen zijn bijlange niet zo liefdevol.
Dat wordt hen door de hedendaagse feministen wel ingepeperd, zelfs in die mate dat ze als het ‘slechte geslacht’ worden weggezet, dat alleen maar in staat is om te vernietigen en geweld te gebruiken.
Deze fanatieke feministen verkijken zich niet zozeer op de man dan wel op de mens als een Ik-wezen.
Ze begrijpen niet dat die extreme mannelijkheid – dat gewelddadige afstand nemen – nodig is om het Ik te leren kennen.
Op fysiek gebied herkennen we die extreme mannelijkheid in de gewelddadige krachten die bij de geboorte moeder en kind scheiden.
Onder de druk van al dat ‘mannelijke’ geweld verandert de persoonlijke, egoïstische en luciferische liefdevolheid van het meisje in de bovenpersoonlijke, onzelfzuchtige en christelijke liefdevolheid van de moeder.

Zo’n geboorte – een vrouw die geteisterd wordt door extreem-mannelijke scheidende krachten – is in feite het fysieke oerbeeld van de kunst.
Ook de kunstenaar moet zijn (vrouwelijke) scheppende krachten onderwerpen aan de (mannelijke) oordeelskrachten, anders komt hij nooit tot kunst.
Echte kunst bezit altijd de kwaliteiten van het kind.
Alle grote kunstenaars zijn Grote Kinderen.
Het zijn volwassen kinderen die het mannelijke en het vrouwelijke in zichzelf tot vruchtbare samenwerking hebben gebracht.
Maar daarmee is het geboorteproces niet afgelopen.
Een kind dat zonder ongelukken geboren wordt, is natuurlijk al een succes op zich.
Maar daarna moet het nog opgroeien, want vanuit zichzelf kan het nog niks.
Het IS er alleen.
Het moet nu nog WORDEN.

Ik heb me al vaak afgevraagd waarom ik gedwongen word mijn ‘kinderen’ in het openbaar te baren.
Ik heb er een hekel aan om naar foto’s te werken, zoals de meeste karikaturisten doen.
Ik heb het contact met een levend mens, met een Ik nodig.
Maar waar vind je dat nog!
Ik droom er al m’n hele leven van om slechts één enkel mens te tekenen of te schilderen.
Een beetje zoals Rubens, die zijn hele leven slechts één vrouw heeft geschilderd: Hélène Fourment.
Hij schilderde haar reeds voor ze geboren was.
Weliswaar heeft hij prachtige portretten gemaakt van zijn eerste vrouw, Isabella Brant, maar het vrouwengezicht dat telkens weer terugkeert in zijn werk is dat van de mooie Helena.
Daar droom ik dus al m’n hele leven van: ik en een mooie Helena in een atelier.
En met ‘mooie Helena’ bedoel ik niet zomaar een knappe vrouw.
Nee, ik bedoel een vrouw die ik elke dag opnieuw wil tekenen en schilderen.
Er zijn namelijk mensen die zo’n voortreffelijk model zijn dat het is alsof ze zichzelf tekenen en je alleen maar het potlood of het penseel hoeft vast te houden.
Je maakt een tekening dan werkelijk samen, en dat is een onbetaalbare ervaring, een puur genot.
Heel af en toe heb ik zo iemand op mijn stoel gehad, en dan dacht ik: kon ik haar maar m’n hele leven tekenen!
Daarachter schuilt het verlangen om iemand – tekenend en schilderend – zo goed te leren kennen dat je haar als het ware van binnenuit kunt tekenen of schilderen, dat je haar kunt tekenen door haar te wórden.
Helaas, de vervulling van dat verlangen (en de resultaten die daaruit zouden zijn voortgevloeid en die van een heel andere orde zouden zijn geweest dan wat ik nu maak) stond niet ingeschreven in mijn karma.
In plaats van één mens heb ik duizenden mensen getekend.
In plaats van een atelier was de drukke straat mijn actieterrein.
In plaats van alleen en van geen mens gestoord, heb ik altijd met een publiek gewerkt.
In plaats van een gerespecteerd kunstenaar ben ik een soort marktattractie geworden die mensen aan het lachen brengt.

Waarom?

Ik kan me soms niet van de indruk ontdoen dat ze ‘ginder boven’ begiftigd zijn met een nogal kras gevoel voor humor.
En dat gevoel voor humor is volgens mij nieuw.
Het maakt deel uit van de Nieuwe Mysteriën.
De gedachte die bij me opkomt, is namelijk die van de openbaarmaking van het scheppingsproces, het ‘open baren‘ zeg maar, een proces dat tot voor kort plaatsvond in de beslotenheid van het atelier, far from the madding crowd.
De impressionisten waren de eersten die deze ‘esoterische’ beslotenheid doorbraken, buiten gingen schilderen en de kunst weer kinderlijk en opgewekt maakte .
Daarop volgde de ahrimanische contra-revolutie: de kunstenaars sloten zich meer dan ooit op in hun atelier.
Een en ander resulteerde in de troebele vermenging van esoterie en exoterie, van atelier-beslotenheid en publieke openbaarheid, die we kennen als de performance.
Deze performances zijn vreselijke karikaturen van het scheppingsproces, maar er gaat een grote fascinatie vanuit omdat het kind-in-de-mens dit proces instinctief herkent.
Het is zijn eigen geboorteproces.
Maar het wordt op een verschrikkelijke manier misvormd door de intellectualistische Ahriman die de kunstwereld helemaal in zijn greep heeft.

Ik heb deze intellectualistische Ahriman nooit toegang verleend tot mijn tekenen.
Never.
En dat heeft hij me betaald gezet.
Hij heeft me de toegang versperd tot de kunstwereld.
Hij heeft me – letterlijk en figuurlijk – op straat gezet.
Maar zoals het vaak gaat: daardoor deed hij precies wat nodig was.
Althans daar ga ik vanuit.
Je doet niet een heel leven dingen die niet in je karma ingeschreven staan.
Trouwens, als ik karikaturen teken, als ik de ene na de andere mens teken, terwijl de zon schijnt en er om me heen gelachen wordt, dan voel ik me in mijn element.
Hoe vreemd dat ook klinkt uit de mond van een (halve) autist, het zijn de momenten waarop ik me het meest mezelf voel.
En dat heeft niks te maken met in de belangstelling staan, want daar hou ik helemaal niet van.
Two is voor mij company, maar three is a crowd.
En ik hou niet van menigten, want daarin kan ik mezelf niet zijn.
Maar oog in oog met mijn model, in dát gezelschap voel ik me helemaal thuis.
Kijkend naar een menselijk gelaat: meer heb ik niet nodig.
En dan mag er nog zoveel volk staan kijken, het maakt me niks uit.
De hele wereld bestaat dan nog alleen uit mijn model, ikzelf en de wordende tekening tussen ons in.
Alles speelt zich af onder ons drieën.

Zeker, het is leuk als mensen vol bewondering zijn voor mijn werk.
Maar ik weet goed genoeg wat die bewondering waard is.
Verleden week bijvoorbeeld was het bewondering alom.
Jaja, dacht ik bij mezelf, wacht maar tot ze moeten betalen!
Ik was er helemaal niet gerust in.
Zeker, destijds op de Gentse Feesten had ik soms ook geen tijd om te eten.
Maar de Brugse folkloremarkt is heel iets anders dan de Gentse Feesten.
En dat bleek.

Nadat ik Marianne getekend had, gebeurde er … niets.
Verleden week verdrongen ze zich nog om zich te laten tekenen, vandaag verscheen er nauwelijks leven in hun blik.
Ik was er niet goed van.
Ik had me er zo op verheugd weer mensen te kunnen tekenen. Als het kon, zou ik dat met plezier gratis gedaan hebben, maar niemand diende zich aan.
Wat een opdonder!
Lag het aan het weer?
Een klassieke vraag onder marktkramers.
Verleden week was het nog volop zomer.
Dit weekend was het al volop herfst.
Er hing een landerige atmosfeer.
Nochtans verkocht Marianne goed, en ook elders veranderden er heel wat euro’s van eigenaar.
Maar aan mijn kraam was het de dood in de pot.

20140921-191830.jpg

Wat moest ik doen?
Ik ben niet iemand die mensen aanklampt en hen in mijn stoel praat.
Niets ligt me verder dan dat.
Nochtans besloot ik na lang aarzelen, om het heft nog eens in eigen handen te nemen.
Ik stapte op het dochtertje van één van m’n buren af, een meisje van een jaar of acht dat zich op een bank zat te vervelen terwijl papa aan het werk was.
Ik vroeg: zou jij niet eens voor me willen poseren zodat ik je kan schilderen?
Het kind keek me met grote ogen aan en knikte woordenloos van ja.
Het kwam ietwat verlegen op m’n stoel zitten en ik ging aan de slag, opgelucht dat ik iets kon doen.
Maar opnieuw aarzelde ik tussen karikatuur en portret.
Wat was dat toch!
Met veel moeite kreeg ik het kind op papier.
Op een gegeven moment stond de moeder achter me.
Ze maakte zich boos op het meisje: ik had je toch gezegd dat je niet verder mocht dan die bank!
Waren ze het kind kwijt geweest?
Ik voelde me als een halve kinderlokker.
Ik had er niet aan gedacht iets aan de ouders te vragen.
Ik had het kind de hele ochtend heen en weer zien lopen op de markt, en ging ervan uit dat het daar kind aan huis was.
Blijkbaar was mijn initiatief niet zo’n best idee.
Het leverde ook niks op.
Niemand besloot om zich te laten tekenen.
Toen het vriendinnetje van mijn model me kwam vragen ‘hoeveel het kostte’, zei ik dan ook: voor jou niks!
Dat liet het meisje zich geen twee keer zeggen.
En opnieuw kreeg ik het moeilijk.
Kinderen tekenen is sowieso altijd een gevecht (met hun engel), maar nu moest ik ook nog vechten met zaken waarmee ik niet wilde vechten.
Zoals: hoe krijg ik ook andere mensen in mijn stoel?

20140921-191923.jpg

Doorgaans helpt het als ze mij zien tekenen, maar gisteren hielp het niks.
Het huilen stond me nader dan het lachen.
De gedachte dat ik iedere keer zo aan de kar zal moeten sleuren, benam me de moed.
Ik wist: dat houd ik nooit vol.
Maar ik wist ook dat ik het niet zou volhouden als ik m’n prijzen – 25 euro voor een zwart-wit portret en 50 euro voor een portret in kleur – liet zakken.
Niemand houdt dat vol.
De meeste – zeg maar alle – karikaturisten of portrettekenaars die in het publiek werken, tekenen telkens weer hetzelfde gezicht, met een paar kleine variaties.
Ze hebben geen andere keuze.
Als ze doen zoals ik, en zich telkens weer in een ander mens verdiepen, dan kunnen ze er onmogelijk een broodwinning van maken, hoe goed ze ook zijn.
Daarom werken de meesten naar foto’s en voor tijdschriften, iets wat ik niet wil.

Eigenlijk is er maar één oplossing voor mijn probleem, en dat is het gewaarborgd basisinkomen.
Ik wil helemaal geen geld verdienen met mijn werk.
Ik vind het vreselijk om prijzen te plakken op mijn tekeningen of schilderijen en er koopwaar van te maken.
Dat went nooit.
Ik heb me dan ook nooit schuldig gevoeld omdat ik ‘van den dop’ leefde en intussen alleen maar tekende of schilderde of schreef.
Zo hoort het eigenlijk: een mens moet betaald worden om te leven, niet om te werken.
Als ik soms lees of hoor wat jonge mensen tegenwoordig moeten doen om aan een job te raken, en als ik soms lees en hoor wat die jobs inhouden, dan denk ik: dit is wraakroepend!
Dat ontwikkelde, opgeleide en werklustige jonge mensen gereduceerd worden tot bedelaars in een wereld die bulkt van het geld, dat is een situatie die schreeuwt om gerechtigheid.
En die gerechtigheid komt nu in de zwartgemaskerde wraakgodin ISIS.
Wat haar volgelingen tot terreur drijft, is het feit dat ze niks kunnen doen met hun scheppende krachten.
Wiens schuld dat is, doet er niet toe.
Alle jonge mensen bevinden zich vandaag in meer of mindere mate in dezelfde situatie: hun scheppende krachten worden zodanig aan banden gelegd dat ze veranderen in vernietigende krachten.
In het Westen richten die krachten zich vooral tegen zichzelf, in de moslimlanden richten ze vooral op anderen.
Maar het basisprobleem is hetzelfde: nergens krijgen jonge mensen nog de kans om te worden wie ze willen zijn.

Een bekende wereldreiziger zei ooit dat het grootste probleem dat hij op zijn reizen was tegengekomen jongeren waren die niets omhanden hadden.
Dat is een echte tijdbom, zei hij.
Wel, vandaag begint die tijdbom te ontploffen, en ik mag er niet aan denken welke kettingreactie ze zal veroorzaken.
Onlangs las ik ergens de titel: de Europese strijd wordt buiten Europa uitgevochten.
En zo is het.
Al dat eindeloze geweld in het Midden-Oosten is de strijd die Europa NIET uitvecht: een geestelijke strijd, een strijd om de geboorte van het Ik.
Ik heb gisteren – weer eens – ondervonden wat die strijd inhoudt.
Iedereen moedigt me aan om vol te houden, maar niemand begrijpt precies waarom.
Hoogstens voelt men het instinctief aan, zoals kinderen aanvoelen wat ik doe wanneer ik (hen) teken.
Maar dat is niet genoeg meer.
Het kinderlijke, instinctieve weten moet een bewust weten worden.
De mens moet zich bewust worden van die strijd om het Ik.
Hij moet bewust ‘arbeiden’, anders wordt zijn geboorte een verschrikking.

Uiteindelijk is dát de (onbezoldigde) arbeid die ik lever: de arbeid van een vrouw op de verlostafel.
Maar dan op etherisch in plaats van fysiek vlak.
Daarom is die arbeid nog veel vrouwelijker.
Daarom vraagt hij ook om een veel mannelijker bewustzijn: het soort bewustzijn dat je ontwikkelt als je een karikatuur tekent en je helemaal afsluit van het persoonlijke en liefdevolle.
Er is weinig persoonlijks en liefdevols aan een vrouw ‘in arbeid’.
Ze offert als het ware haar lichaam op het altaar van de geboorte.
Een kunstenaar doet hetzelfde, maar dan op een ander vlak.
Hij wil niets anders dan dienstbaar zijn: alles staat in functie van zijn kunst zoals alles bij de moeder in functie van haar kind staat.
Voor die kunst moet alles wijken, alles offert hij ervoor op.

Maar de tijd van het onbewuste offer is voorbij.
In onze tijd moet het bewust gebracht worden.
En hoe moeilijk dat is, ondervind ik nu.

Ik ben vandaag niet naar Brugge gegaan.
Ik kon het niet meer opbrengen om daar nog eens een dag te moeten bedelen, zonder iets in m’n bekertje te krijgen.
Ik voel me trouwens ziek, ik heb een behoorlijke klap gekregen.
Ik probeer nu uit alle macht te begrijpen wat me overkomt en waarom het me overkomt. Karmaonderzoek dus.

Toen ik op 13 september besloot om opnieuw mensen te tekenen, voelde ik dat ik het dat weekend moest gebeuren.
Hoe juist dat gevoel was, ondervind ik nu.
Had ik één week gewacht, zou m’n ‘kind’ hoogstwaarschijnlijk dood geboren zijn.
Ik zou gezegd hebben: nee, dit was geen goed idee, dit werkt niet.
Nu heb er echter van geproefd hoe het kán zijn: een prachtige dag met allemaal mensen die getekend willen worden en een markt die voelt dat er iets gebeurt.
Ik kan dat nu niet meer vergeten of opzij schuiven.
Ik moet er iets mee doen.
Maar wat?
Of beter: hoe?
Hoe moet ik de mensen zover krijgen dat ze zich laten tekenen ook als het NIET gratis is.
Het is zeker geen academische vraag.
Maar het is evenmin een louter praktische vraag.
Het is een Ik-vraag.
Ik heb al heel wat raad gekregen, allemaal even goed bedoeld.
Maar ik moet het antwoord zelf vinden.
Mijn Ik kent de oplossing want het heeft mij in deze situatie gemanoeuvreerd.
Maar mijn zelf kent ze nog niet.
Beiden hebben elkaar nog niet ontmoet.
Wat nog ontbreekt, is de tekening tussen beide, dit keer niet op papier maar in de geest.
Ik voel alvast één ding, en dat is dat deze ‘tekening’ – het portret dat ik van mijn Ik probeer te maken – ‘geestig’ blijft, want als ik me laat meesleuren door de ernst en de zwaarte loopt het beslist niet goed af.
Er is geen zwaarte in het Ik, er is alleen vrijheid en blijheid, en de liefde die zich vrijwillig ten dienste stelt van het zelf.
Het aanvaarden van dat offer is evenwel een ernstige tot pijnlijke zaak.
Niemand zet kinderen lachend ter wereld.
Ik ben momenteel dan ook als verdoofd, ik worstel om de mist te doen optrekken, om de zon weer te doen schijnen, de zon van het Ik.
Meer kan ik voorlopig niet doen.
Minder ook niet.

Advertenties