Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

De stoel

20140923-175133.jpg
(Ik zit gewoonlijk in die stoel)

Advertenties

20140923-140401.jpg

20140923-140609.jpg

Karmaonderzoek (2)

Vanaf februari 1924 houdt Rudolf Steiner een hele reeks voordrachten over algemene karmische wetmatigheden en over het karma van enkele historische figuren.
Eind juni, midzomer, acht hij het moment gekomen om te spreken over de karmische achtergronden van de antroposofen zelf.
Daar waren twee redenen voor.
Ten eerste: de menselijke verhoudingen tussen de antroposofen waren zeer gespannen, en Rudolf Steiner meende dat die spanningen alleen konden worden opgelost wanneer er inzicht ontstond in de spirituele achtergronden van de verschillende groeperingen.
Ten tweede: de tijd was rijp om met betrekking tot karma en reïncarnatie concreet te worden. Steiner had al vaak betoogd dat de antroposofie de praktijk van het leven nodig had om de geldigheid van haar inzichten aan te tonen. Dat gold ook voor het karma-begrip: pas wanneer het praktisch werd toegepast, zou het ingang kunnen vinden in de westerse cultuur.

Rudolf Steiner begint zijn voordracht van 22 juni 1924 (de 27ste karmavoordracht) met een oproep tot ernst.

Wanneer we over karma spreken, kijken we binnen in de diepste achtergronden van het bestaan. Alles wat we zien, alles wat we beleven, de hele werkelijkheid waarin we leven berust op het karma.
Waarom bestaat de kosmos? Waarom zijn er sterren, waarom zijn er wolken? Waarom een zon en een maan? Waarom zijn er dieren, planten en stenen? Waarom zijn er beken, rivieren en stromen? Waarom rotsen en bergen?
Omdat de wereld een voorraadkamer is waaruit de goden putten om het karma zichtbaar te maken.
De hele kosmos staat in dienst van het werk van de hiërarchieën aan de mens.
Zij kiezen uit die eindeloze kosmos wat ieder mens te zien krijgt tijdens zijn leven.
Alles berust dus op het karma, tot zelfs de natuurverschijnselen.

We moeten dan ook een gevoel van verantwoordelijkheid ontwikkelen ten opzichte van de karma-inzichten. We spreken hier immers over de meest esoterische zaken.
Sinds de Weihnachtstagung is dat ook aan de orde.
De Antroposofische Vereniging werd toen volledig heropgericht en vernieuwd.
Alles werd anders.
Er moest op een geheel nieuwe manier worden omgegaan met de antroposofische wijsheid.
De oude gewoonten dienden losgelaten te worden.
Wie dus toegeeft aan jaloersheden en onderlinge rancunes of meent de antroposofie wetenschappelijk te moeten bewerken, kan niet op de juiste manier over het karma nadenken.
Er moet een nieuwe, gemeenschappelijke geest door de hele antroposofische beweging gaan, er moet uit het antroposofische werk een nieuwe esoterische toon spreken.
En die vereist een nieuwe ernst.

Uit deze woorden valt op te maken dat we met de bespreking van het karma, en meer bepaald het karma van de antroposofen, een nieuw gebied betreden dat van ons een nieuwe instelling vraagt.
Het ontsluiten van dit gebied was een geweldig waagstuk.
Toen Steiner besloot de Weihnachtstagung – de kerstbijeenkomst van 1923 – samen te roepen, ging het heel slecht met de Antroposofische Vereniging. Ze verkeerde in een diepe crisis en Steiner stond op het punt de hele zaak op te geven en zich met enkele getrouwen terug te trekken.
Uit wat hij zegt over de ‘oude gewoonten’ kunnen we opmaken dat de vereniging verscheurd werd door luciferische hoogmoed enerzijds en ahrimanisch intellectualisme anderzijds.
Ofwel sloten antroposofen zich op in de ‘esoterie’ en vormden ze kliekjes die zichzelf antroposofischer en spiritueler vonden dan anderen.
Ofwel kozen antroposofen radicaal voor de ‘exoterie’ en ontdeden ze de antroposofie van alle esoterie in een poging haar salonfähig te maken.
Slechts weinigen slaagden erin de kerk in het midden te houden.
Deze tweespalt maakt Steiner radeloos, maar in plaats van deze poel van kleinzieligheid en kleingeestigheid te laten voor wat hij was, ging hij er midden in staan.
Hij maakte zichzelf tot het levende bindmiddel tussen beide extremen.

Steiner wist niet of de geestelijke wereld dit paardenmiddel zou accepteren.
De kans was reëel dat de goden zich van hem af zouden keren, want hij had de oeroude wet overtreden die zei dat esoterie en exoterie streng gescheiden moesten worden gehouden.
Op het overtreden van die wet stond sinds oudsher de doodstraf.
Wie mysteriegeheimen onthulde, en esoterie dus exoterisch maakte, moest sterven.
Maar het was niet de fysieke dood die Steiner vreesde, het was de geestelijke dood waarover hij zich zorgen maakte: de mogelijkheid dat ‘de bronnen van de antroposofie zouden opdrogen’ zoals hij het zelf uitdrukte.
Als de goden zijn ‘wetsovertreding’ niet hadden geduld, dan zou er een eind zijn gekomen aan de antroposofie. Ze zou samen met de vereniging ten gronde zijn gegaan en zijn hele levenswerk zou voor niets zijn geweest.
Dat was het kwellende dilemma waar Steiner toen voor stond: zou hij zich terugtrekken en het antroposofische wijsheidsgoed op de oude esoterische wijze behoeden zodat het niet verloren ging, of zou hij alles in de weegschaal werpen met het risico dat hij alles kwijt zou raken?

Het was niet zomaar een persoonlijk dilemma: Steiner had de antroposofie niet uitgebouwd voor zijn eigen eer en glorie. Wel integendeel, hij had zichzelf helemaal weggecijferd om te kunnen doen wat de wereld nodig had: het bewust leren kennen van de wereld van de geest, het vinden van een uitweg uit het materialisme.
Toen Julius Schroër niet opgewassen bleek tegen die taak, rustte de hele verantwoordelijkheid op de schouders van Rudolf Steiner.
Van hem, en van hem alleen, hing de voortgang van de menselijke bewustzijnsontwikkeling af.
Het was die verpletterende verantwoordelijkheid waarmee Steiner in het crisisjaar 1923 worstelde: er hing ontzettend veel af van wat hij zou doen.
In feite lag het lot van de mensheid in zijn handen.

We kunnen ons geen voorstelling maken van de grenzeloze eenzaamheid van deze man.
Hij werd in de steek gelaten door zijn leerlingen en de geestelijke wereld zweeg.
De goden konden op dit beslissende moment niet ingrijpen zonder de vrijheid van de mens teniet te doen.
Ademloos keken ze toe.
Zou de mens waar maken waar ze hem gedurende aeonen op hadden voorbereid?
Zou er op zijn minst één iemand zijn die – op eigen kracht en uit vrije wil – datgene deed wat moest gebeuren opdat de ontwikkeling van de mens verder zou kunnen gaan?

Die noodzakelijke vrije daad bestond erin dat Rudolf Steiner zich verzette tegen de goden, dat hij De Wet overtrad die ze sinds oeroude tijden hadden ingesteld.
Als esotericus mocht hij zich niet inlaten met een exoterische vereniging.
Hij was dan ook geen lid van de Antroposofische Vereniging die hij zelf had opgericht.
Maar hij zag dat deze vereniging ten gronde ging en dat de antroposofie geen ‘schaal’ meer zou hebben waarin ze bewaard zou kunnen worden.
Ze zou verspild worden, ze zou verdampen en weer ‘ten hemel’ stijgen.
Wat moest hij doen?

Steiner besloot alles op alles te zetten.
Hij maakte zichzelf tot schaal voor de antroposofie.
Tot dan had hij alleen de inhoud verzorgd, het wijsheidsgoed.
Nu nam hij ook de vorm op zich.
Hij verbond zich met de vereniging, hij werd haar voorzitter.
De man die zichzelf tot spreekbuis van de goden had gemaakt en onmetelijke geestelijke schatten op aarde had gebracht, maakte zich nu tot dienstknecht van de mensen.
Hij nam de verantwoordelijkheid op zich voor de meest onbenullige zaken, zoals het ondertekenen van de lidmaatschapskaarten.
Hij maakte zich ook aansprakelijk voor het gedrag van de ruziemakende leden van zijn vereniging.
Hij nam hun zonden op zich.
Hij deed met andere woorden hetzelfde als Christus.

Maar is dat niet juist de grootste blasfemie die een mens kan begaan: denken dat hij Christus kan imiteren? Denken dat hij de wet kan overtreden ‘omdat Christus dat ook gedaan heeft’?
Steiner was in al zijn grootheid nederig genoeg om te beseffen dat hij maar een mens was, dat hij zich kon vergissen, en dat vergissingen op dit niveau enorme gevolgen kunnen hebben.
Hij hield dus de adem in na de Weihnachtstagung, want er stond ontzettend veel op het spel.
Had ooit een mens zoveel verantwoordelijkheid gedragen?
Had ooit een sterveling zo’n zwaarwegende beslissing moeten nemen?

Ik denk dat we in dit licht de verantwoordelijkheid moeten zien waartoe Steiner oproept in deze karmavoordracht.
Er staat veel op het spel.
We moeten ons maar eens proberen voor te stellen wat het zou betekenen voor de wereld als de moderne mens geloofde dat het met de dood niet afgelopen is, en dat alles wat hij in dit leven goed of verkeerd doet, terugkeert in een volgend leven.
Het zou wellicht de Grootste Revolutie ooit zijn.
Spreken over karma mag dus niet licht worden opgevat.
Het vergt eenzelfde soort verantwoordelijkheidszin als Steiner zelf opbracht toen hij de Wet verbrak en esoterie met exoterie verbond.

Hij begint deze 27ste voordracht dan ook met een ietwat intimiderende waarschuwing: niets van wat hij hier zegt mag op een andere manier voor een publiek uitgesproken worden dan door een letterlijke herhaling van zijn woorden.
Een vrije weergave is uitgesloten.
Ieder die het besprokene aan een of ander publiek wil doorgeven, moet eerst toestemming vragen aan Rudolf Steiner zelf.
Dat is even slikken.
Maar Steiner verzacht meteen zijn strengheid.
Alles is in orde, zegt hij, als antroposofen zich ten volle bewust zijn van de moeilijkheden die gepaard gaan met het spreken over karma.
Welke moeilijkheden dat precies zijn, is niet meteen duidelijk.
Steiner spreekt enerzijds over het feit dat men een reeks (karma)voordrachten eigenlijk van begin tot eind zou moeten bijwonen, en anderzijds over kleinzielige gewoonten zoals jaloezie en persoonlijke rancunes.
Hij lijkt daarmee te wijzen op de luciferische en ahrimanische gevaren en op de noodzaak om daartussen het gulden midden te bewaren.
Even later maant hij zijn toehoorders aan om wat hij zegt niet met het verstand te begrijpen maar met het gevoel.
Hij wil dat zijn woorden door het hart worden opgenomen.
Want, zegt hij, wie niet diep wordt aangegrepen door de karmische verbanden die hier ter sprake komen, die kan in geen enkel opzicht karma bestuderen.

Dat klinkt al heel anders dan de eerste strenge waarschuwing.
Die was blijkbaar nog bestemd voor de ‘oude’ antroposofen, de antroposofen die verdeeld waren in (esoterische) denkers en (exoterische) doeners.
Wilden zij over karma spreken, dan moesten ze dat via Rudolf Steiner doen.
Voor de ‘nieuwe’ antroposofen lag dat anders, zij namen de karma-inhouden op in hun hart en beseften heel goed hoe moeilijk het was esoterie en exoterie met elkaar te verbinden.
Steiner maant de antroposofen dus aan om zichzelf te vernieuwen zoals ook de Antroposofische Vereniging sinds de Weihnachtstagung vernieuwd is.
Hij spoort ze aan om de tweespalt tussen denken en doen te overwinnen en zich te concentreren op het midden, op het hart.
Karma is geen intellectuele aangelegenheid en het is evenmin iets wat je zomaar eventjes doet.
Het is iets dat uit het hart moet komen en met de hele ziel moet worden beleefd en begrepen.
Dat is de nieuwe gemeenschappelijke geest die door de antroposofische beweging moet gaan: antroposofie mag geen louter studieonderwerp blijven, maar het mag ook geen louter praktische zaak worden.
Het moet in de eerste plaats een hartsaangelegenheid worden.

Steiner verwijst daarmee ongemerkt naar zichzelf.
Toen hij het besluit nam om de Wet te overtreden en zich persoonlijk te verbinden met de (exoterische) Antroposofische Vereniging deed hij dat niet uit rationele overwegingen. Hij deed het evenmin omwille van de praktische resultaten die hij daarmee zou boeken.
Hij deed het louter uit liefde.
Het was een daad die uit zijn hart opwelde, uit zijn zuivere, onzelfzuchtige hart.
We lezen in de voordrachten die hij na de Weihnachtstagung hield dan ook voortdurend de oproep om vanuit het hart tot het hart te spreken.
Als dat gebeurt, dan spreken we goed.
Ook over het karma, vooral over het karma.

Karma is werkzaam in alles wat mensen meemaken, het gaat alleen schuil achter de uiterlijke gebeurtenissen.
Een biografie vermeldt gewoonlijk alleen deze zichtbare gebeurtenissen.
Zij beschrijft wat er overdag in iemands leven gebeurd is.
Maar ze zegt niks over wat er ’s nachts gebeurd is, als de mens slaapt en in de geestelijke wereld vertoeft.
Dan wordt namelijk het karma gevormd en beleefd.
De nacht is karma-tijd.
Van zodra de mens inslaapt, begint zich meteen karma te vormen.
Alles wat wij beleefd hebben, alles wat wij gedacht hebben, alles wat we aan kwaad of goed gedaan hebben, begint zich om te zetten in de karmische ontwikkelingsstroom.
Zo begint de slaap.
Later duiken we onder in ons vorige leven, en daarna in het leven daarvoor, en zo verder tot helemaal aan ons eerste leven.
Pas dan kunnen we weer wakker worden.
Het vreemde is dat dit ook gebeurt tijdens een kort dutje, bijvoorbeeld wanneer we indommelen tijdens een antroposofische voordracht (het voorbeeld is van Steiner zelf).
In sneltreinvaart doorlopen we dan al onze levens.

Steiner geeft dit als voorbeeld van hoe het karma, ons hele karma, voortdurend aanwezig is, zij het niet bewust.
Hij voegt er een beschouwing bij over het inslapen en ontwaken.
Het bestuderen van wat er dan gebeurt, zegt hij, behoort tot de moeilijkste opgaven van de geesteswetenschap.
En hij beschrijft hoe de mens tijdens het inslapen zijn lichaam via het hoofd verlaat en het bij het ontwaken weer binnenkomt via de handen en de voeten.
Dat gaat heel geleidelijk, in die zin dat de mens pas ’s avonds helemaal in zijn lichaam zit en er pas tegen de morgen helemaal uit is.
Eigenlijk is de mens voortdurend aan het incarneren en excarneren. Het is één doorlopende beweging tussen lichaam en geest, een voortdurend in elkaar overvloeien.

Op die manier zou de biografie van een mens ook moeten geschreven worden: als een onafgebroken door elkaar weven van lichaam en geest, van zichtbaar en onzichtbaar, van toeval en karma.
Zoiets is in onze huidige cultuur alleen maar mogelijk via de stijl, via de manier van beschrijven dus.
Als we bij iedere concrete gebeurtenis zouden vertellen hoe ze samenhangt met het karma van de desbetreffende persoon, dan zou dat een dorre abstractie zijn.
‘Veel mensen, aldus Steiner, zouden waarschijnlijk heel sensationeel vinden, maar het zou werkelijk niet spiritueler zijn dan de kortzichtige biografieën die we tegenwoordig lezen en die geschreven zijn door mensen die geen benul hebben van het karma’

Steiner geeft hier een hint van hoe we het karma moeten benaderen: op een kunstzinnige manier.
Het geeft geen pas dat we concrete gebeurtenissen en hun karmische betekenis naast elkaar zetten: dat is een ahrimanische abstractie.
We moeten die gebeurtenissen zodanig beschrijven dat de karmische draden voelbaar worden.
Hier duikt weer Steiners hoofdbekommernis op: karma moet tot het hart spreken.
Op een andere manier komen we het niet op het spoor.
Wat het hart niet aanspreekt, wat de mens niet diep aangrijpt, zet ons op dwaalsporen.
Ik ken in onze vereniging, zei Steiner ooit, minstens vijf mensen die er allemaal van overtuigd zijn de reïncarnatie van Maria Magdalena te zijn.
Hij stak bij momenten stevig de draak met de luciferische nieuwsgierigheid naar vorige levens of de ahrimanische bekrompenheid waarmee karmische zaken benaderd werden.
Een kunstzinnige benadering is noch intellectualistisch noch egoïstisch.
Ze is in wezen driegeleed.
Ze ziet het zichtbare als een manifestatie van het onzichtbare en maakt de relatie tussen beide zichtbaar.
Haar inhoud is dus concreet, maar haar vorm is geestelijk.
En die inhoud en die vorm worden verenigd tot iets nieuws: een kunstwerk.

Karma is een kunstwerk en zo moet het ook benaderd worden.
Wie een kunstwerk alleen met zijn verstand benadert, ziet doodeenvoudig geen kunstwerk.
Hij ziet alleen de materiële buitenkant en daarin is het karma onzichtbaar.
Pas wanneer we het leven met ons hart bekijken, wordt de kunstzinnige, karmische dimensie ervan zichtbaar.
We mogen het karma dus zeker niet benaderen zoals we hedendaagse kunst benaderen, dat wil zeggen: door ons hart het zwijgen op te leggen en te speculeren over wat het kunstwerk zou kunnen betekenen.
Daar komen we trouwens nooit achter, want Hedendaagse kunst hééft in de regel geen betekenis.
Ze is door en door dualistisch: (geestelijke) inhoud en (materiële) vorm staan volkomen los van elkaar.
Er is geen verbindend element, er is geen hart.
We kunnen deze kunst dan ook niet met ons hart benaderen, dat is veel te pijnlijk.
We komen dan immers tegenover het Niets te staan, niet in zijn negatieve vorm, als de afwezigheid van Iets, maar in zijn positieve vorm, als een actief ver-niet-igende kracht.
Daar deinzen we instinctief voor terug: we sluiten ons hart hermetisch af en vluchten naar ons verstand.
En we weten niet beter of dát is de moderne manier om kunst te benaderen.

Het is verhelderend om die twee eens naast elkaar te plaatsen: de Hedendaagse kunst en de Grote Kunst van het karma.
Groter tegenstelling bestaat er niet.
De Hedendaagse kunst is als het ware de artistieke belichaming van oude tweespalt tussen esoterie en exoterie.
Wanneer Joseph Beuys één van zijn performances houdt, dan is dat een openbaar gebeuren dat gefilmd wordt en de wereld rondgaat. Tegelijk is het echter een onmiskenbaar esoterisch gebeuren, met vreemde sacrale gebaren en rituelen.
Tussen beide loopt evenwel een scherpe grens.
De buitenstaander, die de hele performance bekijkt als een publiek gebeuren en dus deel van het gewone leven, komt nooit achter de esoterische betekenis ervan.
Die blijft voor hem als niet-ingewijde volstrekt ontoegankelijk.
Pas wanneer hij de grens overschrijdt en ingewijd wordt in de antroposofische geheimen die de achtergrond vormen van Beuys’ werk, kan hij de betekenis van de performance doorgronden.
Normaliter zou hij die grens opnieuw in de andere richting moeten (kunnen) overschrijden om de buitenstaanders-die-er-niks-van-begrijpen te helpen zodat ook zij deel kunnen hebben aan de geestelijke rijkdom van Beuys’ kunst.
Maar wat kan hij die buitenstaanders vertellen?
Hij weet (als ex-buitenstaander) hoe de performance er ‘van buiten’ uitziet.
Hij weet (als ingewijde) ook hoe ze er ‘van binnen’ uitziet.
Hij kent met andere woorden materie én geest.
Maar hij heeft geen flauw idee hoe die twee samenhangen.
Dát hebben de ‘ingewijden’ hem niet verteld.
Daar houden ze zich niet mee bezig.
Het verband tussen buiten en binnen, tussen exoterie en esoterie is niet hun zorg.
Zij zijn alleen met de esoterie bezig.
Aan de andere kant van de grens zijn ze alleen met exoterie bezig.
Het verband tussen beide werelden is ook daar geen bekommernis.
En dus is het niémands zorg en drijven beide werelden steeds verder uit elkaar.

Dit is een beschrijving van hoe het er in de Hedendaagse Kunst aan toe gaat.
Helaas is het ook een beschrijving van hoe het er in de antroposofische wereld aan toe gaat.
Geen wonder dat die twee het zo goed met elkaar kunnen vinden: ze weerspiegelen en bevestigen elkaar.
Geen wonder ook dat het karmaonderzoek tot op de dag van vandaag een dode letter blijft.
Door zich met de Hedendaagse Kunst te associëren, door haar geest en haar gebruiken over te nemen, wijst de antroposofische wereld de Weihnachtstagung af.
Ze keert terug naar de Oude Mysteriën en hun strenge scheiding tussen exoterie en esoterie.
Ze wendt zich af van Rudolf Steiner, die in zijn eentje deze grens overschreed en de Nieuwe Mysteriën proclameerde.
Ondanks alle dikke boeken die er over de Weihnachtstagung geschreven zijn, blijven deze Nieuwe Mysteriën onbegrepen.
Ze kunnen dan ook niet met het verstand worden benaderd.
Ze kunnen alleen met het hart worden benaderd, een hart dat zich niet de mond laat snoeren door oude, achterhaalde esoterie, maar dat zichzelf durft te zijn en de wereld benadert zoals hij benaderd wil worden: als een kunstwerk, als een gigantisch karmisch kunstwerk.

Habt doch endlich einmal die Courage
euch den Eindrucken hinzugeben,
euch ergötzen zu lassen,
euch rühren zu lassen,
euch erheben zu lassen,
ja euch belehren und entflammen zu lassen.

(Goethe)

20140923-113356.jpg